Part 21
Dit zeggende, legde hij de rekening, die hij in de hand had, onder Waverley’s oogen, en vulde te gelijker tijd, zonder eenige uitnoodiging, een glas wijn, dat hij met vrome zegebeden op hunne goede reis uitdronk. Waverley stond verbaasd over ’s menschen onbeschaamdheid, maar daar hun samenzijn kort duren, en, naar het scheen, nuttig voor hem wezen zou, maakte hij er geene aanmerking op, en na zijn rekening betaald te hebben gaf hij zijn voornemen te kennen, om oogenblikkelijk te vertrekken. Derhalve besteeg hij Dermid, en verliet den Gouden Kandelaar, gevolgd door de puriteinsche gestalte door ons beschreven, nadat de waard, ten koste van eenigen tijd en moeite, en met behulp van een steenen trap, tot gemak der reizigers vlak voor het huis aangebracht, zich op den rug van een langen, zwaar gebeenden, slecht gevoeden, afgetobden knol had geheschen, terwijl hij Waverley’s mantelzak achter zich geplaatst had. Schoon niet in een zeer vroolijken luim, kon onze held bezwaarlijk zijn lachen inhouden over het voorkomen van dezen zijn schildknaap, te meer als hij zich de verbazing welke zijn persoon en uitrusting op Waverley-Honour zou hebben te weeg gebracht, verbeeldde.
Eduards lachlust ontging onzen waard uit den Gouden Kandelaar niet, die, daar hij de oorzaak volkomen begreep, een dubbele portie zuur bij den Pharizeschen deesem op zijn aangezicht, voegde, en bij zichzelven besloot, op de een of andere wijze, den jongen Engelschman duur de minachting te doen betalen, waarmede hij hem scheen te beschouwen. Ook Callum stond bij de poort, en vermaakte zich openlijk met Cruickshanks’ belachelijke figuur. Toen Waverley hem voorbij reed, nam hij den hoed eerbiedig af, en, terwijl hij den stijgbeugel naderde, drukte hij hem op het hart: „Toch vooral op zijn hoede te wezen, dat de oude Whig hem geen streek speelde.”
Waverley bedankte hem nogmaals, zeide hem vaarwel, en reed vlug voort, verre van rouwig dat hij buiten het bereik van de uitjouwende kinderen was, die het uitgilden toen ze den ouden Ebenezer zagen rijzen en dalen in zijn stijgbeugels, om het stooten te vermijden, door een harden draf op den slechtbestraten weg veroorzaakt. Het dorp lag dan ook spoedig eenige mijlen achter hen.
DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARUIT BLIJKT DAT HET VERLIES VAN EEN HOEFIJZER ERNSTIGE GEVOLGEN KAN HEBBEN.
De houding en manieren van Waverley, maar bovenal de schitterende inhoud van zijn beurs en de onverschilligheid, waarmede hij die scheen te beschouwen, hielden zijn reisgezel eenigermate in ontzag, en schrikten hem af van een poging om een gesprek aan te knoopen. Zijn eigene bespiegelingen werden echter verlevendigd door een aantal vermoedens en baatzuchtige plannen, die daarmede onmiddellijk in verband stonden. De reizigers reden dus stilzwijgend voort, tot de gids er een einde aan maakte door de mededeeling, dat zijn „ruin een voorijzer had verloren, en dat mijnheer zeker zou begrijpen, dat het zijne zaak was.” Dat was, hetgeen de rechtsgeleerden een uitvorschende vraag noemen, die dienen moest om te polsen in hoeverre Waverley geneigd zou zijn om zich kleine belastingen te laten opleggen. „Mijne zaak!” riep Waverley, die de woorden van den man verkeerd opvatte.
„Ongetwijfeld,” antwoordde de kastelein Cruickshanks, „schoon wij daaromtrent geene opzettelijke bepaling maakten, kan men niet van mij vergen voor de ongelukken in te staan, die den armen ruin in dienst van mijnheer kunnen overkomen; – niettemin, zoo mijnheer....”
„O, gij wilt zeggen dat ik den smid moet betalen; maar waar zullen wij er een vinden?”
Baas Cruickshanks, verheugd dat er van den kant zijns tijdelijken meesters geen zwarigheid gemaakt werd, verzekerde hem daarop, dat Cairnvreckan, een dorp dat ze zoo aanstonds moesten doorkomen, het geluk had van een uitnemenden hoefsmid te bezitten; „maar daar hij een vroom man was, zou hij voor geen mensch een spijker slaan op zondag of vastendag, alleen in geval van den uitersten nood, waarvoor hij altijd zes stuivers per ijzer rekende.” Het belangrijkste gedeelte der mededeeling, naar het gevoelen van den spreker, maakte echter zeer geringen indruk op den hoorder.
Bij het binnenrijden van het dorp Cairnvreckan, ontdekten ze spoedig het smidshuis. Het diende tevens tot herberg en was twee verdiepingen hoog, terwijl het dak, met grijze lei bedekt, zich hoogmoedig boven de bevallige hutten, waardoor het omringd was, verhief. In de nabijgelegene smidse verried niets de sabbaths stilte en rust, die Ebenezer, uit hoofde der heiligheid van zijn vriend, voorspeld had. Integendeel, hamers klonken, aambeelden weergalmden, blaasbalgen zuchtten en de geheele toestel van Vulkaan scheen in volle werking te zijn. Ook was de arbeid van alles behalve vreedzamen aard, en lang niet wat men een landelijken zou kunnen noemen. De meester-smid, zoo als zijn uithangbord aankondigde, John Mucklewrath geheeten, benevens twee knechts, waren druk bezig met het in orde brengen, herstellen en polijsten van oude geweeren, pistolen en degens, welke, in krijgshaftige wanorde, in en nabij zijn werkplaats verstrooid lagen. De open loods waarin de smederij zich bevond, was opgevuld met personen, die af en aan liepen, alsof zij belangrijk nieuws ontvingen en mededeelden; en een enkele blik op het voorkomen van de menschen, die haastig over straat liepen, of in groepen bijeenstonden, met ten hemel geslagen oogen en handen, verried, dat eene of andere buitengewone tijding den publieken geest der burgerij van Cairnvreckan ontroerd had. „Daar is nieuws,” zeide onze waard uit den Kandelaar, terwijl hij zijn perkamenten gezicht en ontvleeschde neus op een ruwe wijze onder den hoop vooruit stak – „daar is nieuws, en zoo het mijn Schepper behaagt, zal ik spoedig op het spoor er van komen.”
Waverley, wiens nieuwsgierigheid minder groot was dan die van zijn leidsman, steeg af, en gaf zijn paard aan een jongen, die op een paar schreden afstands stond te luieren. Het was waarschijnlijk een gevolg van de schuwheid van zijn karakter in zijn vroegste jeugd; maar zeker gevoelde hij een tegenzin, om zich bij een vreemdeling te vervoegen, zelfs om een nietsbeteekenende inlichting, zonder vooraf diens gelaat en houding te hebben opgenomen. Terwijl hij dus rondzag, om den persoon te kiezen, met wien hij liefst een gesprek zou willen aanknoopen, bespaarde hem het drukke gepraat rondom hem in zekere mate de moeite van het vragen. De namen van Lochiel, Clanronald, Glengary en van een aantal andere vermaarde Hooglandsche Opperhoofden, onder welke Vich Ian Vohr bij herhaling genoemd werd, schenen gemeenzaam in den mond dezer lieden; en uit de onrust, welke algemeen heerschte, begreep hij gemakkelijk, dat er een inval in de Laaglanden, aan het hoofd hunner gewapende stammen, óf reeds had plaats gegrepen, óf ieder oogenblik te duchten was.
Nog voordat Waverley gelegenheid had om naar eenige bijzonderheden te vragen, drong een sterk, grof gebouwd wijf, met scherpe gelaatstrekken en omtrent veertig jaar oud, slordig gekleed en met gloeiend roode wangen voor zoo ver ze niet met smeer en roet bemorst waren, door de menigte heen; en terwijl ze een kind van omstreeks twee jaar in de hoogte wierp en weder in haar armen opving, zonder in het minst op zijn angstkreten acht te geven, zong en gilde ze uit al haar macht:
„Kareltje is mijn liev’ling, mijn liev’ling, mijn liev’ing, Kareltje is mijn liev’ling Die ridder zoo jong.”
„Hoort ge, wat u nu overkomen zal, gij ellendige Whigsche kerels? Hoort ge wie er geland is, om uw gesnoef te beteugelen?”
„Gij weet niet wat u overkomt, Gij weet niet wat u overkomt, Want al de Macraws zullen komen!”
De Vulkanus van Cairnvreckan, die zijn Venus in deze dansende Bacchante herkende, zag haar met een grimmig en dreigend gelaat aan, terwijl sommigen der oudsten van het dorp zich haastten om tusschenbeide te komen. „Stil, wijfje, is het thans de tijd, of de dag, om uwe oproerige, ondeugende liedjes te zingen? – een tijd dat de wijn des toorns zonder vermenging is uitgestort in den beker der rechtvaardige gramschap, en een dag dat het land getuigen moest tegen het pausdom en de aanhangers der bisschoppen en kwakers en independentie en suprematie en erastianisme en antinomianisme en de overige dwalingen der Kerk.”
„En wat geef ik om ulieden, Whighs!” schreeuwde de helleveeg er tusschen in; „en uw presbyterianisme, gij hanghoofdige, druiloorige zotten! Wat! Denkt ge dat de Hooglanders iets om uwe synoden en uwe presbyterianen met al hunne femelarij geven? Wraak over die schelmen! Menige eerlijke vrouw zal, zoo goed als ik –”
Hier kwam John Mucklewrath die vreesde dat ze in bijzonderheden van meer persoonlijken aard zou treden, met zijn mannelijk gezag tusschenbeide; „ga in huis, en wees verd– (dat ik zulk een zondig woord gebruik) en maak de pap voor het avondeten klaar.”
„En jij, ellendige suffert,” hernam zijn lieve wederhelft, wier toorn, die tot hiertoe zonder bepaald doel over de geheele vergadering was uitgestort, op eens in zijn natuurlijke richting werd afgeleid, „jij staat daar spullen te hameren voor melkbaarden, die ze nooit tegen een Hooglander durven gebruiken, in plaats van het brood voor uw huisgezin te verdienen, en het paard te beslaan van dezen knappen jongen heer, die pas uit het noorden komt! Ik wed, dat hij niet tot de lafbekken van koning George’s volk behoort, maar een dappere Gordon, of tenminste iemand van dien aard is.”
Nu keerden zich de oogen der vergadering naar Waverley, die de gelegenheid waarnam, om den smid te verzoeken, het paard van zijn gids zoo spoedig mogelijk te beslaan, daar hij zijn reis wenschte voort te zetten; want hij had genoeg gehoord, om hem te doen begrijpen, dat het gevaarlijk zou zijn, zich lang in het plaatsje op te houden. Het oog van den smid rustte op hem met een blik van misnoegen en argwaan, die niet verzacht werd door de drift, waarmede zijn vrouw op Waverley’s verzoek aandrong. „Hoor je wat de brave heer zegt, dronken doeniet?”
„En hoe is uw naam, mijnheer?” bromde Mucklewrath.
„Dat is uwe zaak niet vriend, als ik u slechts voor uw arbeid betaal.”
„Maar het kon wel eens zaak zijn voor den staat om uw naam te weten, mijnheer,” hernam een oude boer, die sterk naar drank en turfrook stonk; „en ik zou haast denken, dat wij uwe verdere reis moeten beletten, tot dat gij den heer van de plaats hebt gezien.”
„Gij althans,” zeide Waverley op hoogen toon, „zult het toch moeielijk en gevaarlijk vinden, mij tegen te houden als gij geen volmacht vertoonen kunt.”
Er was een oogenblik van stilte en gefluister onder de menigte. – „Secretaris Murray;” „Lord Lewis Gordon;” „het kon wel de Chevalier van St. George zelf zijn;” zoodanig waren de vermoedens, die druk geuit werden en er ontstond blijkbaar een toenemende geneigdheid om Waverley’s vertrek te verhinderen. Hij deed zijn best om bedaard met de menschen te praten; maar zijn vrijwillige bondgenoote, jufvrouw Mucklewrath, verijdelde de kracht zijner betoogen door den vloed harer woorden, terwijl ze zijn partij met een kwalijk geplaatste hevigheid opnam, die door hen, tegen wie ze gericht was, geheel en al op rekening van Eduard werd gesteld. „Gij wilt een heer ophouden, die een vriend is van den Prins;” want ook zij had, ofschoon ze hem daarom met geheel andere oogen bezag, het algemeene gevoelen betrekkelijk Waverley gedeeld. Ik tart je, hem aan te raken,” en terwijl ze dit uitgilde, stak ze haar lange en gespierde vingers uit, die met klauwen waren gewapend, welke geen gier zich had behoeven te schamen, en voegde er bij: „Ik zal mijn tien geboden in het gezicht zetten van den eersten lummel, die den vinger op hem durft leggen.”
„Ga in huis, wijf!” riep de straks genoemde boer, „het was beter, dat gij op uws mans kinderen pastet, dan dat gij ons hier komt doof schreeuwen.”
„Zijne kinderen?” riep de heks weder uit; terwijl ze haar echtgenoot met een grijns van onuitsprekelijke verachting beschouwde – „zijne kinderen!”
„O Jé, was je dood, goede man, En een groen zoodje op je hoofd, goede man, Dan troostte ik, met den meesten spoed, Mij in mijn weduwschap, met een uit Hooglandsch bloed”
Dit deuntje, dat een gegrijns van de jongere leden der vergadering uitlokte, putte het geduld van den beschimpten hoefsmid ten eenemale uit. „De duivel hale me, of ik sla haar met dezen gloeienden stang op den nek!” riep hij in een vlaag van toorn, terwijl hij een staaf uit het vuur haalde en wellicht zou hij zijn bedreiging volvoerd hebben, ware hij niet tegengehouden door een deel der samengeschoolde menigte, terwijl de overigen hun best deden om het razende wijf met geweld uit zijn tegenwoordigheid weg te brengen.
Waverley wilde zich dit oogenblik van verwarring ten nutte maken om te ontsnappen, maar zijn paard was nergens te vinden. Eindelijk ontdekte hij, op eenigen afstand, zijn getrouwen reisgezel, Ebenezer, die zoodra hij bemerkt had, welken keer de zaken schenen te nemen, de beide paarden buiten het gedrang gebracht had. Terwijl hij nog altijd op het eene gezeten was, en het andere vasthield, antwoordde hij op Waverley’s luid en herhaald geroep om zijn paard: „Neen, neen, zoo ge geen vriend van de kerk en den koning zijt, en als zoodanig wordt aangehouden, moogt ge u voor de eerlijke lieden in het land verantwoorden wegens uw verraad, en ik zal den knol en den mantelzak nemen tot loon en schadevergoeding, daar mijn paard en ik morgen een dag werk zullen verliezen, behalve de namiddagpreek.” Eduard, die zijn geduld verloor, en zich van alle kanten ingesloten en door het grauw voortgestuwd zag, terwijl hij ieder oogenblik persoonlijke mishandeling verwachtte, besloot te beproeven, hun vrees in te boezemen, en haalde nu een zakpistool voor den dag, dreigende, aan de eene zijde, iedereen neêr te schieten, die het zou durven wagen hem tegen te houden, en aan den anderen kant Ebenezer een gelijk lot belovende, als hij zich met de paarden verroerde. De wijze Partridge [116] zegt, dat één man met een zakpistool tegen honderd ongewapenden bestand is, omdat, hoewel hij maar één van de menigte kan treffen, niemand weet, of hij zelf die ongelukkige niet wezen zal. De groote menigte in Cairnvreckan zou dus waarschijnlijk toegegeven hebben; ook zou Ebenezer, wiens natuurlijke bleekheid nog drie graden lijkachtiger geworden was, het niet gewaagd hebben een aldus gegeven bevel te weerstreven, zoo niet de Vulkaan van het dorp, die verlangde de woede, welke zijn wederhelft had opgewekt, aan een waardiger voorwerp te koelen, en wel in zijn schik, dat hij zoo iemand in Waverley vond, op hem toegeschoten ware met de gloeiende ijzeren staaf, en met zooveel drift, dat het afschieten van zijn pistool, voor Eduard, een daad van zelfverdediging werd. De ongelukkige man viel; en terwijl Eduard, door natuurlijken schrik over den afloop, geen tegenwoordigheid van geest bezat, noch om zijn degen te trekken, noch om zijn andere pistool te lossen, wierp het gepeupel zich op hem, ontwapende hem en was op het punt om hem zwaar te mishandelen, toen de verschijning van een eerwaardigen geestelijke, den predikant van het dorp, zijne woede breidelde.
Deze waardige man (die zoo min een Goukthrapple, als een Rentowel was) handhaafde zijn invloed bij het gemeene volk, daar hij de praktijk des Christendoms even goed als de afgetrokken geloofsbegrippen predikte, en werd in hoog aanzien gehouden bij de hoogere standen, hoewel hij weigerde hunne dwalingen te vleien, door den leerstoel van het Evangelie in een school van heidensche zedekunde te veranderen. Mogelijk is het aan deze vereeniging van geloof en praktijk in zijn leer toe te schrijven, dat, ofschoon zijn nagedachtenis een soort van époque in de jaarboeken van Cairnvreckan heeft gemaakt, ten gevolge waarvan de dorpelingen, om iets aan te duiden dat zestig jaar geleden voorviel, nog zeggen, dat het plaats had in den tijd van den goeden heer Morton, ik nooit in staat ben geweest te ontdekken, of hij tot de evangelische of tot de gematigde partij in de Kerk behoorde. Ook houd ik de omstandigheid niet voor zeer gewichtig, daar, volgens mijn eigene herinnering, de een een Erskine, de ander een Robertson aan het hoofd had [117].
De heer Morton was door het afbranden van het pistool, en het toenemende getier rondom de smidse, verontrust geworden. Zijn eerste zorg, nadat hij de omstanders bevolen had, zich van Waverley te verzekeren, maar hem niet te mishandelen, bepaalde zich tot het lichaam van Mucklewrath, waarover zijn vrouw, in een plotselingen omkeer van gevoel, schreide, jammerde en zich de haren uitrukte, in een toestand, die aan krankzinnigheid grensde. Den smid oprichtende, was zijn eerste ontdekking, dat hij leefde, en de tweede, dat hij waarschijnlijk even lang zou leven, alsof hij nooit een pistoolschot had gehoord. Hij was echter maar ter nauwernood ontsnapt; de kogel had zijn schedel even geraakt, en hem een paar oogenblikken bedwelmd, wat door den schrik en de verwarring zijner denkbeelden nog een tijdlang geduurd had. Hij stond thans op om wraak op Waverley te eischen, en berustte niet zonder moeite in het voorstel van den heer Morton, dat men hem voor den heer der plaats, die tegelijk vrederechter was, brengen en hem ter zijner beschikking stellen zou. De overige omstanders stemden in dit voorstel toe; zelfs vrouw Mucklewrath, die nu wat tot bedaren kwam, gaf kreunende te kennen, – „Zij wou niets zeggen tegen hetgeen de dominé voorstelde; hij was een beste voor zijn zaak, en ze hoopte hem nog eenmaal met een fraaien bisschopstabbaard om het lijf te zien; een vrij wat aangenamer gezicht dan die rokken en mantels uit Geneve, zeg ik maar.”
Nadat alle oneenigheid op deze wijze uit den weg geruimd was, werd Waverley, begeleid door al de inwoners van het dorp, die niet bedlegerig waren, naar het heerenhuis van Cairnvreckan, omstreeks een kwartiertje van daar gelegen, gevoerd.
EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN VERHOOR.
Majoor Melville van Cairnvreckan, een bejaard heer, die zijn jeugd in den krijgsdienst had gesleten, ontving den heer Morton met veel vriendelijkheid en onzen held met veel beleefdheid, die evenwel door de dubbelzinnige omstandigheden, waarin Eduard geplaatst was, gedwongen en koel was.
Nadat men de kwetsuur van den smid had onderzocht, en bemerkte dat ze inderdaad van weinig beteekenis scheen te zijn, en dewijl de omstandigheden, waaronder ze toegebracht was, de daad tot een bloot middel van zelfverdediging hadden gemaakt, begreep de Majoor de zaak als afgedaan te mogen beschouwen, indien Waverley hem een kleine som voor den gewonde ter hand stelde.
„Ik wenschte wel, mijnheer,” ging de majoor voort, „dat mijn verplichting hier ophield; maar ik mag niet nalaten eenig nader onderzoek te doen naar het oogmerk van uwe reis door deze streken, in dezen ongelukkigen en onrustigen tijd.”
Thans trad Ebenezer Cruickshanks voor, en deelde den magistraat alles mede, wat hij wist of vermoedde, uit Waverley’s achterhoudendheid en Callum Beg’s ontduikende antwoorden. Hij wist, zeide hij, dat het door Eduard bereden paard aan Vich Ian Vohr behoorde, ofschoon hij Eduards vorigen knecht dit niet had durven zeggen, uit vrees dat hij den een of anderen nacht huis en stallen boven zijn hoofd zou zien afbranden, door dat goddelooze ras, de Mac-Ivors. Hij besloot met zijn eigene diensten aan Kerk en Staat op te vijzelen, daar hij, in Gods hand, het middel geweest was, (zoo drukte hij zich zedig uit) om dezen verdachten en gevaarlijken boosdoener aan te houden. Hij liet niet na zijn hoop te kennen te geven op toekomende vergelding en dadelijke vergoeding voor verlies van tijd, en zelfs van goeden naam, dewijl hij ten beste van den Staat op den biddag had moeten reizen.
Hierop antwoordde majoor Melville met groote bedaardheid, dat, wel verre van aanspraak te maken op eenige verdienste in dit geval, kastelein Cruickshanks een zeer zware boete had af te bidden, omdat hij nagelaten had, ingevolge eener pas uitgevaardigde proclamatie, aan den naastbijwonenden overheidspersoon verslag te geven van iederen vreemdeling, die in zijn herberg kwam; dat, daar kastelein Cruickshanks zoo zeer op godsdienstigheid en getrouwheid aan den Koning snoefde, hij dit gedrag niet aan kwade gezindheid wilde toeschrijven, maar het slechts daarvoor houden, dat zijn ijver voor Kerk en Staat in slaap gesust was door de gelegenheid, om een vreemdeling met dubbele paardenhuur te bezwaren; maar, zich onbevoegd achtende om alleen over het gedrag van een burger van zoo veel gewicht te beslissen, zou hij dit besparen voor de overweging der aanstaande assise-zittingen. – Nu zegt onze geschiedenis, voor het tegenwoordige, niets meer van den waard uit den Kandelaar, dan dat hij teleurgesteld en ontevreden naar huis terugkeerde.
Hierop beval majoor Melville den dorpelingen zich te verwijderen, met uitzondering van twee, die den post van gerechtsdienaars waarnamen, en die hij beval beneden te blijven wachten. Het vertrek werd dus door allen ontruimd, uitgenomen door den heer Morton, wien de Majoor noodigde te blijven, benevens een soort van handlanger, die voor klerk speelde, en Waverley zelf. Er volgde een pijnlijke en gedwongen pauze; tot dat Majoor Melville, terwijl hij Waverley met groot medelijden aanzag, en telkens een papier, of memorandum raadpleegde, dat hij in de hand hield, verzocht zijn naam te mogen weten. –
„Eduard Waverley.”
„Dat dacht ik al; onlangs gediend hebbende bij de ** dragonders, neef van Sir Everhard Waverley van Waverley-Honour?”
„Dezelfde.”
„Mijnheer, het spijt mij zeer, dat deze onaangename plicht mij is tebeurt gevallen.”
„De plicht, majoor Melville, maakt alle verontschuldigingen overbodig.”
„Zoo is het, mijnheer! Veroorloof mij dus te vragen, hoe gij uw tijd besteed hebt, sedert gij, een aantal weken geleden, verlof tot afwezigheid van uw regiment kreegt, tot op het tegenwoordig oogenblik?”
„Mijn antwoord op zulk een algemeene vraag moet zich richten naar den aard der beschuldiging, die ze noodzakelijk maakt. Ik verzoek die te mogen weten, en op welk gezag ik met geweld word tegengehouden, ten einde mij te verantwoorden?”
„De beschuldiging, mijnheer Waverley, het spijt mij dit te moeten zeggen, is van hoog ernstigen aard, en betreft uw goeden naam als soldaat niet minder, dan als onderdaan. In de eerste plaats wordt gij beschuldigd van muiterij en oproer gezaaid te hebben onder de manschappen, waarover gij het bevel gevoerd hebt, en hun een voorbeeld te hebben gesteld van desertie, door uwe afwezigheid van het regiment, in weerwil van de uitdrukkelijke bevelen uws Oversten. De misdaad, waarvan gij aangeklaagd wordt, is die van hoogverraad, en het verwekken van oorlog tegen den Koning, het hoogste vergrijp waaraan zich een onderdaan schuldig kan maken.”
„En op welk gezag word ik aangehouden, om op zulke afschuwelijke lasteringen te antwoorden?”
„Op het gezag, dat gij evenmin kunt weigeren te erkennen, als ik te gehoorzamen.”
Hij overhandigde Waverley een bevelschrift van het hooge gerechtshof van Schotland, in volkomen vorm: om aan te houden en in verzekerde bewaring te nemen den heer Eduard Waverley, verdacht van verraderlijke plannen en andere zware misdaden en kwade praktijken.
De ontsteltenis, door Waverley op deze mededeeling aan den dag gelegd, werd door majoor Melville toegeschreven aan bewustheid van schuld, terwijl de heer Morton eer geneigd was er de verrassing der te onrecht verdachte onschuld in te zien. Er was in beide gissingen iets waars; want ofschoon Eduards hart hem vrijsprak van de misdaden, waarvan hij beticht werd, overtuigde hem echter eene vluchtige herinnering van zijn gedrag, dat hij groote moeite zou hebben, om zijn onschuld voor anderen, te bewijzen.
„Het is een zeer onaangenaam gedeelte van deze onaangename bezigheid,” zeide de majoor, na een pauze, „dat ik, uit hoofde eener zoo zware verdenking, de papieren moet verzoeken te zien, welke gij bij u mocht hebben.”
„Dat kunt gij doen, mijnheer, zonder eenig bezwaar,” zeide Eduard, terwijl hij zijn zakboek en memoranda op de tafel wierp; „daar is er maar één bij, waarmede ik wel zou wenschen dat een uitzondering gemaakt werd.”
„Het spijt mij, mijnheer, dat ik u dit niet mag toestaan,”
„Dan zult gij het ook zien, mijnheer; doch daar het van geen nut kan wezen, verzoek ik het terug te mogen hebben.”
Hij haalde de dichtregels, welke hij dien morgen ontvangen had, uit zijn borst, en bood ze, met den omslag, aan. De majoor doorlas ze voor zich, en beval zijn klerk er een afschrift van te maken. Vervolgens wikkelde hij het afschrift in den omslag, en het voor zich op de tafel leggende, gaf hij het oorspronkelijke, met bedroefden ernst, aan Waverley terug.