Chapter 11 of 50 · 3897 words · ~19 min read

Part 11

Mackwheeble, die kort hierop binnen kwam, weidde nog meer uit over hetzelfde onderwerp. Het gesprek van dezen waardigen heer was zoo geheel in overeenstemming met zijn beroepsbezigheden, dat David Gellatley op zekeren dag zeide, dat zijn gepraat op een dwangbevel tot betaling geleek. Hij verzekerde onzen held, „dat sedert onheugelijke tijden, de vagebonden, dieven, sluikers en geruïneerde lieden in de Hooglanden, op grond van hun familienaam, met elkander in verbinding hadden gestaan tot het plegen van diefstallen, rooverijen en plunderingen op de eerlijke lieden van het lage land, door niet alleen de hand te leggen op al hunne goederen, koorn, rundvee, paarden, schapen, inslag en uitslag, al naar het hunne booze lusten geviel, maar dat ze bij het maken van krijgsgevangenen daarenboven, hen losgeld deden betalen of hen noodzaakten borgen te stellen, zoo zij anders niet weêr in gevangenschap geraken wilden. Dit alles nu was rechtstreeks verboden bij verschillende bepalingen van het wetboek, zoo wel volgens de acte van het jaar vijftien honderd zeven en zestig, als bij verscheidene andere, welke statuten, met alles wat daarop volgde of volgen zou, schandelijk verkracht en veracht werden door gezegde vagebonden, sluikers en te gronde gerichte lieden, die een maatschappij uitraaakten met het voornoemde oogmerk om diefstal, geweld, brandstichting, moord, raptas mulierum, of gewelddadige wegvoering van vrouwen, en dergelijke, als in het wetboek omschreven staan, te plegen.”

Alles wat Waverley zoo even gehoord had, scheen hem een droom toe; hij kon zich maar niet verbeelden dat de geest der menschen zich zoo gemeenzaam kon maken met deze daden van geweld; dat men er over spreken kon als over iets zeer gewoons, hetwelk dagelijks in den omtrek voorviel, en toch was hij de zee niet overgestoken, en bevond hij zich nog op het overigens zoo wel bestuurde eiland van Groot-Brittannië.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

ER DAAGT EEN ONVERWACHTE BONDGENOOT OP.

De Baron keerde tegen etenstijd terug, en had zijn bedaardheid en vroolijkheid bijna geheel en al terug gekregen. Hij bevestigde niet alleen al de verhalen, die Eduard van Rose en Mackwheeble gehoord had, maar voegde er uit zijn eigene ondervinding nog een aantal anecdoten bij, betreffende den staat der Hooglanden en hunne bewoners. Hij verklaarde, dat in het algemeen de hoofden allerfatsoenlijkste lieden van hooge afkomst waren, wier woord door elk die tot hun stam of clan behoorde, als een wet werd beschouwd. „Het betaamde hun volstrekt niet,” zeide hij, „zoo als de voorbeelden er van nog versch in het geheugen waren, hunne prosapia of afkomst, welke voor het grootste gedeelte op de ijdele en dwaze balladen hunner Seannachies of barden berustte, op een en dezelfde lijn te stellen met de sprekende bewijzen van oude charters en koninklijke gunsten in den ouden tijd, aan aanzienlijke huizen in het Laagland door verschillende Schotsche koningen verleend; maar hunne outrecuidance en hunne aanmatiging was zoo groot, dat ze uit de hoogte nederzagen op dezulken, welke in het bezit waren van dergelijke bewijzen, alsof ze hunne landerijen in een stuk schapenvel konden inpakken [55].”

Dit verklaarde, in het voorbijgaan, vrij wel de oorzaak van den twist tusschen den Baron en zijn Hooglandschen gealliëerde. Maar hij ging voort met zoo vele opmerkelijke bijzonderheden omtrent de manieren, gewoonten en eigenaardigheden van dezen aartsvaderlijken volksstam mede te deelen, dat Eduard, wiens nieuwsgierigheid in de hoogste mate werd opgewekt, vroeg of het niet mogelijk was, zonder gevaar een uitstapje in de naburige Hooglanden te doen, welker donkere, bergachtige grenslijn reeds den wensch bij hem had doen geboren worden om die te overschrijden. De Baron verzekerde zijn gast, dat niets gemakkelijker wezen zou, mits deze twist maar eerst bijgelegd was, daar hij zelf hem brieven kon medegeven aan verscheidene aanzienlijke hoofden, die hem met de grootst mogelijke hoffelijkheid en gastvrijheid zouden ontvangen.

Terwijl ze hierover met elkander spraken, werd de deur eensklaps geopend, en leidde Saunders Saunderson een van top tot teen gewapenden Hooglander het vertrek binnen. Ware het niet geweest, dat Saunders de rol van ceremoniemeester bij deze krijgshaftige verschijning vervuld had, zonder in het minst iets van zijn gewone deftigheid te verliezen, en dat noch de heer Bradwardine noch Rose eenige ontroering te kennen gaven, dan zou Eduard zeker in den waan hebben verkeerd dat een vijandelijke inval plaats greep. Hoe het zij, hij ontstelde nu hij voor het eerst een bergbewoner in zijn volle nationale costuum aanschouwde. Deze Schot was een jong mensch van niet zeer groote gestalte, die met zijn donker gelaat er vrij sterk uitzag, terwijl de ruime plooien van zijn plaid niet weinig zijn krachtig voorkomen verhoogden. De korte kilt, of rok, liet zijn gespierde en welgevormde beenen ter helft ontbloot; de geitenvellen tas, aan weerszijden met de gewone wapens, dolk en met staal ingelegd pistool versierd, hingen voor hem; op zijn muts stak een korte veder, hetgeen zijn recht te kennen gaf, om als een „Duinhé-wassel” of soort van edelman behandeld te worden; een breed zwaard slingerde langs zijn lendenen; een schild was op zijn schouder vastgehecht, en hij droeg een lang Spaansch jachtroer in de eene hand. Met de andere nam hij zijn muts af; en de baron, die de gewoonte en de bijzondere wijze om de Hooglanders aan te spreken zeer goed kende, sprak hem onmiddellijk aan met een houding vol waardigheid, maar zonder van zijn zitplaats op te staan, en zoo als Eduard het er voor hield, op de wijze van een vorst die een afgezant ontvangt: „Welkom, Evan Dhu Maccombich; welk nieuws brengt ge mij van Fergus Mac-Ivor Vich Ian Vohr?”

„Fergus Mac-Ivor Vich Ian Vohr,” zeide de afgezant, in goed Engelsch, „laat u, Baron van Bradwardine en Tully-Veolan, groeten. Het spijt hem geweldig, dat zich een zware wolk tusschen u en hem heeft geplaatst, welke u belet heeft de vriendschap en het bondgenootschap te zien en ter harte te nemen, die er tusschen uwe huizen en aanhoorigheden van ouds bestaan hebben. Hij bidt dat de wolk moge wegdrijven, en dat de betrekkingen weer mogen aangeknoopt worden, gelijk ze te voren waren tusschen den clan van Ivor en het huis van Bradwardine, toen er een ei tusschen hen was, in plaats van een vuursteen, en een broodmes in plaats van een zwaard. En hij hoopt dat gij insgelijks zulk zeggen, dat u de wolk hindert, en dat niemand na dezen vragen zal of zij van den heuvel naar het dal afzakte, dan wel van het dal naar den heuvel opsteeg; want zij die nooit gedreigd hebben met de schede, hebben nooit slagen ontvangen met het zwaard, en wee hem die zijn vriend zou willen verliezen om de stormachtige wolk van een lentemorgen.”

Hierop gaf de baron van Bradwardine met gepaste waardigheid ten antwoord, dat hij het hoofd van den clan Ivor als een vriend van den koning kende, en dat het hem leed deed, dat er een wolk tusschen hem en een Heer van zulke deugdzame grondbeginselen was opgekomen; „want,” voegde hij er bij, „als de menschen zich onderling vereenigen, is hij wel zwak die geen broeder heeft.”

Daar dit zeer voldoende scheen, liet de Baron om den vrede tusschen deze twee doorluchtige personen plechtstatig te bevestigen, een flesch brandewijn binnen brengen, en na daarvan een glas gevuld te hebben, ledigde hij het op de gezondheid van Mac-Ivor van Glennaquoich; waarop de Keltische afgezant, om deze beleefdheid te beantwoorden, een geweldige teug van hetzelfde edele vocht naar binnen sloeg, gekruid met zijn goede wenschen voor het huis van Bradwardine.

Nadat op deze wijze de praeliménairen van het algemeene vredesverdrag vastgesteld waren, vertrok de ambassadeur, om met den heer Mackwheeble eenige ondergeschikte punten te regelen, waarmede men het niet noodig achtte den Baron lastig te vallen. Waarschijnlijk hadden deze betrekking op het uitblijven der subsidie, en denkelijk vond de rentmeester middelen, om hun bondgenoot te voldoen, zonder dat zijn meester beducht behoefde te wezen, dat zijn waardigheid in gevaar zou worden gebracht. Het is ten minste zeker, dat, nadat de plenipotentiarissen al gaandeweg een flesch brandewijn hadden geledigd, hetwelk op zulke daaraan gewoon geworden hoofden niet meer uitwerking had, dan of het geestrijke vocht was uitgegoten over de twee beeren, die aan den ingang der oprijlaan stonden. Evan Dhu Maccombich, die zich alle inlichtingen die er maar te verkrijgen waren, betrekkelijk den roof den vorigen nacht gepleegd, had laten geven, zijn voornemen te kennen gaf, om onmiddellijk het vee te gaan nazetten en opsporen, hetwelk, volgens zijn verzekering, „nog niet ver af was.” „Zij hebben het been gebroken,” voegde hij er bij, „maar geen tijd gehad om er het merg uit te zuigen.”

Onze held, die Evan Dhu zijn onderzoek in het werk hoorde stellen, was niet weinig getroffen door de schranderheid, welke hij aan den dag legde in het opzamelen van berichten, en de juiste gevolgtrekkingen, die hij daar uit wist te trekken. Evan Dhu, van zijn zijde, was blijkbaar gestreeld door de oplettendheid van Waverley, en het belang dat hij in zijn nasporingen scheen te stellen, alsmede door de weetgierigheid, die hij met betrekking tot de gewoonten en zeden der Hooglanders aan den dag legde. Zonder veel complimenten noodigde hij Eduard uit, om hem op een korte wandeling van tien of vijftien mijlen in het gebergte te vergezellen, en de plek te gaan zien, waarheen het vee was gebracht; terwijl hij er bijvoegde, „indien het zoo is als ik veronderstel, dan hebt gij nooit in uw leven zulk een plaats gezien, noch zult gij ze ooit zien, tenzij gij met mij of iemand der onzen gaat.”

Onze held, wiens nieuwsgierigheid sterk geprikkeld was door het denkbeeld om het hol van een Hooglandschen Cacus te bezoeken, verzuimde echter niet zich te vergewissen of zijn gids te vertrouwen was. De Baron verzekerde hem, dat de uitnoodiging zeker niet zou gedaan zijn, indien er het minste gevaar te duchten ware, en dat hij niets anders dan een weinig vermoeienis te vreezen had. En daar Evan hem voorstelde om, bij hunne terugkomst, een dag ten huize van zijn opperhoofd door te brengen, waar hij verzekerd kon zijn van behoorlijk verzorgd en bij uitstek welkom te wezen, scheen er niets zeer verschrikkelijks in de onderneming te zijn. Wel is waar verbleekte Rose toen zij er van hoorde spreken; maar haar vader, die de moedige weetgierigheid van zijn jongen vriend toejuichte, deed geen poging om die te matigen, door een ophef van gevaar, dat inderdaad niet bestond; en nadat er een reiszak met eenige weinige benoodigdheden op de schouders van een soort van jager gebonden was, ving onze held zijn tocht aan met een jachtgeweer in de hand, vergezeld door zijn nieuwen vriend Evan Dhu, en gevolgd door genoemden jager en twee Hooglanders, het gevolg van Evan; een hunner droeg op zijn schouder een bijl met een langen steel, een Lochaber bijl [56] genoemd, terwijl de ander een lang ganzenroer met zich voerde. Evan gaf Eduard op zijn vraag te kennen, dat dit krijgshaftig gevolg in geenen deele voor zijn veiligheid vereischt werd, maar alleen, zoo als hij zeide, terwijl hij zijn plaid met zekere deftigheid ophaalde en schikte, om welvoegelijk en gelijk het Vich Ian Vohr’s zoogbroeder betaamde, op Tully-Veolan te verschijnen. „Ha!” voegde hij er bij, „gij zijt zelf een Saksischen duinhé-wassel (een Engelsch edelman), en gaarne zou ik hebben dat gij het opperhoofd, met zijn sleep aan, zaagt.”

„Met zijn sleep aan?” herhaalde Eduard op een toon van verwondering.

„Ja – dat is met al zijn gevolg, wanneer hij zijns gelijken bezoekt, als daar zijn, voer hij voort, terwijl hij stil bleef staan en zich trotsch verhief, en op de vingers de verschillende officieren van zijns chefs hofhouding optelde; „de hanchman of de man die zijn rechterhand is [57]. zijn bard of dichter [58], zijn bladier [59] of redenaar, om aanspraken te doen aan de groote lieden die hij bezoekt; zijn gilly-more [60] of wapendrager, om zijn zwaard en schild en geweer te dragen; zijn gilly-casfliuch, die hem op zijn rug door de moerassen en beken draagt; zijn gilly-comstraine om zijn paard bij den toom te leiden langs steile en moeielijke wegen, zijn gilly-trusharnish, om zijn reiszak te dragen: en de pijper [61] en de pijpersknecht, en misschien nog een dozijn jongelieden, die niets te doen hebben dan den degenriem te dragen, den laird te volgen en de bevelen van hun meester ten uitvoer te brengen.

„En onderhoudt uw opperhoofd al deze lieden geregeld!” vroeg Waverley.

„Al deze,” hernam Evan, „en nog menigen knappen kerel daarenboven, die niet zou weten waar zich te bergen, zonder de groote schuren op Glennaquoich.”

Met dergelijke verhalen van het aanzien van zijn opperhoofd, zoowel in den oorlog als in vredestijd, verkortte Evan Dhu den weg voor Eduard, tot zij meer en meer die trotsche bergen naderden, welke hij tot hier toe slechts op een afstand had gezien. Het was tegen den avond, toen zij een dier schrikverwekkende bergpassen betraden, waardoor de gemeenschap tusschen het hooge en lage land onderhouden wordt. Het pad, dat geweldig steil en ruw was, slingerde tusschen twee ontzettende rotsen, en volgde den weg die een schuimende stroom, welke ver in de diepte bruischte, gedurende den loop der eeuwen zich scheen gebaand te hebben. Eenige flauwe stralen der zon, die juist onderging, beschenen het water in zijn donkere bedding, en maakten het ten deele zichtbaar, verontrust door een honderdtal rotsen, en talrijke watervallen. Het pad liep naar den stroom toe langs een zeer steile helling, en hier en daar zag men een uitstekend stuk graniet of een schrale boom, die zijn uiteengespreide wortelen in de scheuren van de rots had vastgehecht. Aan de rechterhand verhief de berg zich boven het pad, bijna ongenaakbaar; maar aan den overkant was de steile helling met dicht ineen gewassen kreupelhout begroeid, waartusschen hier en daar een enkele pijnboom opschoot.

„Dit,” zeide Evan, „is de pas van Bally-Brough, die in den ouden tijd door tien man van den clan Donnochie tegen een honderdtal Laaglandsche kerels verdedigd werd. De graven der verslagenen zijn nog in dien kleinen kloof aan de overzijde van de beek te zien, – zoo uwe oogen goed zijn, zult gij de groene plekken tusschen de heideplanten kunnen onderscheiden. – Zie, daar is een bruine arend – zulke vogels hebt gij in Engeland niet – hij gaat zijn avondeten van des Barons van Bradwardine’s landen halen, maar ik zal hem een kogel nazenden.”

Dit zeggende brandde hij zijn roer los, maar zonder den trotschen monarch der gevederde stammen te raken, die, zich in het minst niet bekommerende over de mislukte poging om hem te dooden, zijn majestueuze vlucht zuidwaarts voortzette. Duizende roofvogels, haviken, wouwen, gieren en raven, uit hunne nachtrust in hunne schuilplaatsen opgeschrikt, vlogen bij het knallen van het schot op, en mengden hunne schorre en wanluidende stemmen met de echo’s, waardoor ze werden teruggekaatst en met het bulderen der naar beneden schietende bergstroomen. Evan, een weinig verlegen, omdat hij mis geschoten had, terwijl hij juist een bijzondere bekwaamheid aan den dag wilde leggen, verborg zijn verlegenheid onder het fluiten van een pibroch [62], laadde andermaal zijn geweer, en sloeg verder den bergpas zwijgend in.

Deze leidde tot een nauw dal, tusschen twee zeer hooge en met heestergewas begroeide bergen. Zij volgden de beek die altijd langs het pad slingerde, en staken die nu en dan over, bij welke gelegenheden Evan Dhu bestendig de dienst van zijn gevolg aanbood, om er Eduard over te dragen. Maar onze held, die altijd een vrij goed voetganger was geweest, wees die hulp telkens van de hand, en won blijkbaar in de achting van zijn gids, door te toonen dat hij niet bang was voor natte voeten. Hij wenschte inderdaad, zoo veel hij zonder pochen kon, Evan van het denkbeeld af te brengen dat hij van de verwijfdheid der Laaglanders en bijzonder van de Engelschen, scheen te koesteren.

Door de opening van dit dal bereikten ze een zwart moeras van verbazende uitgestrektheid, vol groote kuilen, die ze met vrij wat moeite en niet zonder gevaar overkwamen, langs sporen, welke slechts een Hooglander in staat was te volgen. Het pad zelf, of liever dat reepje meer vasten gronds, hetwelk de reizigers deels over liepen, deels doorwaadden, was ruw, hier en daar afgebrokkeld en op een aantal plaatsen moerassig en niet te vertrouwen. Soms was het zoo slecht, dat ze genoodzaakt waren van het eene heuveltje op het andere te springen, omdat de daartusschen liggende ruimte het gewicht van een mensch niet kon dragen. Dit was een gemakkelijk iets voor de Hooglanders, die dun gezoold voor het doel geschikt schoeisel droegen, en bijzonder vlug ter been waren; maar Eduard begon deze beweging, waaraan hij niet gewoon was, meer vermoeijend te vinden, dan hij verwacht had. De flauwe schemering hielp hen door dit moeras, maar begaf hen bijna geheel, toen zij den voet van een steilen en zeer steenachtigen heuvel hadden bereikt, die door hen moest beklommen worden. De nacht was echter aangenaam en niet donker; en Waverley, die al de veerkracht van zijn ziel te hulp riep, om zijn vermoeid lichaam te schragen, zette zijn marsch moedig voort, ofschoon hij in zijn hart zijn Hooglandsche medgezellen benijdde, die zonder het minste blijk van vermoeienis te geven, den snellen en springenden pas of liever draf volhielden, die hen, volgens zijn berekening, reeds een uur of vijf van hun tocht had doen afleggen.

Na dezen berg overgeklommen en aan de andere zijde naar een dicht woud te zijn afgedaald, beraadslaagde Evan Dhu een oogenblik met zijn Hooglandsche satellieten. Als een gevolg hiervan werd Eduard’s begaadje van de schouders des jachtopzichters op die van een der gillies overgebracht, en de eerste met den anderen Hooglander in een andere richting, dan die der drie overige reizigers, heen gezonden. Toen Waverley naar het doel van deze scheiding vroeg, gaf men hem ten antwoord, dat de Laaglander den nacht in een, omtrent drie mijlen van daar gelegen, gehucht moest gaan doorbrengen; want, indien het geen heel bijzondere vriend was, dan was Donald Bean Lean, de waardige man, dien zij veronderstelden in het bezit van het vee te zijn, er niet zeer opgesteld, dat vreemdelingen zijn schuilplaats naderden. Deze reden scheen allezins billijk, en stilde in Eduard’s hart de opwelling van achterdocht, toen hij zich, op zulk een plaats en zulk een uur, van zijn eenigen Laaglandschen medgezel beroofd zag. En Evan voegde er onmiddellijk daarna bij, „dat het inderdaad best zou wezen, indien hij zelf vooruitging, en Bean Lean hunne nadering aankondigde, daar de komst van een sidier roy (rooden soldaat [63]) voor hem anders een onaangename verrassing zou zijn.” En zonder op antwoord te wachten, liep hij heen, en wel op een drafje, terwijl hij in éen oogenblik uit het gezicht was.

Waverley was nu aan zijn eigene bespiegelingen overgelaten; want zijn nieuwe gids, die met den strijdbijl gewapend was, sprak zeer weinig Engelsch. Zij trokken een dicht, en naar het scheen eindeloos, pijnbosch door, zoodat het onmogelijk was het pad in de hem omringende, zwarte duisternis te onderscheiden. De Hooglander nogtans scheen het, uit instinct, zonder een oogenblik te aarzelen, te kunnen vinden, en Eduard volgde hem zoo dicht hij maar kon.

Na een geruimen tijd stilzwijgend te zijn voortgetogen, kon hij niet nalaten te vragen, „of het einde van hun tocht niet nabij was?”

„Het einde was nog drie, vier mijlen verder; maar als ligt Duinhé-wassel een weinig moede was, kon, dat is mocht, – wilde – Donald den curragh zenden.”

Dit maakte Eduard niet wijzer. De curragh, dien men hem beloofde, kon een man, een paard, een kar of een reiswagen zijn; en meer was uit den man met den strijdbijl niet te krijgen, dan het herhaalde „ja, ja, den curragh”

Maar weldra begon Eduard zijn meening te begrijpen, toen hij bij het verlaten van het bosch, zich op de oevers van een breede rivier of meer bevond, waar zijn geleider hem te verstaan gaf, dat zij zich een poosje moesten nederzetten. De maan, welke nu begon op te komen, toonde hem onduidelijk de groote uitgestrektheid waters, die voor hen lag, en de vormlooze en onbepaalde gedaanten der bergen, waardoor het omringd scheen. De koele en toch zachte zomernachtlucht verfrischte Waverley, na den snellen en moeielijken tocht dien hij afgelegd had; en de geur, dien zij van de zich in den dauw badende berkeboomen [64] aanvoerde, was verkwikkelijk.

Hij had nu overvloedig tijd om zich geheel aan het romaneske van zijn toestand over te geven. Hier zat hij aan den oever van een geheel onbekend meer, onder het geleide van een woesten inboorling, wiens taal hem onbekend was, om een bezoek af te leggen in het hol van een befaamden roover, een tweeden Robin Hood misschien, of Adam o’Gordon [65], en dat wel midden in den nacht, na een aantal bezwaren en vermoeienissen te hebben doorgestaan, gescheiden van zijn knecht, en verlaten door zijn gids. Welk een reeks van omstandigheden, geschikt om voedsel te verschaffen aan een romaneske verbeeldingskracht, nog verhoogd door het plechtige gevoel van onzekerheid, zoo niet van gevaar! Het eenige wat met al het overige niet rijmde, was de aanleiding tot zijn tocht – de koeien van den Baron! Dit prozaïsche feit werd door Eduard zorgvuldig op den achtergrond gehouden.

Terwijl hij zich dus in deze droomen zijner verbeelding verdiepte, werd hij door zijn medgezel zachtjes aangestooten, die hem in eene richting, bijna recht tegenover het meer heen wees, terwijl hij er bijvoegde: „Daar is de plaats!” Waverley zag een klein lichtje in de hem aangewezen richting flikkeren, en, terwijl het langzamerhand in omtrek en kracht toenam, scheen het als een luchtverschijnsel aan den gezichteinder te zweven. Intusschen liet zich in de verte het geplas van roeiriemen in het water hooren. Het regelmatig geluid kwam hoe langer zoo naderbij, en thans werd er een schel gefluit in dezelfde richting vernomen. Zijn vriend met den strijdbijl floot oogenblikkelijk helder en schel, in antwoord op het sein; en een boot, met vier of vijf Hooglanders bemand, stuurde naar een kleinen inham, dicht bij dien waar Eduard gezeten was. Hij ging hun met zijn reisgezel te gemoet, werd dadelijk in de boot geholpen door de gedienstige oplettendheid van twee kloeke bergbewoners, en was nauwelijks gezeten, of ze namen hunne riemen andermaal op en begonnen, met groote snelheid, het meer in een dwarsche richting over te steken.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

HET VERBLIJF VAN EEN HOOGLANDSCHEN ROOVER.

Het diepe stilzwijgen dat in de boot heerschte, werd slechts gestoord, door het eentoonig en murmelend geneurie van een Gaelsch lied, bij wijze van recitatief gezongen door den man, die aan het roer zat, en begeleid door den slag der riemen, welke op de maat het water schenen te doorklieven. Het licht dat ze nu meer en meer naderden, deed zich grooter, gloeiender en vaster voor. Het bleek duidelijk dat het een groot vuur was; maar of het op een eiland of op het vaste land was ontstoken, kon Eduard niet onderscheiden. Zoo als hij het zag, scheen de gloeiende, schitterende kring op de oppervlakte zelve van het meer te rusten, en geleek op het voertuig van vuur, waarin de Booze Geest in een Oostersche vertelling, land en zee doorkruist. Zij naderden het hoe lang zoo meer, en het licht van het vuur was nu voldoende om te doen zien, dat het brandde aan den voet van eene groote, donkerkleurige rots, die zich op den rand van het water loodrecht verhief. De voorzijde dezer rots, door den weerschijn in donkerrood veranderd, leverde een vreemde en zelfs schrikverwekkende tegenstelling op met de omliggende, hooge, klipachtige oevers, die, van tijd tot tijd, flauw en bij gedeelten, door de bleeke maan werden verlicht.