Part 31
„Daar moet ge niet aan denken,” antwoordde Fergus, die alleen met krijgshaftige gedachten vervuld was; „gij moet enkel denken aan uw zwaard, en aan hem, door wien het u gegeven is. Alle andere bedenkingen komen nu te laat.”
Met het slaapmiddel, in dit onweêrsprekelijke gezegde toegediend, poogde Eduard het oproer zijner tegenstrijdige gewaarwordingen te sussen. Het Opperhoofd en hij, brachten hunne plaids bijeen, en maakten er een gemakkelijk en warm leger van. Callum, aan hun hoofdeinde gezeten, want het was zijn post onmiddellijk voor den persoon van zijn chef te waken, begon een lang, treurig gezang in het Gaelsch, met eene zachte en eentoonige stem, die hen, even als het geluid des winds op een afstand, weldra in slaap suste.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
DE SLAG.
Toen Fergus Mac-Ivor en zijn vriend eenige weinige uren geslapen hadden, werden ze gewekt en verzocht bij den Prins te komen. Men hoorde de dorpsklok in de verte drie uur slaan, toen ze zich naar de plaats spoedden, waar Karel Eduard den nacht had doorgebracht. Hij was reeds omringd door zijn voornaamste Officieren en de Opperhoofden der clans. Een bos erwtenstroo, dat pas zijn bed geweest was, diende hem nu tot zitplaats. Juist op het oogenblik dat Fergus binnen den kring trad, had de beraadslaging een einde genomen. „Moed, mijn wakkere vrienden!” zei de Prins, „en laat een ieder zich terstond aan het hoofd van zijn kommando stellen. Een getrouw vriend [148] heeft aangeboden om ons langs een bruikbaar, ofschoon smal en kronkelend pad te geleiden, dat, ter rechterhand loopende, het oneffen terrein en het moeras doorsnijdt, en ons in staat stelt den vasten grond en de open vlakte te bereiken, waarop zich de vijand gelegerd heeft. Als wij deze zwarigheid te boven gekomen zijn, moeten de hemel en uwe goede zwaarden het overige verrichten!”
„Het voorstel verwekte algemeene vreugde, en iedere aanvoerder haastte zich zijn manschappen, met het minst mooglijke geraas, in orde te scharen. Het leger verliet door een rechtsche beweging zijn stelling op de hoogte, en kwam spoedig op den weg door het moeras, terwijl het zijn marsch in verwonderlijke stilte en met grooten spoed voortzette. Daar de opkomende mist de hoogere gronden nog niet bereikt had, zoo hadden de soldaten een tijdlang het voordeel van het schijnsel der sterren. Maar dit flauwe licht ging verloren, toen de sterren voor den naderenden dag verbleekten, en het hoofd der voorttrekkende kolonne dompelde zich onder het afdalen van de hoogte, als het ware in den zwaren mist-oceaan, die zijn witte golven over de geheele vlakte en de aangrenzende zee voortrolde. Thans ontmoette men eenige zwarigheden, onafscheidelijk van de duisternis, een smal, ruw en moerassig pad, en de noodzakelijkheid om eenheid in den tocht te bewaren. Dit alles leverde echter minder bezwaren voor de Hooglanders op, uit hoofde van hunne levenswijze, dan het voor ieder ander leger zou gedaan hebben, zoodat zij hunne geregelde en snelle beweging bleven voortzetten.
Toen de clan van Ivor den vasten grond bereikte, door het volgen van de voetstappen dergenen die hen voorgegaan waren, liet zich het geroep van een schildwacht, dwars door den mist, hooren, ofschoon zij den dragonder, die het „Werda!” had geroepen, niet zagen.
„St!” riep Fergus, „st! Dat niemand antwoorde, zoo hij zijn leven lief heeft. – Dringt voorwaarts;” en zij zetten hun marsch in stilte en met verdubbelde schreden voort.
De dragonder brandde zijn karabijn op hun korps los, en dit geluid werd onmiddellijk gevolgd door den hoefslag van zijn paard, terwijl hij wegdraafde. „Hylax in limine latrat,” [149] zei de baron van Bradwardine, die het schot hoorde, „die ellendeling zal alarm maken!”
De clan van Fergus had nu den vasten grond der vlakte bereikt, die nog kort te voren met een heerlijk gewas van granen was bedekt geweest. Maar de oogst was binnen gehaald, en het veld was zonder eenige hindernissen van boomen, struiken of iets dergelijks. Het overige gedeelte van het leger volgde met snelheid, toen zij de trommels van den vijand alarm hoorden slaan. Het had intusschen niet in hun plan gelegen den vijand te verrassen; dus werden zij ook niet van hun stuk gebracht toen zij begrepen dat de Engelschen op hunne hoede waren en gereed om hen te ontvangen. Het verhaastte slechts de schikking hunner slagorde, die zeer eenvoudig was.
De Hooglandsche armee, die nu den oostkant der breede vlakte bezette, trok op in twee liniën, welke zich van het moeras tot aan de zee uitstrekten. De eerste was bestemd om den vijand aan te vallen, de tweede om tot reserve te dienen. De weinige ruiterij, aan wier hoofd de Prins in persoon zich bevond, hield zich tusschen de beide liniën. De vorstelijke gelukzoeker had zijn voornemen te kennen gegeven, om persoonlijk, aan het hoofd zijner eerste linie, aan te vallen; maar allen hadden hem gesmeekt hiervan af te zien, en hij was slechts met moeite daartoe bewogen geworden.
Beide liniën trokken nu voorwaarts, de eerste gereed om onmiddellijk slag te leveren. De clans, waaruit zij bestond, vormden elk een soort van afzonderlijken Phalanx, met een stal front en tien, twaalf of vijftien gelederen diep, naar gelang der sterkte. De best gewapenden en aanzienlijksten van geboorte – want deze woorden hadden hier één en dezelfde beteekenis – werden vooraan geplaatst, in ieder dezer onregelmatige afdeelingen. De anderen, in de achterhoede, steunden al voorwaarts dringende het front, en vermeerderden, door hunne aansluiting, zoo wel de lichamelijke kracht als de geestdrift en het vertrouwen van hen, die het gevaar onmiddellijk in de oogen moesten zien.
„Werp uw plaid weg, Waverley!” riep Fergus, terwijl hij de zijne afdeed; „eer de zon boven de zee is, zullen wij zijden tartans gewonnen hebben.”
Aan alle kanten legden nu de clanslieden hunne plaids af, en maakten hunne wapens gereed. Er was een ontzagwekkende stilte van drie minuten, gedurende welke de manschappen hunne mutsen afnamen, hun oog ten hemel sloegen, en een kort gebed uitten. Waverley voelde in dat oogenblik zijn hart kloppen, alsof het uit zijn borst wilde springen. Het was geen vrees, het was geen geestdrift, – het was een mengsel van beide, een voor hem nieuwe en krachtige prikkel, die, eerst huivering en schrik, daarna koortshitte en een soort van dolzinnigheid opwekte. Het geraas rondom hem werkte mede om zijn geestvervoering te verhoogen, de doedelzakken speelden en de clans rukten voorwaarts, ieder op zich zelve in een onheilspellende, sombere kolonne. Naarmate zij voortrukten, versnelden ze den pas, en het geluid hunner samengesmolten stemmen begon aan te groeien, en in een woesten kreet over te gaan.
Op dit oogenblik verdreef de zon, die zich boven den gezichteinder verhief, de hangende dampen. Zij werden opgerold als een gordijn, en lieten de beide legers, op het punt om handgemeen te worden, zichtbaar. De linie van het Engelsche leger stond recht tegenover het corps der Hooglanders geschaard; de wapens van dat volkomen uitgeruste, en aan weerszijde door ruiterij en artillerie gedekte leger, schitterden de Hooglanders tegen. Maar dit gezicht boezemde hun geen vrees in „Voorwaarts, zonen van Ivor!” riep hun opperhoofd, „of de Camerons zullen het eerste bloed storten!” Zij stormden met een vreeslijken gil op hunne vijanden in.
Het overige is bekend. De ruiterij, die bevel kreeg om de aanstormende Hooglanders in de flank te vallen, ontving, terwijl zij aanrukte, het vuur uit hunne geweren, en door een schandelijken, panischen schrik overvallen, wankelde zij, hield stand, geraakte uit elkander en rende van het slagveld. De kanonniers, door de ruiterij verlaten, vluchtten, na hunne stukken te hebben losgebrand, en de Hooglanders, die, hunne geweren, zoodra zij ze afgeschoten hadden, wegwierpen, en den sabel trokken, stormden met onbeteugelde woede op het voetvolk in.
In dit oogenblik van verwarring en schrik, ontdekte Waverley een Engelsch officier, blijkbaar van hoogen rang, die alleen en hulpeloos bij een veldstuk stand hield, dat hij, na de vlucht der manschappen, die er bij behoorden, zelf gericht en op den clan van Mac-Ivor, den naasten troep Hooglanders binnen zijn bereik, had afgeschoten. Getroffen door zijn hooge, krijgshaftige gestalte, en met den wensch vervuld om hem voor een onvermijdelijken ondergang te bewaren, snelde Waverley voor een oogenblik zelfs de vlugste krijgslieden vooruit, en toen hij de plek het eerst bereikt had, riep hij hem toe zich over te geven. De officier antwoordde met een degenstoot, dien Waverley op zijn schild ontving, waardoor het wapen van den Engelschman brak. Op hetzelfde oogenblik zweefde Dugald Mahony’s strijdbijl boven het hoofd van den officier. Waverley keerde den slag af, en de officier, ziende dat verdere tegenstand nutteloos was, en getroffen door Eduards edelmoedige bezorgheid voor zijn behoud, gaf hem zijn gebroken degen over. Waverley stelde den officier in handen van Dugald, met streng bevel om hem goed te behandelen en niet uit te plunderen, terwijl hij den Schot een volle vergoeding voor den buit toezegde.
Ter rechter zijde van Eduard woedde de strijd nog hevig en zwaar. De Engelsche infanterie, in den oorlog in Vlaanderen geoefend, hield moedig stand. Maar haar uitgestrekte gelederen werden op een aantal plaatsen doorboord en gebroken door de geslotene massa’s der clans; en in de persoonlijke worsteling, die hierop volgde, gaven de aard der wapenen van de Hooglanders, en hunne buitengewone kracht en vlugheid hun een beslissende meerderheid op dezulken, die geleerd hadden het meest op hunne orde en krijgstucht te vertrouwen, en nu bespeurden dat de eerste verbroken en de andere onbruikbaar was geworden. Toen Waverley zijn oogen naar dit tooneel van rook en slachting keerde, zag hij kolonel Gardiner, door zijn krijgslieden, in spijt van zijn herhaalde pogingen om hen te verzamelen, verlaten, en terwijl hij zijn paard nog door het veld spoorde, om het bevel op zich te nemen over een klein corps voetvolk, dat, met den rug tegen den muur van zijn eigen park geschaard, (want zijn huis grensde onmiddellijk aan het slagveld) een wanhopigen en vruchteloozen tegenstand volhield. Waverley ontwaarde, dat hij reeds verscheidene wonden ontvangen had, daar zijn kleederen en zadel met bloed bedekt waren. Dezen dapperen en braven man te redden, werd nu oogenblikkelijk het doel van Eduards streven; maar hij mocht slechts getuige zijn van zijn dood! Eer Eduard zich een weg kon banen door de Hooglanders, die, woedend en tuk op buit, elkander verdrongen, zag hij zijn voormaligen overste van het paard slingeren door een zeis, en op den grond gestort meer wonden ontvangen, dan noodig waren om hem twintigmaal het leven te benemen. De stervende krijgsman scheen Waverley te herkennen; want hij vestigde zijn oog op hem met een bestraffenden en toch treurigen blik, en scheen een poging te doen om te spreken. Maar gevoelende, dat de dood naderde, gaf hij zijn voornemen op, en zijn handen als tot het gebed vouwende, beval hij zijn ziel zijn Schepper aan. De blik, waarmede hij Waverley, in zijn laatste oogenblikken, aanzag, trof hem, in dien tijd van onrust en verwarring, zoo diep niet, als toen, – na verloop van eenigen tijd, – zijn herinnering, dien voor zijn verbeelding terugriep. [150]
Nu weêrgalmden luide triumfkreten over het gansche veld. De strijd was gestreden en gewonnen, en de geheele bagage, artillerie en krijgsvoorraad van het Engelsche leger vielen in handen der overwinnaars. Nooit was een zege meer volkomen. Slechts enkelen ontkwamen aan het gevecht, behalve de ruiterij, die het reeds bij den aanval verlaten had, en zelfs deze was naar alle kanten, en in kleine afdeelingen, over de gansche landstreek verstrooid. Voor zoo ver onze geschiedenis aangaat, hebben wij alleen het lot van Balmawhapple te vermelden, die, op een paard gezeten, dat niet minder koppig en onhandelbaar was dan de ruiter zelf, de vluchtende dragonders meer dan vier mijlen van het slagveld vervolgde. Eenige dozijnen vluchtelingen keerden in een laatste opwelling van moed om, kliefden hem den schedel met hunne sabels, en overtuigden daardoor de wereld, dat de ongelukkige edelman inderdaad niet misdeeld was van hersenen, zoodat het einde van zijn leven het bewijs gaf van iets, waaraan men gedurende den loop daarvan zeer sterk getwijfeld had. Zijn dood werd door weinigen beweend. De meesten van die hem kenden stemden er in toe, dat de vaandrig Maccombich gelijk had met te beweren, dat men te Sheriff-Muir [151] grooter verlies geleden had. Zijn vriend, de luitenant Jinker, wist zijn lievelingsmerrie vrij te pleiten van eenig deel aan het ongeluk. „Hij had,” zeide hij, „den heer wel duizend malen gezegd, dat het schande en zonde was het arme beest een springriem aan te doen, daar hij hem rijden wou met een kinketting van een halve el lang; en dat hij zich maar in het ongeluk zou storten (het beest daargelaten) door te vallen, of iets van dien aard; zoo hij, daarentegen, naar hem had willen luisteren, zou het dier zoo mak geweest zijn als een karrepaard.”
Dit was de lijkzang op den heer van Balmawhapple [152].
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
EEN ONVERWACHT BEZWAAR.
Toen de slag geëindigd en alles weder op orde gekomen was, zocht de baron van Bradwardine, na zich van zijn plicht gedurende den strijd gekweten, en hen, die onder zijn bevel stonden, in hunne kwartieren bezorgd te hebben, het opperhoofd van Glennaquoich en zijn vriend Waverley op. Hij vond den eersten bezig met uitspraak te doen in een aantal tusschen zijn clanslieden gerezen verschillen over punten van voorrang en daden van moed, en in het bijzonder over een aantal hooggeloopen en moeielijke twisten betreffende den buit. De belangrijkste van de laatste soort betrof den eigendom van een gouden horlogie, dat eens aan dezen of genen Engelschen officier had toebehoord. De partij, in wiens nadeel het vonnis gewezen werd, troostte zich met de aanmerking: „Het (dat is, het horlogie, hetwelk hij voor een levend dier aanzag) stierf den eigen nacht, dat Vich Ian Vohr het aan Murdoch gaf,” omdat het uurwerk, daar het niet opgewonden was, bleef stilstaan.
Juist op het oogenblik dat deze gewichtige zaak beslist werd, naderde de baron van Bradwardine, met een bezorgd en toch trotsch gelaat, de beide jonge lieden. Hij steeg van zijn dampend krijgsros, waarvoor hij de zorg aan een zijner bedienden beval. „Ik vloek zelden,” zeide hij tegen den man; „maar zoo ge een van uw gemeene streken speelt, en den armen Berwick verlaat voor dat hij bezorgd is – om te loopen plunderen – moge de drommel mij halen, als ik je niet laat ophangen.” Nu streelde hij met innig welgevallen het dier, dat hem door al de vermoeienissen van den dag had heengeholpen, en na er een teeder afscheid van genomen te hebben zeide hij: – „Wel, mijn beste, jonge vrienden, dat is een roemrijke en beslissende overwinning, maar die jakhalzen van ruiters liepen te spoedig weg. Ik zou lust gehad hebben u de ware punten van het prælium equestre, of ruitergevecht, te doen opmerken, hetwelk hunne lafheid ontvlucht is, en dat ik voor den trots en den schrik van den krijg houd. Hoe het zij, ik heb dan nog eens gestreden voor deze oude zaak, ofschoon ik toegeef dat ik niet zoo ver kon gaan, als gij, jongere snuiters, daar het juist tot mijn plicht behoorde, ons handvol paardenvolk bij elkander te houden. En geen ruiter mag op eenige wijze de eer bekibbelen, die zijn kameraden ten deel gevallen is, en die op een anderen tijd, zoo God wil, de zijne kan worden. – Maar, Glennaquoich, en gij, mijnheer Waverley, ik bid u, geeft mij uw goeden raad in een zaak van groot gewicht, en waarbij de eer van het huis van Bradwardine het hoogste belang heeft. – Ik bid u om verschooning, vaandrig Maccombich, en u Inveraughlin, en u Edderalshendrach, en u, Mijnheer!”
De laatste, dien hij aansprak, was Ballenkeiroch, die, vervuld met den dood van zijn zoon, hem aanzag met een blik vol sarrende woestheid. De Baron, die zich in een oogwenk beleedigd gevoelde, had ook reeds de wenkbrauwen gefronsd, toen Glennaquoich zijn Majoor ter zijde nam, en hem, op den gezaghebbenden toon van een Opperhoofd, onderhield over de dwaasheid, om op een oogenblik als dit eenigen twist op te rakelen.
„De grond is bezaaid met lijken,” zei de oude bergschot, terwijl hij zich gemelijk verwijderde, „éen meer zou men daarbij nauwelijks hebben opgemerkt, en was het niet om u, Vich Ian Vohr, dan zou dat éene van Bradwardine of van mij wezen.”
Het Opperhoofd bracht hem tot bedaren, terwijl hij hem wegleidde, en keerde toen tot den Baron terug. „Het is Ballenkeiroch,” zeide hij op zachten en vertrouwelijken toon, „vader van den jonkman, die voor acht jaren, in die ongelukkige affaire bij uwe plaats, sneuvelde.”
„O!” zei de Baron, terwijl de onheilspellende strakheid zijner trekken in een zachtere uitdrukking overging: „ik kan veel van iemand verdragen, dien ik ongelukkig zooveel smart heb veroorzaakt. Gij deedt wel met mij te waarschuwen, Glennaquoich; hij mag zoo zwart zien als de nacht om kerstmis, eer Cosmo Comyne Bradwardine zeggen zal dat hij hem onrecht doet. Och! ik heb geen mannelijk kroost, en ik behoor veel te verdragen van iemand, dien ik kinderloos heb gemaakt; schoon ge weet, dat de bloedschuld tot uw eigen genoegen werd afgemaakt, bij assythment en door brieven van slains [153]. – Maar, gelijk ik zei, ik heb geen mannelijken afstammeling, en toch is het noodig dat ik de eer van mijn huis ophoud; het is juist hierover dat ik u in het bijzonder wilde spreken, en waaromtrent ik al uwe oplettendheid inroep.”
De twee jongelieden wachtten met ongeduldige nieuwsgierigheid. „lk twijfel niet, jongelieden, of men heeft wel zóo voor uwe opvoeding zorg gedragen, dat gij den waren aard van leenroerige bezittingen kent?”
Fergus, die voor een eindelooze verhandeling bevreesd begon te worden, antwoordde: „Door en door, Baron,” en stiet Waverley aan, om hem te doen verstaan, dat hij zijn onkunde niet bekennen zou.
„Ook is u, naar ik vertrouw, niet onbekend, dat het bezit van de baronie van Bradwardine van een even vereerenden als bijzonderen aard is, daar ze blanch is (hetwelk Craig [154] oordeelt in het Latijn te moeten worden overgezet, door Blancum, of liever francum, een vrije bezitting) pro servitio detrahendi, seu exuendi, caligas regis post battaliam.” [155] Hier zag Fergus Eduard van ter zijde aan, terwijl bij bijna onmerkbaar de wenkbrauwen optrok, met welke beweging zijn schouders eveneens instemden. „Nu doen zich omtrent dit onderwerp twee tamelijk onzekere punten voor. Vooreerst, of deze dienst, of leenmanshulde, ooit kan toekomen aan den Prins, daar de woorden per expressum, caligas regis, „de laarzen van den Koning zelven” zijn; en ik verzoek uw gevoelen betreffende deze bijzonderheid te mogen weten, eer wij verder gaan.”
„Wel, hij is Prins-Regent,” antwoordde Mac-Ivor, met een heerschappij over zijn gelaat die allen lof verdient; „en aan het Fransche hof wordt alle eer aan den Prins-Regent bewezen, die men den Koning schuldig is. Daarenboven, indien ik de laarzen van een van beide moest uittrekken, zou ik die dienst tienmaal liever bewijzen aan den jongen Prins, dan aan zijn vader.”
„Ja, maar ik spreek hier niet van persoonlijke voorkeur. Evenwel is uw gezag van groot belang, wat de gebruiken van het Fransche hof betreft. En zeker de Prins, als alter ego [156], mag misschien wel aanspraak maken op het homagium van de groote leenheeren der kroon, daar aan alle getrouwe onderdanen in de akte van het regentschap bevolen wordt, om hem als des Konings eigen persoon te eerbiedigen. Verre zij het dus van mij, den luister van zijn gezag te willen verminderen, door hem een daad van hulde te onthouden, die zoo bijzonder geschikt is om er glans aan bij te zetten; want ik twijfel nog eenigszins, of aan den Keizer van Duitschland de laarzen wel worden uitgetrokken door een rijksvrijheer? Maar, hier doet zich de tweede zwarigheid voor – de Prins draagt geen laarzen, maar eenvoudige trews en brogues [157].
Dit laatste dilemma had Fergus’ ernst bijna verstoord.
„Wel,” zeide hij, „ge weet, Baron, dat het spreekwoord luidt: het gaat moeielijk een Hooglander de broek uit te trekken, – en dat geldt ook hier van laarzen.”
„Het woord caligæ,” ging de Baron voort, „ofschoon ik beken, dat het volgens mijn familie-overlevering, en zelfs in onze oude bewijsstukken, door laarzen verklaard wordt, beteekent evenwel, in zijn oorspronkelijken zin, veeleer sandalen; en Cajus Cæsar, de neef en opvolger van Cajus Tiberius, verkreeg den bijnaam van Caligula, a caligulis, sive caligis levioribus, quibus adolescentior usus fuerat in exercitu Germanici patris, sui [158]. Ook waren de caligæ in gebruik bij de monniken; want wij lezen in een oud glossarium, dat, volgens den regel van St. Benedictus, in de abdij van St. Amand, de caligæ met banden werden vastgemaakt.”
„Dat zal op de brogues zien,” hernam Fergus.
„Wel zeker, mijn waarde Glennaquoich, en de woorden zijn uitdrukkelijk: Caligæ dietæ sunt, quia ligantur; nam socci non ligantur, sed tantum intromittuntur; dat is, caligæ ontleenen haren naam van de banden, waarmede ze vast gemaakt worden, terwijl daarentegen socci, die bijna hetzelfde mogen zijn als onze pantoffels, slechts aan den voet gesloft, worden. Ook komen in het Charter tweeërlei woorden voor, exuere seu detrahere, dat is, losmaken, zoo als in het geval van sandalen of brogues, en uittrekken, zoo als wij in onze moedertaal van laarzen zeggen. Intusschen wilde ik, dat we meer licht hadden; maar ik vrees, dat er weinig kans bestaat om hier eenigen geleerden schrijver de re vestiaria [159] te vinden.”
„Ik twijfel er sterk aan,” zei het Opperhoofd, terwijl hij een blik wierp op de zwoegende Hooglanders, die beladen met den buit der verslagenen terug kwamen, „schoon de res vestiaria zelve op het oogenblik inderdaad vrij wat gezocht schijnt.”
Daar deze aanmerking geheel in den luimigen aard van den Baron viel, vereerde hij ze met een glimlach, maar keerde oogenblikkelijk terug tot hetgeen hem een zeer ernstige zaak scheen.
„Het is waar,” zeide hij, „Mackwheeble koestert het gevoelen, dat deze vereerende dienst, uit haren aard, plicht is, si petatur tantum; dat wil zeggen, wanneer Zijn Koninklijke Hoogheid van den grooten leenman der Kroon vordert dat hij dezen persoonlijken plicht volbrengen zal; en hij wees inderdaad het punt aan in Dirleton’s Twijfelingen en Vragen, Grippit tegen Spicer, over de uitwinning van een landgoed ob non solutum canonem, dat is, wegens het niet betalen van een leenplicht van drie peperkorrels in het jaar, welke geschat werd zeven achtste van een Schotsche duit waardig te zijn, tot het betalen waarvan de aangeklaagde verwezen werd. Maar onder uw welnemen, geloof ik dat het beste is, mij in den weg te plaatsen om den Prins deze dienst te bewijzen en hem die aan te bieden; en ik zal zorgen dat de rentmeester bij de hand is met een akte van protest, welke reeds door hem is gereed gemaakt, (dit zeggende haalde hij een papier voor den dag) waarin verklaard wordt, dat, indien Zijn Koninklijke Hoogheid anderen bijstand zal aannemen in het uittrekken van zijn caligæ, (hetzij dit vertaald worde door laarzen of brogues) behalve dien van den genoemden baron van Bradwardine, die op dit oogenblik gereed en gewillig is om dien te verleenen, zulks op geenerlei wijze inbreuk zal maken op, of strekken tot nadeel van de rechten van den gezegden Comyne Bradwardine, om gezegden dienst in het vervolg te volvoeren; noch zal het aan eenigen schildknaap, kamerdienaar, hoveling of page, wiens bijstand het Zijn Koninklijke Hoogheid moge behagen te gebruiken, eenig recht, titel of aanspraak geven, ter opeisching op gezegden Cosmo Comyne Bradwardine, van de landerijen en de baronie van Bradwardine, en zoo voorts, gehouden, als voorzegd, volgens de plichtschuldige en getrouwe vervulling der bedongen leendiensten.
Fergus juichte deze schikking hoogelijk toe: en de Baron nam een vriendelijk afscheid van hen, met een glimlach van voldane eigenliefde op het gelaat.
„Lang leve onze beste vriend, de Baron,” riep het Opperhoofd, zoodra hij buiten het gehoor was, „als het belachelijkst origineel, dat ten noorden van de Tweed bestaat! Het spijt mij dat ik hem niet aangeraden heb, heden avond in den kring van den Prins te verschijnen met een laarzentrekker onder den arm. Ik geloof dat hij den wenk zou opgevolgd hebben, als die maar met gepaste deftigheid gegeven ware.”
„Hoe kunt ge er toch vermaak in scheppen zulk een achtingswaardig man belachelijk te maken?”