Chapter 12 of 50 · 3967 words · ~20 min read

Part 12

De boot naderde nu tot dicht aan den wal, en Eduard kon zien dat dit groote vuur, ruimschoots gevoed door pijnboomtakken, (door twee gedaanten, die, in den rooden weerschijn dat het verspreidde, er als duivels uitzagen), aan den ingang van een ruim hol lag, waarin een kleine inham van het meer scheen binnen te dringen; en hij giste, zoo als inderdaad waarheid was, dat dit vuur als baak was ontstoken om den lieden in de boot, op hun terugtocht den weg te wijzen. Ze roeiden recht tot aan den mond van de grot, en terwijl ze de riemen inhaalden, lieten ze de boot met eene door hen berekende vaart, naar binnen schieten. Het vaartuig liep de punt, of het kleine plat der rots, waarop het vuur brandde, voorbij, en na nog omtrent twee bootslengten verder te zijn voortgeschoten, hielden ze stil, waar het hol, (want het was hier van boven reeds overwelfd) uit het water opsteeg, langs vijf of zes breede rotslagen, zoo effen en regelmatig gevormd, dat men ze voor natuurlijke trappen had kunnen houden. Op dit oogenblik werd eensklaps een groote hoeveelheid water op het vuur geworpen, dat met een sissend geraas uitdoofde; en daarmede verdween het licht, dat het tot hiertoe verspreid had. Vier of vijf sterke armen ligtten Waverley uit de boot, zetten hem op zijn voeten neêr en droegen hem bijna naar het binnenste van het hol. Op deze wijze deed hij eenige weinige schreden, in het duister; hij hoorde het verwarde geluid van een aantal menschenstemmen, die uit het midden der rots schenen voort te komen, en, na een scherpen hoek van dit onderaardsche verblijf te zijn omgeslagen, stond Donald Bean Lean en zijn geheele huishouding voor hem.

Het binnenste van het hol, dat hier zeer hoog was, werd verlicht door toortsen van pijnboomtakken, die een helder en flikkerend licht verspreidden, en wier geur, hoewel sterk, niet onaangenaam was. Aan dit licht paarde zich de roode gloed van een groot houtskolen-vuur, waar omheen vijf of zes gewapende Hooglanders gezeten waren, terwijl anderen, door elkaâr op hun plaids in de meer afgelegen hoeken van het hol lagen te slapen. In een ruime holte van de rots, door den roover schertsende zijn provisiekamer genoemd, hingen bij de hielen de rompen van een schaap en twee koeien, kortelings geslacht. De hoofdbewoner van dit zeldzaam verblijf, door Evan Dhu vergezeld, die hem tot ceremoniemeester diende, trad zijn gast te gemoet. Zijn voorkomen en zijn manieren verschilden niet weinig van hetgeen Eduard zich in zijne verbeelding had voorgesteld. Het bedrijf dat hij uitoefende, de wildernis waarin hij leefde, de woeste en oorlogzuchtige gestalten die hem omringden, waren allen wel geschikt om schrik in te boezemen. Daarom verwachtte Waverley ook eene stugge, reusachtige, woeste gedaante te zullen ontmoeten, zoo als Salvator Rosa zou uitgekozen hebben om tot hoofdpersoon voor een zijner bandietenbenden te dienen. [66]

Donald Bean Lean was juist het tegenovergestelde van dit alles. Hij was schraal van persoon en klein van gestalte, met licht, zandkleurig haar en een bleek gezicht, waardoor hij den bijnaam van Bean, of wit had verkregen; en schoon hij ligt van gestalte, goed gebouwd en vlug was, had hij, over het geheel, een min of meer nietig een onbeduidend voorkomen. Hij had langen tijd in een of anderen minderen rang bij het Fransche leger gediend; en om zijn Engelschen bezoeker op een deftige wijze te ontvangen, en hem op zijne wijze, naar hij meende, een kompliment te maken, had hij voor deze gelegenheid de Hooglandsche kleeding afgelegd, om een oude blauwe en roode uniform aan te trekken en een hoed met veeren op te zetten, een opschik die hem niet bijzonder goed stond, daar hij inderdaad zulk een vreemd voorkomen had, in vergelijking met al wat hem omringde, dat Waverley lust zou gehad hebben om te lachen, indien lachen beleefd of, uit een oogpunt van veiligheid raadzaam geweest ware. De roover ontving kapitein Waverley met overdreven Fransche beleefdheid en Schotsche gastvrijheid, en scheen zijn naam en betrekkingen volmaakt goed te kennen, alsmede de staatkundige beginselen van zijn oom. Aan dezen zwaaide hij grooten lof toe, waarop Waverley het voorzichtig oordeelde in zeer algemeene bewoordingen te antwoorden.

Na op een behoorlijken afstand van het houtskolen-vuur geplaatst te zijn, welks hitte door het saizoen drukkend werd, zette een groot Hooglandsch meisje voor Waverley, Evan en Donald Bean drie bakken of houten tobbetjes, uit duigen en hoepels saamgesteld, met eunaruich [67], een soort van krachtige soep uit een bijzonder gedeelte van de ingewanden van een os gereed gemaakt. Na deze verkwikking, die, hoewel niet zeer fijn, door vermoeienis en honger smakelijk gemaakt werd, werden osselappen, op een kolenvuur gebraden, in ruimen overvloed opgezet, die bij Evan Dhu en hun gastheer verdwenen met een vlugheid, welke naar tooverij zweemde en Waverley verbaasd deed staan, daar hij niet weinig verlegen was, hoe hunne vraatzucht te rijmen met hetgeen hij van de matigheid der Hooglanders gehoord had. Hij wist niet dat deze matigheid bij de lagere klassen geheel gedwongen was, en dat zij, die ze beoefenden, even als sommige roofdieren, met het vermogen begaafd waren, om zich behoorlijk schadeloos te stellen, wanneer de gelegenheid bestond om in overvloed te brassen. Opdat er niets aan het feest zou ontbreken, werd de brandewijn op kwistige wijze rondgediend. De Hooglanders dronken dien in groote hoeveelheid en onvermengd; maar Eduard, die hem een weinig met water had aangelengd, vond dien niet smakelijk genoeg om de proef nog eens te wagen. De gastheer betuigde zijn leedwezen, dat hij hem geen wijn kon voorzetten: „Had hij het maar vier-en-twintig uren te voren geweten, hij zou er voor gezorgd hebben, al had hij dien ook veertig mijlen ver moeten zoeken. Maar wat kon iemand meer doen, om zijn erkentelijkheid voor de eer eens bezoeks te toonen, dan het beste aan te bieden, dat zijn huis opleverde. Waar geen boomen zijn kunnen geen noten groeien, en men moet zich naar hen schikken, met wie men leeft.”

Hij wendde zich vervolgens tot Evan Dhu, en jammerde zeer over den dood van een bejaard man, Donnacha an Amrigh, of Duncan met de Kap, „een begaafd ziener, die, door middel van het tweede gezicht, terstond kon voorzeggen, of een vriend of vijand op weg was, om hun een bezoek te brengen.”

„Is zijn zoon Malcolm geen taishatr?” [68] vroeg Evan.

„Hij haalt niet bij zijn vader,” hernam Donald Bean. „Hij voorspelde ons onlangs, dat een groot heer te paard ons zou komen bezoeken, en er kwam den ganschen dag niemand opdagen dan Shemus Beg, de blinde harpspeler, met zijn hond. Op een anderen keer kondigde hij ons eene bruiloft aan, en zie, het liep op een begrafenis uit; en op een strooptocht, toen hij ons voorzeide, dat wij honderd stuks vee zouden te huis brengen, vingen wij niets dan een vetten baljuw uit Perth.”

Het gesprek liep vervolgens over den staat- en krijgskundigen toestand des lands; en Waverley stond verbaasd, en was zelfs verontrust, dat iemand van dezen stempel zoo nauwkeurig bekend scheen met de sterkte der onderscheidene garnizoenen en regimenten, die ten noorden van den Tay lagen. Hij gaf zelfs het juiste getal rekruten op, die Waverley van zijns ooms goederen gevolgd waren, en maakte de aanmerking, dat het schoone mannen waren, waarmede hij geen mooie, maar stoute, wakkere knapen bedoelde.

Hij herinnerde Waverley een of twee kleine voorvallen, die plaats hadden gehad bij een revue van het regiment, waardoor hij overtuigd werd, dat de roover er een ooggetuige van was geweest; en nu Evan Dhu zich aan het gesprek onttrokken en in zijn plaid gewikkeld had, om wat rust te nemen, vroeg Donald aan Eduard op een veel beteekenende wijze, of hij hem niets bijzonders te zeggen had?

Een dergelijke vraag, door zulk een man gedaan, verraste Waverley, en deed hem eenigzins ontstellen. Hij antwoordde, dat hij geen andere drijfveer had gehad, met hem te bezoeken, dan nieuwsgierigheid om zulk een ongewoon verblijf te zien. Donald Bean Lean zag hem een oogenblik strak in het gelaat, en zeide toen, met een veelbeteekenden knik: „Gij kondt u ook zeer wel aan mij toevertrouwen, en ik ben even goed te vertrouwen, als de baron Bradwardine of Vich Ian Vohr; maar gij zijt daarom niet minder welkom in mijn huis.”

Waverley voelde dat hem een onwillekeurige rilling over het lijf liep, bij de geheimzinnige taal door dezen buiten de wet gestelden en roekeloozen bandiet gevoerd; welke aandoening hem, in weerwil van zijn poging om ze te onderdrukken, het vermogen benam, om te vragen wat Donald hiermede bedoelde. Een bed van heideplanten, met de bloemen naar boven gekeerd, was voor hem in een hoek van het hol gereed gemaakt, en hier, bedekt met zoo vele overschietende plaids, als er maar te krijgen waren, lag hij eenigen tijd de bewegingen gade te slaan der overige bewoners van het hol. Kleine partijen van twee of drie kwamen binnen, of verlieten de plaats, zonder andere plichtplegingen, dan eenige weinige woorden in het Gaelsch tot den aanvoerder der bende, en nadat deze in slaap was gevallen, tot een langen Hooglander, die als zijn plaatsvervanger handelde, en de wacht scheen te houden zoolang de andere rustte. De binnentredenden schenen van een tocht terug gekomen te zijn, van welks uitslag zij bericht gaven, en gingen rechtstreeks naar de provisiekamer; en nadat aldaar een ieder met zijn dolk een lap vleesch van de opgehangen rompen gesneden had, zetten zij zich neder om die op hun gemak te braden en te eten. De drank stond onder strenger toezicht, en werd, hetzij door Donald zelven, zijn luitenant of het genoemde lange Hooglandsche meisje, dat het eenige vrouwelijke wezen was, hetwelk men er aantrof, toegediend. De toegestane hoeveelheid brandewijn zou echter overdadig hebben toegeschenen aan ieder, behalve een Hooglander, die geheel in de open lucht en in een zeer vochtig klimaat levende, in staat is om eene groote hoeveelheid sterken drank te gebruiken, zonder de gewone schadelijke uitwerkselen op zijn hersenen of zijn gestel te ondervinden.

Ten laatste begonnen de golvende groepen achtereenvolgens voor de zich langzaam sluitende oogen van onzen held te schemeren. Ook opende hij ze niet weer, voor dat de morgenzon, daarbuiten, hoog boven het meer stond, ofschoon er maar een flauw schemerlicht doordrong in de schuilhoeken van Uaimh an Ri, of het Koningshol, zooals het verblijf van Donald Bean Lean niet zonder eenigen trots, genoemd werd.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

WAVERLEY ZET ZIJN REIS VOORT.

Toen Eduard zijn verwarde gedachten weder verzameld had, was hij verwonderd het hol geheel verlaten te zien. Na opgestaan te zijn, en zijn kleederen eenigszins in orde te hebben gebracht, zag hij met meer nauwlettendheid in ’t rond, maar alles bleef eenzaam. Behalve de nu tot grijze asch verteerde brandstoffen, en de overblijfselen van den maaltijd, bestaande in half verbrande en half afgeknaagde beenderen en een ledig vaatje of wat, was er geen spoor van Donald of van zijn bende meer over. Waverley begaf zich daarop naar den ingang van het hol, en ontdekte dat de rotspunt, waarop de sporen van de in den voorgaanden nacht ontstoken baak nog zichtbaar waren, toegankelijk was langs een smal pad, dat òf door de natuur gevormd, òf ruw in de rots uitgehouwen, langs den kleinen inham liep, welke eenige weinige ellen ver tot in het hol doordrong, en waar, even als in een dok, het vaartuig, dat hem den vorigen avond derwaarts gebracht had, nog lag. Toen hij het kleine, vooruitspringende plat bereikt had, waarop men de baak had ontstoken, zou hij het voor onmogelijk gehouden hebben te land verder te gaan, indien het niet hoogst onwaarschijnlijk ware geweest, dat de bewoners van het hol geen anderen uitweg zouden gehad hebben dan over het meer. Weldra ontdekte hij dan een paar schuinsche trappen, of rotslagen, aan het uiterste einde van het plat, en zich van deze als van een wenteltrap bedienende, klauterde hij, om de vooruitstekende spits van de rots waarin de opening van het hol zich bevond, en na aan de andere zijde met eenige moeite te zijn afgedaald, bereikte hij de woeste en steile oevers van een Hooglandsch meer, dat omstreeks vier engelsche mijlen in de lengte en anderhalve mijl in de breedte besloeg, omringd door heivelden en wilde gebergten, op wier toppen de morgennevel nog rustte.

Terwijl hij een blik sloeg op de plaats, vanwaar hij gekomen was, kon Waverley niet nalaten de slimheid te bewonderen, die zulk eene afgezonderde en goed verborgen schuilplaats had uitgezocht. De rots, wier vooruitstekende spits hij langs eenige weinige onmerkbare oneffenheden, die den voet nauwelijks plaats vergunden, was omgeklommen, scheen, wanneer hij er op terugzag, slechts eene geweldige steilte, die allen verderen voortgang in die richting langs de oevers van het meer verhinderde. Er bestond geene mogelijkheid, wanneer men de breedte van het meer in aanmerking nam, den ingang van het enge en lage hol van de andere zijde te ontdekken; indien men het ten minste niet met booten zocht, of het geheim verraden werd, was het eene schuilplaats, waar de bezetting zonder het geringste gevaar vertoeven kon, zoo ze slechts van genoegzamen voorraad voorzien was. Na zijn nieuwsgierigheid in dit opzicht bevredigd te hebben, zag Waverley naar alle kanten uit naar Evan Dhu en diens medgezel, die hij terecht meende, dat niet al te ver af zouden wezen, wat er ook van Donald Bean Lean en zijn bende mocht geworden zijn, wier levenswijze hen natuurlijk noodzaakte, plotseling van verblijf te veranderen. Inderdaad ontwaarde hij dan ook op een halve mijl afstands een Hooglander, (waarschijnlijk Evan), die in het meer hengelde, met een ander bij zich, dien hij aan het wapen dat hij op den schouder droeg, voor zijn vriend met de strijdbijl herkende.

Meer nabij den ingang van het hol hoorde hij de liefelijke toonen van een Gaelsch lied, die hem naar een zonnige door een glinsterenden berkenboom overschaduwde plek lokten. De grond was van vast wit zand; het meisje uit het hol, wier gezang hem reeds bereikt had, was dáar met alle inspanning bezig een morgen-onthaal van melk, eieren, gerstenbrood, versche boter en honigraat gereed te zetten. Het arme meisje had dien morgen vier mijlen in het rond geloopen om eieren, meel tot het bakken van hare koeken en de verdere bestanddeelen van het ontbijt op te loopen, welke lekkernijen ze vragen of leenen moest van tamelijk verafwonende landlieden. De volgelingen van Donald Bean Lean gebruikten weinig voedsel, behalve het vleesch der beesten, die zij uit de Laaglanden roofden; brood zelfs was eene versnapering waaraan men weinig dacht, omdat het moeielijk te verkrijgen was; en de huiselijke weelde van melk, gevogelte, boter enz., bleek in deze Scytische legerplaats onbekend te zijn. Ondertusschen mag ik niet vergeten te melden, dat schoon Alice een gedeelte van den morgen besteed had om haren gast deze lekkernijen te verschaffen, die het hol niet opleverde, zij evenwel nog den noodigen tijd had weten te vinden, om zich zoo goed mogelijk op te schikken. Haar opschik was echter zeer eenvoudig. Een kort, bruinrood jakje, en een niet al te lange rok maakten hare geheele kleeding uit; maar deze was zindelijk en niet smakeloos. Een stuk scharlakenrood en geborduurd doek, omsloot hare lokken, die in een aantal dikke, donkere krullen daaruit te voorschijn sprongen. Den rooden plaid, die een gedeelte van hare kleeding uitmaakte, had ze afgelegd, opdat hij haar bij het bedienen van den vreemdeling niet in den weg zou wezen. Ik zou Alice’s prachtigst sieraad vergeten, als ik geen melding maakte van een paar gouden oorringen en een gouden rozekrans, die haar vader (want ze was de dochter van Donald Bean Lean), uit Frankrijk had medegebracht, waarschijnlijk de buit na een of anderen veldslag of bestorming.

Hare gestalte, schoon vrij kloek voor hare jaren, was goed geëvenredigd, en hare houding had iets ongekunstelds en natuurlijk bevalligs, zonder iets van de onnoozelheid eener gewone boerin. Haar glimlach die eene rij uitstekend witte tanden te zien gaf, en de vriendelijke oogen, wier stomme welsprekendheid hare onbekendheid met de Engelsche taal te hulp kwam om Waverley den morgengroet te brengen, zouden bij een ijdelen jongen krijgsman, die zich voor een schoon man hield, ligt de gedachte kunnen opwekken, dat zij nog iets meer dan de hoffelijkheid eener gastvrouw te kennen gaven. Ook waag ik het niet te beweren, dat het meisje ieder deftig oud heer, den baron van Bradwardine bij voorbeeld, met dezelfde lieftalligheid zou verwelkomd hebben als waarmede ze Eduard begroette. Zij scheen zeer verlangend dat hij zich aan het ontbijt zou zetten, hetwelk ze met zoo veel ijver had in orde gebracht, en waarbij ze thans eenige weinige rissen boschbessen voegde, door haar in een dichtbij gelegen moeras verzameld. Nadat ze het genoegen had mogen smaken, hem aan de ontbijttafel te zien plaats nemen, zette zij zich zediglijk op een steen, op eenige ellen afstands en scheen met groot zelfbehagen op de gelegenheid te wachten, om hem te dienen.

Evan en zijn knecht keerden thans met langzame schreden langs het strand terug; de laatste droeg een groote zalmforel, de vangst van hun vroegere vischpartij, benevens den hengel die haar verschalkt had; terwijl Evan op zijn gemak, met de houding van iemand, die over zich zelven voldaan is, en met een deftigen tred de plaats naderde, waar Waverley zich zoo aangenaam met zijn ontbijt bezig hield. Nadat van wederzijds de morgengroet gewisseld was, en Evan, terwijl hij een blik op Waverley wierp, iets in het Gaelsch aan Alice gezegd had, dat haar deed lachen, maar tevens tot over de ooren toe kleuren, ofschoon haar gelaat door zon en weder niet weinig verbrand was, gaf Evan bevel om den visch voor het ontbijt gereed te maken. Een vonk uit den vuursteen van zijn pistool bezorgde een licht, en eenige doode takken waren spoedig in brand, en even spoedig tot heete asch gemaakt, waarop de forel in groote mooten werd gebraden. Om den maaltijd te bekroonen, haalde Evan, uit den zak van zijn kort buis, een diepe schelp, en, van onder de plooien van zijn plaid een ramshoorn vol brandewijn te voorschijn. Hieruit nam hij een ruime teug, terwijl hij er de aanmerking bijvoegde, dat hij zijn morgenslok met Donald Bean Lean, reeds voor hun vertrek, had genomen; hij bood dezelfde hartsterking aan Alice en Eduard, die er beide voor bedankten. Met de genadige houding van een Lord, bood Evan thans de schelp aan Dugald Mahony, zijn bediende, die, zonder te wachten dat hij voor de tweede maal gevraagd werd, ze met grooten smaak leêgdronk. Nu maakte Evan zich gereed naar de boot te gaan, en noodigde Waverley uit om hem te vergezellen. Intusschen had Alice, al wat ze de moeite waard achtte, in een korfje gepakt, en haar plaid omslaande, ging ze op Eduard toe, en met de meeste eenvoudigheid, bood ze hem hare wang tot een kus aan, terwijl ze tevens, als een blijk harer wellevendheid, een ligte neiging maakte. Evan, die door de schoonen van het gebergte, voor een snaak gehouden werd, trad op haar toe, als om van haar dezelfde gunst te verwerven; maar Alice vluchtte met haar mandje op den rotsigen oever, en zich omkeerende en lachende, riep ze hem iets in het Gaelsch toe, hetwelk hij op denzelfden toon en in dezelfde taal beantwoordde. Vervolgens wuifde ze Waverley met de hand haar groet toe, zette haren loop voort en was spoedig tusschen de struiken uit het gezicht, ofschoon men nog eenigen tijd haar liefelijken zang hoorde, terwijl ze haar eenzamen tocht voortzette.

Zij begaven zich nu weer naar den toegang van het hol, en na in de boot te zijn gestapt, stiet de Hooglander van wal, en terwijl hij zijn voordeel met de morgenkoelte deed, haalde hij een lomp soort van zeil op. Evan zette zich aan het roer, en stuurde, naar het Eduard voorkwam, iets hooger op, dan de plaats waar ze den vorigen avond geland waren. Terwijl ze langs den zilveren spiegel gleden, begon Evan het gesprek met een lofrede op Alice, die, zeide hij, zoo wel verstandig als knap in de huishouding was, en daarenboven de beste danseres in den geheelen omtrek. Zoo ver hij hem verstond, stemde Eduard met den haar geschonken lof in, maar kon niet nalaten haar te beklagen, dat ze tot zulk een gevaarlijk en ellendig leven veroordeeld was.

„O! wat dat aangaat,” zeide Evan, „er is niets in het geheele graafschap Perth, dat ze behoeft te ontberen, als ze maar aan haar vader vraagt het te halen, als het maar niet te zwaar of te heet is om het te dragen.”

„Maar de dochter te zijn van iemand die niets anders doet dan vee rooven, – van een gemeenen dief!”

„Een gemeene dief? – volstrekt niet; Donald Bean Lean roofde van zijn leven niet minder dan heele kudden tegelijk!”

„Noemt gij hem dan een ongemeenen dief?”

„Neen – hij die een koe steelt van een arme weduwe, of een geit van een geringen boer, is een dief; maar hij, die een kudde wegdrijft van een Sakser Laird, is een heer. En daarenboven, een boom uit het bosch te nemen, of een zalm uit de rivier, een hert van den heuvel, of een koe uit een Laaglandsche weide, is iets, waarover geen Hooglander zich ooit behoeft te schamen.”

„Maar waar zou het op uitloopen, als hij bij het nemen van zoo iets eens gevat werd?”

„Zeker zou hij „voor de wet sterven,” zoo als menige knappe kerel vóor hem.”

„Voor de wet sterven?”

„Ja, dat wil zeggen, voor de wet, of door de wet; opgeknoopt worden aan de vroolijke galg van Crieff, [69] waar zijn vader aan stierf, en zijn grootvader aan stierf, en waar hij, zoo ik hoop, tijd van leven zal hebben om zelf ook aan te sterven, zoo hij niet doodgeschoten of neêrgesabeld wordt op een strooptocht.”

„Hoopt gij op zulk een dood voor uw vriend Evan?”

„Ja, zeker; zoudt gij dan willen dat ik wenschte, dat hij op een bundel nat stroo in gindsch hol, als een zieke rekel stierf?”

„Maar, wat wordt er dan van Alice?”

„Waarachtig! als zoo iets kwam te gebeuren, dat haar vader haar niet langer zou kunnen bijstaan, dan weet ik niet, wat mij beletten zou, haar zelf te huwen.”

„Een edel besluit,” zeide Eduard; – „maar intusschen, Evan, wat heeft uw schoonvader, wel te verstaan uw aanstaande, zoo hij het geluk heeft om gehangen te worden, met het vee van den Baron uitgevoerd?”

„O!” antwoordde Evan, „ze sjokten reeds allen voort, uw knecht en Allan Kennedy vooruit, eer de zon heden morgen over Ben-Lawers was opgegaan, en ze zullen nu wel in den pas van Bally-Brough zijn, op den terugtocht naar de weiden van Tully-Veolan, op twee na, die ongelukkig geslacht waren, eer ik gisteren avond te Uaimh an Ri kwam.”

„En waar gaan wij heen, Evan? als ik zoo vrij mag zijn het te vragen,” zeide Waverley.

„Waar zoudt gij anders heen gaan, dan naar het kasteel van den heer van Glennaquoich? Gij kunt er niet aan denken in zijn land te zijn, zonder hem te gaan bezoeken? Dat zou zooveel zijn als uw leven op het spel zetten.”

„En zijn wij ver van Glennaquoich?”

„Een uur of wat van hier zal Vich Ian Vohr ons te gemoet komen.”

Na verloop van ongeveer een half uur bereikten zij het uiterste einde van het meer, waar de twee Hooglanders, na Waverley aan land gezet te hebben, de boot in een kleine kreek brachten, onder dikke biezen en riet, waar ze geheel en al verborgen lag. De riemen brachten ze in een anderen schuilhoek, waarschijnlijk beide ten gebruike van Donald Bean Lean, indien zijn zaken hem binnen kort op die plaats mochten brengen.

De reizigers trokken eenigen tijd door een aangename vallei tusschen de heuvels, langs welke een kleine beek haar weg naar het meer vond, Toen ze hunne wandeling een poosje hadden voortgezet, vernieuwde Waverley zijn vragen met betrekking tot hun gastheer van de grot.

„Houdt hij daar altijd zijn verblijf?”