Chapter 36 of 50 · 3978 words · ~20 min read

Part 36

„Arme jonkman,” zeide de Kolonel, „ik verbeeld mij, dat hij de moeielijkheden van zijn toestand begint te gevoelen. Wel, beste Waverley, dit is meer dan vriendelijk, en zal niet vergeten worden, zoo lang Filips Talbot zich iets herinneren kan. Mijn leven – bah! – laat Emilia u daarvoor danken – dit is een dienst vijftig levens waardig. Ik kan niet aarzelen mijn woord te geven in deze omstandigheden: daar is het,” – (hij schreef het in den vorm) – „En nu, hoe kom ik weg?”

„Dat is alles in orde: uw bagage is gepakt, mijn paarden wachten, en een boot is, met verlof van den Prins, aangenomen, om u aan boord van het fregat „the Fox” te brengen. Ik heb daartoe reeds een bode naar Leith gezonden.”

„Dat zal best gaan. Kapitein Beaver is mijn bijzondere vriend; hij zal mij te Berwick, of te Shields aan wal zetten, vanwaar ik per post naar Londen kan vertrekken; – en gij moet mij het pakje papieren toevertrouwen, dat gij door middel van die jufvrouw Bean Lean terug hebt gekregen. Ik zou gelegenheid kunnen vinden, om ze tot uw voordeel te gebruiken. Maar ik zie daar uw Hooglandschen vriend Glen, hoe spreekt gij zijn barbaarschen naam ook uit? met zijn ordonnans-officier bij zich. Ik moet hem, denk ik, niet meer zijn ordonnans-keelafsnijder noemen. Kijk, hoe hij stapt, of de wereld hem toebehoorde, met zijn muts op het oor en de plaid dicht geslagen over zijn borst. Ik zou dien knaap dolgraag ontmoeten waar mijn handen niet gebonden waren. Ik zou zijn trots fnuiken, of hij den mijne.”

„Foei, kolonel Talbot, gij blaast u op het gezicht van den tartan op, zoo als men van den stier zegt dat hij op het zien van rood doet. Gij en Mac-Ivor hebt vrij wat punten van overeenkomst, wat uw nationaaltrots betreft.”

Het laatste gedeelte van dit gesprek had plaats op straat. Zij gingen het Opperhoofd voorbij, en de Kolonel en hij groetten elkander zoo hoffelijk en deftig, als twee kampvechters, voordat het gevecht begint. Het bleek maar al te zeer dat de antipathie wederkeerig was. „Ik zie dien stuurschen kerel nooit, die als een hond achter hem heen loopt, of hij herinnert mij eenige dichtregels, die ik ergens – denkelijk op het tooneel – heb gehoord;”

– „Dicht achter hem stapt de norsche Bertram voort, Zooals de booze in ’s toovnaars voetstap treedt, En dringt dat men zijn dienst gebruiken zal.”

„Ik verzeker u, dat gij te hard over de Hooglanders oordeelt.”

„Geen zier, geen zier! ik wil hun niets schenken; ik haat hen van harte. Laten zij in hunne gebergten blijven, en zich opblazen, en hunne mutsen aan de hoorns van de maan hangen, zoo het hun lust; maar wat behoeven zij te komen, waar de menschen broeken dragen en een verstaanbare taal spreken? – ik meen verstaanbaar in vergelijking met hun wartaal; want zelfs de Laaglanders spreken een soort van Engelsch, niet veel beter dan de Negers op Jamaika. Ik zou den Pre.... ik wil zeggen den Ridder, zelfs kunnen beklagen, dat hij zulk een menigte woestelingen rondom zich heeft. En zij leeren hun handwerk al zoo vroeg! Er is een soort van ondergeschikt duiveltje bij voorbeeld, een leerling in de helsche kunst, dien uw vriend Glena – Glenamuck –, somtijds in zijn gevolg heeft. Naar het gezicht te oordeelen, is hij zoo wat vijftien jaar; maar in ondeugd en guitenstreken is hij een eeuw oud. Voor een dag of wat was hij op de plaats met het ringspel bezig; een heer, een man die er fatsoenlijk uitzag, komt voorbij, en daar de ring hem tegen de schenen vloog, ligt hij zijn stok op, maar onze jonge held haalt zijn pistool voor den dag, als Beau Clincher op ’t tooneel en zoo geen geschreeuw van Gardez l’eau, uit een bovenraam, beide partijen had doen vluchten, uit vrees voor de onvermijdelijke gevolgen, zou die arme heer zijn leven verloren hebben door de handen van dien kleinen schelm.”

„Kolonel Talbot, gij zult een fraaie schilderij van Schotland ophangen, bij uw tehuiskomst.”

„Rechter Shallow,” zeide de Kolonel, „zal mij de moeite wel uitwinnen. – „Woest en ledig, allemaal, allemaal bedelaars. Zekerlijk, een gezonde lucht,” – en dat nog alleen als gij buiten Edinburgh zijt en eer gij te Leith komt, zoo als thans met ons het geval is.”

Weldra kwamen zij aan de zeehaven: –

„Te Leith daar, dobberde de boot; De wind blies langs de zee; En ginds, bij Englands sterke vloot, Lag ’t schip voor Berwicks ree.”

„Vaarwel, Kolonel! moogt gij alles vinden, naar wensch. Misschien zullen wij elkander eer ontmoeten, dan gij verwacht: men spreekt van een onmiddellijken inval in Engeland.”

„Zeg er mij niets van,” zeide Talbot; „ik wensch geen tijding van uwe bewegingen over te brengen.”

„Eenvoudig dan, vaarwel! Zeg, met duizend vriendelijke groeten, al wat plicht en liefde eischen, aan Sir Everhard en tante Rachel – Denk zoo vriendschappelijk aan mij, als gij kunt. – Spreek zoo toegevend van mij, als uw geweten het toelaat, en nu nogmaals: vaarwel!”

„Vaarwel insgelijks, mijn waarde Waverley: hartelijk, hartelijk dank voor uw goedheid. Ontdoe u bij de eerste gelegenheid de beste van uw plaid. Ik zal altijd met erkentelijkheid aan u denken, en mijn ergste berisping zat zijn: Que diable allait il faire dans cette galère?”

En zoo scheidden zij. Kolonel Talbot stapte in de boot, en Waverley keerde naar Edinburgh terug.

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE MARSCH.

Het is ons voornemen niet op het grondgebied der geschiedenis te treden. Wij zullen dus onzen lezers slechts herinneren, dat omstreeks het begin van November, de jonge Ridder, aan het hoofd van op zijn best zes duizend man, besloot zijn zaak in groot gevaar te brengen door een poging, om in het hart van Engeland door te dringen, ofschoon hij niet onkundig was van de krachtige maatregelen, die er tot zijn ontvangst genomen waren. Zij begaven zich op weg, te midden van een weder, dat alle andere troepen buiten staat zou gesteld hebben, om te marcheeren, doch hetwelk aan deze vlugge bergbewoners inderdaad voordeelen op een minder geharden vijand verschafte. In spijt van een veel sterker leger, dat onder den veldmaarschalk Wade op de grenzen lag, belegerden en namen zij Carlisle, en zetten kort daarna hun stoutmoedigen tocht zuidwaarts voort.

Daar kolonel Mac-Ivors regiment in de voorhoede der clans marcheerde, zoo waren hij en Waverley, die thans iederen Hooglander in het verduren van vermoeienis evenaarde, en eenigszins bekend geworden was met hunne taal, gedurig aan het hoofd der manschappen. Zij beschouwden echter den voortgang des legers met geheel verschillende oogen. Fergus, enkel vuur en leven, achtte zich in staat de geheele wereld het hoofd te bieden, en betekende alleen dat elke stap hem een el dichter bij Londen bracht. Hij vroeg, verwachtte, noch verlangde eenige hulp, buiten die der clans, om de Stuarts wederom op den troon te plaatsen; en wanneer, bij toeval, eenige weinige aanhangelingen zich onder den standaard van den Prins kwamen scharen, beschouwde hij hen altijd als nieuwe deelgenooten in de gunst des toekomstigen Konings, die dus, om hen te voldoen, te meer moest aftrekken van de belooningen, die onder zijn Hooglandsche vrienden behoorden verdeeld te worden.

Eduards inzichten waren van geheel anderen aard. Hij kon niet nalaten op te merken, dat in de vlekken, waar zij Jacobus III uitriepen, niemand met een „Leve de Koning” antwoordde. De menigte gaapte en luisterde, moedeloos, verpletterd en met onnoozele onverschilligheid, maar gaf weinig teekenen zelfs van die onbesuisde geestdrift die haar aanzet om bij elke gelegenheid, als ware het alleen om haar aangename stemmen te oefenen, een luid geschreeuw aan te heffen. Men had den Jacobieten doen gelooven, dat de noordwestelijke graafschappen overvloeiden van rijke grondbezitters en dappere landlieden, aan de zaak der Witte Roos gehecht. Maar van de meer vermogende Torys zagen zij weinig. Deze waren hunne huizen ontvlucht, gene hielden zich ziek, andere gaven zich over, als verdachte personen, aan het bewind. Onder degenen die achterbleven, gaapten de onkundigen vol verbazing, met schrik en afkeer gemengd, het woeste voorkomen, de onbekende taal en de zonderlinge dracht der Schotsche clans aan. En in het oog van de meer verstandigen schenen hun gering aantal, volslagen gebrek aan krijgstucht en armoedige uitrusting zoo vele zékere teekens van den ongelukkigen afloop hunner vermetele onderneming. De weinigen, die zich bij hen voegden, bestonden dus alleen uit de zoodanigen, die door staatkundige dweepzucht verblind waren voor de gevolgen, of door berooide omstandigheden bewogen werden alles op zulk een wanhopig spel te zetten.

Toen iemand den baron van Bradwardine vroeg, wat hij van deze rekruten dacht, nam hij zeer langzaam een snuifje en antwoordde heel droogjes, „dat hij geen ander dan een zeer gunstig gevoelen van hen kon hebben, daar zij ten volle naar de aanhangers geleken, die den goeden koning David volgden naar het hol van Abdullam; te weten „alle man die benauwt” of in slechte omstandigheden was, en alle man die een schulteyscher hadde, en alle man die ontevreden was, hetgeen de onzen overzetten, wiens ziele bedroefd was; en buiten twijfel,” zeide hij, „zullen zij toonen mannen met sterke handen te zijn, en dat is wel noodig ook, want ik heb menigen somberen blik op ons zien werpen.”

Maar geen dezer bedenkingen verontrustte Fergus. Hij bewonderde de weelderige schoonheid des lands, en de ligging van verscheidene kasteelen, welke zij langs trokken. „Ziet Waverley-Honour er uit als dit huis, Eduard?”

„Het is wel de helft grooter.”

„Is uw ooms park wel zoo groot als dat?”

„Het is driemaal zoo uitgestrekt, en gelijkt eer een bosch dan een park.”

„Flora zal een gelukkige echtgenoote zijn.”

„Ik hoop dat Freule Mac-Ivor het kasteel van Waverley-Honour niet zal behoeven om gelukkig te zijn.”

„Dat hoop ik ook; maar, meesteres van zulk een plaats te zijn, mag wel een schoon toevoegsel tot het geheel gerekend worden.”

„Een toevoegsel, welks gemis, naar ik vertrouw, rijkelijk op een andere wijze zal worden vergoed.”

„Hoe,” zeide Fergus, terwijl hij op eens stilhield, en zich naar Waverley keerde – „Hoe moet ik dat verstaan, mijnheer Waverley? Had ik het genoegen u goed te begrijpen?”

„Volmaakt goed, Fergus.”

„Ik moet er dus uit opmaken, dat gij de verzwagering met mij en de hand mijner zuster niet meer verlangt.”

„Uw zuster heeft de mijne afgewezen, zoo wel rechtstreeks, als door de gewone middelen, waarmede de dames oplettendheden, die haar niet behagen, plegen te ontwijken.”

„Ik heb er geen denkbeeld van dat een dame een minnaar kan afwijzen, of een minnaar zijn aanzoek kan intrekken, wanneer het door haar wettigen voogd is goedgekeurd, zonder dat aan dezen de gelegenheid gegeven wordt om met haar over de zaak te spreken. Ik hoop niet, dat gij verwacht hebt, dat mijn zuster u, als een rijpe pruim, in den mond zou vallen, zoodra gij slechts verkoost daarnaar te gapen.”

„Wat het recht der dame betreft, om haar minnaar weg te zenden, Kolonel, dat is een punt, hetwelk gij met haar moet afdoen, daar ik omtrent deze bijzonderheid met de gewoonten der Hooglanders niet bekend ben. Maar wat mijn recht betreft, om in de verwerping door haar te berusten, zonder beroep op uw gezag, zoo moet ik u, zonder Freule Mac-Ivors erkende schoonheid en begaafdheden te kort te doen, rechtuit zeggen, dat ik de hand van een engel niet zou aannemen, met een keizerrijk tot bruidschat, indien haar toestemming afgedwongen werd door aanhouden van vrienden en voogden, en ik die niet verschuldigd was aan haar eigene vrije keus.”

„Een engel, met een keizerrijk tot bruidschat,” herhaalde Fergus, op een toon van bittere ironie, „zal niet zoo licht worden opgedrongen aan een **shireeschen landjonker. Maar, mijnheer,” voegde hij er bij, terwijl hij geheel van toon veranderde, „zoo Flora Mac-Ivor geen Keizerrijk tot bruidschat heeft, zij is mijne zuster, en dat is genoeg, ten minste om te voorkomen dat zij op een wijze behandeld wordt, die eenigszins aan lichtvaardigheid grenst.”

„Zij is Flora Mac-Ívor, mijnheer,” hernam Waverley met klem, „en indien ik in staat was een vrouw lichtzinnig te behandelen, zou dat voor haar de krachtigste bescherming zijn.”

Nu betrok het gelaat van het Opperhoofd geheel en al, maar Eduard gevoelde zich te zeer verontwaardigd over den onredelijken toon, door hem aangeslagen, om den storm door de minste toegevendheid af te wenden. Zij stonden beide stil, terwijl deze korte samenspraak voorviel, en Fergus scheen half geneigd iets zeer heftigs te zeggen; maar hij onderdrukte zijn drift door een krachtige poging, wendde zijn gelaat af, en stapte mokkend voort. Daar zij tot hiertoe altijd te zamen gemarcheerd hadden, vervolgde Waverley zwijgend zijn weg in dezelfde richting, terwijl hij zich voornam het Opperhoofd den tijd te laten, om zijn goede luim te herwinnen, die hij zoo onverstandig prijs gegeven had, en vastbesloten, om geen duimbreed voor hem, in waardigheid van houding, te wijken.

Nadat ze onder een diep stilzwijgen ongeveer een kwartier voortgetrokken waren, knoopte Fergus het gesprek op een anderen toon weder aan. „Ik geloof dat ik driftig werd, mijn beste Eduard; maar ge hebt mij driftig gemaakt door uw gebrek aan wereldkennis. Gij zijt verstoord geworden op Flora’s preutschheid of door haar hoogdravende denkbeelden van verknochtheid aan het koninklijke huis, en nu zijt gij, even als een kind, boos op het speelgoed, waarom ge eerst gehuild hebt, en ge maakt er mij, uw getrouwen vriend, een verwijt van dat mijn arm niet tot Edinburgh kan reiken, om het u te geven. Wees verzekerd, dat, zoo ik driftig was, de spijt om de verbintenis met zulk een vriend te zien verloren gaan, een verbintenis, waarover men bij Hooglanders en Laaglanders gesproken heeft, en dàt zonder zelfs te weten waarom of hoe, vrij wat bedaarder bloed dan het mijne aan het koken zou kunnen brengen. Ik zal naar Edinburgh schrijven, om deze zaak weder in orde te brengen; dat wil zeggen, zoo gij verlangt dat ik het doe; want ik kan inderdaad niet gelooven, dat ge uwe genegenheid voor Flora, indien ze zoo groot is als ge mij dikwijls betuigd hebt, op eens kunt verloren hebben.”

„Kolonel Mac-Ivor,” zeide Eduard, die geen lust had, om langer dan hij verkoos, met een zaak lastig gevallen te worden, die hij reeds als afgedaan had beschouwd, „ik gevoel al de waarde van uw goede diensten; en zeker, doet uw ijver dien ge tot mijn best aanwendt, in dit geval, mij geen geringe eer. Doch, daar Freule Mac-Ivor haar keus geheel vrijwillig gedaan heeft, en al mijn oplettendheden te Edinburgh met de meeste koelheid ontvangen werden, kan ik, zonder omtrent haar zoo wel als mijzelven onrechtvaardig te worden, niet veroorloven, dat men haar over deze zaak nogmaals zou lastig vallen. Ik zou u dit reeds voor eenigen tijd hebben te kennen gegeven; maar ge zaagt op welken voet wij waren, en moest het van zelf wel begrepen hebben. Indien ik er zoo niet over gedacht had, zou ik er vroeger over gesproken hebben; maar ik gevoelde een natuurlijken afkeer, om een onderwerp op te halen, dat ons beiden zoo smartelijk is.”

„O, zeer goed, mijnheer Waverley,” zeide Fergus met hooghartigheid, „de zaak is afgedaan. Ik kan mijn zuster aan niemand opdringen.”

„En ik voel mij geenszins geneigd mij aan een vernieuwde afwijzing van den kant der jonge dame bloot te stellen.”

„Ik zal intusschen behoorlijk onderzoek doen,” zeide het Opperhoofd, alsof hij op Waverleys woorden geen acht had geslagen, „en vernemen wat mijn zuster van dit alles denkt: en dan zullen we zien, of de zaak hiermede geëindigd is.”

„Wat het onderzoek betreft waarvan ge spreekt, ge zult daaromtrent natuurlijk uw eigen oordeel volgen. Maar het is, naar ik vertrouw, onmogelijk, dat Freule Mac-Ivor van gevoelen zou veranderen, en indien dit tegen alle verwachting ook het geval was, zoo is het toch zeker, dat ik niet zal veranderen. Ik maak deze opmerking alleen, om verder alle mogelijk misverstand te voorkomen.”

Gaarne zou Mac-Ivor op dat oogenblik hun twist aan een persoonlijke beslissing hebben onderworpen. Zijn oog schoot vlammen, en hij gluurde op Eduard, alsof hij zocht waar hem een doodelijke wonde te kunnen toebrengen. Maar ofschoon wij niet meer volgens de regels en voorschriften van Caranza of Vincent Saviolo vechten, zoo wist toch niemand beter dan Fergus, dat er een gepast voorwendsel behoort te bestaan tot een strijd op leven en dood. Bij voorbeeld, ge moogt iemand uitdagen, omdat hij, in het gedrang, op uw likdoorn heeft getrapt, of u tegen den muur gedrongen, of omdat hij op uw plaats in den schouwburg is gaan zitten; maar het hedendaagsche wetboek van eer vergunt u niet een twist te gronden op uw recht, om iemand te dringen zijn aanzoeken bij een uwer vrouwelijke naastbestaanden voort te zetten, nadat de schoone die reeds van de hand gewezen heeft. Zoodat Fergus genoodzaakt was, deze veronderstelde beleediging te verkroppen, tot de tijd gekomen was, welke een gereede gelegenheid tot wraak aan de hand zou geven.

Waverleys knecht had altijd voor hem een gezadeld paard gereed, dat achter het bataljon, waartoe hij behoorde, werd geleid, ofschoon het zelden door zijn meester werd bereden. Maar nu, vertoornd door het heerschzuchtige en onredelijke gedrag van zijn voormaligen vriend, liet hij de kolonne voorbij trekken en steeg te paard, met het voornemen om den baron van Bradwardine op te zoeken, en verlof te vragen, als vrijwilliger onder zijn volk, in plaats van bij het regiment van Mac-Ivor, te dienen.

„Ik zou een gelukkig leven geleid hebben,” dacht hij, na te paard gestegen te zijn, „als ik verzwagerd was geworden met dit schoone staaltje van trotschheid, inbeelding en oploopendheid. Een kolonel! Wel, hij moest opperbevelhebber zijn – een opperhoofdje van drie of vier honderd man! – Hij bezit trots genoeg om Khan van Tartarije – de Groote Heer, of de Groot-Mogol te zijn! Ik ben gelukkig van hem af! – Al was Flora een engel, ze zou mij een tweeden Lucifer, vol eer- en wraakzucht, als schoonbroeder, hebben aangebracht.”

De Baron, wiens geleerdheid (even als Sancho’s geestige spreekwoorden in de Sierra Morena) scheen te zullen roesten door gebrek aan oefening, greep met blijdschap Waverleys aanbod aan om bij zijn regiment te dienen, ten einde ze op nieuw aan den dag te kunnen leggen. De goedaardige oude edelman poogde echter een verzoening tusschen de beide voormalige vrienden te bewerken. Fergus leende ter nauwernood het oor aan zijn voorstellingen, ofschoon hij ze eerbiedig aanhoorde; en wat Waverley betrof, hij zag geen enkele reden, waarom hij de eerste zou zijn om zich moeite te geven tot het vernieuwen van een vertrouwelijken omgang, dien het Opperhoofd zoo onredelijk had verbroken. Daarop sprak de Baron over de zaak met den Prins, die, bezorgd om oneenigheden bij zijn klein leger te voorkomen, verklaarde, zelf den kolonel Mac-Ivor te zullen onderhouden over het onredelijke van zijn gedrag. Maar de moeielijkheden van hun marsch waren oorzaak dat er een paar dagen verliepen, eer hij gelegenheid vond, om zijn invloed op de voorgenomen wijze te beproeven.

Intusschen trok Waverley partij van hetgeen hij, terwijl hij bij de dragonders van Gardiner gestaan had, geleerd had, en diende den Baron als een soort van adjudant. „In het land der blinden is éenoog koning,” zegt het spreekwoord, en de ruiterij, die hoofdzakelijk uit Laaglandsche heeren, hun pachters en bedienden bestond, koesterde een groot denkbeeld van Waverleys bedrevenheid en legde een groote gehechtheid aan zijn persoon aan den dag. Dit was, om de waarheid te zeggen, voor een goed deel toe te schrijven aan het genoegen, ’t welk zij gevoelden, dat de aanzienlijke Engelsche vrijwilliger de Hooglanders verliet, ten einde zich in hunne rijen te scharen; want er bestond een heimelijke wangunst tusschen het paardenvolk en het voetvolk, die niet enkel voortsproot uit het verschil van dienst, maar omdat de meeste heeren, die dicht bij de Hooglanden woonden, nu en dan twist hadden gehad met de stammen in hunne buurt, en allen de luide aanspraken der Hooglanders, als zouden zij grooter dapperheid bezitten en den Prins beter dienen, met een afgunstigen blik gadesloegen.

VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE VERWARRING BIJ KONING AGRAMANTS LEGER.

Het was Waverleys gewoonte zich soms een eind wegs van het hoofdkorps te verwijderen, om een of ander voorwerp, op hun weg, dat zijn nieuwsgierigheid opwekte, waar te nemen. Ze waren nu in Lancashire, toen hij, aangetrokken door een oud versterkt kasteel, het eskadron voor een half uur verliet, om er een omtrek en losse schets van te maken. Zooals hij de laan weder afkwam, ontmoette hem vaandrig Maccombich. Deze man had een soort van achting en genegenheid voor Eduard opgevat, van het eerste oogenblik af, dat ze elkander op Tully-Veolan ontmoet hadden, en hij hem in de Hooglanden tot geleider diende. Hij scheen te dralen, alsof het zijn oogmerk was om onzen held te spreken. Doch, toen deze hem voorbij kwam, naderde hij alleen zijn stijgbeugel, en uitte niets anders dan het woord: „wees op uw hoede!” en stapte daarop stevig door, terwijl hij alle verdere gemeenschap vermeed.

Eduard, een weinig bevreemd over dezen wenk, volgde Evan met de oogen, en bemerkte dat deze spoedig te midden van het geboomte verdween. Zijn knecht, Alick Polwarth, die bij hem was, zag den Hooglander ook na, en hield zich vervolgens dicht achter zijn meester.

„De drommel hale mij, mijnheer,” zeide hij, „als ik geloof dat gij onder deze schavuiten van Hooglanders veilig zijt.”

„Waarom, Alick?”

„De Mac-Ivors hebben zich in het hoofd gezet, mijnheer, dat gij hun jonge dame, Freule Flora, beleedigd hebt, en ik heb al meer dan eens hooren zeggen, dat zij er bitter weinig bezwaar in zouden vinden, om u als een korhoen neder te schieten; en ge weet ook wel, dat er menigeen onder hen is, die niet schroomen zou zelfs den Prins een kogel door het hoofd te jagen, als het opperhoofd hun daartoe den wenk gaf, en al gaf hij dien ook niet, als ze maar dachten, dat het hem aangenaam zou wezen als ze het deden.”

Waverley, ofschoon overtuigd dat Fergus Mac-Ivor niet tot zulk een verraad in staat was, was op verre na niet zoo zeker van de bescheidenheid zijner aanhangers. Hij wist, dat, waar men het er voor hield dat de eer van het Opperhoofd of diens familie gekwetst was, diegene de gelukkigste man heeten zou, die de beleediging het eerst kon wreken; en hij had hen dikwijls een spreekwoord hooren aanhalen: „De beste wraak is – die het spoedigst en zekerst wordt uitgeoefend.” Terwijl hij dit met den wenk van Evan in verband bracht, achtte hij het voorzichtig zijn paard de sporen te geven, en haastig naar zijn eskadron terug te rijden. Doch, eer hij het einde der lange laan bereikt had, floot een kogel hem voorbij en knalde er een pistoolschot.

„Het was die satansche schelm, Callum Beg,” riep Alick; „ik zag hem wegsluipen door het kreupelhout.”

Eduard, te recht vertoornd over dezen verraderlijken aanslag, reed de laan uit, en zag het bataljon van Mac-Ivor op eenigen afstand over de heide voort trekken, waarop de laan uitliep. Insgelijks zag hij iemand buiten adem loopen, om zich bij de afdeeling te voegen. Dit, begreep hij, was de moordenaar, die, door over een heg te springen, gemakkelijk een veel korteren weg naar het leger kon vinden, dan hij, die te paard gezeten was. Niet in staat zich te bedwingen, beval hij Alick naar den baron van Bradwardine te gaan, die zich omtrent een kwartier verder bevond, en hem te berichten wat er gebeurd was. Hijzelf reed onmiddellijk naar Fergus’ regiment. Het Opperhoofd voegde zich juist op dat oogenblik er bij. Hij was te paard, daar hij terug was gekomen van een bezoek bij den Prins. Toen hij Eduard zag naderen, zette hij zijn paard in beweging en reed op hem toe.

„Kolonel Mac-Ivor,” zeide Waverley, zonder eenige andere groete. „Ik heb u te berichten, dat een van uw volk zoo even op mij uit een hinderlaag geschoten heeft.”

„Daar dit – met uitzondering van de hinderlaag – een genoegen is, dat ik mijzelven voorstel, wenschte ik wel te weten, wie mijner clanslieden mij durfde voorkomen.”