Part 49
De naam van „Andrea de Ferrara” treft men op alle Schotsche zwaarden aan, die voor bijzonder uitmuntend worden gehouden. Wie was deze kunstenaar, welke waren zijn lotgevallen, en wanneer heeft hij geleefd? Al deze vragen zijn tot nog toe door het onderzoek van oudheidkundigen niet opgelost. Algemeen wordt het er echter voor gehouden, dat Andrea de Ferrara een Spaansche of Italiaansche werkman was, die door Jacobus IV of V was ontboden om de Schotten in het smeden hunner klingen te onderrichten. De meeste barbaarsche volken munten in het vervaardigen van wapens uit; en de Schotten hadden reeds een aanzienlijke hoogte bereikt in het smeden van zwaarden, sedert den slag van Pinkie, op welk tijdstip de geschiedschrijver Patten deze beschrijft als „bijzonder breed en dun, vooral met het doel vervaardigd om te splijten, en zoo voortreffelijk gehard, dat ik nooit iets dergelijks gezien heb; zoodat ik het voor moeielijk houd er betere te maken.” (Verslag van de expeditie van Somerset).
Men kan zien, dat op de kling der beste en echte Andrea de Ferrara’s, een kroontje is ingedreven.
Aanteekening MM, Deel. II, bl. 260: Mejufvrouw Nairne.
Het ongeval, hier beschreven als aan Flora Mac-Ivor overkomen, heeft werkelijk mejufvrouw Nairne getroffen, een dame, die de schrijver het genoegen heeft gehad te kennen. Bij het binnenrukken van het leger der Hooglanders in Edinburgh, stond zij, even als andere dames, die hun zaak waren toegedaan, met haar zakdoek op een balkon te wuiven, toen een kogel uit het geweer van een Hooglander, dat bij toeval was gelost, haar voorhoofd schampte. „God zij geloofd!” zeide zij op het oogenblik, dat zij weder bij kwam, „dat het ongeval mij is overkomen, wier beginselen bekend zijn. Indien het een Whig getroffen had, zou men gezegd hebben, dat het met opzet was geschied.”
Aanteekening NN, Deel. II, bl. 293: Prins Karel Eduard.
Men heeft den schrijver van Waverley beschuldigd, dat hij den jongen Avonturier in gunstiger kleuren heeft geschilderd dan zijn karakter verdiende. Maar, daar hij een aantal lieden gekend heeft, die zijn persoon van nabij gezien hebben, heeft hij hem geschetst zoo als ooggetuigen hem beschreven hebben. Zonder twijfel moet men eenige overdrijvingen, natuurlijk aan hen, die zich hem voorstelden als de ondernemende en stoutmoedige vorst, voor wiens zaak zij goed en bloed veil hadden, eenigszins matigen; maar moet hun getuigenis geheel achterstaan bij die van een enkelen ontevredene?
Ik heb reeds met een enkel woord gewaagd van de door Johnstone tegen den Ridder ingebrachte beschuldigingen van gebrek aan moed, maar een gedeelte van zijn verhaal ten minste gelijkt volkomen op een roman. Men zal, om maar iets te noemen, bezwaarlijk kunnen gelooven, dat Johnstone ten tijde, waarop hij aan het publiek de zoo aardige geschiedenis zijner vrijaadje met de beminnelijke Peggie schonk, een gehuwd man was, wiens kleinzoon nog in leven is. Evenzoo is het tot in de kleinste bijzonderheden afdalende verhaal van de vreeselijke wraak door Gordon van Abbachie op een Presbyteriaanschen predikant uitgeoefend, geheel en al onwaar. Men moet ook aannemen, dat de Prins, even als andere leden zijner familie, de diensten, hem door zijn volgelingen bewezen, niet genoeg op prijs stelde. Daar hij opgevoed was in het vaste denkbeeld zijner erfelijke rechten, heeft men voorgewend, dat hij de pogingen en opofferingen aan zijn zaak gewijd, als een plicht beschouwde, die van zijn zijde slechts luttel dankbaarheid eischte. Deze meening wordt versterkt door de getuigenis van Dr. King; maar zijn verzaken van de Jacobietische partij maakt den dokter een weinigje verdacht.
De uitgever van Johnstone’s gedenkschriften brengt een verhaal bij, dat aan Helvetius wordt toegeschreven, en waaruit blijken zou dat prins Karel Eduard, verre van zich vrijwillig tot zijn vermetelen tocht te hebben ingescheept, letterlijk gebonden aan handen en voeten aan boord werd gebracht, en het schijnt wel dat hij er geloof aan slaat. Nu, daar het een even goed aangenomen feit is als elk ander zijner geschiedenis, en, zoo ik mij niet vergis, geheel en al buiten kijf is, dat juist Boisdale en Lochiel ten gevolge van de dringende persoonlijke beden van den Prins tot den opstand overgingen, toen zij er zelf met klem op aandrongen dat hij zijn onderneming zou uitstellen tot hij genoegzame hulp uit Frankrijk zou hebben ontvangen, zou het bezwaarlijk vallen dezen gewaanden tegenzin op het oogenblik der expeditie te rijmen met zijn wanhopige pogingen om den opstand, in weerwil van de raadgevingen en de smeekingen zijner kundigste aanhangers te verhaasten. Zeker zou iemand dien men geboeid aan boord van een schip had moeten brengen, hetwelk hem tot zulk een wanhopige onderneming moest overvoeren, de gelegenheid hem door den tegenzin zijner aanhangers aangeboden, om veilig naar Frankrijk terug te keeren, gretig hebben aangegrepen.
In Johnstone’s gedenkschriften wordt beweerd dat Karel Eduard het slagveld van Culloden verliet, zonder de minste poging te hebben aangewend om de overwinning te betwisten; en om het voor en tegen te laten gelden, moeten wij hier ook de vrij wat geloofwaardiger getuigenis van lord Elcho aanhalen, die verklaart, dat hij zelf den Prins heeft aangespoord zich aan het hoofd van den linker-vleugel, die niet in het gevecht gewikkeld was, te stellen, en den strijd te hernieuwen of met eere te sneuvelen. Daar zijn raad echter verworpen werd, nam lord Elcho, met de bitterste verwijten, afscheid van den Prins, hem zwerende dat hij hem nooit weder onder de oogen komen zou, en hij hield woord.
Aan den anderen kant schijnt het gevoelen der overige officieren geweest te zijn, dat de slag onherroepelijk verloren was, daar de eene vleugel der Hooglanders volkomen geslagen, het overige gedeelte des legers veel te gering in aantal was, en zijn flanken geheel in verwarring en in een allerwanhopigsten toestand waren. In dezen stand van zaken kwamen de Iersche officieren, die den Prins omringden tusschenbeide en noodzaakten hem het slagveld te verlaten. Een vaandrig, die dicht bij hem was, heeft verklaart, dat hij Sir Thomas Sheridan, den toom van des Prinsen paard zag grijpen, en dat hij het dier deed omkeeren. Ziedaar getuigenissen, die wel met elkander in tegenspraak zijn; maar het gevoelen van Lord Elcho, een man van een vurigen aard, en daarenboven wanhopig over een nederlaag, die allernoodlottigst scheen, mag niet gelden ten nadeele van een moedig karakter, hetwelk blijkt uit den aard der onderneming zelve, uit de zucht van den Prins om ten allen tijde den strijd te beginnen, uit zijn besluit om van Derby naar Londen te trekken, en uit de tegenwoordigheid van geest door hem te midden der gevaren van zijn avontuurlijke vlucht aan den dag gelegd. De schrijver is er verre van voor den ongelukkigen Prins loftuitingen te eischen alleen aan schitterende talenten verschuldigd; maar hij blijft bij zijn gevoelen, dat hij, gedurende den loop zijner onderneming blijken heeft gegeven van het gevaar in het gelaat te durven zien en naar roem te streven.
Dat Karel Eduard de voordeelen bezat van een bevallig uiterlijk en innemend voorkomen, even als de houding en de manieren, die aan zijne positie voegden, heeft de schrijver nooit hooren betwisten door een van hen die hem hadden mogen naderen, en hij gelooft geenszins die hoedanigheden te hebben overdreven in de schets door hem geleverd.
De volgende uittreksels, die het algemeene gevoelen omtrent het beminnelijke karakter van den Prins versterken, zijn ontleend aan een in handschrift bestaand verhaal zijner romantische onderneming, door James Maxwell van Kirkconnell, en waarvan ik een afschrift te danken heb aan de vriendschap van den heer J. Menzies, van Pitfoddells. De schrijver, hoewel partijdig voor den Prins, dien hij getrouw vergezelde, schijnt een oprecht mensch, en volkomen ingelicht omtrent de kuiperijen der raadslieden van den Pretendent:
„Iedereen was opgetogen over het voorkomen van den Prins en zijn persoonlijk gedrag; er was over hem slechts éen stem. Zelfs diegenen, die uit eigenbelang of ontevredenheid zijn zaak verlieten, konden niet nalaten te erkennen dat ze hem in andere opzichten alles goeds toewenschten, en durfden hem nauwelijks berispen over hetgeen hij ondernam. Zeer vele omstandigheden hadden medegewerkt om zijn moed te verhoogen, zonder van het grootsche der onderneming en van het gedrag, door hem, tot aan de uitvoering er van aan den dag gelegd, te gewagen. Een aantal trekken van zijn goede inborst en zijn menschlievendheid maakten veel indruk op het volk; ik zal er slechts een paar van mededeelen. Terstond na den slag, begaf de Prins zich te paard naar het veld, weinige minuten te voren door het leger van Cope bezet; een officier trad op hem toe en zeide, terwijl hij op de gesneuvelden wees. „Hoogheid, uw vijanden liggen aan uw voeten.” De Prins, verre van zich te verheugen, legde veel medelijden aan den dag met de afgedwaalde onderdanen zijns vaders, en gaf levendig zijn leedgevoel te kennen, dat hij hen in zulk een toestand aanschouwde. Den volgenden dag, tijdens het verblijf van den Prins op Pinkie-House, kwam er een burger van Edinburgh om den secretaris Murray te spreken over de tenten, daar bevel was uitgevaardigd, dat de stad ze op een bepaalden tijd zou leveren. Murray was afwezig, en toen de Prins dit vernam, liet hij den man bij hem komen, zeggende dat hij de zaak, welke dan ook, liever zelf wilde afdoen, dan hem te laten wachten, wat hij ook voorkwam door alles toe te staan wat hem gevraagd werd. Zoo veel voorkomendheid van dezen door de overwinning begunstigden, jeugdigen Prins verwierf hem zelfs de loftuitingen zijner vijanden. Maar wat het volk de meest gunstige gevoelens omtrent hem inboezemde, was het afslaan van iets, dan zijn belangen van zeer nabij betrof, en waarop misschien het welgelukken zijner geheele onderneming gegrond was. Men had voorgesteld een der gevangenen naar Londen te zenden, om aan het hof een uitwisselingscartel voor te slaan voor allen die gedurende den oorlog krijgsgevangen zouden gemaakt worden, en te verklaren, dat een weigering zou worden beschouwd als een besluit om geen pardon te geven. Blijkbaar was het, dat een cartel zeer voordeelig voor de zaak van den Prins wezen zou; zijn vrienden zouden zich zoo veel te eerder voor hem verklaren, indien zij geen andere oorlogskans dan die van het slagveld te duchten hadden; en indien het hof van Londen dit voorstel van de hand wees, gevoelde de Prins zich gemachtigd zijn gevangenen op dezelfde wijze te behandelen als de Keurvorst van Hannover die vrienden van den Prins zou behandelen, welke in zijn handen vallen mochten, en men voorzag dat eenige weinige voorbeelden het hof van Londen zouden noodzaken om toe te geven. Het liet zich toch aanzien dat de officieren van het Engelsche leger er veel gewicht aan zouden hechten. En inderdaad hadden zij zich slechts aan de dienst verbonden onder de voorwaarden bij beschaafde natiën in gebruik, en hun eer kon er niet door lijden, indien zij hun aanstelling terugzonden, wanneer deze voorwaarden niet werden nageleefd, en dat vooral door de stijfhoofdigheid van hun souverein. Ofschoon dit voorstel algemeen werd toegejuicht en als zeer belangrijk werd voorgedragen, wilde de Prins er zich volstrekt niet mede vereenigen: „Het was hem onwaardig,” zeide hij, „ijdele bedreigingen te uiten, want nooit zou hij er in toestemmen dat ze ten uitvoer werden gebracht; nimmer zou hij in koelen bloede mannen opofferen, wier leven hij in het heetst van het gevecht zelfs met gevaar van het zijne zou gespaard hebben.” Dit waren niet de eenige bewijzen van zijn goede inborst door den Prins op dien tijd gegeven; iedere dag leverde er andere van gelijken aard op. Dit alles temperde de ruwheid van een militair bestuur, dat noodzakelijk was, en hetwelk hij zoo zacht en dragelijk mogelijk zocht te maken.
Het is reeds aangevoerd dat de Prins dikwijls meer pracht en plechtigheden vorderde dan met zijn toestand scheen overeen te komen; maar aan den anderen kant, was eenige strengheid op het punt van etiquette volstrekt noodzakelijk om hem van allerhande lastigen aandrang te bevrijden, waaraan hij anders ontegenzeggelijk zou zijn blootgesteld geweest. Hij wist ook met vrij wat lankmoedigheid de antwoorden te verduren, die zijn voorgewende zucht voor plichtplegingen hem dikwijls op den hals haalde. Men verhaalt, bij voorbeeld, dat Grant van Glenmoriston, nadat deze een overhaasten marsch aan het hoofd van zijn clan gemaakt had, om zich met Karel te vereenigen, den Prins te Holyrood onder de oogen trad met een onbescheiden ijver en zonder in het minst op zijn kleeding te hebben acht gegeven. De Prins ontving hem vriendelijk, maar niet zonder hem te doen verstaan, dat een voorafgegaan bezoek bij den barbier niet geheel overvloedig zou geweest zijn. „Het zijn geen baardelooze soldaten,” hernam het beleedigde Opperhoofd, „die de zaken van uw Koninklijke Hoogheid kunnen herstellen.” De Ridder nam dit verwijt welwillend op.
Met éen woord, indien Prins Karel zijn loopbaan terstond na zijn wondervolle ontkoming had geëindigd, zou hij een voorname plaats in de geschiedenis bekleed hebben. Zoo als hij was, behoort zijn plaats onder hen wier schitterendst levenstijdperk een merkwaardig contrast oplevert met alles wat daaraan voorafgegaan of er op gevolgd is.
Aanteekening OO, Deel II, bl. 299: Schermutseling te Clifton.
Het volgende verslag van de schermutseling te Clifton is getrokken uit de in manuscript bestaande gedenkschriften van Evan Macpherson van Cluny, clanhoofd der Macphersons, aan wien de eer toekomt dat hij den voornaamsten aanval bij deze gelegenheid heeft weerstand geboden. Het schijnt dat deze gedenkschriften in 1705, dus tien jaren na de gebeurtenissen waarover zij handelen, zijn opgesteld. Zij werden in Frankrijk geschreven, waar dit dappere Opperhoofd in ballingschap leefde, hetwelk eenige in zijn verhaal voorkomende gallicismen verklaart.
„Bij den terugtocht van den Prins van Derby naar Schotland, belastte zich gaarne de luitenant-generaal, Lord George Murray, met het bevel over de voorhoede, een post, waaraan, hoe eervol ook, groote gevaren, tallooze moeielijkheden en evenveel vermoeienissen verbonden waren; want de Prins was genoodzaakt zijn marsch te verhaasten, uit vrees dat hij zou worden afgesneden door den maarschalk Wade, die het Noorden met een vrij wat talrijker leger bezet hield dan de troepen, die Zijn Koninklijke Hoogheid in staat was tegenover hem te stellen, terwijl de hertog van Cumberland met geheel diens cavalerie zijn achterhoede op de hielen zat. De artillerie kon evenwel midden in den winter langs de slechtste wegen van geheel Engeland, niet zoo spoedig voortrukken als het leger van den Prins zelven. Ook was Lord Murray verplicht zijn marsch tot laat in den nacht voort te zetten, tegelijkertijd blootgesteld zoowel aan allerhande onzekerheid, als aan de schermutselingen der voorposten van den hertog van Cumberland. Omstreeks den avond van den 28sten December 1745 rukte de Prins de stad Penrith in de provincie van Cumberland binnen. Maar daar Lord Murray de artillerie niet zoo spoedig kon doen marcheeren als hij wel wenschte, was hij genoodzaakt den nacht op zes (Engelsche) mijlen van deze stad met het regiment van Mac-Donald van Glengarrie, dat dien dag de achterhoede uitmaakte, door te brengen. De Prins besloot, ten einde zijn troepen eenige rust te gunnen en aan Mylord George en de artillerie den tijd te geven zich bij hem te voegen, den 29sten te Penrith te blijven. Hij gaf dus aan zijn klein leger des morgens bevel onder de wapens te komen, daar hij het in oogenschouw nemen wilde en de verliezen nagaan door hem, sedert zijn inval in Engeland, geleden. Er bleven hem toen slechts vijfduizend man over, met ongeveer vier honderd ruiters, edellieden, die als vrijwilligers dienden, en van wie een gedeelte het eerste gardecorps van den Prins vormde onder de bevelen van Lord Elcho, later graaf van Weems, thans gebannen en in Frankrijk. Een ander deel vormde een tweede corps gardes onder de bevelen van Lord Balmirino, die in den Tower te Londen onthoofd werd. Een derde corps stond onder het commando van Lord Kilmarnoch, die eveneens werd onthoofd. Eindelijk werd een vierde aangevoerd door Mylord Pitsligow, die mede gebannen werd. Deze ruiterij, ofschoon gering in aantal, was echter, daar zij geheel uit de dapperste edellieden bestond, een groote steun voor de infanterie, niet slechts op het slagveld, maar ook gedurende den marsch, daar zij als voorposten dienst deed, en gedurende den nacht patrouilles uitzond langs de verschillende wegen, die op de steden uitliepen, waar het leger zijn kwartier moest opslaan.
„Terwijl dit kleine leger den 20sten December op een hoogte, ten Noorden van Penrith vereenigd was om de revue te passeeren, werden de heer van Cluny en zijn clan naar de brug van Clifton gezonden, ongeveer een mijl ten Zuiden van Penrith, na vooraf in oogenschouw te zijn genomen door den heer Pattullo, kwartiermeester-generaal van het leger, die met de inspectie der troepen belast was, en zich tegenwoordig in Frankrijk bevindt. Ze bleven onder de wapens bij de brug, terwijl ze de komst van Lord George Murray met de artillerie verbeidden, wier overtocht de heer Cluny zou dekken. Tegen zonsondergang kwamen zij aan; levendig door den hertog van Cumberland met geheel zijn cavalerie achtervolgd, die meer dan drie duizend man telde, waarvan ongeveer een derde afsteeg om aan de artillerie den overtocht over de brug te betwisten, terwijl de hertog en de anderen te paard bleven om de achterhoede aan te tasten. Lord George Murray rukte voort; en hoewel hij den heer de Cluny en zijn clan onder de wapens en vol moed vond, kwam hem de stelling zeer bedenkelijk voor. Door de buitengewone ongelijkheid aan troepen-sterkte, scheen de aanval zeer gevaarlijk: ook wachtte Lord George met het geven van bevelen totdat hij den raad van den heer de Cluny had ingewonnen. „Ik zal hen volgaarne aanvallen” antwoordde de heer de Cluny, „als gij het beveelt.” – „Welnu, ik beveel het dan,” hernam Lord George. En zich terstond bij den heer de Cluny voegende, streden zij te voet, met den sabel in de vuist alleen met den clan der Macphersons. In éen oogenblik baanden zij zich een doortocht dwars door een doornhaag, waarachter de cavalerie een stelling had ingenomen. Bij het dringen door de haag, verloor lord Murray, even als geheel het leger in Hollandsche kleeding, zijn muts en zijn paruik, en bleef verder blootshoofds strijden. Zij losten terstond hun vuurwapens op den vijand en vielen hen vervolgens met den sabel in de vuist aan; zij rigtten gedurende langen tijd een vreeselijk bloedbad onder hen aan, hetgeen Cumberland tot een overhaaste vlucht met zijn cavalerie, en wel in zulk verwarring, noodzaakte, dat, indien de Prins over een voldoend aantal ruiters had kunnen beschikken, de hertog van Cumberland zonder twijfel met het grootste gedeelte van zijn troep zou zijn krijgsgevangen gemaakt. Het was toen zóó donker, dat het onmogelijk was de dooden te zien noch te tellen, die al de sloten van het oorlogstooneel vulden. Maar men berekende, dat, behalve de gewonden, wie het gelukte te ontsnappen, er ten minste honderd op de plek bleven, waaronder de kolonel Honywood, die de afgestegen cavalerie aanvoerde. De heer de Cluny maakte zich van zijn sabel meester, die van aanmerkelijke waarde, en nog in zijn bezit is; zijn clan vermeesterde evenzeer een aantal wapens; de kolonel werd spoedig daarop krijgsgevangen gemaakt en herstelde met veel moeite van zijn wonden. De heer de Cluny verloor slechts een twaalftal manschappen, waarvan eenigen, die slechts gewond waren, vervolgens in handen van den vijand vielen en als slaven naar Amerika werden gezonden. Verscheidene hunner zijn vandaar terug gekeerd, en een hunner is op dit oogenblik in Frankrijk, en wel sergeant bij het regiment koninklijke Schotten. Zoodra de Prins bericht van de nadering des vijands ontving, zond Zijn Koninklijke Hoogheid den graaf van Nairne, brigadier, (gebannen en nu in Frankrijk) met de drie bataljons van den hertog van Athol, het bataljon van den hertog van Perth, en eenige andere onder zijn bevelen staande troepen, ter ondersteuning van Cluny en ter bevrijding van de artillerie; maar het gevecht was geheel geëindigd eer de graaf van Nairne met zijn troepen het slagveld bereikt had. Zij keerden dus naar Penrith terug en de artillerie trok in goede orde voorwaarts. Van dat oogenblik af durfde de hertog van Cumberland den Prins en zijn leger gedurende dezen ganschen aftocht, slechts op een dagmarsch afstands naderen; deze werd dus met de grootste voorzichtigheid volbracht, ofschoon men van alle kanten door vijanden omringd was.
Aanteekening PP, Deel II, bl. 309: Eed op den dolk.
Gelijk de heidensche godheden door het zweren bij den Styx zich tot een onverbreekbare verplichting verbonden, zoo waren de Schotsche Hooglanders gewoon bijzonder gewicht te hechten aan hun eed, wanneer zij wilden dat die heilig onder hen wezen zou. Voornamelijk bestond die plechtigheid in het uitstrekken van de hand, terwijl zij op hun ontblooten dolk zwoeren; en dit wapen, dat alzoo een waarborg voor hun overeenkomst geworden was, werd ingeroepen om iedere schending van de gelofte te straffen. Maar wat ook de handeling wezen mocht, waardoor de eed werd geheiligd, iedereen was er bijzonder op gesteld de soort van eed, dien hij als onherroepelijk gezworen had, geheim te houden. Dit was een zeer gemakkelijk middel om niet al te beschroomd te zijn in het verbreken zijner belofte, wanneer deze onder een anderen vorm was afgelegd dan dien welke bij voorkeur als bijzonder plechtig beschouwd werd, en om welke reden iedere verbintenis zeer gemakkelijk werd aangegaan, die hem niet langer dan hij zelf wilde, gebonden hield, terwijl, wanneer zijn onverbreekbare eed eenmaal algemeen bekend was, een ieder met wien hij in de gelegenheid zou komen er een aan te gaan, zich met geen anderen zou te vreden stellen. Lodewijk XI, Koning van Frankrijk, gebruikte dezelfde list; want ook hij had een bijzondere soort van eed, de eenige, dien hij altijd geëerbiedigd heeft, en waardoor hij zich zeer ongaarne gebonden zag. De eenige eed, door dezen dwingeland als heilig beschouwd was die door hem op het heilige kruis van St. Lo d’Angers gezworen, hetwelk een stuk van het echte kruis bevatte. Lodewijk geloofde dat hij binnen het jaar zou sterven, als hij dezen eed verbrak. Toen de connétable van Saint-Pol uitgenoodigd was een persoonlijk onderhoud met Lodewijk te hebben, weigerde hij dit aan te nemen, tenzij de Koning hem een vrijgeleide verzekerde ouder verbintenis van dezen eed. Maar, zegt Comines, de koning antwoordde dat hij nooit op zulk een wijze een verbintenis zou aangaan met een sterfelijk mensch, maar dat hij geneigd was iederen anderen eed, dien hij aan de hand zou doen, te zweren: het traktaat werd dus na herhaalde onderhandelingen afgebroken, en wel op grond van den eed, waardoor Lodewijk die bekrachtigen moest. Zoodanig is het verschil tusschen de beginselen des bijgeloofs en die des gewetens.
EINDE.
VOETNOOTEN
[1] Advocaat, plaatsvervangend sheriff der Orcadische eilanden, rechter in het hof, met den titel van Lord Kinnedder; dezelfde aan wien de inleiding van den derden zang van „Marmion” is opgedragen; hij overleed in 1822.
[2] Een personage uit de „Medeminnaars” van Sheridan. Haar naam duidt aan, dat zij gewoon is mal à propos allerlei woorden en toespelingen te gebruiken.
[3] Letters from the Highlands. Er is hier sprake van de „Brieven van Kapitein Burt,” waarin hij van den beruchten hoofdman Barasdale gewaagt, dien men algemeen houdt voor den type van Fergus Mac-Ivor.
[4] Al de leden der familiën van Marr en van Williamson werden, kort voor het verschijnen van deze voorrede, te Londen ter dood gebracht.
[5] Een verhaal van de gebeurtenissen dier dagen, in eenvoudige rijmen vervat, maar waarin een aantal treffende bijzonderheden voorkomen, en hetwelk nog tegenwoordig door het volk wordt gezongen, geeft een nauwkeurig verslag, zoowel van de krijgsbedrijven der Hooglanders als van hunne uitspattingen, en daar de verzen weinig bekend en lang niet kwaad zijn, wagen wij het ze hierin te vlechten.
[6] Willem, de zoon van George, Hertog van Cumberland.
[7] Licencie voor Linton-bridge, Linton-brug.
[8] Zinspeling op den welbekenden roman „Het kasteel van Udolpho,”
[9] Een der meest fashionable gedeelten van Londen.
[10] Een club bestaande uit rijke jongelieden, die allen uitmunten moeten in het rijden met den „vierspan.”
[11] Een policiebureau te Londen.
[12] Waverley, in 1805 geschreven, verscheen eerst in 1811–14.
[13] Bondstreet, in de dagen toen deze inleiding geschreven werd, dagelijks tusschen drie en vijf ure de wandelplaats der Engelsche dandies en schoonen.