Chapter 44 of 50 · 3957 words · ~20 min read

Part 44

„Ik herhaal het,” zei de Kolonel, „dat jeugdige Opperhoofd heeft, ofschoon de Hemel weet dat ik hem als mensch van ganscher harte beklaag, het wanhopige spel, dat hij speelde, ten volle overwogen en gekend. Hij dobbelde om leven of dood, om een graafschap of een graf; en men kan hem, zonder het land onrecht te doen, niet toelaten zijn inzet terug te nemen, omdat het lot zich tegen hem heeft verklaard.”

Dusdanig was de redeneering dier tijden, zelfs van deugdzame en gevoelige menschen, tegenover een overwonnen vijand. Laat ons vroom hopen, dat wij, in dit opzicht ten minste, nooit de tooneelen zullen aanschouwen, noch de gevoelens koesteren, die zestig jaar geleden algemeen waren in het Britsche rijk.

VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Morgen? O, dat is spoedig! – Spaart hem! spaart hem! Shakespeare.

Eduard, gevolgd door zijn vorigen bediende, Alick Polwarth, die te Edinburgh weêr bij hem in dienst getreden was, bereikte Carlisle, terwijl het gerechtshof nog zitting hield om over zijn ongelukkige makkers uitspraak te doen. Hij had zich gehaast, helaas! niet met eenige de minste hoop, om Fergus te redden, maar om hem voor het laatst te zien. Ik had moeten melden, dat, zoodra hij vernam dat de dag der terechtstelling bepaald was, hij gelden had overgemaakt om de gevangenen op de meest onbekrompen wijze te doen verdedigen. Een procureur en een der eerste advocaten waren met de verdediging belast; maar het was als wanneer de eerste geneesheeren bij het ziekbed van een stervenden van aanzien worden geroepen – de doctoren, om hun voordeel te doen met een onberekenbaren kans op een poging der natuur – de rechtsgeleerden, om zich te bedienen van een waarschijnlijk rechterlijken misslag. Eduard drong de gerechtszaal binnen, die met een ontelbare menigte was opgevuld; maar daar hij uit het noorden kwam, en wegens zijn groote drift en aandoening, gehouden werd voor een nabestaande van de gevangenen maakte iedereen voor hem plaats. Het was de derde zitting van het hof, en er waren twee mannen voor de balie. De uitspraak: „schuldig!” was reeds geschied. In dit plechtige oogenblik viel Eduards blik op de beide beschuldigden voor de balie. Men kon zich niet bedriegen in de fiere houding en edele trekken van Fergus Mac-Ivor, ofschoon zijn kleeding slordig was, en zijn gelaat de ziekelijke, gele kleur eener langdurige en harde gevangenschap had aangenomen. Aan zijn zijde stond Evan Maccombich. Eduard werd door een gevoel van duizeling overvallen, toen hij het oog op hen sloeg: maar bij kwam weêr tot zichzelf, toen de griffier de plechtige woorden uitsprak: „Fergus Mac-Ivor van Glennaquoich, anders genoemd Vich Ian Vohr, en Evan Mac-Ivor, in de Dhu van Tarrascleugh, anders genaamd Evan Dhu, anders genaamd Evan Maccombich of Evan Dhu Maccombich – gij, en ieder van u, staat terecht als schuldig aan hoogverraad. Wat hebt gij voor uzelven in te brengen, waarom het hof geen vonnis tegen u zou vellen, om te sterven volgens de wet?”

Zoodra de voorzittende rechter de noodlottige zwarte kap, bij het uitspreken van een doodvonnis in gebruik, opzette, plaatste Fergus zijn eigen muts op het hoofd, zag hem met een vasten en ernstigen blik aan, en antwoordde met onbewogen stem: „Ik mag dit talrijk gehoor niet laten veronderstellen, dat ik op zulk een oproeping niets heb te antwoorden. Maar hetgeen ik te zeggen heb, zoudt gij niet dulden dat gehoord werd; want mijn verdediging zou uw veroordeeling zijn. Ga dan, in Gods naam, voort met te doen, wat u vrijstaat. Gisteren, en den dag te voren, hebt gij vonnissen uitgesproken die het eerlijkste en beste bloed als water hebben doen vloeien. – Spaar het mijne niet. Indien dat van al mijn voorouders in mijn aderen vloeide, zou ik het in dezen strijd hebben gewaagd.” Daarop hernam hij zijn plaats, en weigerde weder op te staan.

Evan Maccombich zag hem met grooten ernst aan, en scheen, opstaande, verlangend om op zijn beurt te spreken; maar het gewoel in het hof, en de moeielijkheid om te denken in een andere taal, dan die waarin hij gewoon was zich uit te drukken, deden hem zwijgen. Er liep een gemompel van medelijden onder de aanschouwers rond, in de overtuiging, dat de arme kerel voornemens was zich op het gezag van zijn Opperste te beroepen, en dat als een verschooning voor zich aan te voeren. De rechter gebood stilte, en moedigde Evan aan, om voort te gaan.

„Ik wilde alleen zeggen, Mylord,” zeide Evan, op een toon, dien hij voor innemend bedoelde, „dat, zoo Mylord, en het edele hof, Vich Ian Vohr dezen enkelen keer wilden vrijlaten, en hem naar Frankrijk laten gaan, om Koning Georges bewind niet meer te verontrusten, dat ik verklaar dat een zestal van de besten van zijn clan gereed zullen zijn, om in zijn plaats ter dood gebracht te worden; en zoo gij mij naar Glennaquoich wilt laten gaan, zal ik ze u zelf halen, om onthoofd of opgehangen te worden, en gij kunt met mij beginnen.”

In weerwil van het plechtige der gelegenheid, werd er een soort van gelach in de zaal gehoord, over dezen vreemden voorslag. De rechter stuitte deze onwelvoegelijkheid, en nadat Evan, met een strengen blik in het rond had gezien, zeide hij, zoodra het gedruisch had opgehouden: „Zoo de Saxische heeren lachen, omdat een arme kerel als ik, mij verbeeld, dat mijn leven, of het leven van zes van mijn rang, dat van Vich Ian Vohr opweegt, dan hebben zij naar allen schijn recht; maar zoo zij lachen, omdat zij denken, dat ik mijn woord niet zou houden, noch terugkomen om hem te lossen, dan kan ik hun verzekeren, dat zij noch het hart van een Hooglander, noch de eer van een fatsoenlijk man kennen.”

Er bestond geen lust meer tot lachen onder het gehoor, en er volgde een doodelijke stilte.

Nu sprak de rechter over beide gevangenen het vonnis uit, door de wet op hoogverraad gesteld, met al de daarmede gepaard gaande schrikwekkende bijzonderheden. De voltrekking van het vonnis werd bepaald op den volgenden dag. „Voor Fergus Mac-Ivor,” voer de rechter voort, „kan ik geen hoop op gratie koesteren. Gij moet u tegen morgen bereiden voor uw laatste lijden, en uw groot verhoor hier namaals.”

„Ik verlang niets anders, Mylord,” antwoordde Fergus, op denzelfden manhaftigen en vasten toon.

Het hardvochtig gezicht van Evan, dat onophoudelijk op zijn Opperhoofd was gevestigd geweest, werd door een traan bevochtigd. „Voor u, arme, onwetende,” ging de rechter voort, „die, de denkbeelden volgende, waarin gij zijt opgevoed, ons heden een treffend voorbeeld hebt gegeven, hoe de getrouwheid, den Koning en den Staat alleen verschuldigd, door uw ongelukkige begrippen van clanschap, is overgebracht op een bijzonder persoon, wiens eerzucht eindigt met u tot het werktuig zijner misdaden te maken – voor u, zeg ik, gevoel ik zoo veel medelijden, dat, zoo gij het van u kunt verkrijgen, om gratie te vragen, ik mijn best zal doen, om u die te bezorgen – anders –”

„Gratie! voor mij geen gratie!” riep Evan uit; „daar gij het bloed van Vich Ian Vohr gaat vergieten, is de eenige gunst, die ik van u zou wenschen te ontvangen, iemand te bevelen mij de handen los te maken, mij mijn sabel terug te geven, en dan maar een minuut te blijven zitten, waar gij zijt.”

„Brengt de gevangenen weg,” zei de rechter, „zijn bloed kome over zijn eigen hoofd!”

Bijna verpletterd onder het gewicht zijner smartelijke gewaarwordingen, bemerkte Eduard, dat de stroom der menigte hem reeds naar buiten op straat had medegesleept, eer hij wist waar hij zich bevond. Zijn eerste wensch was, Fergus nog eens te zien en te spreken. Hij deed aanzoek aan het kasteel, waar zijn ongelukkige vriend gevangen zat, maar zag zich den toegang geweigerd. „De groot-sheriff had den gouverneur verzocht,” zeide een onderofficier, „om niemand bij den gevangene toe te laten, uitgezonderd zijn biechtvader en zijn zuster.”

„En waar was Freule Mac-Ivor?” Men gaf hem haar adres. Zij was ten huize van een achtenswaardige katholieke familie nabij Carlisle.

Van de deur van het kasteel teruggewezen, en niet wagende om aanzoek bij den groot-sheriff of de rechters te doen, in zijn eigen slecht aangeteekenden naam, nam hij toevlucht tot den rechtsgeleerde, die voor Fergus was opgetreden. Deze heer zeide hem, dat men beducht was voor den openbaren geest, en dat deze zou misleid worden indien men de laatste oogenblikken dezer Jacobieten, door de vrienden van den Pretendent liet beschrijven; dat daarom een besluit genomen was, om aan alle menschen, die zich niet op bloedverwantschap konden beroepen, het bezoeken der gevangenen te weigeren. Evenwel beloofde hij (om den erfgenaam van Waverley-Honour te verplichten) voor hem een verlof van toegang tot den gevangene te verkrijgen, op den volgenden morgen, eer hem zijn ketenen zouden afgenomen worden, voor de, voltrekking van het vonnis.

„Spreekt men dus van Fergus Mac-Ivor,” dacht Waverley, „of droom ik? Van Fergus, den stouten, den ridderlijken, met die vrije ziel? het verheven hoofd van een stam, die hem aanbad? Is dit de man, dien ik de jacht heb zien aanvoeren en den aanval besturen, – de dappere, de werkzame, de jeugdige, de edele, de lieveling der vrouwen en het onderwerp der gezangen – is hij het, die geketend is als een boosdoener? Die op een horde naar de gemeene galg zal worden gesleept, om een langzamen en wreeden dood te sterven, en verminkt te worden door den ellendigste onder de stervelingen? Van kwade voorbeduiding zeker, was het spook, dat zulk een noodlot aan het dappere opperhoofd van Glennaquoich boodschapte!”

Met een bevende stem verzocht hij den rechtsgeleerde, om een middel te verzinnen, waardoor Fergus van zijn voorgenomen bezoek zou worden verwittigd, indien hij het verlof daartoe verkrijgen mocht. Na dit verzocht te hebben verliet hij hem, en teruggekomen in de herberg, schreef hij een nauwelijks leesbaar briefje aan Flora Mac-Ivor, waarin hij haar zijn voornemen te kennen gaf, om haar dien avond te bezoeken. De bode bracht een brief terug, waarin Eduard Floras schoon, en duidelijk schrift herkende, door een hand geschreven, die zelfs nauwelijks scheen gebeefd te hebben, onder dit gewicht van ellende, „Freule Flora Mac-Ivor,” zoo luidde de inhoud van den brief, „kon niet weigeren den liefsten vriend van haar lieven broeder te zien, ook in haar tegenwoordige omstandigheden van nooit geëvenaarde ellende.”

Toen Eduard Flora Mac-Ivors tijdelijke verblijfplaats bereikte, werd hij terstond toegelaten. In een ruim en donker behangen vertrek zat Flora bij een tralievenster, terwijl zij zich met het naaien van iets onledig hield, dat naar een kleed van wit flanel geleek. Op een kleinen afstand zat een bejaarde vrouw, oogenschijnlijk een vreemde, en tot een geestelijke orde behoorende. Zij las in een katholiek gebedenboek; maar legde het, toen Waverley binnen kwam, op tafel en verliet de kamer. Flora stond op om hem te ontvangen, en reikte hem de hand; maar geen van beide waagde het een gesprek aan te vangen. Haar schoone kleur was geheel verdwenen, haar voorkomen aanmerkelijk vermagerd, en haar gelaat en handen zoo wit als het zuiverste marmer, hetgeen een sterk contrast met haar donkere kleeding en gitzwart haar opleverde. Maar onder al deze teekenen van rouw, was er niets in haar kleeding dat men ongepast of verwaarloosd had mogen heeten – zelfs het haar, schoon geheel zonder sieraad, was met de gewone zorgvuldigheid opgemaakt. De eerste woorden, die zij uitte, waren: „Hebt gij hem gezien?”

„Helaas, neen!” antwoordde. Waverley, „men heeft mij den toegang geweigerd.”

„Deze gestrengheid is in overeenstemming met al het overige,” zeide zij; „maar wij moeten ons onderwerpen. Zult ge nog toegang tot hem verkrijgen, denkt ge?”

„Tegen – tegen – morgen!” zeide Waverley, maar sprak het laatste woord zoo zacht uit, dat het bijna onverstaanbaar was.

„Ja, morgen of nooit,” zeide Flora, „tot” – voegde zij er bij, naar boven ziende, „de tijd komt, dat wij, naar ik vertrouw, allen elkander zullen wederzien. Maar ik hoop, dat gij hem zien zult, terwijl de aarde hem nog draagt. Hij heeft u altoos in het diepst van zijn hart bemind, ofschoon – maar het is dwaasheid van het verledene te spreken.”

„Inderdaad dwaasheid!” herhaalde Waverley.

„Zelfs van de toekomst, waarde vriend,” zeide Flora, „en voor zoo ver het wereldsche gebeurtenissen betreft; want hoe dikwijls heb ik mij niet de verschrikkelijke mogelijkheid van deze vreeselijke uitkomst voorgesteld, hoe dikwijls mij niet ten taak gesteld te overwegen, hoe ik mijn deel daarvan zou kunnen dragen, en toch, hoe verre zijn mijn voorstellingen gebleven beneden de voorbeeldelooze ellende van dit uur!”

„Waarde Flora, zoo uwe geestkracht” –

„Ja, daar schuilt het,” antwoordde zij eenigszins woest, „er huist, mijnheer Waverley, een onrustige duivel in mijn hart, die fluistert – maar het zou dwaasheid zijn naar hem te hooren – dat de geestkracht waarop Flora zich verhief, haar broeder heeft – vermoord!”

„Barmhartige God! hoe kunt gij zulk een vreeselijke gedachte uiten?”

„Ja, is het niet afgrijselijk? En toch vervolgt ze mij als een spook. Ik weet dat het niets dan ijdele verbeelding is, maar zij wil er zijn, zij wil mij haar verschrikkingen opdringen; zij wil fluisteren dat mijn broeder, even levendig als vurig, de veerkracht van zijn geest over honderd voorwerpen zou verdeeld hebben. Ik was het, die hem leerde ze te vereenigen, en alles op dit ijselijk en wanhopig spel te zetten. O, dat ik mij herinneren kon, maar eens tegen hem gezegd te hebben: „Blijf te huis, spaar uzelven, uw vazallen, uw leven, voor ondernemingen, die binnen het bereik liggen van een mensch.” Maar, o mijnheer Waverley, ik hitste zijn vurig gemoed aan, en voor de helft ten minste heeft hij zijn ondergang aan zijn zuster te wijten!”

Dit vreeselijk denkbeeld zocht Eduard te bestrijden, door allerlei onzamenhangende redenen, die hem maar voor den geest kwamen. Hij herinnerde haar de beginselen, waarnaar beide het hun plicht achtten te handelen, en waarin zij waren opgevoed.

„Denk niet, dat ik ze vergeten heb,” hernam zij, terwijl zij snel opkeek; „ik heb geen berouw over zijn onderneming, omdat zij berispelijk of slecht was: neen! op dat punt ben ik gewapend; maar ik voel berouw omdat het onmogelijk was, dat zij anders kon eindigen, dan op deze wijze.”

„Intusschen,” vervolgde Eduard, „scheen zij niet altijd zoo wanhopig en gewaagd, en Fergus’ stoute geest zou deze zaak omhelsd hebben, of gij het goedgekeurd hadt, of niet. Uw raad heeft alleen gediend om standvastigheid aan zijn gedrag te verleenen, om zijn besluit waardigheid bij te zetten, niet om het te overhaasten.” Flora had spoedig opgehouden naar Eduard te luisteren, en was weder met haar naald bezig.

„Herinnert gij u,” zeide zij, terwijl zij met een ijzingwekkenden glimlach opzag, „dat gij mij eens onledig hebt gevonden met het in gereedheid brengen van Fergus’ bruidsgeschenken, en nu naai ik zijn bruigomskleed. Onze vrienden hier,” dus ging zij met gesmoorde aandoening voort, „zullen gewijde aarde, in hun kapel gunnen aan de bloedige overblijfselen van den laatsten Vich Ian Vohr. Maar ze zullen niet allen bijeen rusten; neen, – zijn hoofd! – ik zal de laatste jammerlijke voldoening niet hebben, om de koude lippen te kussen van mijn lieven, lieven Fergus!”

Hier viel de ongelukkige Flora, na een paar snikken, op haar stoel in zwijm. De dame, die zich in het voorvertrek verwijderd had, trad thans haastig binnen, en verzocht Eduard de kamer; maar niet het huis, te verlaten.

Toen hij, na verloop van bijna een half uur, teruggeroepen werd, bevond hij dat Flora Mac-Ivor, door een krachtige inspanning, eenigszins tot bedaren gekomen was. En nu waagde hij het Rose Bradwardines aanspraken te laten gelden, om als een aangenomen zuster beschouwd te worden, die het recht had om haar bij te staan in haar plannen voor de toekomst.

„Ik heb een brief van mijn lieve Rose gehad,” antwoordde zij, „met hetzelfde oogmerk. De droefheid is baatzuchtig en inhalig, anders zou ik geschreven hebben om haar te kennen te geven, dat ik, zelfs in mijn eigene wanhoop, een zweem van genoegen smaakte, bij het vernemen van haar gelukkige vooruitzichten, en bij het hooren dat de goede oude Baron aan de algemeene schipbreuk is ontkomen. Geef dit aan mijn liefste Rose; het is het eenige sieraad van waarde, dat haar arme Flora bezit, en het was het geschenk van een vorstin.” Ze stelde hem een doosje ter hand, dat het diamanten halssnoer bevatte, waarmede ze gewoon was haar lokken te versieren. „Voor mij is het in het vervolg nutteloos. De goedheid mijner vrienden heeft mij een schuilplaats bezorgd in het klooster der Schotsche Benedictijner nonnen te Parijs. Morgen – als ik wezenlijk morgen overleven kan – ga ik op reis, met deze eerwaarde zuster. En nu, mijnheer Waverley, vaarwel! Moogt gij zoo gelukkig zijn met Rose, als gij verdient; en denk soms aan de vrienden, die gij verloren hebt. Doe geen moeite om mij weder te zien; het zou een misplaatste vriendelijkheid wezen.”

Zij reikte Eduard de hand, waarop hij een stroom van tranen vergoot; met bevende schreden verliet hij de kamer, en keerde naar Carlisle terug. In de herberg vond bij een brief van zijn rechtsgeleerden vriend, die hem berichtte, dat hij den volgenden morgen bij Fergus zou worden toegelaten, zoodra de poorten open waren, en dat het hem vergund zou zijn bij zijn vriend te blijven, tot de aankomst van den sheriff het teeken zou wezen voor den noodlottigen tocht.

VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Een treur’ger afscheid breekt het hart, De doods-trom is omwonden, de baar bekleed met zwart. Campbell.

Na een slapeloozen nacht, vond de eerste morgenstraal Waverley op de esplanade, voor de oude Gothische poort van Carlisle-Castle. Maar hij stapte lang, in allerlei richtingen, heen en weêr, vóor dat het uur geslagen had, waarop, volgens de bepalingen voor de bezetting, de poorten open gingen en de valbrug neêrgelaten werd. Hij vertoonde zijn pas aan den sergeant van de wacht, en werd toegelaten. De plaats van Fergus gevangenis was een donker, overwelfd vertrek in het midden van het kasteel; het bestond uit een lompen, ouden toren, waaraan een groote oudheid werd toegeschreven, en was omringd door buitenwerken, die oogenschijnlijk uit den tijd van Hendrik VIII, of ongeveer dien tijd waren. Het geknars der zware ouderwetsche grendels en boomen, die men wegschuiven moest om Eduard binnen te laten, werd beantwoord door het gerammel van ketenen, toen het ongelukkige Opperhoofd, vast en zwaar geboeid, zich langs den steenen vloer zijner gevangenis voortsleepte, om zich in de armen van zijn vriend te werpen.

„Mijn waarde Eduard,” zeide hij, op krachtigen en zelfs opgeruimden toon, „dat is echt vriendschappelijk van u. Ik heb met het grootst genoegen uw aanstaand geluk vernomen. En hoe gaat het met Rose, en hoe maakt het onze wonderlijke oude vriend, de Baron? Wèl, naar ik hoop, omdat ik u in vrijheid zie – en hoe zult gij den voorrang regelen tusschen de drie loopende hermelijnen en den beer en den laarzentrekker?”

„Waarde Fergus, hoe kunt ge van zulke dingen spreken, in een oogenblik als dit?”

„Wel, zeker zijn wij Carlisle onder gelukkiger voorteekenen binnengetrokken – op den zestienden November jongstleden, bij voorbeeld, toen wij naast elkander er binnenrukten, en de witte vlag op dezen ouden toren heschen. Maar, ik ben geen kind, om neêr te gaan zitten en te schreien, omdat het geluk mij niet is nageloopen. Ik wist welken kans ik liep; wij hebben het spel moedig gespeeld, en het verlorene zal moedig betaald worden. En nu, laat ons, daar mijn tijd kort is, over de dingen spreken, die mij de meeste belangstelling inboezemen. – De Prins? is hij aan de bloedhonden ontsnapt?”

„Ja, hij is in veiligheid.”

„Ha! God zij geloofd! Vertel mij de bijzonderheden dier ontsnapping.”

Waverley verhaalde hem die merkwaardige geschiedenis, voor zoo ver ze toen was uitgelekt, een verhaal, waarnaar Fergus met de grootste belangstelling luisterde. Vervolgens vroeg hij naar een aantal andere vrienden, en deed in het bijzonder onderzoek naar het lot, van zijn eigene clanslieden. Zij hadden minder geleden dan andere stammen, die in de zaak betrokken waren geweest; want daar zij zich, voor een groot deel, verstrooid en naar huis begeven hadden, na de gevangenneming van hun Opperhoofd, gelijk dit een algemeen gebruik onder de Hooglanders was, had men hen niet gewapend aangetroffen, toen de opstand voor goed gedempt werd, zoodat ze om die reden met minder gestrengheid behandeld werden. Fergus vernam deze bijzonderheden met groote voldoening.

„Gij zijt rijk, Waverley,” zeide hij, „en gij zijt edelmoedig; als gij hoort, dat deze arme Mac-Ivors verontrust worden in hun ellendige bezittingen, door den een of anderen harden opzichter of agent van het Bewind, herinner u dan, dat gij hun tartan hebt gedragen en een aangenomen zoon zijt van hun geslacht. De Baron, die onze zeden kent, en dicht bij ons land woont, zal u den tijd en de middelen wel doen kennen, om als hun beschermer op te treden. Wilt gij dit den laatsten Vich Ian Vohr beloven?”

Eduard, zooals men gemakkelijk denken kan, gaf zijn woord, hetwelk hij ook zoo onbekrompen en mild gestand deed, dat zijn gedachtenis nog in deze dalen voortleeft, onder den naam van den „Vriend der Zonen van Ivor.”

„O, mocht het God behagen,” ging het Opperhoofd voort, „dat ik u mijn rechten overdragen kon op de liefde en gehoorzaamheid van dit oude en brave geslacht: – of ten minste, gelijk ik gepoogd heb, dat zij den armen Evan overreedden, om zijn leven op de aangeboden voorwaarde aan te nemen, en voor u te zijn, wat hij voor mij geweest is, de goedhartigste – de braafste – de meest verknochte.”

De tranen, die zijn eigen lot hem niet in de oogen kon lokken, stroomden ruim om dat van zijn zoogbroeder.

„Maar,” zeide hij, terwijl hij ze droogde, „dat kan niet. Gij kunt voor hen geen Vich Ian Vohr zijn; en deze drie tooverwoorden, zeide hij, half lachende, „zijn de eenige talisman voor hun gevoel en hun hart, en de arme Evan moet zijn zoogbroeder in den dood volgen, gelijk hij hem zijn geheele leven door gevolgd heeft!”

„En ik weet zeker,” zeide Maccombich, terwijl hij zich van den vloer oprichtte, waarop hij, uit vrees van hun gesprek te storen, zoo stil gelegen had, dat Eduard, bij de duisternis van het vertrek, zijn tegenwoordigheid niet eens bemerkt had, – „ik weet zeker, dat Evan nooit een beter lot wenschte noch verdiend heeft, dan juist dat van met zijn Opperhoofd te sterven.”

„En nu,” zeide Fergus, „daar wij van de clanschap spreken – wat dunkt u nu van de voorspelling van den Bodach Glas?” – En eer Eduard antwoorden kon, vervolgde hij: „Ik zag hem gisteren nacht weder – hij stond bestraald door den maneschijn, die, uit dat hooge en enge venster, op het voeteneinde van mijn bed viel. Waarom zou ik hem vreezen, dacht ik – morgen, – lang voor dezen tijd, – zal ik even onstoffelijk zijn als hij. „Leugengeest,” riep ik, „zijt gij gekomen, om uw wandelingen op aarde te besluiten, en de zegepraal te vieren over den val des laatsten afstammelings van uw vijand?” Het spook scheen te knikken en te glimlachen, terwijl het uit mijn gezicht verdween. Wat dunkt u er van? – ik deed dezelfde vraag aan den priester, die een goed en verstandig man is; hij stemde toe, dat de kerk erkende dat zulke verschijningen mogelijk waren, maar drong er op aan, dat ik mijn geest niet zou vermoeien met daarover te peinzen, daar ons de verbeelding zulke vreemde streken speelt. Wat dunkt u er van?”

„Ik ben het met uw biechtvader eens!” hernam Waverley, die niets liever wenschte dan allen redetwist over zoodanig punt op zulk een oogenblik te vermijden. Een tik aan de deur kondigde thans dien goeden man aan, en Eduard verwijderde zich terwijl hij den beiden gevangenen de laatste sacramenten, volgens het Roomsche kerkgebruik, toediende.

Na verloop van een uur werd hij weder toegelaten; kort daarop kwam een kommando soldaten met een smid, om de boeien van de beenen der gevangenen los te klinken.