Part 32
„Met uw verlof, mijn waarde Waverley, ge zijt niet minder belachelijk dan hij. Hoe? bemerkt ge niet, dat ’s mans geheele ziel alleen met deze plechtigheid is vervuld? Hij heeft daarvan gehoord en er over gedacht, als het verhevenste voorrecht en de luisterrijkste plechtigheid ter wereld; en ik twijfel niet, of het genoegen dat hij hoopt te smaken door het bewijzen van dezen dienst, was voor hem een voorname beweegreden om de wapens op te vatten. Maak er staat op, dat, indien ik gepoogd had hem er van af te brengen om zich belachelijk te maken, hij mij voor een weetniet, een ingebeelden gek zou hebben uitgescholden, of het misschien wel in het hoofd zou gekregen hebben om mij de keel af te snijden; een genoegen, dat hij zich eenmaal voorstelde over een punt van etiquette, in zijn oogen niet half zoo gewichtig als deze zaak van laarzen of brogues, of waarvoor de caligæ, ten slotte, door de geleerden mogen worden verklaard. Maar ik moet naar het hoofdkwartier gaan, om den Prins op dit inderdaad buitengewone tooneel voor te bereiden. Ik ben er zeker van dat mijn bericht goed opgenomen zal worden, want het zal hem eens hartelijk doen lachen, en tevens maken dat hij op zijn hoede is niet te glimlachen, als de lust er toe zeer mal-à-propos wezen zou. Derhalve, tot wederziens, Waverley!”
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
DE ENGELSCHE GEVANGENE.
Waverleys eerste zorg na het vertrek van het Opperhoofd, bestond daarin, dat hij zich naar den officier begaf wien hij het leven gered had. Hij werd, te gelijk met zijn makkers in het ongeluk, die zeer talrijk waren, in een heerenhuis niet verre van het slagveld bewaakt.
Toen hij het vertrek binnentrad, waar ze dicht op elkander gedrongen stonden, herkende Waverley gemakkelijk den man wien zijn bezoek gold, niet slechts aan de bijzondere waardigheid van zijn voorkomen, maar tevens aan zijn bewaker, Dugald Mahony, met zijn strijdbijl, die hem van het oogenblik zijner gevangenneming had aangekleefd, alsof hij aan zijn zijde gespijkerd was. Deze nauwgezetheid had wellicht het doel
om zich van Eduards toegezegde belooning te verzekeren; maar zij strekte insgelijks om te voorkomen dat de Engelschman, in de algemeene verwarring, werd uitgeschud; want Dugald had zorgvuldig berekend, dat zijn loon zou worden geregeld naar den toestand van den gevangene, op het oogenblik dat hij dezen aan Waverley in handen stelde. Hij haastte zich dus om Eduard te verzekeren, dat hij den „Sidier Roy” in veiligheid gebracht had, en dat hem geen enkel haar op het hoofd gekrenkt was sedert het oogenblik waarop Mijnheer hem verboden had den gevangene een klein houwtje met den strijdbijl te geven.
Waverley beloofde Dugald op nieuw een rijke belooning, en terwijl hij den Engelschen officier naderde, betuigde hij zijn verlangen, om alles voor hem te doen, wat in de tegenwoordige onaangename omstandigheden tot zijn voordeel kon strekken.
„Ik ben zulk een onervaren soldaat niet, Mijnheer,” antwoordde de Engelschman, „dat ik mij zou willen beklagen over het lot van den oorlog. Het grieft mij slechts die tooneelen op ons eigen eiland te zien, welke ik elders met onverschilligheid heb aanschouwd.”
„Nog éen dag als deze,” zei Waverley, „en ik vertrouw, dat de oorzaak van uw leed weggenomen zal zijn, en alles tot orde en rust terug keeren.”
De officier glimlachte en schudde het hoofd.
„In den toestand waarin ik mij bevind, zou het mij weinig voegen, uw gevoelen te willen bestrijden; maar, in weerwil van den goeden uitslag en de dapperheid waardoor gij dien verkreegt, hebt ge een taak ondernomen, die mij geheel en al boven uwe krachten schijnt.”
Op dit oogenblik trad Fergus binnen, en baande zich een weg door het gedrang.
„Kom, Eduard, kom mede! De Prins slaapt heden nacht op Pinkie-house [160], en wij moeten ons daarheen begeven, als wij de geheele plechtigheid van de caligæ niet missen willen. Uw vriend, de Baron, heeft zich aan een groote wreedheid schuldig gemaakt, door Mackwheeble naar het slagveld mede te slepen. Nu moet ge weten, dat de rentmeester van niets zulk een afschrik heeft, als van een gewapenden Hooglander, of een geladen geweer; en op dit oogenblik staat hij te luisteren naar de onderrichtingen van den Baron omtrent het protest, terwijl hij zijn hoofd duikt als een zeehond, bij het schot van elk geweer of pistool, dat onze leegloopende knapen op het veld losbranden, terwijl hij, bij wijze van penitentie, bij iedere beweging bukkende, een zware berisping van zijn patroon opdoet, die het vuren van een geheele batterij, op een geweerschot afstands, als geen genoegzame verontschuldiging zou beschouwen, voor gemis aan oplettendheid bij een gesprek waarin de eer zijner familie betrokken is.”
„Maar hoe heeft de heer Bradwardine er hem toegebracht, zich zoo ver te wagen?”
„Wel, hij was tot Musselburgh gekomen, naar ik gis, in de hoop om voor sommigen onzer een testament te maken; en de stellige bevelen van zijn meester sleepten hem, nadat de slag geëindigd was, voort tot Preston. Hij klaagt over een of twee onzer deugnieten, die zijn leven in gevaar gebracht hadden, door hem hunne geweren op de borst te zetten; maar, daar zij het losgeld tot een Engelschen stuiver bepaalden, dunkt mij, dat wij den provoost-geweldiger met de zaak niet behoeven te moeien. – Kom, ga nu mede, Waverley!”
„Waverley!” riep de Engelsche officier, met levendige ontroering, „de neef van Sir Everhard Waverley, van – shire?”
„Dezelfde, mijnheer,” antwoordde onze held, eenigzins verrast door den toon, waarop hij hem aansprak.
„Het maakt mij tegelijk gelukkig en bedroefd,” zei de gevangene, „u te ontmoeten.”
„Ik weet niet, mijnheer,” antwoordde Waverley, „hoe ik zoo veel belangstelling van uw zijde verdien.”
„Heeft uw oom u nooit gesproken van een vriend, Talbot geheeten?”
„Ik heb hem met zeer veel achting van zulk een vriend hooren spreken – kolonel, geloof ik, bij het leger, en de echtgenoot van Lady Emilia Blandeville; maar ik meende dat kolonel Talbot buiten ’s lands was.”
„Ik ben pas terug gekomen; en daar ik in Schotland was, achtte ik het mijn plicht om niet stil te zitten, waar mijn dienst misschien van eenig nut wezen kon. Ja, mijnheer Waverley, ik ben die kolonel Talbot, de echtgenoot der door u genoemde dame; en ik ben er trotsch op te erkennen, dat ik zoo wel mijn militairen rang als mijn huiselijk geluk aan uw grootmoedigen en edeldenkenden bloedverwant verschuldigd ben. Goede God! dat ik zijn neef in zulk een kleeding, en in zulk een zaak betrokken moet vinden!”
„Mijnheer,” zeide Fergus, op hoogen toon, „de kleeding en de zaak zijn die van mannen van eer en van geboorte.”
„Indien mijn toestand mij niet verbood uwe verzekering te betwisten, zou het mij niet moeielijk vallen te bewijzen, dat moed, noch roem op afkomst een kwade zaak goed kunnen maken. Maar, met mijnheer Waverleys verlof, en insgelijks met het uwe, mijnheer, indien het uwe ook gevraagd moet worden, zou ik gaarne eenige woorden met hem spreken over zaken, zijn familie betreffende.”
„De heer Waverley, mijnheer, is geheel en al meester van zijn daden. – Gij zult mij, hoop ik, naar Pinkie volgen,” hernam Fergus, terwijl hij zich tot Eduard keerde, „zoodra gij uw gesprek met deze nieuwe kennis ten einde hebt gebracht?” En met deze woorden bracht het Opperhoofd van Glennaquoich zijn plaid, met iets meer dan zijn gewone hoogheid, in orde en verliet het vertrek.
Waverleys invloed verschafte kolonel Talbot gemakkelijk de vrijheid om zich naar een ruimen tuin te begeven, die tot het huis behoorde waarin de gevangenen waren opgesloten. Ze wandelden eenige schreden zwijgende voort, terwijl de Kolonel blijkbaar overlegde, hoe hij met hetgeen hij te zeggen had zou beginnen; eindelijk sprak hij Eduard aldus aan:
„Mijnheer Waverley, gij hebt heden mijn leven gered, en toch zou ik, zoo waar God leeft, het liever verloren hebben, dan u de uniform en de kokarde dezer lieden te zien dragen.”
„Ik vergeef u uw verwijt, kolonel Talbot; het is wél gemeend, en een natuurlijk gevolg van uw opvoeding en beginselen. Maar er is niets buitengewoons in gelegen, dat iemand, wiens eer openlijk en onrechtvaardig aangetast is, een positie zoekt die hem de beste gelegenheid belooft, om zich op zijn lasteraars te wreken.”
„Ik zou eer zeggen, een positie die het meest geschikt is om de door hen in omloop gebrachte geruchten te bevestigen,” antwoordde kolonel Talbot, „door u juist te gedragen zoo als ze verteld hebben. En is het u bekend, mijnheer, welke onuitsprekelijke moeielijkheden, en zelfs gevaren, gij door uw tegenwoordig gedrag aan uw naaste betrekkingen berokkent?”
„Gevaren?”
„Ja, mijnheer, gevaren. Toen ik Engeland verliet, waren uw oom en vader genoodzaakt borg voor hunne personen te stellen, om zich te verantwoorden wegens een beschuldiging van hoogverraad; en het is met de meeste moeite aan invloedrijke vrienden gelukt, hun de vergunning tot een borgstelling, in plaats van een arrestatie, te bezorgen. Mijn reis naar Schotland had geen ander oogmerk, dan om u uit den stroom te redden, waarin gij u hebt gestort; ook kan ik de gevolgen voor uw familie niet berekenen van uw aansluiting aan de opstandelingen, daar reeds het vermoeden alleen zoo gevaarlijk voor hen was. Allerdiepst smart het mij, dat ik u niet ontmoet heb, alvorens gij dezen laatsten en noodlottigen misstap hadt begaan.”
„Ik weet waarlijk niet, waarom kolonel Talbot zich zoo veel moeite zou gegeven hebben, om mijnent wil.”
„Mijnheer Waverley, ik versta mij niet op spotternij, en zal daarom uwe woorden beantwoorden overeenkomstig de eenvoudige bedoeling, die er in ligt opgesloten. Ik ben uw oom verplicht voor weldaden, grooter dan die een zoon aan zijn vader verschuldigd kan zijn. Ik beschouw mij in dit opzicht als zijn zoon, en daar ik weet dat er niets is, waardoor ik zijn goedheid jegens mij beter kan beantwoorden, dan u een dienst te bewijzen, zoo wil ik als het mogelijk is, dat doen, onverschillig of gij het goedvindt of niet. De persoonlijke verplichting, welke gij mij heden heb opgelegd, (schoon, naar het algemeene oordeel, zoo groot, als een mensch aan een ander kan bewijzen,) voegt niets bij mijn ijver voor uw bestwil, zoo min als zij dien in het minste kan verminderen, met welke koelheid het u ook behagen moge dien te beantwoorden.”
„Uwe bedoelingen kunnen die van een vriend zijn, Mijnheer,” hernam Waverley droog weg, „maar uw taal is hard, of ten minste wat gebiedend.”
„Bij mijne terugkomst in Engeland, na een lange afwezigheid, vond ik uw oom, Sir Everhard Waverley, onder de bewaking van een bode des konings, als een gevolg van de door uw gedrag ontstane verdenking. Hij is mijn oudste vriend – hoe dikwijls moet ik het herhalen? – mijn grootste weldoener! – zijn eigene uitzichten op geluk offerde hij aan de mijne op – hij uitte nooit een woord, noch liet ooit een gedachte toe, die de welwillendheid zelve niet zou gedacht of gesproken hebben. Dezen man vond ik onder bewaking, welke hem te harder viel wegens zijn gewone levenswijze, zijn natuurlijke prikkelbaarheid, en – vergeef het mij, mijnheer Waverley, wegens de oorzaak, waardoor dit ongeluk over hem was gebracht. Ik kan u mijn gewaarwordingen, bij deze gelegenheid, niet ontveinzen; zij waren alles behalve gunstig ten uwen opzichte. Nadat ik door mijn familie-invloed, die zooals gij waarschijnlijk weten zult, niet gering is, er in geslaagd was om Sir Everhards ontslag te bewerken, ging ik naar Schotland op reis. Ik ontmoette kolonel Gardiner, een man, wiens jammerlijke dood alleen genoegzaam is, om dezen opstand voor altijd te brandmerken. In den loop van het met hem gehouden gesprek, bevond ik, dat hij, door latere omstandigheden, door een op nieuw ingesteld verhoor der in de muiterij betrokken personen, en wegens zijn oorspronkelijk gunstige meening omtrent uw karakter, aanmerkelijk zachter ten uwen aanzien gestemd was, en ik twijfel niet, dat, zoo ik gelukkig genoeg mocht zijn om u te ontdekken, deze zaak nog gelukkig ten einde gebracht kon worden. Maar deze onnatuurlijke opstand heeft alles verijdeld. – Ik heb voor het eerst gedurende een lang en bedrijvig krijgsmans leven, Britten zich zien onteeren door een schandelijke vlucht, en dat voor een vijand zonder wapens of krijgstucht. En nu vind ik den erfgenaam van mijn dierbaarsten vriend – den zoon, mag ik zeggen, van zijn hart – deelgenoot van een zegepraal, waarover hij zich het eerst had behooren te schamen. Waarom zou ik Gardiner beklagen? Zijn lot was gelukkig bij het mijne vergeleken!”
Er lag zoo veel waardigheid, zulk een mengeling van krijgsmansfierheid en manhaftige droefheid in kolonel Talbots manieren, en het bericht van Sir Everhards bezwaren werd op zulk een diepgevoeligen toon medegedeeld, dat Eduard, vernederd, verlegen en verpletterd stond voor zijn gevangene, die hem, slechts weinige uren geleden, het leven verplicht was. Hij was er niet bedroefd om, dat Fergus andermaal hun onderhoud kwam storen.
„Zijn Koninklijke Hoogheid beveelt dat mijnheer Waverley zich naar het hoofdkwartier zal begeven,” zeide deze laatste. „Kolonel Talbot wierp een verwijtenden blik op Eduard, die het scherpe oog van het Hooglandschen Opperhoofd niet ontging. „En wel onmiddellijk,” herhaalde hij met nadruk. Waverley keerde zich weder tot den Kolonel.
„Wij zullen elkander weder zien,” zeide hij; „ondertusschen zal elk mogelijk gemak –”
„Ik verlang er geen,” zei de Kolonel; „laat men mij behandelen als den geringsten dier brave lieden, die, op dezen rampspoedigen dag, wonden en gevangenis boven de vlucht hebben verkozen; ik zou haast wel willen ruilen met een der gevallenen, indien ik slechts wist dat mijn woorden eenigen indruk op u hadden gemaakt.”
„Kolonel Talbot moet zorgvuldig bewaakt worden,” zeide Fergus tot een Hooglandschen officier, die het bevel over de wacht bij de gevangenen had; „dit is het uitdrukkelijke verlangen van den Prins; de Kolonel is een krijgsgevangene van het hoogste gewicht.”
„Maar laat het hem aan niets ontbreken wat zijn rang voegt,” zeide Waverley.
„In zoo ver het met zijn zekere bewaring bestaanbaar is,” hernam Fergus.
De officier gaf zijn bereid vaardigheid omtrent beide bevelen te kennen, en Eduard volgde Fergus naar de tuindeur, waar Callum Beg hen met drie opgezadelde paarden stond te wachten. Terwijl hij zijn hoofd omkeerde, zag hij dat kolonel Talbot naar de plaats zijner opsluiting door een wacht van Hooglanders terug geleid werd; hij toefde op den drempel van het huis, en wenkte Waverley nogmaals met de hand, als om nogmaals aan te dringen op hetgeen hij hem zoo even had toegevoegd.
„Paarden,” zeide Fergus, terwijl hij het zijne beklom, „zijn er thans even overvloedig als bramen; elk heeft ze maar voor het nemen. Kom, laat Callum uwe stijgbeugels in orde brengen, en rijden wij naar Pinkie-house, zoo vlug als deze ci-devant dragonders-paarden er ons zullen verkiezen te brengen.”
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
NIET HEEL BELANGRIJK.
„Ik ben,” zeide Fergus tot Eduard, terwijl ze naar Pinkie-house reden, „ten gevolge eener boodschap van den Prins teruggekeerd. Maar ge weet, naar ik veronderstel, van hoeveel belang deze krijgsgevangene, de edele kolonel, is. Hij wordt voor een van de beste officiers der roodrokken gehouden, een bijzonder vriend en gunsteling van den Keurvorst zelven en van dien verschrikkelijken held, den hertog van Cumberland, die van zijn zegepralen te Fontenoi is opgeroepen, om over te komen en ons arme Hooglanders met huid en haar te verslinden. Heeft hij u verteld, wat de klokken van St. James onder het luiden verkondigen? Toch niet „keer weêr, Whittington,” gelijk in de dagen van ouds?” [161]
„Fergus?” riep Waverley met een verwijtenden blik.
„Waarachtig, ik weet niet wat ik van u denken moet. Gij wordt door elken wind geslingerd. Daar hebben wij een overwinning bevochten, die haars gelijke in de geschiedenis niet heeft – en uw moed wordt door iedereen tot in de wolken geprezen; – de Prins snakt er naar om u persoonlijk zijn dank te betuigen – en al onze schoonen van de Witte Roos [162] zullen haar best doen om u te veroveren, en gij, de preux chevalier van den dag, hangt op den nek van uw paard, als een boerin die naar de markt rijdt, en kijkt zoo donker alsof gij een lijkstatie volgdet!”
„Ik ben bedroefd over den dood van den armen kolonel Gardiner: hij heeft mij vroeger met zoo veel vriendschap behandeld.”
„Nu, wees dan bedroefd voor vijf minuten, daarna weder vroolijk. Het lot dat hem heden getroffen heet, kan morgen het onze zijn, en wat heeft het te beteekenen? Wat is naast de overwinning beter dan een roemvolle dood, maar het is een pis-aller, en men gunt hem den vijand liever dan zichzelven.”
„De kolonel Talbot heeft mij bericht, dat mijn vader en oom beiden door het bewind worden gevangen gehouden, om mijnentwil.”
„Wij zullen borg stellen, mijn jongen; de oude Andreas Ferrara [163] zal ze lossen, en ik zou hem de zaak graag in Westminster-Hall zien uitmaken!”
„Neen, ze zijn reeds in vrijheid, op borgtocht van meer wettigen aard.”
„Waarom laat uw groote geest zich dan ter nederslaan, Eduard? Denkt gij dat de ministers van den keurvorst zulke duifjes zijn, dat zij hunne vijanden in dit netelig oogenblik in vrijheid zouden stellen, zoo zij hen konden of durfden gevangen houden en straffen? Wees verzekerd, dat zij óf geene gronden van beschuldiging tegen uwe bloedverwanten hebben, volgens welke zij hunne opsluiting kunnen doen voortduren, óf anders zijn ze bang voor onze vrienden, de dappere cavaliers van Oud Engeland. In elk geval behoeft gij niet bevreesd voor hen te zijn, en wij zullen wel middel vinden om hun bericht van uwe veiligheid te doen geworden.”
Eduard werd door deze redenen tot zwijgen gebracht, maar niet overtuigd. Het had reeds meer dan eens een pijnlijke gewaarwording bij hem opgewekt, dat Fergus weinig deelneming in de gevoelens verried, zelfs van hen, die hij het meest beminde, zoo deze niet in overeenstemming waren met zijn eigene gemoedsgesteldheid op het oogenblik, en vooral zoo ze hem hinderlijk waren in het ernstige najagen van een geliefkoosd oogmerk. Fergus bespeurde inderdaad soms, dat hij Waverley gekrenkt had; maar daar hij altijd het een of ander lievelingsplan voor zichzelf op het oog had, sloeg hij nooit ernstig acht op de mate en den duur van dit ongenoegen, zoodat de herhaling van deze kleine ergernissen de buitengemeene gehechtheid van den vrijwilliger aan zijn officier een weinigje deed verkoelen.
De Prins ontving Waverley met de meeste genegenheid, en roemde sterk zijn uitstekende dapperheid. Vervolgens trok hij hem ter zijde, deed hem een aantal vragen betreffende kolonel Talbot, en toen hij alle berichten ontvangen had, die Eduard omtrent hem en zijn betrekkingen in staat was te geven, vervolgde hij: – „Ik kan niet nalaten te denken, mijnheer Waverley, dat, daar deze heer zoo bijzonder vertrouwd is met onzen waardigen en uitnemenden vriend, Sir Everhard Waverley, en daar zijn echtgenoote behoort tot het Huis van Blandeville, welks gehechtheid aan de ware en echt koningsgezinde beginsels der Kerk van Engeland zoo algemeen bekend is, de bijzondere gevoelens van den kolonel ons niet ongunstig kunnen zijn, welk masker hij ook moge hebben aangenomen, om zich naar de tijden te schikken.”
„Te oordeelen naar de taal, die hij heden tegen mij voerde, ben ik genoodzaakt geheel en al in meening van Uwe Koninklijke Hoogheid te verschillen.”
„Wel, het is ten minste de moeite waard een proef te nemen. Ik belast u derhalve met de zorg voor kolonel Talbot, met volmacht om te zijnen aanzien te handelen, zoo als ge het raadzaamst zult oordeelen, en ik vertrouw, dat ge wel middelen zult vinden om u te vergewissen, welke zijn wezenlijke gezindheid is, met betrekking tot de herstelling van onzen Koninklijken Vader op den troon.”
„Ik ben overtuigd,” hernam Waverley, met een buiging, „dat zoo kolonel Talbot zijn woord verkiest te geven, men met zekerheid er op bouwen kan; maar indien hij het weigert, zoo vertrouw ik, dat Uwe Koninklijke Hoogheid aan iemand anders, dan aan den neef van zijn vriend, de taak zal willen opdragen om hem onder het noodige opzicht te houden.”
„Ik zal hem aan niemand toevertrouwen dan aan u,” zei de Prins met een glimlach, terwijl hij evenwel zijn bevel op stelligen toon herhaalde; „het is van belang voor mijn dienst, dat er een goede verstandhouding tusschen u schijne te bestaan, al kunt gij ook zijn vertrouwen in goeden ernst niet winnen. Gij zult hem derhalve in uw kwartier ontvangen, en weigert hij u zijn woord van eer te geven, dan moet ge om een behoorlijke wacht vragen. Ik verzoek u dit oogenblikkelijk te bewerkstelligen. Wij keeren morgen naar Edinburgh terug.”
Aldus naar Preston terug gezonden, ging het plechtig huldebetoon van den baron van Bradwardine voor Waverley verloren. Maar hij was op dit oogenblik zoo weinig met gedachten aan ijdelheden vervuld, dat hij de plechtigheid, waarvoor Fergus zoo veel moeite gedaan had hem belang in te boezemen, geheel vergat. Den volgenden dag verscheen er een oficiëele courant, met een uitgebreid verslag van den slag van Gladsmuir [164], zoo als de Hooglanders hunne overwinning verkozen te noemen. Het eindigde met een beschrijving van het, dien avond op Pinkie-house gegeven hoffeest, en bevatte onder andere gezwollen beschrijvingen, het volgende:
„Sedert dat noodlottige tractaat, hetwelk Schotland als een onafhankelijke natie, vernietigde, hebben wij het geluk niet gehad zijn vorsten te zien ontvangen, en zijn edelen die bewijzen van leendienst en hulde te zien brengen, welke, op de luisterrijke bedrijven der Schotsche dapperheid gegrond, hunne vroegere geschiedenis in het geheugen terugroepen, benevens de manhaftige en ridderlijke eenvoudigheid der banden, die aan de Kroon de hulde verzekerden der krijgslieden, door wie zij bestendig geschoord en verdedigd werd. Maar op den 20sten werden onze herinneringen verlevendigd door een dier plechtigheden, welke tot de oude dagen van Schotlands glorie behoorden. Nadat de kring gevormd was, naderde Cosmo Comyne Bradwardine, op het oogenblik kolonel in dienst enz. enz. enz, den Prins, bijgestaan door den heer D. Mackwheeble, den rentmeester van zijn aloude baronie van Bradwardine, (die, gelijk wij vernemen, onlangs tot een van de krijgs-commissarissen is benoemd,) bij vorm van publieke acte, en met de meeste bescheidenheid, verlof vragende, om aan den persoon van Zijne Koninklijke Hoogheid, als vertegenwoordigende den Vader van den Prins, den gebruikelijken en gewonen dienst te mogen bewijzen, waarvoor, volgens een charter van Robert Bruce, (waarvan het oorspronkelijke in der tijd vertoond werd aan en gewaarmerkt door Zijne Koninklijke Hoogheids kanselarij) de eischer de baronie van Bradwardine en landen van Tully-Veolan in leen hield. Nadat zijn eisch was toegestaan en geregistreerd, plaatste Zijne Koninklijke Hoogheid den voet op een kussen, en de baron van Bradwardine, op zijn rechter knie gevallen, ging over om den brogue of Schotschen schoen los te maken, welken onze jonge held, ten believe zijner brave volgelingen, heeft aangenomen. Toen dat gedaan was, verklaarde Zijne Koninklijke Hoogheid de plechtigheid voor volbracht, en, den ridderlijken krijgshaftigen grijsaard omhelzende, betuigde hij, dat niets dan gehoorzaamheid aan een ordonnantie van Robert Bruce hem zou bewogen hebben, zelfs de zinnebeeldige volbrenging van kleine diensten aan te nemen van handen, die zoo dapper gestreden hadden om de kroon op zijns vaders hoofd te zetten. De baron van Bradwardine stelde thans de akten in handen van den heer commissaris Mackwheeble, inhoudende, dat alle punten en omstandigheden der huldiging waren rite et solemniter acta et peracta, en er werd een gelijkluidend bewijs gebracht ten protocolle van den Grootkamerheer en in de aanteekeningen van de kanselarij. Wij vernemen, dat Zijne Koninklijke Hoogheid in overweging heeft genomen, om, zoo het Zijner Majesteits welbehagen is, den kolonel Bradwardine te verheffen tot het pairschap, onder den titel van burggraaf Bradwardine van Bradwardine en Tully-Veolan, en dat het, middelerwijl, Zijner Koninklijke Hoogheid, op zijns vaders naam en gezag, heeft behaagd hem een eervol toevoegsel op zijn voorvaderlijk wapenschild te verleenen, bestaande in een laarzentrekker, kruiselings geplaatst met een ontblooten sabel, aangebracht rechts in het schild, met een toepasselijke spreuk er onder op een perkamenten rol, namelijk de woorden:
„Trek en trek uit.”