Part 39
„Den tienden dezer overleed te zijnen huize, in Hillstreet, Berkeley-Square, de heer Richard Waverley, tweede zoon van sir Giles Waverley van Waverley-Honour enz. enz. Hij stierf aan een kwijnende ziekte, verergerd door het onaangename bewustzijn van verdacht te worden, waarin hij zich bevond, daar hij verplicht was geweest om borg te stellen voor een groote som, als beschuldigd van hoogverraad. Een beschuldiging van dezelfde zware misdaad rust op zijn ouderen broeder, sir Everhard Waverley, het hoofd dier oude familie; en wij vernemen, dat hij voor de rechters zal gebracht worden in het begin van de volgende maand, tenzij Eduard Waverley, zoon van den overleden Richard, en erfgenaam van den baronet, zich in handen der justitie stelt. In dat geval, verzekert men ons, is het Zijner Majesteits goedgunstig voornemen, alle verdere vervolgingen tegen sir Everhard te staken. Het is gebleken, dat deze ongelukkige jonge edelman de wapens heeft opgevat in dienst van den Pretendent, en dat hij met de Hooglandsche troepen Engeland is binnengerukt. Men heeft niets van hem gehoord, sedert de schermutseling van den 18den December l. l.”
Dus luidde de paragraaf, die hem zoo geweldig trof. – „Goede God! ben ik dan de moordenaar van mijn vader? – Onmogelijk! Mijn vader, die nooit de genegenheid van een vader blijken liet, zoo lang hij leefde, kan niet zoo aangedaan zijn geweest door mijn vooronderstelden dood, dat het den zijne zou verhaast hebben; neen, ik kan dit niet gelooven, – het zou dwaasheid zijn slechts éen oogenblik zulk een verschrikkelijk denkbeeld te voeden. Maar het zou zelfs erger zijn dan vadermoord, te dulden, dat een of ander gevaar mijn braven en edelmoedigen oom zou bedreigen, die altijd meer dan een vader voor mij geweest is, als zulk een ramp door een offer van mijn kant af te wenden is!”
Terwijl deze gedachten, als bliksemschichten Waverleys brein doorkliefden, werd de waardige geestelijke, in een uitvoerig verhaal van den slag van Falkirk gestuit door de doodelijke bleekheid van zijn gelaat, en vroeg hem, of hij zich niet wél bevond? Gelukkig kwam de bruid, met den blos der vreugde op het gelaat, het vertrek binnen. Vrouw Williams was geen van de slimste vrouwen; maar zij bezat een goed hart, en daar zij terstond begreep, dat Eduard geschokt was door onaangenaam nieuws in de papieren, kwam zij met zoo veel oordeel tusschenbeide, dat zij, zonder eenige achterdocht te wekken, des heeren Twigtythes oplettendheid afleidde, en hem bezig hield tot hij, kort daarop, afscheid nam. Waverley verklaarde terstond aan zijn vrienden, dat hij in de noodzakelijkheid was, om naar Londen te gaan, en wel zonder het minste uitstel.
Een oorzaak van uitstel deed zich echter op, waaraan Waverley weinig gewend was. Zijn beurs, ofschoon wél voorzien, toen hij eerst te Tully-Veolan kwam, had sedert dien tijd geen versterking ontvangen; en hoewel zijn latere leefwijze niet van den aard was, om ze spoedig uit te putten – hij had zich toch voornamelijk bij zijn vrienden en bij het leger opgehouden – zoo bevond hij toch, dat hij, na met zijn huiswaard te hebben afgerekend, te arm zou zijn, om de kosten van een reis met postpaarden te bestrijden. Het scheen dus beter te zijn, zich naar den noordelijken landweg over Boroughbridge te begeven, en daar plaats te nemen op den Noorderpostwagen, een lompe ouderwetsche kast, met drie paarden, die de reis van Edinburgh naar Londen („zoo God wil,” zegt de advertentie) in drie weken volbrengt. Onze held nam derhalve een minzaam afscheid van zijn Cumberlandsche vrienden, wier goedheid hij beloofde nimmer te zullen vergeten, en stilzwijgend hoopte te eeniger tijd door wezenlijke blijken van dankbaarheid te erkennen. Na enkele geringe bezwaren en eenig lastig oponthoud, en na zijn kleeding in een staat te hebben gebracht, meer overeenkomstig zijn rang, ofschoon uiterst eenvoudig en bescheiden, volbracht hij zijn tocht langs de landwegen, en bevond zich in den postwagen, tegenover mevrouw Nosebag, de vrouw van den luitenant Nosebag, adjudant van de **sche dragonders, een ongegeneerd vrouwtje van ongeveer vijftig jaar, die een blauw met rood afgezet kleed en een met zilver beslagen karwats droeg.
Deze dame was een dier werkzame leden der maatschappij, die op zich nemen à faire les frais de la conversation. Zij was juist uit het noorden terug gekomen, en berichtte Eduard, hoe weinig het gescheeld had, of haar regiment had het rokkenvolk, te Falkirk, in de pan gehakt; „dit werd alleen belet,” zeide zij, „door zoo’n akelige moeras, waar men in Schotland nooit buiten kan, geloof ik, en daardoor leed ons arm regiment ietwat, gelijk Nosebag zegt, in dit nietsbeteekenend gevecht. Gij, mijnheer, hebt gij bij de dragonders gediend?” Waverley was zoo onverwacht overvallen, dat hij dit bevestigde. „O, ik wist het meteen; ik zag aan uw houding, dat gij militair zijt, en ik was verzekerd dat gij niet tot de zandhazen behoordet, zooals Nosebag ze noemt. Van welk regiment, als ik u vragen mag?” Dit was een onaangename vraag. Waverley maakte er echter te recht het besluit uit op, dat deze goede dame de geheele ranglijst van buiten kende: en, om ontdekking te ontgaan, door zich dicht bij de waarheid te houden, antwoordde hij: „Gardiners dragonders, mevrouw, maar ik heb eenigen tijd geleden de dienst verlaten.”
„O, die dragonders, die de voorsten waren bij den terugtocht van Preston, zooals mijn Nosebag zegt. Wat zegt gij, mijnheer, waart gij daarbij?”
„Ik had het ongeluk, mevrouw,” antwoordde Eduard, „om getuige van dat gevecht te zijn.”
„En het was een ongeluk, dat weinige van Gardiners dragonders stand hielden om er getuigen van te zijn, geloof ik, mijnheer – ha! ha! ha! Ik vraag verschooning; maar een soldatenvrouw houdt van een grap.”
„De duivel hale u!” dacht Waverley, „welk een helsch toeval heeft mij, met deze nieuwsgierige heks opgesloten!”
Gelukkig bleef de goede dame niet lang bij één stuk stil. „Nu komen wij te Ferrybridge,” zeide zij, „waar een afdeeling van de onzen gelaten werd, om de deurwaarders en dienders en vrederechters en dat soort van wezens te ondersteunen, bij het onderzoeken der papieren, het tegenhouden der rebellen en wat dies meer zij.” Zij waren nauwelijks in de herberg, of zij sleepte Waverley naar het raam, met den uitroep: „Ginds komt korporaal Bridoon, van ons arm escadron; hij komt met den deurwaarder; Bridoon is een mijner lammeren, gelijk Nosebag ze noemt. Kom, mijnheer – A – a, – maar, hoe is uw naam, mijnheer?”
„Butler, mevrouw,” zeide Waverley, die besloot liever gebruik te maken van den naam eens voormaligen mede-officiers, dan gevaar te loopen van ontdekt te worden, door het opgeven van een anderen, die niet in het regiment gevonden werd.
„O ja, gij hebt onlangs een escadron gekregen, toen die gemeene kerel Waverley naar de rebellen overliep. Heer! ik wenschte wel dat onze oude plaag, kapitein Cramp, tot de rebellen overliep, dan zou Nosebag het escadron krijgen. – Maar! waarom staat Bridoon daar op de brug te slenteren? Ik wil mij laten hangen, als hij niet „buiten westen is,” gelijk Nosebag zegt. Kom, mijnheer, daar gij en ik tot de dienst behooren, zullen wij den rekel tot zijn plicht brengen.”
Waverley zag zich, met gewaarwordingen, die zich gemakkelijker laten begrijpen dan beschrijven, verplicht zijn manhaftige vrouwelijke bevelhebber te volgen. De dappere korporaal geleek zoo veel naar een lam, als een dronken korporaal van de dragonders, van omtrent zes voet hoog, met zeer breede schouders en zeer dunne beenen, om niet te spreken van een houw dwars over het gezicht, bij mogelijkheid daarop kon gelijken. Mevrouw Nosebag begon het gesprek, zoo al niet met een vloek, dan ten minste met eenige woorden, die er vrij wat naar geleken, terwijl zij hem beval zijn plicht te doen. „Loop jij maar naar de verd....” begon de moedige ruiter; en sloeg de oogen op om meer kracht te voegen aan het woord dat hij er op meende te laten volgen, en verder een bijvoeglijknaamwoord te zoeken dat hij zou kunnen toepassen op de persoon die hij aansprak, maar zoodra hij de spreekster herkend had, salueerde hij eerbiedig en veranderde van toon. – „God zegene uw schoon gezicht, mevrouw Nosebag, is u dat? Wel, als een arme drommel bij ongeluk eens ’s morgens een klein tikje weg kreeg, zijt gij er toch nooit de vrouw naar om hem in het ongeluk te helpen.”
„Kom, kom, deugniet, doe uw plicht; deze heer en ik behooren tot den dienst; maar zie terdeeg naar dien schuwen vogel met den grooten hoed, die in den hoek van den wagen zit. Ik geloof dat het een verkleede rebel is.”
„De drommel hale haar stekelige pruik,” gromde de korporaal, toen zij hem niet meer hooren kon. „Die grijze feeks van een moeder-adjudant, zoo als wij haar noemen, is een grooter plaag voor het regiment, dan de provoost-geweldige en de Sergeant-Majoor, en de oude Kolonel, op den koop toe. Kom, mijnheer de diender, laat ons zien of die schuwe vogel, zoo als zij hem noemt, (die, in het voorbijgaan gezegd, een kwaker van Leeds was, met wien mevrouw Nosebag een kleinen twist had gehad over het geoorloofde van de wapens te dragen) een slok voor ons over heeft; want die Yorkshire ale ligt me koud in de maag.”
De levendigheid dezer goede vrouw had Eduard hier uit de verlegenheid geholpen, maar daarentegen was zij meer dan eens op het punt hem andere lasten op den hals te halen. In elke stad waar zij ophielden, wenschte zij het corps de garde te zien, zoo er een was, en eens scheelde het maar weinig, of zij had hem bij een werf-officier van zijn eigen regiment gebracht. Daarenboven gaf zij hem den naam van Kapitein en van Butler zoo druk, dat hij bijna razend werd van verdriet en angst; en nooit was hij blijder bij het einde van een reis, dan toen de aankomst van den postwagen te Londen hem van de oplettendheden van mevrouw Nosebag bevrijdde.
ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
WAT NU TE DOEN?
Het was schemeravond toen zij de stad binnen reden, en na zich van zijn medereizigers te hebben ontdaan, en een heel einde omgeloopen te hebben, ten einde de mogelijkheid te voorkomen van door hen nagespoord te worden, nam Eduard een huurkoets en reed naar het huis van kolonel Talbot, op een der voornaamste pleinen in het Westeinde der stad. Sedert zijn huwelijk was de Kolonel, door den dood van naastbestaanden, erfgenaam geworden van een groot fortuin, bezat niet weinig staatkundigen invloed, en leefde, zoo als men het noemt, op een grooten voet.
Toen Waverley aanklopte, vond hij het aanvankelijk niet gemakkelijk om toegang te verkrijgen, maar werd eindelijk in een vertrek gelaten, waar de Kolonel aan tafel zat. Lady Emilia, wier zeer schoon gelaat nog bleek was na hare ongesteldheid, was tegenover hem gezeten. Zoodra hij Waverley’s stem hoorde, sprong hij op en omhelsde hem. „Francis Stanley, mijn beste jongen, hoe vaart gij? – Emilia, mijn beste, dit is de jonge Stanley.”
De dame kleurde sterk terwijl zij Waverley ontving op een wijze, waarin beleefdheid met vriendelijkheid vermengd was, en haar bevende hand en haperende stem verrieden, hoezeer zij geschokt en ontroerd was. Men ging spoedig weder aan tafel, en terwijl Waverley bezig was met zich te verkwikken, ging de Kolonel voort – „Ik had niet gedacht, u hier te zien, Frans; de doctoren hebben mij verzekerd, dat de Londensche lucht zeer slecht voor uw kwaal is. Gij moest dat niet gewaagd hebben. Maar ik ben blijde u te zien, en Emilia ook, ofschoon ik vrees, dat wij niet rekenen moeten lang het genoegen te hebben u bij ons te houden.”
„Een belangrijke zaak heeft mij hierheen gebracht,” mompelde Waverley.
„Dat begrijp ik; maar ik zal niet toestaan dat ge lang hier blijft. – Spontoon! (zeide hij tot een bejaarden, naar oudmilitair gelijkenden bediende, zonder liverei) neem dit alles weg, en als ik schel, komt gij zelf. Laat niemand van de andere bedienden ons storen. – Mijn neef en ik hebben zaken te bespreken.”
Zoodra de knechts weg waren, ging hij voort: „In ’s Hemels naam, Waverley, wat heeft u hierheen gebracht? Uw leven kan er meê gemoeid zijn.”
„Waarde mijnheer Waverley,” zeide Lady Emilia, „hoe kondt gij, wien ik zoo veel meer verplicht ben dan ik ooit vergelden kan, zulk een onvoorzichtigheid begaan!”
„Mijn vader – mijn oom, lees deze paragraaf,” en hij reikte kolonel Talbot het nieuwsblad over.
„Ik wilde, dat deze schobbejakken veroordeeld werden om zelf dood gedrukt te worden,” zeide Talbot. „Ik hoor dat er thans niet minder dan een dozijn van hun nieuwsbladen in de stad worden uitgegeven, en dus geen wonder dat ze genoodzaakt zijn leugens te smeden, om koopers voor hun waren te vinden. Het is echter waar, mijn waarde Eduard, dat gij uw vader verloren hebt; maar dat zijn dood het gevolg is van geweldig verdriet, hem door zijn onaangenamen toestand berokkend – dit is niets dan grootspraak. De waarheid is – want, ofschoon het mij hard valt dit thans te zeggen, zoo wil ik uw hart bevrijden van den last der zware verantwoordelijkheid die u drukt – de waarheid is dan, dat de heer Richard Waverley, in den loop dezer geheele zaak, een groot gebrek aan gevoel, zoo wel omtrent uw toestand als dien van uw oom aan den dag heeft gelegd; en den laatsten keer dat ik hem zag, deelde hij mij met groote opgeruimdheid mede, dat, daar ik zoo goed was om mij met uw belangen te belasten, hij het best geacht had een afzonderlijke onderhandeling voor zich zelven aan te knoopen, en zijn vrede met het bewind te sluiten langs eenige wegen, welke vroegere betrekkingen hem nog open lieten.”
„En mijn oom, mijn dierbare oom?”
„Is in geen gevaar hoegenaamd. Het is waar – terwijl hij naar de dagteekening van het dagblad zag – dat toen dit gedrukt werd, er een zot praatje van den aard, als hier aangehaald wordt, geloopen heeft, maar het is geheel valsch. Sir Everhard is vertrokken naar Waverley-Honour, vrij van alle onrust, behalve omtrent u. Maar gij zijt zelf in gevaar – uw naam komt voor in iedere uitgevaardigde proclamatie, en er zijn bevelen om u aan te houden. Hoe en wanneer zijt gij hier aangekomen?”
Eduard verhaalde zijn geschiedenis in het breede, terwijl hij geen woord repte van zijn twist met Fergus; want daar hij zelf ingenomen was met de Hooglanders, wenschte hij geen voet te geven aan het nationaal vooroordeel door den Kolonel tegen hen gekoesterd.
„Zijt gij er zeker van, dat het uw vriend Glens lijfknecht was, dien gij dood op de Cliftonsche heide hebt gezien?”
„Stellig.”
„Dan is dat duivelskind aan de galg ontsnapt; want het woord „bloedvergieter” stond op zijn voorhoofd geschreven, ofschoon het (hier keerde hij zich tot lady Emilia) tevens een zeer mooi gezicht was. Maar wat u betreft, Eduard, zou ik, ik weet niet wat, willen geven als gij naar Cumberland wildet terug keeren, of liever, als gij er nooit van daan gegaan waart; want er is beslag gelegd in al de zeehavens op de schepen, en het onderzoek naar de aanhangers van den Pretendent is allerstrengst; en de tong van dat verduivelde wijf zal in haar mond gaan als de klep van een molen, tot dat de een of ander ontdekt, dat kapitein Butler een verdicht persoon is.”
„Hebt gij,” vroeg Waverley, „eenige kennis aan mijn reisgezellin?”
„Haar man was, voor een jaar of zes, mijn opperwachtmeester: zij was een luchtig weeuwtje, met een beetje geld; hij trouwde haar, was ijverig en kwam, als een bruikbare kerel, vooruit. Ik moet Spontoon er op uitzenden, om te zien wat ze hier komt uitvoeren. Hij zal haar onder de oude regiments-vrienden wel uitvinden. Morgen moet gij ongesteld zijn, en wegens vermoeidheid uw kamer houden. Lady Emilia zal uw zieken-oppasster zijn, en Spontoon en ik, uw bedienden. Gij draagt den naam van een mijner naastbestaanden, dien geen van mijn tegenwoordige bedienden, Spontoon uitgezonderd, ooit gezien heeft: dus is er geen onmiddellijk gevaar. Ik bid u, krijg zoo spoedig mogelijk geweldige hoofdpijn en laat uwe oogen zwaar worden, opdat gij op de ziekenlijst gebracht moogt worden; en gij, Emilia, laat een vertrek voor Frans Stanley gereed maken, met al de oplettendheden, die een zieke kan vorderen.”
Des morgens bezocht de Kolonel zijn gast. „Nu,” zeide hij, „ik heb goed nieuws voor u. Uw goede naam, als man van eer en officier, is gezuiverd van plichtverzuim en deelgenootschap aan de muiterij in Gardiners regiment. Ik heb een briefwisseling over dit onderwerp gehad met een zeer ijverigen vriend van u, een Schotschen predikant, Morton; zijn eerste brief was gericht aan Sir Everhard, maar ik heb den goeden Baronet van de moeite ontheven, om dien te beantwoorden. Gij moet weten dat uw oude kennis, de vrijbuiter Donald, uit het hol, ten laatste in de handen der Philistijnen is gevallen. Hij was bezig het vee weg te drijven van zekeren landeigenaar, met name Killan.... zoo iets –”
„Killancureit!”
„Dezelfde. Het schijnt dat deze heer een groote boer is, die bijzondere zorg voor zijn veestapel draagt, en daar hij bovendien een weinig vreesachtig van gestel was, had hij een afdeeling soldaten aangevraagd, om zijn eigendom te beschermen. Het gevolg daarvan was dat Donald, onvoorziens, met zijn hoofd in den leeuwenmuil liep, verslagen en gevangen genomen werd. Na zijn ter dood veroordeeling werd zijn geweten aangevallen, aan den eenen kant door een katholieken priester, en aan den anderen door uw vriend Morton. Hij wees den katholiek af, voornamelijk op grond der leerstelling van het laatste oliesel, hetwelk door dezen zuinigen vrijbuiter als een buitensporige verkwisting van olie beschouwd werd. Zijn bekeering uit den toestand van verstoktheid viel dus den heer Morton ten deel, die, durf ik zeggen, zich daarvan op uitnemende wijze kweet, ofschoon ik vrees dat Donalds christendom, na dat alles, er toch maar dunnetjes in zat. Hij legde echter voor een overheidspersoon, zekeren majoor Melville, die een zeer nauwgezet, vriendelijk soort van mensch schijnt geweest te zijn, de bekentenis af van zijn geheele intrigue met Houghton, terwijl hij tevens in bijzonderheden verklaarde, hoe alles aangelegd werd, en u geheel en al, zelfs van de minste deelneming daaraan, vrijsprak. Ook verhaalde hij, dat hij het geweest was, die u uit de handen van den vrijwilliger-officier had gered, dat hij u, volgens orders van den Pre.... Ridder, meen ik – als gevangene, naar Doune had geleid, vanwaar hij vernomen had, dat gij naar Edinburgh waart overgebracht. Dit zijn bijzonderheden, die niet missen kunnen in uw voordeel te zijn. Hij gaf te kennen, dat men hem gebezigd had om u te bevrijden en te beschermen, en dat hij er rijkelijk voor beloond was; maar hij wilde niet zeggen door wien, terwijl hij er bijvoegde, dat, hoewel hij er geen bezwaar in zou gevonden hebben, om een gewonen eed te breken, ten einde de nieuwsgierigheid van den heer Morton te voldoen, aan wiens vrome vermaningen hij zoo veel verplichting had, hij echter, met betrekking tot deze omstandigheid, op de kling van zijn dolk [172] had gezworen, zijn geheim te bewaren, hetgeen, naar zijn gevoelen, een onschendbare verplichting oplegde.”
„En wat is er van hem geworden?”
„O, hij werd te Stirling, nadat de rebellen het beleg opgebroken hadden, gehangen, met zijn luitenant en nog vier plaids bovendien. Hij had echter het voorrecht van aan een hoogeren galg dan die zijner vrienden te worden opgeknoopt.”
„Wel, ik heb weinig reden om zijn dood te beweenen, of er mij over te verheugen; hij heeft mij veel goed en ook veel kwaad gedaan.”
„Zijn bekentenis althans zal u van groote dienst zijn, daar ze u van al die vermoedens zuivert, welke aan de tegen u ingebrachte beschuldiging een geheel andere kleur geven dan die, welke men aan zoo vele ongelukkige heeren, nu of vroeger tegen het Bewind in het veld, met recht kan ten laste leggen. Hun verraad – ik moet het dezen naam geven, ofschoon gij aan hun vergrijp hebt deelgenomen – spruit uit een kwalijk begrepen deugd voort, en kan daarom niet als vernederend beschouwd worden, hoewel ze ontegenzeggelijk ten hoogste misdadig is. Waar de schuldigen zoo talrijk zijn, moet genade aan de meesten worden verleend. Dit alles geeft mij de zekerheid, dat ik uwe vergiffenis verwerven zal, mits wij u uit de klauwen der justitie kunnen houden, tot dat ze haar slachtoffers gekozen heeft en er van verzadigd is, want hier, even als in andere gevallen, zal het volgens het gewone spreekwoord gaan, die eerst komt, die eerst maalt. Daarenboven wenscht het Bewind thans den Engelschen Jacobieten schrik aan te jagen, onder wie het echter weinige voorbeelden kan stellen. Dit is een wraakzuchtig en kleingeestig denkbeeld, dat spoedig slijten zal; want van alle natiën zijn de Engelschen, in hun aard, de minst bloedgierigen. Maar de noodzakelijkheid van straffen bestaat op dit oogenblik, en gij moet dus, voor het tegenwoordige, achter de schermen gehouden worden.”
Spontoon trad op dit oogenblik met een bedrukt gelaat binnen. Door middel van zijn kennissen bij het regiment, had hij mevrouw Nosebag ontdekt, en haar ontevreden, woedend, en verschrikkelijk woordenrijk aangetroffen, daar het haar reeds was gebleken, dat ze uit het noorden met een bedrieger was komen reizen, die den naam van kapitein Butler, van Gardiners dragonders, had aangenomen. Zij ging hem aangeven, opdat men hem als een zendeling van den Pretendent zou opsporen; maar Spontoon (als een oud krijgsman) was het gelukt, terwijl hij voorgaf haar voornemen goed te keuren, het uitvoeren daarvan voor het oogenblik te vertragen. Er was echter geen tijd te verliezen: het nauwkeurige signalement dat deze goede dame geven kon, zou misschien tot de ontdekking voeren, dat Waverley die voorgewende kapitein Butler was, hetgeen zeker voor Eduard, misschien voor zijn oom – en zelfs voor kolonel Talbot gevaarlijk wezen kon.
Het was daarom de vraag, waarheen Waverley thans gaan zou.
„Naar Schotland,” zeide Waverley.
„Naar Schotland?” zei de kolonel, „met welk oogmerk? – Niet, naar ik hoop, om u andermaal bij de rebellen te voegen.”
„Neen. Ik beschouw mijn veldtocht als geëindigd, sedert ik, in spijt van al mijn pogingen, hen niet weder heb kunnen bereiken. En nu zijn ze, volgens alle berichten, een winterveldtocht gaan maken in de Hooglanden, waar zoodanige aanhangers als ik, eer last dan voordeel zouden aanbrengen. Inderdaad schijnt het bijna, dat ze den oorlog alleen rekken, om den Prins buiten gevaar te brengen, en daarna eenige voorwaarden voor zichzelven te bedingen. Mijn tegenwoordigheid zou slechts strekken om hen met een ander persoon te belasten, dien ze niet zouden willen verlaten en niet zouden kunnen verdedigen. Ik verneem dat ze, juist om deze reden, meest al hun Engelsche medestanders te Carlisle in bezetting lieten. – Maar als ik de zaak meer in het algemeen beschouw, Kolonel, zoo ben ik, om de waarheid te zeggen, hoewel het mij ook in uw gevoelen moge doen dalen, het oorlog voeren hartelijk moede, en, heb ik gelijk Fletchers luimige luitenant zegt: „als ’t ware mijn bekomst van al dat vechten.””
„Vechten! kom! wat hebt ge anders gezien dan een paar schermutselingen! – Ha! zoo ge den oorlog eens op groote schaal gezien hadt – zestig of honderd duizend man, van weerszijde, in het veld!”
„Ik verlang er in het geheel niet naar, Kolonel. – „Genoeg,” zegt ons vaderlandsch spreekwoord, „is zoo goed als een feest.” De gepluimde benden en de roemrijke krijg, plachten mij in de poëzij te bekoren; maar de nachtmarschen, de wachten, het bivak onder den winterhemel, en dergelijke pretjes van het roemrijke krijgsmansleven, vallen volstrekt niet in mijn smaak, waar het de praktijk geldt; en wat de sabelhouwen betreft, ik heb er te Clifton reeds genoeg van gehad, waar ik er wel een half dozijn maal met moeite aan ontkwam; en gij, zou ik denken –”
„Hadt er genoeg van te Preston, woudt gij zeggen?” zei de Kolonel lachende, „maar het is mijn beroep, vriendje!”
„Maar het mijne is het niet,” hernam Waverley, „en daar ik mij met eer ontdaan heb van het zwaard, dat ik slechts als vrijwilliger getrokken had, ben ik ten volle tevreden met de door mij verkregen ondervinding van den oorlog, en volstrekt niet belust mij er verder in te begeven.”