Chapter 38 of 50 · 3844 words · ~19 min read

Part 38

„Gaarne, op voorwaarde dat gij er niet mede poogt te spotten. – Van het oogenblik af dat deze ongelukkige terugtocht begonnen is, ben ik ter nauwernood ooit in staat geweest een oog te sluiten, door de zorgen voor mijn clan, en door het denken aan den armen Prins, dien men terugvoert, als een hond aan een touw, hij moge willen of niet – en aan den val mijner familie. Heden nacht, als door de koorts geplaagd, verliet ik mijn kwartier en wandelde naar buiten, in de hoop dat de scherpe winterlucht mijn zenuwen sterken zou. – Ik kan u niet zeggen, hoe ongaarne ik voortga, want ik weet dat gij mij bezwaarlijk gelooven zult. Maar – ik ging een klein vondertje over, en bleef heen en weer wandelen, toen ik, tot mijn groote verbazing, eensklaps bij het heldere maanlicht, een ranke gestalte zag, in een grijze plaid gewikkeld, zoo als de schaapherders in het zuiden van Schotland dragen, die, òf ik langzaam, òf haastig voortliep, geregeld omtrent vier ellen vóór mij uitbleef.”

„Gij hebt waarschijnlijk een Cumberlandschen boer in zijn gewone kleeding gezien.”

„Neen! eerst dacht ik dat ook, en verwonderde mij over de stoutheid van den man die het wagen durfde zoo voor mij uit te loopen. Ik riep hem toe, maar kreeg geen antwoord. Ik gevoelde een angstig hartkloppen, en om mij te vergewissen van hetgeen ik duchtte, stond ik stil en keerde mij, op dezelfde plek, naar de vier windstreken. – Bij den Hemel. Eduard, ik mocht mij wenden, waarheen en hoe ik wilde, de gedaante was terstond, op juist denzelfden afstand, voor mijn oogen! Ik hield mij dus overtuigd, dat het de Bodach Glas was. De haren rezen mij te berge, en mijn knieën knikten. Ik vermande mij echter, en besloot naar mijn kwartier terug te keeren. De geest zweefde voor mij heen (want ik kan niet zeggen dat hij ging) totdat hij het vondertje bereikte: daar bleef hij staan, en keerde zich om. Ik moest óf de rivier doorwaden, óf zoo dicht langs hem heen gaan, als ik thans bij u ben. De moed der vertwijfeling, gegrond op het geloof dat mijn dood nabij was, deed mij besluiten, in spijt van hem, mijn weg te vervolgen. Ik maakte het teeken des kruises, trok mijn zwaard, en zeide: „In den naam van God, booze geest, maak plaats!” – „Vich Ian Vohr,” antwoordde hij, met een stem die mijn bloed deed stollen, „wacht u voor morgen!” De geest scheen op dat oogenblik geen half el van de punt van mijn degen; maar de woorden waren nauwelijks gesproken, of hij verdween, en er was niets meer, om mij den weg over de beek te beletten. Ik kwam te huis, en wierp mij op mijn bed, waar ik eenige pijnlijke uren doorbracht; en hedenmorgen, nu er geen bericht gekomen was, dat de een of ander vijand ons nabij is, nam ik mijn paard, en reed hierheen, om den vrede tusschen ons te herstellen. Ik zou niet gaarne vallen, zonder verzoend te zijn met een vriend, dien ik onrecht deed.”

Eduard twijfelde volstrekt niet, of deze verschijning had haar ontstaan te danken aan Fergus’ afgemat lichaam en neergedrukten geest, die den invloed verhoogden van de bijgeloovige denkbeelden, welke hij met bijna al de Hooglanders deelde. Hij was evenwel niet te minder met medelijden jegens Fergus bezield, voor wien hij, in zijn tegenwoordigen tegenspoed, alle vroegere achting voelde herleven. Met het doel om hem van deze sombere denkbeelden af te leiden, bood hij hem aan, om, met verlof van den Baron, van wien hij wist het dadelijk te kunnen verkrijgen, in zijn kwartier te blijven totdat het corps van Fergus zou komen en dan, als vroeger, met hem te marcheeren. Het Opperhoofd scheen zeer gevoelig voor het aanbod, maar aarzelde het aan te nemen.

„Wij zijn, zoo als gij weet, in de achterhoede – den gevaarlijksten post bij een terugtocht.”

„En dus de eerepost!”

„Wel,” hernam het Opperhoofd, „laat Alick uw paard gezadeld houden, tegen dat wij overvleugeld worden, en het zal mij aangenaam zijn, nogmaals uw gezelschap te genieten.”

Het was laat eer de achterhoede op kwam dagen, daar zij door verscheidene toevallen en door den slechten toestand der wegen opgehouden werd. Eindelijk trokken zij het dorpje binnen. Toen Waverley zich, arm in arm met hun Opperhoofd, bij den clan Mac-Ivor voegde, scheen alle gevoeligheid, die men tegen hem gekoesterd had, op eens verdwenen. Evan Dhu ontving hem met een grijns van gelukwensching; en zelfs Callum, die even wakker rondliep als vroeger, schoon bleek en met een groote pleister op het hoofd, scheen verheugd hem te zien.

„De schedel van dien galgebrok,” zei Fergus, „moet harder dan marmer zijn: het slot van het pistool was waarachtig aan stukken.”

„Hoe kondt gij zulk een jongen knaap zoo hard slaan?” vroeg Waverley belangstellend.

„Wel, als ik soms niet hard sloeg, zouden de rekels zichzelve vergeten.”

Men begaf zich nu op marsch, na de noodige voorzorgen genomen te hebben, om iedere mogelijke verrassing te voorkomen. De soldaten van Fergus, en een schoon regiment van Badenoch, door Cluny Mac-Pherson aangevoerd, maakten de achterhoede uit. Zij waren een uitgestrekt, open heideveld overgetrokken, en stonden op het punt om de beschuttingen, die een klein dorp, Clifton genaamd, omringden, binnen te rukken. De winterzon was ondergegaan, en Eduard begon Fergus uit te lachen, om de valsche voorspellingen van het grauwe spook. „De Iden van Maart zijn nog niet voorbij,” zeide Mac-Ivor met een glimlach, zijn blikken eensklaps achterwaarts naar de heide wendende, op wier bruine en donkere oppervlakte in de verte een aanzienlijk corps ruiterij zich vertoonde. Zich achter de beschuttingen te scharen, die naar de heide en den weg waren gekeerd, welke den vijand den toegang tot het dorp moest verleenen, was het werk van zeer weinigen tijd. Terwijl deze maatregelen genomen werden, daalde de nacht zwart en treurig neder, ofschoon het volle maan was. Soms echter liet zij een twijfelachtig licht op het tooneel van den strijd vallen.

De Hooglanders bleven niet lang ongemoeid in de verdedigende stelling, die zij ingenomen hadden. Door den nacht begunstigd, poogde een groot corps afgestegen dragonders de beschuttingen te doorbreken, terwijl een andere, niet minder sterke afdeeling, haar best deed, om er langs den grooten weg binnen te rukken. Beide werden met zulk een hevig vuur ontvangen, dat het hunne gelederen in verwarring bracht en hun vooruitgang krachtdadig stuitte. Niet tevreden met het dus behaalde voordeel, trok Fergus, wiens vurige geest bij het naderende gevaar al zijn veerkracht scheen herkregen te hebben, zijn zwaard, terwijl hij uitriep: „De sabel!” en moedigde zijn clan met woord en daad aan, om op den vijand in te houwen. Daarop, handgemeen geworden met de afgestegen dragonders, dwongen zij deze naar de open vlakte te wijken, waar een groot deel van hen in de pan gehakt werd. Maar de maan, die op eens te voorschijn kwam, toonde den Engelschen het kleine getal der aanvallers, die door het behaalde voordeel zelf in wanorde geraakt waren, waarop de beide escadrons te paard zich in beweging zetten, om hunne makkers te ondersteunen, terwijl de Hooglanders de beschuttingen weder poogden te bereiken. Maar verscheidene hunner, onder anderen hun dapper Opperhoofd, werden afgesneden en omsingeld, eer zij hun voornemen konden ten uitvoer brengen. Waverley, die Fergus met het oog zocht, van wien hij, zoo wel als van het terugtrekkende corps, was afgescheiden geraakt in de duisternis en verwarring, zag hem, met Evan Dhu en Callum, zich wanhopig verdedigen tegen een dozijn dragonders, die hen met hunne lange sabels aanvielen. De maan werd op dit oogenblik weder geheel bewolkt, en Eduard kon, in de duisternis, noch hulp toebrengen aan zijn vrienden, noch ontdekken, waarheen zijn eigen weg leidde, om zich weder bij de achterhoede te voegen. Na een paar malen ter nauwernood ontsnapt te zijn aan verslagen of gevangen gemaakt te worden door de benden ruiterij, die hij in het duister ontmoette, bereikte hij ten laatste een schutting, en na deze te zijn overgeklommen, achtte hij zich buiten gevaar en op den weg naar de Hooglandsche troepen, wier doedelzakken hij op eenigen afstand hoorde. Voor Fergus bleef er bijna geen hoop, dan die van krijgsgevangen gemaakt te worden. Terwijl hij diens lot met smart en angst overdacht, kwam het bijgeloof van den Bodach Glas Eduard weder voor den geest, en hij sprak, net innerlijke verbazing, tot zichzelven: „Hoe! kan de Duivel dan waarheid spreken?” [171]

ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN HOOFDSTUK VOL AVONTUREN.

Eduard was in een zeer pijnlijken en gevaarlijken toestand. Hij hoorde al spoedig de doedelzakken niet meer; en wat nog onaangenamer was, toen hij, na lang te vergeefs gezocht te hebben, en door een aantal heggen heen geworsteld te zijn, eindelijk den straatweg naderde, ontdekte hij, aan het ongewenscht geluid der pauken en trompetten, dat de Engelsche cavalerie dien thans bezet hield, en zich bij gevolg tusschen hem en de Hooglanders bevond. Daar hij hierdoor verhinderd was, om rechtuit te gaan, besloot hij de Engelsche troepen te ontwijken, en te trachten zich bij zijn vrienden te voegen, door een omweg te maken naar de linker kant, waar een begaan pad, van die richting van den straatweg afwijkende, eenig voordeel scheen op te leveren. Het pad was modderig, en de nacht duister en koud; maar zelfs deze ongemakken werden nauwelijks geteld bij de niet ongegronde vrees, die bij hem ontstond van in handen der koninklijke troepen te vallen.

Na een tocht van omstreeks drie kwartier, bereikte hij eindelijk een gehucht. Wetende dat het volk, in het algemeen, ongunstig dacht over de zaak, die hij had voorgestaan, en toch verlangende, om, zoo mogelijk een paard en een gids naar Penrith te verkrijgen, waar hij hoopte de achterhoede, zoo al niet het hoofdleger van den Prins te zullen aantreffen, begaf hij zich naar de herberg. Daarbinnen heerschte er groot rumoer. Hij bleef staan om te luisteren. Een paar harde Engelsche vloeken en het slot van een soldatenlied, overtuigde hem, dat ook dit dorp door de troepen van den hertog van Cumberland bezet was. Terwijl hij zich zoo stil mogelijk zocht te verwijderen, en de duisternis zegende, waartegen hij tot hiertoe geprutteld had, zocht Waverley, op het gevoel af, zijn weg langs een laag staketsel, dat de omheining van een moestuin scheen uit te maken. Toen hij den ingang dezer beschutting bereikte, werd zijn uitgestoken hand gegrepen door die eener vrouw, welke te gelijker tijd fluisterde: „Eduard, zijt gij het?”

„Hier heeft een ongelukkig misverstand plaats,” dacht Eduard, terwijl hij zich zachtjes zocht te bevrijden.

„Houd u toch dood stil, of de roodrokken zullen u hooren. Ze hebben van nacht iedereen lastig gevallen of aangehouden, die de herbergdeur voorbij kwam, om hem te dwingen hunne wagens te mennen, en zoo al meer. Kom bij vader binnen, of ’t zal u slecht gaan.”

„Een goede wenk,” dacht Waverley, terwijl hij het meisje door den kleinen tuin naar een met steenen bevloerde keuken volgde, waar zij haar best deed om een zwavelstok aan een uitstervend vuur, en aan den zwavelstok een kaars aan te steken. Maar zoodra zij Eduard gezien had, liet zij het licht vallen, en riep: „o vader, vader!”

De dus geroepen vader kwam spoedig voor den dag; het was een forsche oude boer, met een lederen broek aan en de laarzen over de bloote beenen, die zoo uit het bed gesprongen was; het overige zijner kleeding bestond alleen uit den robe-de-chambre van een Westmorelandschen staatsman, dat wil zeggen: zijn hemd. Zijn gestalte werd verlicht door een kaars, die hij in zijn linkerhand droeg, terwijl hij in zijn rechter een pook zwaaide.

„Wat scheelt er toch aan, deern?”

„O!” riep het arme meisje, bijna flauw vallende, „ik dacht dat het Eduard Williams was, en het is een van de plaidsmannen.”

„En wat hadt ge op dit uur van den nacht met Eduard Williams te maken?” Hierop, daar het misschien een van die tallooze vragen was, die gemakkelijker gedaan dan beantwoord worden, had het roodwangige juffertje niets te zeggen, maar ging voort met snikken en de handen te wringen.

„En gij, borst, weet gij dat de dragonders in het dorp zijn? Weet gij dat, man? Ze zullen je kort en klein slaan, vriendje.”

„Ik weet dat mijn leven in groot gevaar is,” zeide Waverley, „maar zoo ge mij helpen kunt, zal ik u goed beloonen. Ik ben geen Schot, maar een ongelukkige Engelschman.”

„Schot of geen Schot,” zei de eerlijke landman, „ik wenschte maar dat ge aan den anderen kant van de heining waart gebleven; maar nu ge hier zijt, zal Jacob Jopson geen menschenbloed verraden; en de plaids zijn vroolijke jongens, en deden zoo veel kwaad niet, toen ze gisteren hier waren.” Bijgevolg was hij ernstig bedacht, om onzen held, voor den nacht te herbergen en te verkwikken. Het vuur was spoedig weder aangemaakt, en wel met de noodige voorzorg, opdat men het schijnsel er van daarbuiten niet zien zou. De flinke huisbaas sneed een stuk spek, dat Cecilia spoedig braadde, en haar vader voegde er een frisschen dronk van zijn beste bier bij. Men kwam overeen dat Eduard daar zou blijven, tot de troepen des morgens zouden vertrokken zijn, dan zou hij een paard van een boer huren of koopen, en volgens de beste aanwijzingen die men krijgen kon, zijn vrienden pogen in te halen. Een zuiver, ofschoon hard bed verkwikte hem, na de vermoeienissen van dezen ongelukkigen dag.

Bij het aanbreken van den morgen ontving men bericht, dat de Hooglanders Penrith verlaten hadden, en naar Carlisle aftrokken, dat de hertog van Cumberland in het bezit van Penrith was, en dat afdeelingen van zijn leger de wegen in alle richtingen bedekten. Te pogen om zonder ontdekt te worden er door heen te komen, zou dolzinnige roekeloosheid zijn. Williams, de echte Eduard, werd nu door Cecilia en haar vader als raadsman ingeroepen, en daar hij er waarschijnlijk niet voor was, dat zijn knappe naamgenoot te lang met zijn liefje in hetzelfde huis zou blijven, uit vrees voor nieuwe misgrepen, stelde hij voor, dat Eduard, zijn uniform en plaid tegen de landskleeding verruilen, met hem naar zijns vaders boerderij, bij Ulswater, gaan, en in die ongestoorde afzondering blijven zou, zoolang de troepenbewegingen zijn vertrek gevaarlijk maakten. Ook kwam men omtrent den prijs overeen, waarvoor de vreemdeling, zoo hij het goed vond, bij baas Williams kon inwonen. Deze was zeer matig, daar de reddeloosheid van zijn toestand, onder deze brave en eenvoudige lieden, niet als een middel gebruikt werd om hem een hoogeren eisch te doen.

De noodzakelijke kleedingstukken werden bij gevolg aangeschaft, en door het inslaan en volgen van bijpaden die den jongen boer volkomen bekend waren, hoopten zij iedere onaangename ontmoeting te vermijden. Een belooning voor hun gastvrijheid, werd door den ouden Jopson en zijn roodwangige dochter, stellig geweigerd; een kus betaalde de eene, en een hartelijke handdruk den anderen. Beide schenen bezorgd voor de veiligheid van hun gast, en namen afscheid onder vriendelijke wenschen voor zijn welzijn.

Op hun tocht doorkruiste Eduard met zijn leidsman de velden, die den avond te voren het tooneel der schermutseling geweest waren. De kortstondige verlichting der Decemberzon straalde treurig over de uitgebreide heidevlakte, welke, naar den kant waar de noordwestelijke landweg de omheiningen van Lord Lonsdales eigendommen doorsnijdt, gesneuvelde mannen en doode paarden te aanschouwen gaf, benevens de gewone medgezellen van den oorlog, een aantal op lijken azende roofvogels en raven.

„En dit was dan uw laatste slagveld,” dacht Eduard, terwijl hem de oogen vol tranen schoten, bij de gedachte aan de vele schitterende punten van Fergus’ karakter, en aan hun vorige gemeenzaamheid, waarbij hij al zijn hartstochten en onvolmaaktheden vergat – „hier viel de laatste Vich Ian Vohr, op een namelooze heide; en in een onbeduidende nachtschermutseling werd die vurige geest uitgebluscht, wien het zoo gemakkelijk scheen, zijn meester den weg tot den Britschen troon te banen! Eerzucht, staatkunde, dapperheid, die er allen naar streefden boven haar aangewezen kring te stijgen, leerden hier wat het lot der stervelingen is. Ook de eenige steun eener zuster, wier geest, trotsch en onbuigzaam, zelfs nog opgewondener was dan de uwe; hier eindigden al uw vooruitzichten voor Flora en de lange en hooggeschatte geslachtreeks, welke het uw roem was, door uw avontuurlijke dapperheid, thans nog tot hooger eer en aanzien te brengen.”

Terwijl deze denkbeelden zich aan Waverley opdrongen, besloot hij de opene heide over te gaan en te zien, of hij, onder de verslagenen, het lijk van zijn vriend kon ontdekken, met het vrome voornemen om zich jegens hem van den laatsten plicht, het bezorgen eener behoorlijke begrafenis, te kwijten. De vreesachtige jonge mensch, die hem vergezelde, wees hem op het gevaarlijke der onderneming, maar Eduard had zijn besluit genomen. De soldaten die tot den legertrein behoorden, hadden reeds de dooden uitgeschud van alles wat ze met zich konden voeren; maar het landvolk, ongewoon aan bloedtooneelen, was het slagveld nog niet genaderd, ofschoon sommigen, vol vrees, op een afstand stonden te kijken. Omstreeks zestig of zeventig gesneuvelde dragonders lagen binnen de eerste omheining, op den straatweg en het open veld. Van de Hooglanders waren op zijn best een dozijn gevallen, voornamelijk de zoodanigen, die, door zich te ver in den weeken grond gewaagd te hebben, den vasten bodem niet weder hadden kunnen bereiken. Hij kon het lijk van Fergus niet onder de verslagenen vinden. Op een geringe hoogte lagen, verwijderd van de andere, drie Engelsche dragonders, twee paarden en de page Callum Beg, wiens harde schedel eindelijk door den sabel eens ruiters werkelijk gekloofd was. Het was mogelijk, dat het lijk van Fergus door zijn clan was medegevoerd; maar het behoorde evenzeer tot de mogelijkheden, dat hij ontsnapt was, vooral, omdat Evan Dhu, die nooit zijn chef zou verlaten hebben, niet onder de dooden gevonden werd; of misschien was hij krijgsgevangen, en de minst verschrikkelijke aankondiging van den Bodach Glas gebleken waarheid te zijn. De nadering van een krijgshoop, gezonden om het landvolk tot het begraven der dooden te dwingen, en die reeds verscheidene boeren tot dat oogmerk bij elkander gebracht had, dwong Eduard thans zich weder bij zijn gids te voegen, die hem met grooten angst onder het geboomte afwachtte.

Na dezen doodsakker verlaten te hebben, volbrachten zij gelukkig het overige hunner reis. Aan het huis van den landman Williams, ging Eduard door voor een jongen bloedverwant, die, tot predikant opgeleid, daar verblijf kwam houden, tot de burgerlijke beroerten hem zouden vergunnen verder te reizen. Dit bracht allen argwaan onder de goedhartige en eenvoudige landlieden van Cumberland tot zwijgen, en scheen voldoende om de deftige manieren en afgetrokken leefwijze van hun nieuwen gast te rechtvaardigen. En deze voorzorg werd noodzakelijker dan Waverley had gedacht, daar een aantal voorvallen oorzaak werden dat zijn verblijf te Fasthwaite, de naam der boerderij, wat verlengd werd.

Een vreeselijke menigte gevallen sneeuw maakte zijn vertrek gedurende meer dan tien dagen onmogelijk. Toen de wegen een weinig bruikbaar begonnen te worden, ontvingen ze achtereenvolgens bericht van den terugtocht des Prinsen naar Schotland; dat hij de grenzen verlaten had, op Glasgow terug was getrokken, en dat de hertog van Cumberland Carlisle belegerd had. Het leger der Engelschen ontnam dus aan Waverley alle mogelijkheid, om in die richting naar Schotland te ontsnappen. Langs de oostelijke grenzen trok de maarschalk Wade, met een aanzienlijke macht, op Edinburgh aan; en overal op de grenzen des lands waren afdeelingen soldaten, vrijwilligers en partijgangers onder de wapens, om het uitbreken van den opstand te beletten en de achterblijvers van het Hooglandsche leger, die men in Engeland vinden mocht, te vatten. De overgave van Carlisle, en de gestrengheid, waarmede de bezetting der rebellen behandeld werd, gaf welhaast een reden te meer aan de hand om alle denkbeeld te laten varen van zich alleen door een vijandelijk land en een uitgebreid leger op reis te begeven, om den bijstand van éen enkel zwaard te brengen aan een zaak, die ten eenemale hopeloos scheen.

In dit eenzaam en afgezonderd toevluchtsoord, verstoken van allen gezelligen omgang met lieden van beschaafden geest, riep zich Waverley de redeneeringen van kolonel Talbot voor den geest. Een nog benauwder herinnering verontrustte zijn slaap – het was de stervende blik en het laatste gebaar van kolonel Gardiner. Op het hartelijkst bad hij, zoo dikwijls de schaars aankomende post tijding van schermutselingen met verschillenden uitslag, bracht, dat het nooit weder zijn lot mocht wezen, zijn zwaard in een burgeroorlog te trekken. Vervolgens dacht hij aan den vooronderstelden dood van Fergus, aan den verlaten toestand van Flora, en met nog teederder deelneming aan die van Rose Bradwardine, die de hooge mate van geestdrift voor het koninklijke huis niet bezat, welke den tegenspoed voor hare vriendin heilig en verheven maakte. Aan deze mijmering kon hij zich overgeven, ongestoord door lastige vragen of tusschenkomende gesprekken; en het was op menige wandeling, door hem gedurende den winter aan de oevers van de rivier Ulswater afgelegd, dat hij een volkomener heerschappij verwierf over een door het ongeluk getemden geest, dan zijn vroegere ondervinding hem nog gegeven had, en dat hij zich gerechtigd vond, om met vastheid, hoewel misschien met een zucht, te verzekeren, dat de roman van zijn leven ten einde was, en dat de werkelijke historie thans een aanvang ging nemen. De rede en de wijsbegeerte riepen hem weldra op om te toonen dat zijn gevoelens in dit opzicht wel gegrond waren.

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN REIS NAAR LONDEN.

Het gezin te Fasthwaite was spoedig aan Eduard gehecht. Hij bezat inderdaad die minzaamheid en beleefdheid, welke bijna algemeen wederkeerige genegenheid uitlokken, en bij deze eenvoudige lieden boezemde zijn kunde ontzag in, en wekte zijn lijden belangstelling op. Zijn neêrslachtigheid schreef hij, om in geen nadere verklaring te komen, aan het verlies van een broeder toe, die in de schermutseling bij Clifton gesneuveld was; en onder deze goede menschen, die heel ouderwetsch waren en veel hechtten aan familie-banden, verwekte zijn aanhoudende droefgeestigheid medelijden, maar geen verbazing.

Op het laatst van Januari werd zijn gewone levendigheid weder opgewekt door de gelukkige vereeniging van Eduard Williams, den zoon van zijn waard, met Cecilia Jopson. Onze held wilde over het huwelijksfeest van twee personen, aan wie hij zoo veel verplichting had, door geen treurigheid van zijn zijde een schaduw werpen. Hij spande zich derhalve in, danste, zong, speelde allerlei spellen mede, en was de vroolijkste van het gezelschap. Maar den volgenden morgen had hij ernstiger zaken om aan te denken.

De predikant, die het jonge paar getrouwd had, was zoo ingenomen met den zoogenaamden student in de godgeleerdheid, dat hij den volgenden dag van Penrith kwam, om hem een bezoek te brengen. Onze held zou zich in een tamelijk moeielijke positie bevonden hebben, indien de predikant de diepte van zijn vooronderstelde kennis had willen peilen; maar gelukkig hield hij er meer van om het nieuws van den dag te hooren en te vertellen. Hij bracht twee of drie oude dagbladen mede, in een van welke Waverley een bericht aantrof, dat hem spoedig doof maakte voor ieder woord, hetwelk de eerwaarde heer Twigtythe mocht in te brengen hebben omtrent de tijdingen uit het noorden, en het vooruitzicht dat de Hertog de rebellen wel spoedig zou inhalen en tot den laatsten man uitroeien. Het was een artikel in deze, of nagenoeg in deze woorden: