Chapter 9 of 50 · 3643 words · ~18 min read

Part 9

Na dezen kurketrekker te zijn opgegaan, totdat hunne hoofden bijna draaiden, kwamen ze in een klein, met matten belegd portaal, dat als een voorvertrek diende voor Rose’s sanctum sanctorum, en waardoor zij haar zitkamer binnen traden. Het was een klein, maar aangenaam vertrek, op het zuiden, en met tapijtwerk behangen, en daarenboven versierd met twee portretten, éen van haar moeder, in de kleeding eener herderin met een hoepelrok; het ander van den Baron op zijn tiende jaar, in een blauwen rok, geborduurd vest, gegaloneerden hoed en staartpruik, en met een boog in de hand. Eduard kon niet nalaten te glimlachen om het kostuum, en om de vreemde gelijkenis tusschen het ronde, gladde, roodwangige, kleine gezicht op het portret, en de magere, gebaarde, holoogige, gebronsde gelaatstrekken, die het reizen, de vermoeienissen van den oorlog en de gevorderde jaren aan den Baron hadden medegedeeld. Deze lachte met hem mede. „In den grond,” zeide hij, „was dit een vrouwengril van mijne goede moeder (eene dochter van den heer van Tulliellum, kapitein Waverley; ik wees u het huis, toen wij op den top van den heuvel waren; het werd verbrand door de Hollandsche hulptroepen, die het Gouvernement in 1715 ingeroepen had.) Ik werd sedert slechts éenmaal geportretteerd, en wel op bijzonder en herhaald verzoek van den maarschalk, hertog van Berwick.”

De brave, oude edelman maakte geene melding van hetgeen de heer Rubrick naderhand aan Waverley vertelde, dat de Hertog hem deze eer had aangedaan, omdat hij de eerste was geweest, die de bres van eene sterkte in Savoije, gedurende den merkwaardigen veldtogt van 1709, beklommen had, bij welke gelegenheid hij met zijne korte piek zich gedurende bijna tien minuten had verdedigd, eer er voor hem eenige hulp kwam opdagen. Om den Baron recht te doen, ofschoon wel geneigd om de oudheid en waardigheid zijner familie te overdrijven, was hij te zeer man van eer om ooit stil te staan bij zijn persoonlijke daden of de verdiensten, die hij zelf bezat.

Op dit oogenblik kwam freule Rose uit het binnenvertrek, om haar vader en zijn vrienden welkom te heeten. De werkzaamheden, waarmede zij zich onledig had gehouden, verrieden blijkbaar een natuurlijken smaak, die slechts beschaving vorderde. Haar vader had haar Fransch en Italiaansch geleerd; en eenige weinige schrijvers in deze talen versierden haar boekenkasten. Hij had insgelijks beproefd haar onderwijzer in de muziek te zijn; maar, daar hij met de meest afgetrokken theorie der wetenschap begon, en die misschien zelf niet meester was, was zij tot niets meer in staat dan om haar stem met de piano te begeleiden, en dit zelfs was in die dagen in Schotland niet zeer algemeen. Om dit gebrek te vergoeden, zong ze met veel smaak en gevoel, maar daarenboven met een eerbied voor den zin van hetgeen ze voordroeg, die wel ten voorbeeld mocht gesteld worden aan dames, die vrij wat meer muziekale bekwaamheid bezitten. Haar natuurlijk gezond verstand had haar geleerd, dat wanneer de muziek, zoo als een groote autoriteit zich uitdrukt, „gehuwd is aan ’t onsterfelijk vers” [48], zij zeer dikwijls eene schandelijke echtscheiding ondergaan door de schuld van hen, die ze uitvoert. Het was misschien een gevolg van haren smaak, dat zij de schoonheden der poëzij gevoelde, en het vermogen bezat, om de uitdrukking daarvan met die der muzijk te vereenigen, waardoor haar zang meer genoegen verschafte aan alle ongeoefenden in de toonkunst, en zelfs aan een aantal kenners, dan menige veel schoonere stem en schitterender uitvoering, doch die niet met dezelfde kieschheid van gevoel gepaard gaat, had kunnen te weeg brengen.

Een vooruitspringende galerij vóor de ramen van haar spreekvertrek diende om eene andere van Rose’s liefhebberijen te doen uitkomen; want ze was bezet met bloemen van onderscheiden soort, door haar zelve gekweekt. Een uitgebouwd torentje gaf toegang tot dit Gothische balkon, dat een verrukkelijk uitzicht opleverde. De eigenlijke tuin, met zijn hooge grensmuren, lag beneden, naar het scheen, tot éen enkel bloemperk ingekrompen; terwijl het gezicht daar buiten zich uitstrekte over een boschachtig dal, waar de rivier nu eens zichtbaar was, en dan zich weder tusschen het kreupelhout verschool. Met genoegen rustte het oog op de rotsen, die zich hier en daar in breede of stoute vormen boven het dichte woud verhieven, of verwijlde gaarne bij den trotschen, ofschoon vervallen toren, die hier in al zijn pracht zichtbaar was, terwijl hij van een vooruitspringende rots op de rivier nederblikte. Aan de linker hand zag men eenige boerenwoningen, die een deel van het dorp uitmaakten; de top van een heuvel verborg de overigen. Het dal werd begrensd door een water, Loch-Veolan genoemd, waarin zich de stroom ontlastte, en die thans in de stralen der ondergaande zon glinsterde. Het verder gelegen land scheen open en afwisselend, schoon niet boschachtig, en er was niets dat het gezicht belemmerde, tot het beperkt werd door een reeks van verre, blauwe heuvels, die de zuidelijke grens van de vallei uitmaakten. Op deze aangename plek had Freule Bradwardine de koffij laten brengen.

Het zien van den ouden toren, of sterkte, bracht eenige familie-anecdoten en vertellingen uit de Schotsche riddertijden op het tapijt, die de Baron met veel vuur verhaalde. De vooruitstekende punt van een overhangende rots had den naam van St. Swithin’s Stoel verkregen. Deze was het voorwerp van een bijzonder bijgeloof, waarvan de heer Rubrick eenige wetenswaardige bijzonderheden mededeelde, die Waverley een fragment van een ballade voor den geest riepen, door Edgar in Koning Lear aangehaald; terwijl Rose verzocht werd een kleine romance te zingen, waarin het door een of ander dorpspoëet was ingekleed;

Die, onbekend als zij, waaruit hij was gesproten, De onsterflijkheid aan andre namen schonk, Schoon van geen lip de zijne klonk.

Haar aangename stem, en de eenvoudige schoonheid harer muziek zetten aan dien zang al het verrukkelijke bij dat de minnezanger had kunnen verlangen, en zijn poëzij zoo zeer behoefde. Ik zou het bijna in twijfel trekken, of zij met geduld kan gelezen worden, nu hij van dit voordeel beroofd is; al gis ik, dat het volgende afschrift door Waverley eenigszins verbeterd is, om zich naar den smaak van diegenen te schikken; die weinig hart hebben voor een zuiver antiquarisch overblijfsel.

SINT SWITHIN’S STOEL.

O, wijd toch uw spond op den avond voor ’t feest Waarop ge alle Heilgen gedenkt in den geest. Sla ’t kruis, bid uw krans, eer ge u strekt op uw koets, Zeg ’t Ave en ’t Credo uit ’t diepst des gemoeds.

Want dan rijdt de nachtkol de lucht in het rond, Omstuwd door de heksen, met haar in verbond, ’t Zij ’t koeltjen er lispelt, of, buldrend, de orkaan De wolken er jaagt langs de drijvende maan.

De jonkvrouw zat neêr in Sint Swithin’s gestoelt. Haar had er de nachtdauw het voorhoofd verkoeld; Een doodelijk bleek overdekte haar koon, Maar stout was haar hart en haar blik en haar toon.

Zij spreekt er kloekmoedig de tooverspreuk uit, Waarmede Sint Swithin de kol had gestuit, Haar fier had bevolen: daal haastiglijk neêr, Leg af uw gelofte, Gods grootheid ter eer.

Al wie in Sint Swithin’s gestoelte zich vlijt, Als ’s nachts door het luchtruim de tooverkol rijdt, En moedig de spreuk zegt – hem is het vergond Drie vragen te doen, en zij antwoordt terstond.

De baanderheer trok met vorst Robbert te veld. Drie jaren sinds ’t afscheid zijn henen gesneld; Niets wist ze van ’t lot van den vriend van haar hart; Toch smachtte naar tijding de jonkvrouw met smart!

Zij siddert, en stamelt bij ’t uiten van ’t woord. Zeg, is het de nachtuil, welks knappen zij hoort? Of is dat geluid tusschen lach en gegil De stem van den Demon, die spookt langs de kil?

De stroom staakt zijn klotsen, de wind legt zich neêr: De stilte was banger dan ’t stormen weleer: Uit aschgrauwen nevel, die golvende waart, Rijst, aaklig, een spooksel, dat opdaagt met vaart. .......................................... ..........................................

„Het doet mij leed, dat ik het gezelschap teleurstel, inzonderheid kapitein Waverley, die met zooveel prijzenswaardigen ernst toeluistert; het is maar een fragment, ofschoon ik geloof dat er nog meer regels zijn, die de terugkomst van den ridder uit den langdurigen krijg beschrijven, en hoe hij de dame, koud als ijs, op den drempel vindt liggen.”

„Het is een dier verdichtselen„’’ merkte de heer Bradwardine aan, „waardoor de vroegere geschiedenis van aanzienlijke oude familiën in de tijden van het bijgeloof, ontsierd werd. Rome heeft even als verscheidene andere volken der oudheid hare wonderverschijnselen gehad, mijnheer, gelijk gij lezen kunt in de oude geschiedboeken, of in het werkje door Julius Obsequens bijeen gebracht, en door den geleerden Scheffer, den uitgever, opgedragen aan zijn beschermheer Benedictus Skytte, baron van Dudershoff.”

„Mijn vader stelt in het wonderbare al bitter weinig vertrouwen, kapitein Waverley,” zei Rose, „en stond eenmaal pal, toen een geheele synode van Presbyteriaansche geestelijken door eene onverwachte verschijning van den Booze op de vlucht werd gedreven.”

Waverley keek op alsof hij verlangde er meer van te hooren.

„Moet ik zoo wel mijn verhaal vertellen, als mijn lied zingen? – Wel aan. – Eens leefde er een oude vrouw, met name Janet Gellatley, die algemeen voor een tooverheks werd gehouden, op de onfeilbare gronden, dat ze zeer oud, zeer leelijk, en zeer arm was, en daarbij twee zoons had, van wie de een een dichter en de ander onnoozel was, welke bezoeking, volgens het eenparig gevoelen van de geheele nabuurschap, over haar gekomen was, wegens het plegen van tooverij. Een week lang werd ze opgesloten in den dorps-kerktoren en karig van voedsel voorzien, terwijl men haar niet veroorloofde te slapen, tot ze zelve, even als hare beschuldigers, overtuigd werd dat ze eene tooverkol was; en in deze heldere en gelukkige geestgesteldheid werd ze voor den dag gehaald om haar geweten te ontlasten, dat is, om eene openbare belijdenis te doen van hare tooverijen, ten aanhoore van al de Whigsche heeren en geestelijken in den omtrek, die zelven geene heksenmeesters waren. Mijn vader kwam om te zorgen dat het eerlijk toeging tusschen de tooverheks en de geestelijkheid; want de heks was op zijn grondgebied geboren. En terwijl zij bekende, dat de Booze haar verschenen was in de gedaante van een knappen zwarten man, en om haar gevrijd had, – hetgeen, zoo gij de arme, leepoogige Janet gezien had, niet zeer voor Apollion’s smaak pleitte, – en terwijl de toehoorders met verbaasde ooren luisterden, en de klerk met eene bevende hand aanteekeningen hield, veranderde op eens de doffe, mompelende toon, waarop ze sprak, in een gillenden kreet, en riep ze uit: „Zorgt voor u eigen! Zorgt voor u eigen! Ik zie den Booze midden onder u zitten!” De verbazing was algemeen, terwijl de geheele vergadering, door schrik overmeesterd, heil zocht in de vlucht. Gelukkig waren zij die zich het dichtst bij de deur bevonden! Talloos waren de rampen, die hoeden, beffen, mantels en pruiken overkwamen, alvorens zij uit de kerk konden geraken, waar zij den onverzettelijken Prelatist alléen achterlieten, om de zaken van de tooverheks en haar bewonderaar, op zijn eigen gevaar af en naar zijn eigen genoegen, in orde te brengen.”

„Risu solvuntur tabulæ,” zei de baron; „toen zij van hun belachelijken schrik bekomen waren, schaamden zij zich te zeer om het rechtsgeding tegen Janet Gellatley te hervatten.” [49]

Deze anecdote leidde tot een lang gesprek over

Die dwaze ideeën, droomen, fantazijen, En tooverspreuken, en histories nooit gehoord, Vertooningen, gezichten, profecijen, Vizioenen, sprookjes, leugens, in éen woord.

In zoodanig gesprek, en met de daarbij behoorende romantische legenden, werd de tweede avond, dien onze held op het kasteel Tully-Veolan doorbracht, besloten.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

EENE ONTDEKKING. WAVERLEY GERAAKT OP TULLY-VEOLAN TE HUIS.

Den volgenden ochtend stond Waverley vroegtijdig op, en deed zijn morgenwandeling rondom het huis en in den omtrek. Terwijl hij een pleintje tegenover het hondenhok overliep, ontwaarde hij zijn vriend Davie, die bezig was met zijne viervoetige lievelingen te verzorgen. Met een oogopslag herkende deze Waverley, waarop hij hem, onder het zingen van een fragment eener oude ballade, terstond den rug toekeerde, alsof hij hem niet had opgemerkt:

De jonkheid bemint met meer kracht en meer vuur: Verneemt gij des vogeltjes vroolijk muziek? Maar liefde van de ouden is hechter van duur, En ’t lijstertje bergt er het kopje in zijn wiek.

De gramschap der jeugd is als kaf, dat snel brandt: Verneemt gij des vogeltjes vroolijk muziek? Maar gloeiend metaal, als ze de oude overmant; En ’t lijstertje bergt er het kopje in zijn wiek.

De jongling krakeelt na den afloop van ’t maal: Verneemt gij des vogeltjes vroolijk muziek? Maar de oude slaat ’s morgens de hand aan het staal, En ’t lijstertje bergt er het kopje in zijn wiek.

Waverley kon niet nalaten op te merken, dat Davie een zekeren nadruk in deze regels legde, die er iets min of meer satirieks aan gaf. Hij trad dus naderbij, en poogde, door een aantal vragen uit te lokken, wat hij daarmede bedoelde; maar Davie was de man niet om zich te laten uithooren en bezat genoeg verstand, om zijn ondeugende streken onder den mantel zijner onnoozelheid te verbergen. Eduard kon niets uit hem krijgen, behalve dat de heer van Balmawhapple den vorigen dag naar huis gegaan was „met zijne laarzen vol bloed.” Dan, in den tuin ontmoette bij den ouden keldermeester, die niet meer poogde te verbergen, dat dewijl hij bij Sumack en Comp. te Newcastle in de kweekerij was opgeleid, hij somtijds een poos in den bloemtuin werkte, om den Heer en Freule Rose te verplichten. Na eene reeks van vragen ontdekte Eduard ten laatste, met een pijnlijk gevoel van verrassing en schaamte, dat Balmawhapple’s onderwerping en verontschuldiging het gevolg waren geweest van eene ontmoeting met den Baron, eer zijn gast zijn bed verlaten had; bij welke ontmoeting de jongste strijder ontwapend en in den rechterarm gewond was geworden.

Geheel ter neêr geslagen door deze ontdekking, zocht hij zijn vriendelijken gastheer op, en beklaagde zich eerbiedig maar met nadruk bij hem over het hem aangedane onrecht, daar de baron hem verhinderd had, de zaak met den heer Falconer af te doen, hetgeen uit aanmerking van zijn jeugd en van den pas aangetrokken krijgsmansrok, slechts strekken kon om hem in een zeer ongunstig daglicht te plaatsen. De Baron rechtvaardigde zich uitvoeriger, dan hier behoeft te worden medegedeeld. Hij hield staande, dat, daar de twist beiden gold, Balmawhapple, overeenkomstig de wetten der eer, er niet buiten kon om beide genoegdoening te geven. Hij had dit gedaan tegenover hem, door een eervolle ontmoeting, en bij Eduard door zulk een herroeping, voegde de Baron er bij, die het gebruik van den degen onnoodig maakte, en die, nadat ze gedaan en aangenomen was, de geheele zaak als geëindigd moest doen beschouwen. Deze verontschuldiging of verklaring sloot Waverley den mond, al bevredigde ze hem niet volkomen; maar hij kon niet nalaten eenig ongenoegen te toonen tegen den Gezegenden Beer, die aanleiding tot den twist had gegeven, noch te verzwijgen, dat deze naar zijn meening den hem geschonken titel alles behalve verdiende. De Baron stemde toe, niet te kunnen ontkennen, dat „de beer, schoon door wapenkundigen voor een zeer vereerend teeken gehouden, nogtans wat korzelig en grommig van aard was, (zoo als men bij Archibald Simson, pastoor van Dalkeith, in zijn Hierogliphica Animalium lezen kan) en hij was dus het zinnebeeld geweest van een aantal twisten en oneenigheden in den huize Bradwardine, onder welke,” ging hij voort, „ik mijn eigen ongelukkig geschil kan aanhalen met mijn neef, in den derden graad van moeders zijde, sir Hew Halbert. Deze had de onvoorzichtigheid om mijn familie-naam te bespotten, alsof die quasi Beer-waardijn of Beren-hoeder geweest ware; een onheusche aardigheid, daar zij niet slechts doet vermoeden, dat de stichter van ons huis zulk een geringe betrekking als die van oppasser van wilde dieren bekleedde, een ambt, zooals gij opgemerkt zult hebben dat slechts aan de laagste plebejers wordt toevertrouwd; maar ze gaf bovendien nog te kennen, dat ons wapenschild niet verkregen zou zijn door eervolle daden in den oorlog, maar bij wijze van paranomasia, of toespeling op onzen familie-naam, iets dat de Franschen armoires parlantes, de Latijnen arma cantantia, dat is „sprekende wapens” noemen; [50] daar dit inderdaad eene soort van blazoenering is, die beter voegt aan letterknechten, woordkramers en dergelijk bedelvolk, wier brabbeltaal op woordspelingen gegrond is, dan aan de edele, eervolle en nuttige heraldiek, die wapens toekent als vergelding van edele en grootmoedige daden, en niet om het oor te streelen met de ijdele quodlibets, die men in boeken met snakerijen vindt.” [51] Van zijn twist met sir Hew sprak de baron geen woord meer, dan dat die op eene voegzame wijze beslist was.

Na zoo uitvoerig te zijn geweest met betrekking tot de uitspanningen op Tully-Veolan, gedurende de eerste dagen van Eduard’s bezoek, om den lezer des te beter met de bewoners bekend te maken, gelooven wij ons te kunnen onthouden om alles wat er later voorviel, even nauwkeurig te boek te stellen. Men kan gissen dat een jonkman, die vroolijker gezelschap gewoon was, weldra eindigen zou met zich te vervelen in den omgang: met zulk een geweldigen voorstander der „heraldiek”, als de Baron; maar Eduard vond een aangename afwisseling in het verkeer met Freule Bradwardine, die met gretigheid naar zijne aanmerkingen over letterkunde luisterde, en wier antwoorden zoowel een juist oordeel als een gekuischten smaak verrieden. Hare zachtheid had haar gewillig, en zelf met genoegen, de door haar vader voorgeschreven lectuur doen volgen, ofschoon hij haar veroordeeld had, niet slechts tot het lezen van verscheidene folianten, die over de historie handelden, maar ook van zekere reusachtige boekdeelen, vol godgeleerde stellingen en twisten. Wat de wapenkunde betreft, had hij zich gelukkig tevreden gesteld met haar zulk een oppervlakkig denkbeeld er van mede te deelen, als ze zich verschaffen kon uit de lezing van Nishet’s twee deelen in folio. Rose was inderdaad de oogappel haars vaders; hare aanhoudende levendigheid, hare oplettendheid om hem al die kleine diensten te bewijzen, welke juist hun het meeste genoegen verschaffen, die er nooit aan denken om ze te vorderen; hare schoonheid, die den Baron de trekken zijner geliefde vrouw voor den geest riep, hare ongeveinsde vroomheid en hare edele grootmoedigheid, zouden voldoende zijn geweest om de genegenheid van iederen vader te wettigen.

Zijne bezorgdheid voor haar scheen zich nogtans niet te richten naar dien kant, waar ze, volgens het algemeene gevoelen, met het meeste nut wordt aan den dag gelegd; namelijk door te pogen haar, door middel van een rijke huwelijksgift of eene aanzienlijke partij, een positie in de wereld te bezorgen. Volgens een aloude familiebeschikking moesten meest al de landgoederen van den Baron na zijn dood op een verren bloedverwant overgaan; en men was algemeen van gedachte, dat freule Bradwardine slechts met een klein fortuintje zou blijven zitten, daar haars braven vaders geldzaken te lang aan het uitsluitend beheer van den heer Mackwheeble waren toevertrouwd geweest, om de menschen in den waan te laten, dat hij veel voor zijn dochter zou overgelegd hebben. Het is waar, gezegde rentmeester had zijn patroon en diens dochter naast zich zelven lief, (schoon op een onvergelijkelijken afstand). Hij was van gedachte, dat het niet onmogelijk was de landgoederen van de mannelijke linie op de vrouwelijke te doen overbrengen, ja, had inderdaad hieromtrent een advies verkregen, (en wel gelijk hij zich beroemde, gratis) van een uitstekend Schotsch rechtsgeleerde, dien hij behendig op dit punt gebracht had, terwijl hij hem over een geheel andere zaak raadpleegde. Maar de Baron wilde zelfs geen oogenblik naar zulk een voorstel luisteren. Integendeel placht hij er een boosaardig genoegen in te vinden, om te roemen, dat de baronij van Bradwardine een mannelijk leen was, daar het eerste charter in dien lang vervlogen tijd gegeven was, toen men de vrouwen nog niet bevoegd achtte om een leen te houden, omdat, volgens Les coustumes de Normandie, c’est l’homme ki se bast et ki conseille; of, gelijk het nog onbeleefder luidt bij andere autoriteiten, in het aanhalen van wier dikwijls ellenlange, barbaarsche namen hij vermaak schiep, omdat een vrouw den opper- of leenheer niet kan dienen in den oorlog, uit hoofde van het decorum harer kunne, noch hen met raad bijstaan, uit hoofde van haar bekrompen verstand, noch zijne geheimen bewaren tengevolge van de zwakheid harer natuur. Hij placht ook soms zegevierend te vragen, of het passend zou zijn een vrouw, en wel een vrouw van het huis Bradwardine, bezig te zien in servitio exuendi, seu detrahendi, caligas regis post battaliam? dat wil zeggen, met het uittrekken van des konings laarzen na een gevecht, hetgeen de leendienst was, waarvoor hij de baronij van Bradwardine bezat. Neen! neen!” vervolgde hij, „zonder twijfel, procul dubio, zijn een aantal vrouwen, even waardig als Rose, uitgesloten geweest, om voor mijn eigene opvolging plaats te maken; en de Hemel beware mij, dat ik iets doen zou om de bedoeling mijner voorvaderen tegen te werken, of inbreuk te maken op het recht van mijn bloedverwant, Malcolm Bradwardine van Inchgrabbit, een vereerenswaardige, ofschoon vervallen tak van mijn geslacht.”

Nadat de Rentmeester, als eerste Minister, deze beslissing van zijn Souverein ontvangen had, durfde hij niet verder op zijn eigene meening aandringen, maar hield zich tevreden met, bij alle gepaste gelegenheden, als hij zich in gezelschap bevond met Saunderson, den minister van binnenlandsche zaken, te klagen over de eigenzinnigheid van den Baron, terwijl hij dan steeds plannen ontwikkelde, om Rose te doen huwen met den jongen heer van Balmawhapple, die een aardig, slechts weinig bezwaard landgoed bezat, en een onbesproken jongman was, daar hij zich zoo zedig hield als een heilige – wanneer men den brandewijn slechts van hem en hem op een afstand van den brandewijn hield – en wien in een woord niets onvolkomens aankleefde, dan dat hij van tijd tot tijd met wat ligt gezelschap, zooals Jinker den paardekooper en Gibby Gaethrowit den speelman van Cupar omging, „van welke dwaasheden hij genezen zal, mijnheer Saunderson, ja, genezen,” – zeide de baljuw....

„Als zuur bier in den zomer,” voegde David Gellatley er bij, die toevallig dichter bij het conclave was, dan zij wisten.