Part 17
Eduard merkte, niet zonder verwondering, op, dat zelfs Fergus, in weerwil van zijn kennis en opvoeding, in de bijgeloovige denkbeelden zijner landgenooten scheen te deelen, hetzij omdat hij het onstaatkundig achtte den twijfelaar uit te hangen in een zaak die algemeen geloof vond, of, wel zoo waarschijnlijk, omdat, daar de meeste menschen niet diep noch ernstig over zulke zaken nadenken, er een overblijfsel van bijgeloof in zijn ziel was overgebleven, dat tegen de vrijheid zijner uitdrukkingen en handelingen bij andere gelegenheden moest opwegen. Waverley maakte derhalve geen aanmerkingen op de wijze van behandelen, maar beloonde den hoogleeraar in de geneeskunst met een mildheid, die zijn stoutste verwachtingen verre te boven ging. Hij uitte, bij deze gelegenheid, zoo vele onsamenhangende zegenwenschen in het Gaelsch en in het Engelsch, dat Mac-Ivor, eenigszins geërgerd over het buitensporige zijner erkentelijkheid, daaraan op eens een einde maakte, door uit te roepen: „Ceud mile mhalloich ort!” dat wil zeggen: „Honderd duizend vloeken over u!” en zoo dreef hij den weldoener der menschheid de hut uit.
Zoodra Waverley alleen gelaten werd, deed hem de uitputting, door pijn en vermoeidheid veroorzaakt – want de inspanning van den ganschen dag was zwaar geweest – in een diepen, maar koortsachtigen slaap vallen, die inzonderheid het gevolg was van een drankje, door den ouden Hooglander uit een afkooksel van zekere kruiden uit zijn apotheek toebereid.
Den volgenden morgen vroegtijdig – daar de jacht geëindigd, en hunne vroolijkheid een weinig gestoord was door Waverley’s ongeval, waarin Fergus en al zijn vrienden de grootste deelneming betoonden – werd het de vraag, hoe men met den gewonden jager zou handelen. De zaak werd beslist door Mac-Ivor, die een draagbaar had doen vervaardigen, „van berk en hazelaar” [101] welke door zijn lieden zoo bij uitstek voorzichtig en behendig werd gedragen, dat het niet onwaarschijnlijk is, dat zij de voorouders geweest zijn dier Gaelsche knapen, welke thans het geluk hebben, de schoonen van Edinburgh in hare draagstoelen naar tien verschillende partijen op éénen avond te brengen. Toen Eduard op hunne schouders geheven werd, kon hij niet nalaten zich te verlustigen in den romantischen indruk, die het opbreken van dit woudleger te weeg bracht. [102]
De verschillende stammen vergaderden, elk op den doedelzak van zijn eigen clan, ieder door zijn aartsvaderlijk Hoofd aangevoerd. Enkele van dezen, die reeds begonnen waren zich te verwijderen, zag men tegen de heuvelen opklimmen, of de bergpassen afdalen, die naar het tooneel hunner afgeloopen jachtpartij geleidden; terwijl het geluid der doedelzakken nog in hunne ooren weergalmde. Anderen vertoonden een nog bonter schilderij op de vlakte, en vormden daar verschillende afwisselende groepen, terwijl hunne vederen en loshangende plaids in het morgenkoeltje fladderden, en hunne wapens in de opgaande zon schitterden. De meeste hunner Opperhoofden kwamen afscheid van Waverley nemen, en hunne levendige hoop betuigen, dat zij elkander nogmaals, en spoedig, mochten wederzien; maar Fergus droeg zorg dit vaarwel te bekorten. Nadat zijn eigen manschappen ten laatste verzameld en gemonsterd waren, gaf Mac-Ivor het sein tot den aftocht, maar beval hun een anderen weg te nemen dan dien, waarlangs ze gekomen waren. Hij gaf Waverley te verstaan, dat, daar het grootste gedeelte zijner onderhoorigen, thans op de been, bestemd was tot een verren tocht, en dat, zoodra hij Waverley in het huis zou bezorgd hebben van iemand dien hij wist dat hem alle mogelijke oplettendheid zou bewijzen, hij zelf in de noodzakelijkheid zou wezen zijne manschappen het grootste gedeelte van den weg te vergezellen, maar dat hij niet verzuimen zou, zich zoodra mogelijk bij zijn vriend te vervoegen.
Waverley was eenigszins verrast, dat Fergus van deze verdere bestemming zijner lieden geen melding had gemaakt, toen ze op de jacht trokken; maar zijn toestand veroorloofde hem niet vele vragen tot Fergus te richten. Het grootste gedeelte der clanslieden ging vooruit, onder geleide van den ouden Ballenkeiroch en van Evan Dhu Maccombich, blijkbaar vol geestdrift en vroolijkheid. Eenige weinigen bleven achter, om het Opperhoofd tot wacht te strekken, die ter zijde van Eduards draagbaar liep en hem met onvermoeide zorg gadesloeg. Omstreeks den middag, na een tocht, dien de aard van het vervoermiddel, de pijn zijner kwetsuren en de ongelijkheid van den weg, onuitsprekelijk moeielijk maakten, werd Waverley gastvrij ontvangen in het huis van een heer, een bloedverwant van Fergus, die hem al de gemakken had bereid, waartoe de eenvoudige leefwijze, toen in de Hooglanden algemeen, hem in staat stelde. In dezen nieuwen gastheer, een oud man van bij de zeventig jaren, bewonderde Eduard een overblijfsel van de oorspronkelijke eenvoudigheid. Hij droeg geen kleederen, dan die zijn landgoed opleverde; het laken was van de wol zijner eigene schapen, geweven door zijn eigen knechts, en geverwd met behulp der kruiden en mossoorten, die op de omliggende heuvels groeiden. Zijn linnen was door zijn dochters en dienstmeiden, van zijn eigen vlas gesponnen; ook bood zijn tafel, schoon overvloedig voorzien, en afgewisseld met wild en visch, geen enkelen schotel aan, die niet het voortbrengsel was van zijn eigene goederen.
Daar hij voor zich geen aanspraak maakte op de rechten als Hoofd van een clan of als leenman, achtte hij zich gelukkig door het bondgenootschap en de bescherming van Vich Ian Vohr en eenige andere stoute en ondernemende Hoofden, een bescherming die hem het vreedzaam, ingetogen leven, dat door hem geleid werd, waarborgde. Het is waar, dat de op zijn gronden geboren jongelieden dikwijls in verzoeking kwamen hem, voor de dienst bij zijn meer bedrijvige vrienden, te verlaten; maar eenige oude bedienden en landhuurders schudden gewoonlijk de grijze lokken, als ze hun meester over gebrek aan moed hoorden berispen, en maakten de aanmerking, dat „als de wind stil is, de bui zacht neêr komt.” Deze goede oude man, wiens liefdadigheid en gastvrijheid geene grenzen kenden, zou Waverley met vriendelijkheid hebben ontvangen, al ware hij de gemeenste Saksische boer geweest, alleen omdat zijn toestand hulp vereischte. Maar nu hij in hem een vriend en gast van Vich Ian Vohr ontmoette, waren zijn zorgen even onvermoeid als ontelbaar. Er werden nieuwe pappen op het gekwetste been aangebracht, en nieuwe tooverspreuken aangewend. Eindelijk na meer bezorgdheid dan misschien voordeelig voor de gezondheid des lijders was, nam Fergus voor eenige dagen afscheid van Waverley, om vervolgens, gelijk hij zeide, naar Tomanrait terug te keeren, waar hij dan hoopte, Waverley in staat te vinden een der Hooglandsche hitten van zijn gastheer te bestijgen, en op die wijze naar Glennaquoich terug te reizen.
Den volgenden dag, zoodra zijn goede oude gastheer hem bezocht, vernam Eduard, dat zijn vriend met het krieken van den dag vertrokken was, terwijl hij geen anderen bediende dan Callum Beg, de soort van page, die hem gewoonlijk oppaste, had achtergelaten, met last om Waverley ten dienst te staan. Op de vraag aan zijn gastheer, of deze wist waarheen het Opperhoofd vertrokken was, zag de oude hem strak aan, met iets geheimzinnigs en droefgeestigs in den glimlach, die zijn eenig antwoord was. Waverley herhaalde zijn vraag, waarop de gastheer met een spreekwoord antwoordde:
„Het bracht den schelmschen bode aan lang geen prettig end Als hij den weg ging vragen, hem al te goed bekend.” [103]
Hij was op het punt er nog meer bij te voegen, maar Callum Beg zeide, zooals het Eduard voorkwam, min of meer beleefd, dat Ta Tighearnach (dat is, het Opperhoofd) niet wilde, dat men den Saksischen heer met veel gepraat kwelde, daar hij zich verre van wel bevond. Hieruit maakte Waverley op, dat hij zijn vriend ongenoegen zou doen, bij een vreemdeling naar het doel der reis te vernemen, dat hij zelf niet goed gevonden had hem mede te deelen.
Het is niet noodig de genezing van onzen held van dag tot dag na te gaan. De zesde morgen was aangebroken, en hij was in staat met een stok te loopen, toen Fergus met omtrent twintig man terugkeerde. Hij scheen zeer opgewonden, wenschte Waverley geluk met zijn aanvankelijke herstelling, en daar hij bevond dat deze in staat was te paard te zitten, stelde hij hem voor, onmiddellijk naar Glennaquoich terug te keeren. Waverley nam dit voorstel gretig aan; want het beeld zijner schoone had, gedurende al den tijd zijner gevangenschap, zijn droomen opgeluisterd.
Nu reed hij verder door moer en door mos, Langs heuvel en menig eng dal.
Terwijl Fergus gedurende den geheelen weg onafgebroken aan de zijde van zijn vriend bleef, en zijn trawanten, die met een onvermoeiden tred voortliepen, zich alleen verwijderden, om een schot op een ree of een veldhoen te doen, begon Waverley’s hart sterk te kloppen, toen zij den ouden toren van Ian nan Chaistel naderden en hij de schoone gestalte onderscheiden kon, die hen te gemoet kwam.
Fergus begon oogenblikkelijk, met zijn gewone vroolijke opgewondenheid, haar toe te roepen: „Open uwe poorten, onvergelijkelijke prinses, voor den gewonden Moor Abindarez, dien Rodrigo de Narvaez, constabel van Antiquera, naar uw kasteel voert, of open ze zoo ge dit liever doet, voor den beroemden markies van Mantua, den ongelukkigen metgezel van zijn half stervenden vriend Baldovinos van het gebergte [104]. Och, zacht ruste uwe ziel, Cervantes! hoe zou ik, zonder uwe woorden aan te halen, mijn taal buigen om romantische zielen te behagen!”
Thans kwam Flora bij hen, en terwijl ze Waverley welkom heette, betuigde ze haar leedwezen over het hem overkomen ongeluk, waarvan ze de bijzonderheden reeds vernomen had, terwijl ze hare bevreemding te kennen gaf, dat haar broeder geen betere zorg gedragen had, om den vreemdeling te waarschuwen tegen de gevaren van een tijdverdrijf, waartoe hij hem uitgenoodigd had. Eduard haastte zich het Opperhoofd te verontschuldigen, daar hij inderdaad, met gevaar van zijn eigen leven, dat van Waverley gered had.
Na het wisselen dezer eerste groeten, sprak Fergus drie of vier woorden tot zijn zuster, in het Gaelsch. Oogenblikkelijk kwamen haar de tranen in de oogen; maar het schenen tranen van dankbaarheid of vreugde te zijn; want ze blikte hemelwaarts en vouwde de handen, als tot een plechtig gebed of dankzegging. Na een stilte van weinige minuten, overhandigde zij Eduard eenige brieven, die gedurende zijn afwezigheid van Tully-Veolan waren opgezonden, en tegelijkertijd reikte zij er eenigen aan haren broeder over. Den laatsten gaf ze insgelijks drie of vier nommers van den Caledonischen Merkuur, de eenige courant, die toen ten noorden van de Tweed verscheen.
De beide heeren verwijderden zich om de ontvangen brieven te lezen; en Eduard zag weldra in, dat de zijnen zaken van zeer groot belang bevatten.
VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
NIEUWS UIT ENGELAND.
De brieven, die Waverley tot nu toe van zijn vrienden uit Engeland ontvangen had, waren niet van dien aard, dat ze eenige bijzondere vermelding in dit verhaal eischen. Zijn vader schreef hem gewoonlijk met de hoogdravende gemaaktheid van iemand, die te zeer verdiept was in openbare zaken, om tijd te kunnen vinden tot het behartigen van die zijner familie. Tusschenbeide maakte hij gewag van personen van rang in Schotland, aan wie hij zou wenschen, dat zijn zoon eenige beleefdheden bewees; maar Waverley, tot hiertoe geheel vervuld met de genoegens, die hij op Tully-Veolan en Glennaquoich genoot, had gemeend zich niet te moeten bekreunen om vluchtige wenken, vooral daar de afstand, zijn kort verlof en wat dies meer zij, gereedelijk tot verontschuldiging konden strekken. Sedert eenigen tijd echter behelsden des heeren Richards vaderlijke brieven zekere geheimzinnige wenken omtrent toekomstige grootheid en gezag, en gaven zijn zoon zekere vooruitzichten op de snelste bevordering, als hij maar in den krijgsdienst bleef. Sir Everhard’s brieven waren van geheel anderen inhoud. Ze waren kort; want de goede Baronet behoorde niet tot die onhebbelijke correspondenten, wier schrift het grootste blad postpapier vult, en geen plaats overlaat voor het zegel; maar ze waren vriendelijk en vol liefde, en sloten zelden zonder eenige toespeling op de paarden van onzen held, eenig onderzoek naar den staat zijner beurs en een bijzondere navraag naar de recruten, welke met hem Waverley-Honour verlaten hadden. Tante Rachel beval hem aan, zorg te dragen voor zijn gezondheid, zich in acht te nemen voor de Schotsche mistbuien, welke, zooals ze gehoord had, een Engelschman tot op de huid nat maken, nooit des avonds uit te gaan zonder overjas, en vooral flanel te dragen op het bloote lijf.
De heer Pembroke had onzen held slechts eens geschreven; maar deze brief was zesmaal langer dan de epistels uit onze ontaarde dagen, daar hij, in den gematigden omvang van tien bladzijden folio, dicht geschreven, een overzicht van een supplementoir kwartijn, van addenda, delenda en corrigenda bevatte op de twee verhandelingen, die hij Waverley geschonken had. Dit wilde hij beschouwd hebben als een enkel brokje, om den honger van Eduards weetgierigheid te stillen, tot hij gelegenheid zou vinden, om het boekdeel zelf te zenden, daar het veel te zwaar voor de post, en hij voornemens was er zekere belangrijke stukjes bij te voegen, onlangs bij zijn vriend den uitgever verschenen. Met dezen toch had hij een soort van letterkundige briefwisseling aangehouden, tengevolge waarvan de boekerij van Waverley-Honour met niet weinig prullen werd vermeerderd, en er jaarlijks een knappe rekening, zelden in minder dan drie eindcijfers bij de opsomming werd overgemaakt, waarop Sir Everhard Waverley van Waverley-Honour stond aangeteekend als schuldig aan Jonathan Grubbet, boekverkooper te Londen. Dusdanig waren tot hiertoe de brieven geweest, welke Eduard uit Engeland had ontvangen; maar het paket, dat hem op Glennaquoich ter hand gesteld werd, was van geheel verschillenden en hoogstbelangrijken inhoud. Het zou den lezer onmogelijk zijn, – al deelde ik ook de brieven voluit mede, de wezenlijke reden, waarom ze geschreven waren, te begrijpen, zonder een blik in het binnenste van het Britsche kabinet, op het bedoelde tijdstip, geslagen te hebben.
Het gebeurde – juist geen zeldzaam voorval – dat de Ministers van den dag in twee partijen waren verdeeld. De zwakste zocht, door ijverige intriges te vergoeden, wat ze in wezenlijk gehalte te kort schoot. Er waren onlangs eenige bekeerlingen gemaakt, hetgeen hun de hoop gaf, om hun mededingers de loef af te steken in de gunst huns Souvereins, en tevens een overwicht op hen te hebben in het huis der Gemeenten. Onder anderen hadden zij het de moeite waard geacht Richard Waverley tot de hunnen over te halen. Deze eerzame heer had – door een deftig, geheimzinnig gedrag, door veel oplettendheid ten aanzien der étiquette van het bestuur, zoo wel als het wezen er van, en een gemakkelijkheid in het houden van lange, holle redevoeringen, bestaande in onwedersprekelijke waarheden en gemeenplaatsen, opgeschikt met de brabbeltaal van officiëele kunsttermen, die beletten dat men de nietigheid der redeneering ontdekt, – zich eenigen naam en vertrouwen als staatsman verworven, ja, ging zelfs bij velen door voor een diep denker. Wel is waar, zeide men dat hij geen dier schitterende redenaars was, wier talenten in beeldspraak en vonken van vernuft vervliegen, maar dat hij iemand was in zaken grondig onderlegd, die zich, gelijk de dames bij het kiezen eener zijden stof zeggen, „goed zou houden,” en met grond kon geacht worden geschikt te zijn voor gewoon en alledaagsch gebruik, ofschoon men moest bekennen dat ze niet geschikt was „om er een zondagskleed van te laten maken.”
Dit gevoelen omtrent den heer Richard Waverley was zoo algemeen geworden, dat de partij in het Kabinet, waarvan we gesproken hebben, na diens gevoelens gepolst te hebben, zoo tevreden was over zijn gezindheid en bekwaamheden, dat ze hem voorstelde, in geval van zekere omwenteling in het Ministerie, hem een aanzienlijke plaats in de nieuwe orde van zaken te doen bekleeden, wel niet van den allereersten rang, maar toch aanmerkelijk hooger, wat het voordeel betrof, en het gezag, dan die welke hij thans innam. Er was geen weerstandbieden aan zulk een verleidelijken voorslag, hoewel ook de groote man, onder wiens bescherming hij in dienst geraakt was, en wiens banieren hij tot hiertoe gevolgd had, het voorname doel van den aanval der nieuwe bondgenooten was. Ongelukkig stierf dit schoone ontwerp der eerzucht, door een voorbarige openbaring, reeds in den knop. Al de aan het Gouvernement verbonden heeren die er in betrokken waren, en zwarigheid maakten om een vrijwillig ontslag te kiezen, ontvingen bericht, dat de Koning geen verder gebruik van hun dienst kon maken. Richard Waverley behoorde onder dit aantal, en daar hij in de oogen van den Minister zich aan zwarte ondankbaarheid schuldig geraakt had, werd hij met iets dat naar personeele minachting en schande zweemde, ontslagen. Het algemeen, en zelfs de aanhang, in welks val hij deelde, toonde weinig medelijden met de teleurstelling van dezen baatzuchtigen staatsman. Hij begaf zich dus naar buiten, met de aangename gedachte, dat hij tegelijkertijd zijn goeden naam, zijn crediet en – hetgeen hij lang niet het minst betreurde – zijn inkomen verspeeld had.
Richard Waverley’s brief aan zijn zoon, bij deze gelegenheid, was een meesterstuk in zijn soort. Aristides zelf had zich niet over iets onbillijkers kunnen beklagen. Een onrechtvaardig Vorst en een ondankbaar land maakten den inhoud van elken schoon geronden volzin uit. Hij sprak van langdurige diensten en onvergolden opofferingen, schoon de eerste met zijn salaris meer dan betaald waren, en niemand raden kon waarin de laatste bestonden; tenzij misschien daarin, dat hij, niet uit overtuiging, maar uit winstbejag, de staatkundige beginselen zijner familie had verzaakt. In het slot werd zijn gevoeligheid, door zijn eigene welsprekendheid tot zulk een hoogte geprikkeld, dat hij eenige bedreigingen van wraak, hoe onbepaald en machteloos ook, niet kon bedwingen: en eindelijk maakte hij zijn zoon bekend met zijn wensch, dat deze zijn gevoeligheid over de harde behandeling, door zijn vader ondergaan, zou laten blijken, door op het oogenblik, dat deze brief tot hem kwam, zijn ontslag uit den dienst te nemen. Dit was, zeide hij, ook het verlangen van zijn oom, zoo als deze hem te geschikter ure zou doen weten.
Dientengevolge was de eerste brief, die nu door Eduard werd geopend, van Sir Everhard. De ongenade, waarin zijn broeder gevallen was, scheen uit zijn rechtgeaarden boezem alle herinnering aan hunne oneenigheden te hebben uitgewischt; en verwijderd als hij was van alle gelegenheden om te vernemen, dat deze ongenade inderdaad slechts het rechtvaardige, zoowel als het natuurlijke, gevolg van Richards mislukte streken was, hield de goede, maar lichtgeloovige edelman het terstond voor een nieuw en verschrikkelijk bewijs der onrechtvaardigheid van het bestaande Bewind. Het was waar, zeide hij, en hij mocht dit zelfs voor Eduard niet verbloemen, dat zijn vader zulk een beleediging, als nu voor het eerst aan iemand van zijn huis werd aangedaan, niet zou hebben ondergaan, zoo hij zich daaraan niet had blootgesteld door het aannemen van een post onder het tegenwoordig stelsel. Sir Everhard twijfelde niet, of hij zag en gevoelde nu de grootheid van dezen misslag, en het zou zijne (Sir Everhards) eerste bemoeiing zijn te zorgen, dat zijn verdriet niet door geldzorgen vermeerderd werd. Het was voor een Waverley genoeg aan openbare vernedering bloot gestaan te hebben; het materiëele nadeel was door het hoofd der familie licht te verhelpen. Maar het was zoowel des heeren Richards gevoelen, als het zijne, dat Eduard, de stamhouder van het geslacht van Waverley-Honour, in geen betrekking behoorde te blijven, die hem aan een dergelijke behandeling blootstelde als die, welke zijn vader getroffen had. Hij verzocht dus zijn neef, de meest geschikte en te gelijkertijd de spoedigste gelegenheid aan te grijpen, om zijn ontslag als officier bij het Ministerie van oorlog in te zenden, en daarbij te kennen, dat er niet veel plichtplegingen bij noodig waren, waar men zoo weinig complimenten omtrent zijn vader had gebezigd. Hij belastte hem te gelijkertijd met vele groeten voor den baron van Bradwardine.
Een brief aan tante Rachel sprak zelfs nog duidelijker. Zij beschouwde het ongeluk van broeder Richard als een billijke straf voor de verzaking zijner gehoorzaamheid aan den wettigen, schoon verbannen Souverein, en voor de laagheid die hij gehad had, den eed van trouw aan een vreemdeling te doen; een zwakheid, welke haar grootvader, sir Nigel Waverley, nooit had willen betoonen, noch tegenover het parlement der Rondhoofden, noch tegenover Cromwell, toen zijn leven en fortuin in het grootste gevaar verkeerden. Zij hoopte dat haar lieve Eduard de voetstappen zijner voorvaderen zou volgen, en zoo spoedig mogelijk de kenteekenen zijner dienstbaarheid aan de overheerschende dynastie zou afleggen, daar zij het onrecht, door zijn vader geleden, beschouwde als een vermaning van den Hemel, dat elke afwijking van den weg der getrouwheid aan den wettigen Vorst haar eigene straf medebrengt. Ook zij besloot met hare groeten aan den heer Bradwardine, en verzocht Waverley haar te berichten, of zijn dochter Rose oud genoeg was, om een paar heel fraaie oorbellen te dragen, die zij als een blijk harer genegenheid wenschte te zenden. Insgelijks verlangde de goede dame te mogen weten, of de heer Bradwardine nog zoo veel Schotsche snuif gebruikte en zoo onvermoeid danste, als toen hij, omtrent dertig jaar geleden, op Waverley-Honour was.
Deze brieven, gelijk te wachten was, wekten Waverley’s verontwaardiging in hooge mate op. Ten gevolge van zijn slecht geregelde studie, bezat hij geen enkele bepaald staatkundige meening, die hij tegenover de smart en den toorn kon stellen, die hij bij zijns vaders veronderstelde verongelijking gevoelde. Van de ware oorzaak zijner ongenade was Eduard ten eenemale onkundig, daar zijn leefwijze hem geen aanleiding gegeven had, om de staatkunde van den dag te onderzoeken, of de intrigues, in welke zijn vader zulk een levendig deel had genomen, te ontwarren. Om de waarheid te zeggen, de eenige indrukken, die hij van de bestaande partijschappen ontvangen had, waren, ten gevolge van het gezelschap, op Waverley-Honour, eer ongunstig dan gunstig voor het tegenwoordig Bewind en de regeerende dynastie. Hij deelde dus zonder de minste aarzeling de verontwaardiging zijner bloedverwanten, die het meeste recht hadden, om hem regels voor zijn gedrag voor te schrijven; en misschien deed hij dit niet minder gaarne, als hij zich de verveling in zijn garnizoen voor den geest riep, en de onbeduidende rol die hij onder de officieren van zijn regiment had gespeeld. Zoo hij evenwel nog eenigen twijfel omtrent de zaak had kunnen koesteren, zou ze beslist zijn geworden door den volgenden brief van zijn Chef, dien wij, daar hij zeer kort is, hier letterlijk zullen inlasschen.
„Mijnheer!
Daar ik de grenzen van mijn plicht eenigszins overschreden heb door een toegevendheid, die het licht ons door de natuur geschonken, en veel meer dat des Christendoms, ons voorschrijft omtrent misslagen, welke uit jeugd en gemis aan ondervinding voortspruiten, en dit geheel zonder vrucht gebleven is, word ik mijns ondanks gedwongen, bij de tegenwoordige crisis, het eenige middel te bezigen, dat nog in mijn macht is. Derhalve beveel ik u bij dezen naar **, het hoofdkwartier van uw regiment, terug te keeren, binnen drie dagen na datum dezes schrijvens. Zoo gij in gebreke blijft aan dit bevel gehoor te geven, moet ik u bij het Ministerie van oorlog aangeven als afwezig zonder verlof, en te gelijk andere stappen doen, die onaangenaam zullen zijn voor u, zoo wel als voor,
Mijnheer,
Uw gehoorzamen dienaar, J. Gardiner, luitenant-kolonel, kommandeerende het ** regiment dragonders.”
Eduards bloed kookte, terwijl hij dezen brief las. Hij was sedert zijn vroegste kindsheid gewend geweest, volkomen meester van zijn tijd te zijn, en had zich dus gewoonten eigen gemaakt, die de regels der krijgstucht hem even onaangenaam hadden gemaakt in dit, als in sommige andere opzichten. Het denkbeeld, dat ze in zijn geval niet zeer streng zouden toegepast worden, had zich bovendien bij hem gevestigd, wat ook tot hiertoe, door de toegevendheid van zijn Luitenant-Kolonel gerechtvaardigd werd. Ook was er, voor zoover hij wist, niets gebeurd, dat zijn Overste kon bewogen hebben, zonder eenige andere waarschuwing, dan de wenken, waarvan wij op het einde des veertienden hoofdstuks melding maakten, op eens een harden, en zooals Eduard het noemde, onbeschaamden toon van dictatoriaal gezag aan te nemen. Terwijl hij dit in verband bracht met de brieven, juist door hem van zijn familie ontvangen, kon hij niet anders veronderstellen, dan dat het er op aangelegd was, om hem, in zijn tegenwoordige omstandigheden, de hand des gezags even zwaar te doen gevoelen als zijn vader, en dat het geheel een afgesproken plan was, om elk lid der familie Waverley te vervolgen en te vernederen.