Chapter 25 of 50 · 3981 words · ~20 min read

Part 25

Na lang overleg met elkander, verlieten zes van het gezelschap de hut met hunne wapens, terwijl ze een grijsaard en een jong mensch achterlieten. De eerste sprak Waverley aan en papte de kneuzingen, welke door het zwellen en de bonte en blauwe kleuren nu zichtbaar werden. Zijn mantelzak, dien de Hooglanders niet verzuimd hadden mede te voeren, voorzag hem van linnen, en werd, tot zijn groote verwondering, met den geheelen inhoud, onbepaald tot zijn beschikking gesteld. Het beddegoed scheen zindelijk en gemakkelijk, en de bejaarde oppasser sloot de deur van de bedstede, want er waren geen gordijnen voor, na eenige weinige woorden in het Gaelsch geuit te hebben, waaruit Waverley opmaakte, dat hij hem vermaande rust te nemen. Ziedaar dus onzen held voor de tweede maal onder de handen van een Hooglandschen Eskulaap, maar in een vrij wat onaangenamer toestand, dan toen hij de gast was van den waardigen Tomanrait.

De koorts, die het gevolg was van de ondergane kneuzingen, verminderde eerst den derden dag, toen ze voor de zorg zijner oppassers en de sterkte van zijn gestel week, en nu kon hij, ofschoon niet zonder pijn, zich in het bed oprichten. Hij bespeurde evenwel, dat er geen groote last bestond bij de oude vrouw, die hem tot ziekeoppasster diende, of bij den bejaarden Hooglander, om hem te vergunnen de deur van de bedstede open te doen, om hem afleiding te verschaffen met het gadeslaan hunner bewegingen; en ten laatste, nadat Waverley het luik van zijn kooi herhaalde malen geopend, en zij het even dikwijls weder gesloten hadden, maakte de oude Hooglander een einde aan den twist, door het van den buitenkant, met een spijker, zoo vast te maken, dat er geen verwrikken aan was, eer dit uitwendig beletsel weggenomen werd.

Waverley zocht bij zich zelven de oorzaak van dezen geest van verzet na te gaan bij lieden, wier gedrag aan geen roofzucht deed denken, en die in alle andere opzichten alleen met zijn welzijn en zijn wenschen schenen te rade te gaan. Ook herinnerde onze held zich, dat het hem, gedurende de ergste crisis van zijn ziekte, toescheen, dat hij een vrouwelijke gedaante, jonger dan de oude Hooglandsche oppasster, tusschenbeide bij zijn legerstede had ontwaard. Hij had hiervan wel is waar slechts een zeer flauwe herinnering, maar zijn vermoedens werden bevestigd, toen hij, oplettend luisterende, in den loop van den dag, dikwijls de stem van een tweede vrouwelijk wezen hoorde, dat met zijn oppasster sprak. Wie kon dat zijn? En waarom verlangde ze verborgen te blijven? Zijn verbeelding ontvlamde terstond, en bracht hem Flora Mac-Ivor voor den geest. Maar na een korten strijd tusschen het vurige verlangen om te mogen gelooven, dat zij in zijne nabijheid was, en, gelijk een engel der barmhartigheid, zijn ziekbed bewaakte, werd Waverley gedrongen te erkennen, dat zijn gissing geheel onwaarschijnlijk was. Immers liet het zich bezwaarlijk veronderstellen, dat ze haar betrekkelijk veilig verblijf op Glennaquoich had verlaten, om naar het Laagland, thans de zetel van burgeroorlog, af te komen, om zulk een schuilhoek te bewonen, als deze. Evenwel klopte zijn hart, als hij een enkelen keer het trippelen van een lichten, vrouwelijken voet, naar of van de deur der hut, kon hooren, of de gedempte toonen van een zachte en fijne vrouwestem mocht opvangen, tegenover het schorre, binnensmondsche gekwaak van de oude Janet, gelijk, zoo als hij vernam, de oude vrouw heette.

Daar hij niets anders had, om zich in zijn eenzaamheid mede te vermaken, hield hij zich bezig met een plan om zijn nieuwsgierigheid te voldoen, in spijt van de scherpe oplettendheid van Janet en den ouden Hooglander; want den jongen knaap had hij sedert den eersten morgen niet weder gezien. Eindelijk, na een nauwkeurig onderzoek, scheen de zwakke toestand van zijn houten gevangenis de middelen aan de hand te geven om zijn nieuwsgierigheid te voldoen; want het gelukte hem uit een eenigzins vermolmde plank, een spijker te trekken. Door deze kleine opening kon hij een vrouwelijke gedaante bemerken, die, in haar plaid gewikkeld, met Janet in gesprek was. Maar, reeds sedert de dagen van onze grootmoeder Eva, heeft het toegeven aan al te groote nieuwsgierigheid doorgaans zijn straf gevonden in de teleurstelling, die ze ontmoet. De gestalte was niet die van Flora en het gelaat kon hij niet te zien krijgen; en, om de teleurstelling ten top te voeren, terwijl hij met den spijker de opening zocht te vergrooten, ten einde zijn doel beter te bereiken, verried een klein geraas zijn voornemen, en het voorwerp zijner nieuwsgierigheid verdween oogenblikkelijk, en bezocht ook, voor zoover hij bemerken kon, de hut niet meer.

Alle voorzorg om zijn uitzicht te belemmeren werd sedert dien tijd opgegeven; en hij verkreeg niet alleen verlof, maar ook hulp om op te staan en te verlaten, wat, in letterlijken zin, zijn gevangenis-leger geweest was. Maar hij mocht geen voet buiten de hut te zetten; want de jonge Hooglander had zich nu weder bij zijn ouderen makker gevoegd, en een van beiden stond gedurig op de wacht. Zoo dikwerf Waverley de deur naderde, plaatste de schildwacht zich, beleefd, maar vastberaden er voor, en verzette zich tegen Eduards pogingen, terwijl hij de daad gepaard deed gaan met teekens, die schenen aan te duiden, dat zijn streven gevaarlijk, en er een vijand in de nabijheid was. De oude Janet scheen beangst en op hare hoede; en Waverley, die nog geen krachten genoeg had, om, in weerwil van den tegenstand zijner huisgenooten, een poging te wagen om te ontsnappen, was genoodzaakt geduld te oefenen. Zijn onthaal was, in ieder opzicht, beter dan hij zich had kunnen voorstellen; want gevogelte en zelfs wijn waren van zijn tafel niet uitgesloten. De Hooglanders matigden zich nooit aan om met hem te eten, en behandelden hem, behalve dat ze hem bewaakten, met grooten eerbied. Zijn eenig vermaak was uit het raam te kijken – of liever uit de ruwe opening, welke tot raam moest dienen – op een breeden en woesten stroom, die door een steenachtige bedding, omtrent tien voet beneden de gevangenis, ruischte en schuimde, en alom dicht door boomen en struiken overschaduwd en bedekt was.

Op den zesden dag na zijn inkerkering, bevond Waverley zich zoo wel, dat hij aan zijne ontsnapping uit deze sombere en ellendige gevangenis begon te denken, daar hij aan elk gevaar, hetwelk hij bij de poging mocht loopen, de voorkeur gaf boven de verdovende en ondragelijke eentoonigheid, waaraan hij in Janets woning ten prooi was. De vraag ontstond inderdaad bij hem, werwaarts hij gaan zou, als hij weder zijn eigen meester was. Twee plannen schenen uitvoerbaar, hoewel beide met gevaar en moeite gepaard gingen. Het eene was naar Glennaquoich terug te gaan en zich bij Fergus Mac-Ivor te voegen, die, dat wist hij zeker, hem vriendelijk ontvangen zou; en in zijn tegenwoordige stemming ontsloeg hem de gestrengheid, waarmede hij behandeld werd, in zijne eigene oogen, ten volle van zijne verplichting jegens het bestaande bewind. Het andere ontwerp was te pogen eene Schotsche zeehaven te bereiken, en zich van daar naar Engeland in te schepen. Besluiteloos dobberde zijn geest tusschen deze twee plannen, en indien hij ontsnapt ware zoo als hij zich had voorgenomen, is het waarschijnlijk dat hij zich eindelijk zou hebben laten leiden door de meerdere gemakkelijkheid, waarop hij een van beide voornemens had kunnen volvoeren. Maar zijn noodlot had bepaald, dat hem geen keus zou worden gelaten.

Op den avond van den zevenden dag ging de deur van de hut eensklaps open, en twee Hooglanders traden binnen, die door Waverley herkend werden als een deel te hebben uitgemaakt van het geleide, dat hem naar de stulp had overgebracht. Zij spraken gedurende korten tijd met den ouden man en diens medgezel, en gaven Waverley daarop, met zeer duidelijke teekens, te verstaan, dat hij zich moest gereed maken hen te vergezellen. Dit was eene blijde tijding. Hetgeen reeds voorgevallen was gedurende zijn opsluiting, deed duidelijk zien dat men niets kwaads met hem in den zin had, en zijn verbeeldingskracht, die gedurende zijn rust veel van de veerkracht herwonnen had, aanvankelijk door angst, teleurstelling en eene mengeling van onaangename gewaarwordingen onderdrukt, werd later door gebrek aan opwekking tot last. Zijn liefde voor het wonderbare – ofschoon het in den aard van zoodanige naturen licht, om geprikkeld te worden door de maat van het gevaar, waaraan men zich ziet blootgesteld – was bezweken onder de buitengewone en oogenschijnlijk onoverkomelijke rampen, waardoor hij te Cairnvreckan omringd scheen. In waarheid, uit deze mengeling van gespannen nieuwsgierigheid en opgewonden verbeelding ontstaat eene bijzondere soort van moed, welke eenigermate gelijkt op het licht, gewoonlijk door een mijnwerker gedragen, en dat toereikend is om hem te midden der gewone gevaren van zijn arbeid te geleiden en troost te schenken, maar dat zeker uitdooft, indien hem het dreigende gevaar van aarddampen en verpeste luchten overkomt. Het was trouwens nu weêr ontstoken, en met een gemengde aandoening van hoop, vrees en verlangen zag Waverley op de groep voor hem, terwijl zij, die zoo even waren aangekomen, in der haast een maaltijd gebruikten, en de anderen hunne wapens opnamen, en eenige toebereidselen maakten voor hun vertrek.

Terwijl hij in de berookte hut zat, op eenigen afstand van het vuur, waar de overigen omheen zaten, gevoelde hij een zachten druk op zijn arm. Hij zag om – het was Alice, de dochter van Donald Bean Lean. Zij toonde hem een pak papieren op eene wijze, dat de beweging door niemand anders werd opgemerkt, bracht haar vinger, tot een tweede teeken, aan de lippen, en ging als ’t ware voort, de oude Janet behulpzaam te zijn met Waverleys kleêren in zijn mantelzak in te pakken. Het was blijkbaar haar wensch, dat hij geen teeken zou geven dat hij haar herkende; nogtans zag zij bij herhaling naar hem om, als er zich een gelegenheid opdeed om dit ongemerkt te doen, en toen zij ontwaarde dat hij zag wat ze deed, vouwde ze het pakje met groote behendigheid en spoed in een zijner hemden, die ze in den mantelzak stopte.

Hier was dus nieuw voedsel voor gissingen. Was Alice zijn onbekende bewaakster? Was dit meisje uit het hol de beschermgeest, welke gedurende zijne ziekte bij zijn bed had gewaakt? Was hij in handen van haar vader? en zoo ja, wat was zijn voornemen? Roof, het gewone doel van dezen ellendeling, scheen ditmaal uit het oog verloren te zijn; want niet alleen was Waverleys eigendom hem terug gegeven, maar zelfs zijn beurs, waardoor deze plunderaars van beroep in verzoeking konden gebracht zijn, had men al dien tijd geduldig in zijn bezit gelaten. Het pakje zou dit alles misschien verklaren, maar het bleek duidelijk uit Alices wijze van handelen, dat zij verlangde dat hij het in het geheim zou raadplegen. Ook zocht zij zijn oog niet meer, nadat ze overtuigd was geworden, dat haar wenk opgemerkt en verstaan was. Integendeel verliet ze kort daarna de hut, en slechts toen ze de deur uitging, schonk zij, begunstigd door de duisternis, Waverley een afscheidslachje en een beteekenisvollen knik, eer ze in het donkere dal verdween.

De jonge Hooglander werd herhaalde malen door zijn kameraden uitgezonden, als ’t ware op kondschap. Ten laatste, toen hij voor de derde of vierde maal terugkwam, stond de geheele troep op, en gaven ze onzen held door teekens te verstaan dat hij volgen moest. Vóór zijn vertrek echter reikte hij de hand aan de oude Janet, die hem zoo ijverig en oplettend gedurende zijn ziekte had opgepast, terwijl hij er tastbare blijken zijner dankbaarheid bijvoegde. „God zegene u! God zende u voorspoed, kapitein Waverley!” zeide Janet in goed Laaglandsch Schotsch, ofschoon hij haar tot hiertoe nooit een woord dan in het Gaelsch had hooren uiten. Maar het ongeduld zijner metgezellen veroorloofde hem niet eenige opheldering te vragen.

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN NACHTELIJK AVONTUUR.

Toen de geheele troep de hut verlaten had, werd er een oogenblik halt gehouden, en hij, die het bevel op zich nam, en in wien Waverley denzelfden ranken Hooglander meende te herkennen, die bij Donald Bean Leans voor onderbevelhebber had gespeeld, beval, fluisterend en door teekens, dat men de diepste stilte in acht moest nemen. Hij gaf Eduard een sabel en een ruiterspistool in de hand, en op den omtrek wijzende, bracht hij de hand aan het gevest van zijn eigen zwaard, alsof hij hem wilde doen verstaan, dat ze wellicht tot geweld hunne toevlucht zouden moeten nemen om zich een weg te banen. Vervolgens plaatste hij zich aan het hoofd van den troep, die de een achter den ander geschaard het pad opsteeg, terwijl Waverley terstond achter den leidsman volgde.

Deze ging slechts met groote voorzichtigheid voort, alsof hij het minste gerucht wilde vermijden, en hield stil, zoodra ze den top van den berg bereikt hadden. Waverley bespeurde al spoedig de reden van al deze voorzorgen; want hij hoorde, op kleinen afstand, een Engelsche schildwacht zijn „All’s well!” roepen. De zware klank daalde, op den nachtwind, in het boschrijke dal neder, en werd door de echo’s van de omringende hoogten nagebauwd. Twee, drie en viermaal werd het geroep al zwakker en zwakker herhaald, alsof het op grooter en grooter afstand van post tot post ging. Het was blijkbaar, dat eene afdeeling soldaten in de nabijheid en op hare hoede was, ofschoon lang niet genoegzaam, om mannen te ontdekken, in allerlei soort van strooptochten zoo bedreven als die, met welke Waverley thans hunne vruchtelooze voorzorgen bespiedde.

Toen deze stemmen door de stilte van den nacht vervangen waren, begaven de Hooglanders zich snel, maar met de uiterste behoedzaamheid, op marsch. Waverley had weinig tijd, en inderdaad ook weinig lust, om waarnemingen te doen; hij kon alleen onderscheiden, dat ze op eenigen afstand langs een groot gebouw heentrokken, door welks ramen nog een paar lichten schenen te flikkeren. Een weinig verder, snoof de geleidende Hooglander in den wind, als een jachthond die voor het wild staat, en gaf toen een teeken aan zijn troep, om wederom halt te houden. Hij bukte zich op handen en voeten, in zijn plaid gewikkeld, zoodat hij nauwelijks te onderscheiden was van den begroeiden bodem, waarop hij zich bewoog, en naderde in deze houding, om verkenning te doen. Weldra kwam hij terug, en zond zijne kameraden, op één na weg; en, terwijl hij Waverley beduidde dat deze zijne voorzichtige wijze van voortgaan moest navolgen, kropen alle drie op handen en voeten voort.

Na op deze ongemakkelijke manier een langer weg te hebben afgelegd, dan zijnen knieën en beenen aangenaam was, bespeurde Waverley de rooklucht, die waarschijnlijk al veel vroeger door de scherpere reukorganen van zijn leidsman was opgemerkt. De rook zelf kwam uit den hoek van een lage en vervallen schaapskooi, welker muren van ongemetselde steenen waren opgetrokken, zoo als in Schotland gebruikelijk is. Dicht langs dezen lagen muur werd Waverley, waarschijnlijk niet zonder oogmerk door een Hooglander geleid, en, om hem al den omvang van het gevaar te doen kennen, of misschien om de volle overtuiging van zijn eigene behendigheid te hebben, noodigde hij hem door teekens en voorbeeld uit, het hoofd op te heffen, om over den muur in de schaapskooi te zien. Waverley deed dit, en zag een voorpost van vier of vijf soldaten, die bij hun wachtvuur gelegerd waren. Ze sliepen allen, uitgenomen de schildwacht, die heen en weder wandelde met het geweer op schouder, hetwelk door een rooden gloed van het vuur verlicht werd, zoo dikwijls hij, op zijn korten heen- en terugmarsch, er langs kwam; terwijl hij zijn oogen bij herhaling vestigde op dat gedeelte van den hemel, waar de maan, tot hiertoe door mist verduisterd, nu op het punt scheen te voorschijn te treden.

Na verloop van een paar minuten, verhief zich, door een dier plotselinge veranderingen in de lucht, aan bergachtige landen zoo eigen, een koeltje, en vaagde de wolken weg, welke den gezichteinder hadden beneveld, en de koningin des nachts stortte haar vollen luister op eene uitgestrekte en dorre heide uit, wel is waar, met kreupelhout en kwijnend geboomte bezet aan den kant, dien ze langs waren gekomen, maar open en bloot voor de waarneming van de schildwacht naar die zijde, werwaarts het doel van hun tocht was. De muur van de schaapskooi hield hen, op dit oogenblik, nu ze lagen, verborgen; maar het scheen bijna onmogelijk, een voetstap verder te gaan, zonder terstond ontdekt te worden.

De Hooglander hield zijn oogen naar het blauwe gewelf geslagen, maar wel verre van met Homerus’, of liever Popes, door den nacht overvallen landman, het nuttig licht te zegenen, mompelde hij een Gaelschen vloek op den ontijdigen glans van Mac-Farlanes buat (d.i. lantaarn) [120]. Hij zag eenige minuten angstig rond, en nam toen oogenblikkelijk zijn besluit. Terwijl hij zijn makker bij Waverley liet, gaf hij dezen te verstaan zich rustig te houden, en na den ander zijn bevelen in een kort gefluister te hebben medegedeeld, keerde hij, begunstigd door de ongelijkheid van den grond, terug, in dezelfde richting en op dezelfde wijze, als ze gekomen waren. Eduard, die het hoofd omwendde om hem met de oogen te volgen, kon hem, met de snelheid van een Indiaan, op handen en voeten zien loopen, terwijl hij zich van elk struikje en iedere oneffenheid bediende, om zich voor ontdekking te vrijwaren, en niet de meer open liggende gedeelten van zijn weg betrad, tenzij de schildwacht zijn rug naar hem gekeerd had. Eindelijk bereikte hij het kreupelhout en het lage geboomte, dat het heiveld, nu meer moerassig geworden, naar dien kant bedekte, en dat zich waarschijnlijk tot op de hoogte uitstrekte van het zoo lang door Waverley bewoonde dal. De Hooglander verdween, maar het was slechts voor weinige minuten; want hij kwam op eens uit een ander gedeelte van het kreupelbosch te voorschijn, en terwijl hij stoutmoedig op de open heide voortging, als ware het om ontdekking uit te lokken, hief hij zijn geweer op en vuurde op de schildwacht. Een wonde in den arm verstoorde op onaangename wijze de waarnemingen van den armen knaap, evenals zij aan het deuntje, dat hij floot, een einde maakte. Hij beantwoordde het schot, maar zonder gevolg. Zijn kameraden werden door het alarm gewekt, en snelden met rassche schreden naar de plek, vanwaar het eerste schot gekomen was. Na hun den tijd gegeven te hebben om hem te zien, verdween de Hooglander in de struiken, want zijn krijgslist was ten volle gelukt.

Terwijl de soldaten van hun kant de oorzaak van hetgeen hen verontrust had in gene richting vervolgden, haastte Waverley zich den wenk van zijn achtergebleven metgezel te volgen en zich naar dien kant te begeven, welken zijn leidsman eerst voornemens was te kiezen, en die nu (daar de aandacht der soldaten elders gevestigd was) zonder opzicht en zonder bewaking bleef. Nadat ze een goede vijf minuten gaans geloopen waren, onttrok de rand van een hoogte, die zij beklommen hadden, hen aan alle verdere bespieding. Zij hoorden echter nog, op een afstand, het geroep der soldaten, die met elkander op de heide het wachtwoord wisselden, en eveneens konden zij in dezelfde richting, meer in de verte het geroffel van een trommel hooren, die de soldaten tot de wapens riep. Maar deze vijandige geluiden waren thans wijd achter hen en stierven weg, naarmate zij hun tocht sneller voortzetten.

Toen ze nog omstreeks een half uur langs opene en woeste gronden van dezelfde soort waren voortgetrokken, kwamen ze aan den stomp van een ouden eik, die, naar de overblijfselen te oordeelen, eens een boom van zeer grooten omvang geweest was. In een daarbijgelegen hol troffen ze onderscheidene Hooglanders, met een paar paarden aan. Ze hadden zich bij deze nog slechts weinige minuten gevoegd, die Waverley’s reisgezel, naar alle waarschijnlijkheid, besteedde, om hun de oorzaak van hunne vertraging mede te deelen, (want het woord Duncan Duroch werd verscheidene malen herhaald) toen Duncan zelf verscheen geheel en al buiten adem, blijkbaar zoo vermoeid als iemand, die aan zijn vlugge loop en het behoud van zijn leven te danken heeft, maar hartelijk lachende en opgetogen over het gelukken der krijgslist, waardoor hij zijn vervolgers had bedrogen. Waverley zag inderdaad gemakkelijk in, dat dit niet zeer moeielijk was voor een behendigen bergbewoner, die volkomen bekend was met den grond, en zijn loop met een vastheid en vertrouwen vervolgde, welke onmogelijk voor zijn vijanden waren. Het door Duncan verwekte alarm scheen nog voort te duren; want er werden op grooter afstand een paar geweerschoten gehoord, die, naar het scheen, alleen strekten, om Duncans vreugde en die zijner kameraden te verhoogen.

De Hooglander nam nu de wapens terug, die hij onzen held had toevertrouwd, terwijl hij hem te verstaan gaf dat men de gevaren der reis gelukkig te boven was. Waverley beklom daarop een der paarden, een verandering, die de uitgestane vermoeienis en zijn jongste ongesteldheid allezins wenschelijk maakten. Zijn mantelzak werd op een anderen hit geplaatst. Duncan kreeg het derde paard, en, door hun escorte vergezeld, begaven zij zich met een stevigen pas op weg. Zonder verder avontuur op dezen nachtelijken tocht, bereikten zij bij het aanbreken van den dag de oevers eener snelvlietende rivier. Het land rondom was vruchtbaar en tevens schilderachtig. Steile, met bosch bezette oevers, werden afgewisseld door koornvelden, die dit jaar een overvloedigen oogst beloofden, welke reeds grootendeels gemaaid lag.

Aan den anderen oever der rivier, en gedeeltelijk omringd door een bocht van haren loop, stond een groot en zwaar kasteel, welks half ingevallen torens reeds door de eerste stralen der zon verlicht werden [121]. Het was, wat den vorm aangaat, een langwerpig vierkant, van genoegzamen omvang, om in het middelste gedeelte een uitgestrekt plein te bevatten. De torens aan de vier hoeken staken boven de muren van het gebouw uit, en droegen wederom torentjes van verschillende hoogte en onregelmatigen vorm. Op een van deze stond een schildwacht, wiens muts en op den wind golvende plaid hem voor een Hooglander deden kennen; gelijk een groot wit vaandel, dat van een anderen toren woei, verkondigde, dat het garnizoen tot de in opstand zijnde aanhangers van het huis van Stuart behoorde.

Na in haast een klein en onbeduidend stadje doorgemarcheerd te zijn, waar hunne verschijning verbazing, noch nieuwsgierigheid bij de weinige boeren opwekte, die door de werkzaamheden van den oogst van hun bed werden opgejaagd, trok de bende een oude en smalle brug met verscheidene bogen over; en terwijl ze daarop een weg links insloegen, en een laan van hooge, oude moerbezieboomen volgden, bevond Waverley zich vlak voor het sombere maar toch schilderachtige gebouw, dat hij op een afstand had bewonderd. Een geweldig groote met ijzer beslagen poort, die de buitenste verdediging van den ingang uitmaakte, was reeds voor hen geopend; en nadat een tweede van zwaar eikenhout, en dik met ijzeren spijkers bezet, ontsloten was, kwamen ze op de binnenplaats. Een heer in Hooglandsche kleeding, met een witte kokarde op de muts, hielp Waverley van zijn paard stijgen, en heette hem, met veel beleefdheid, welkom op het kasteel.

Nadat de Gouverneur – want dezen titel moeten wij hem geven – Waverley in een half vervallen vertrek had gebracht, waar, echter, een klein veldbed stond, en hem iedere verversching had aangeboden, die hij maar verlangen mocht, stond hij op het punt om hem te verlaten.

„Wilt gij niet nog de goedheid hebben,” zeide Waverley, na hem bedankt te hebben, „om mij te zeggen waar ik ben, en of ik mij al dan niet als een gevangene te beschouwen heb?”

„Het staat mij niet vrij zoo uitvoerig als ik wel wenschte op deze vraag te antwoorden. Evenwel mag ik u kort weg zeggen, dat ge op het kasteel van Doune zijt, in het district van Menteith, en niet het minste gevaar te duchten hebt.”

„En welken waarborg heb ik daarvoor?”

„Het woord van eer van Donald Stuart, Gouverneur van het garnizoen, en Luitenant-Kolonel in dienst van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Karel Eduard.” Dit zeggende, verliet hij haastig het vertrek, om alle verder gesprek te vermijden.

Onze held, uitgeput door de vermoeienissen van den nacht, wierp zich thans op het bed, en verzonk binnen weinige minuten in een vasten slaap.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE REIS WORDT VOORTGEZET.