Part 19
Waverley sloeg het dal in met een beangst en kloppend hart. De liefde, met al haar nasleep van vrees, hoop en wenschen, kampte in hem met andere aandoeningen, van een minder gemakkelijk te omschrijven aard. Hij kon niet nalaten te overdenken, hoezeer deze morgen zijn lot veranderd had, en in welk een stroom van moeielijke omstandigheden hij zich waarschijnlijk ging storten. De opgaande zon had hem nog begroet als bezitter van een aanzienlijken rang bij het leger, terwijl zijn vader, naar allen schijn, snel in de gunst van zijn Souverein klom; dit een en ander was voorbijgegaan als een droom – hij zelf was onteerd, zijn vader gevallen, en hij was onwillekeurig, zoo niet de medeplichtige dan toch ten minste vertrouwd geworden met duistere, ver strekkende en gevaarlijke ontwerpen, die òf de omverwerping moesten te weeg brengen van het Bewind, dat hij nog kort geleden gediend had, òf den ondergang van allen, die daarin gedeeld hadden. Al luidde Flora’s antwoord ook gunstig voor zijn aanzoek, welk vooruitzicht bestond er, dat het tot een gelukkige uitkomst zou leiden, te midden van het gewoel van een dreigenden opstand? Of mocht hij zoo eigenbatig zijn, om haar voor te stellen, Fergus te verlaten, aan wien ze zóó gehecht was, en zich met hem naar Engeland te begeven, om daar uit de verte de toeschouwster te zijn van het welslagen van haars broeders onderneming, of wel er de verwoesting van al zijn uitzichten en bezittingen, af te wachten? – En, aan den anderen kant, zou hij zich alléen, zonder anderen bijstand, met de gevaarlijke en overhaaste overleggingen van het Opperhoofd inlaten? – zou hij zich door hem laten meêslepen en als deelgenoot van al zijn wanhopige en geweldige ondernemingen, bijna geheel afstand doen van het recht om zelf te oordeelen of over de eerlijkheid en wijsheid zijner eigene handelingen! – Dit uitzicht was te vernederend voor Waverley’s fierheid om er lang bij te verwijlen. En toch, er bleef geen andere keuze over, zoo niet het afwijzen van zijn aanzoek door Flora, een keus, waaraan in zijn tegenwoordigen opgewonden toestand, niet gedacht kon worden, zonder bijkans gevaar te loopen van krankzinnig te worden. Terwijl hij op deze wijze het onzekere en gevaarlijke zijner vooruitzichten, overwoog, bereikte hij eindelijk den waterval, waar hij, gelijk Fergus voorspeld had, Flora vond.
Zij was geheel alleen, en zoodra ze hem zag naderen, stond ze op en ging hem te gemoet. Eduard poogde iets te zeggen, dat binnen de perken van de gewone beleefdheid en in den dagelijkschen gezelschapstoon lag, maar bemerkte dat dit zijn krachten te boven ging. Flora scheen in den beginne evenzeer verlegen, maar herstelde zich spoediger, en (een ongunstig teeken voor Waverley) was de eerste die het onderwerp van hunne laatste ontmoeting opvatte. „Het is, uit welk oogpunt ook beschouwd, te belangrijk, mijnheer Waverley, dan dat ik mij zou veroorloven u in het onzekere te laten omtrent mijn gevoelens.”
„Spreek ze niet te spoedig uit,” zeide Waverley met innige ontroering, „of ze moesten zoodanig zijn, als ik, uit uwe houding, niet durf hopen. Laat de tijd – laat mijn gedrag – laat uws broeders raad –”
„Vergeef mij, mijnheer Waverley,” zei Flora, met eenigszins verhoogde kleur, maar op vasten en bedaarden toon; „maar ik zou de zwaarste schuld op mij laden, indien ik draalde u mijn oprechte overtuiging te doen kennen, dat ik u nooit andere gevoelens kan toedragen dan die eener vriendin. Ik zou u het grootste onrecht doen, indien ik dit slechts éen oogenblik verzweeg. – Ik zie dat deze bekentenis u leed doet, en dit bedroeft mij, maar beter nu dan later; en, o! duizend malen beter, mijnheer Waverley, dat gij thans een voorbijgaande teleurstelling gevoelt, dan die lange, aan het hart knagende grieven, die de gevolgen zijn van een overhaast en ongelukkig huwelijk.”
„Gerechte hemel! Maar waarom zoudt gij zulke gevolgen veronderstellen van een vereeniging, waar de geboorte gelijk, waar de fortuin gunstig is, waar, zoo ik mij verstouten mag dit te zeggen, de smaak genoegzaam overeenstemt, waar gij geen voorkeur voor een ander aanvoert, en zelfs een gunstig gevoelen uit van hem, dien zij afwijst.”
„Mijnheer Waverley, ik: koester dat gunstig gevoelen, en zoo sterk, dat, schoon ik liever had willen zwijgen omtrent de gronden van mijn besluit, gij ze vernemen kunt, zoo gij dat blijk van mijn achting en vertrouwen verlangt.”
Zij zette zich op een rotsblok neder, en terwijl Waverley naast haar plaats nam, drong hij, schoon eenigszins schroomvallig, op de hem aangeboden verklaring aan.
„Ik durf u,” zeide zij, „mijne gevoelens en gewaarwordingen nauwelijks blootleggen, daar ze zoo geheel verschillen van die welke men doorgaans aan jonge meisjes van mijn jaren toeschrijft. Ik durf ternauwernood van de uwen spreken, uit vrees van aanstoot te geven, waar ik gaarne troost wensch te verleenen. Wat mijzelve betreft, van mijn kindsheid af tot op dezen dag, heb ik maar éen wensch gehad – namelijk: de herstelling mijner koninklijke weldoeners op hun rechtmatigen troon. Het is onmogelijk u mijn geestdrift op dit punt te doen kennen, en ik zeg openhartig, dat het mij zoo geheel heeft bezield, dat het alle gedachten aan mijn eigene positie in de wereld buitensluit. Laat mij slechts leven om den gelukkigen dag dier herstelling te zien; en een Hooglandsche hut, een Fransch klooster of een Engelsch paleis zal mij even onverschillig zijn.”
„Maar, liefste Flora, waarom is uw geestdrift voor de verbannen familie onbestaanbaar met mijn geluk?”
„Omdat gij in het voorwerp uwer genegenheid een hart zoekt, of behoort te zoeken, welks voornaamste genot bestaat in de vermeerdering van uw huiselijk geluk en in de beantwoording uwer liefde, zelfs tot in het overdrevene toe. Aan een man van minder fijn gevoel, en minder warme weekheid van hart, zou Flora Mac-Ivor voldoening, zoo al geen geluk, kunnen schenken; want, waren de onherroepelijke woorden gesproken, nooit zou ze te kort schieten in de plichten, die ze op zich genomen had.”
„En waarom, – waarom, freule Mac-Ivor, zoudt ge u een rijker schat achten voor iemand, die minder in staat is u te beminnen en te bewonderen, dan ik?”
„Eenvoudig, omdat de aard onzer genegenheid meer in overeenstemming zijn zou, en omdat zijn mindere hartstochtelijkheid die vurige wederliefde niet zou vorderen, die ik niet in staat ben te schenken. Maar gij, mijnheer Waverley, gij zoudt altijd van het huiselijk geluk alles vorderen wat uw verbeelding u voorspiegelt, en alles wat bij die ideale voorstelling te kort schoot, zou als koelheid en onverschilligheid worden aangemerkt; terwijl gij de geestdrift, waarmede ik het lot der koninklijke familie naga, zoudt beschouwen als een roof gepleegd aan de wederliefde die ik u verschuldigd zou zijn.”
„Met andere woorden, freule Mac-Ivor, gij kunt mij niet beminnen?” zei Eduard ter neêrgeslagen.
„Ik zou u even zeer en misschien meer dan eenig man, dien ik ooit gezien heb, kunnen hoogachten, mijnheer Waverley, maar ik kan u niet beminnen, zoo als gij moet bemind worden. O! verlang, om uw eigen wil, zulk een gevaarlijke proef niet. De vrouw, die gij huwt, moet hare neigingen en gevoelens, naar de uwen wijzigen. Haar gedachten moeten uwe gedachten zijn; – haar wenschen, haar gewaarwordingen, haar hoop en haar vrees, moeten alle met de uwen inéensmelten. Zij moet uwen genoegens verhoogen, uwe zorgen met u deelen en u opbeuren als ge droefgeestig zijt.”
„En waarom wilt ge, freule Mac-Ivor, die een gelukkige echtvereeniging zoo goed weet te beschrijven, niet zelve de persoon zijn, die gij beschrijft?”
„Is het mogelijk dat ge mij nog niet begrijpt? Heb ik u niet gezegd, dat al mijne gedachten zich enkel en alleen bepalen tot een gebeurtenis, waarop ik inderdaad geen anderen invloed bezit, dan dien welken mijne vurige beden mogen uitoefenen.”
„En zou niet het inwilligen van mijn verzoek” zeide Waverley, „zelfs de zaak kunnen bevorderen, waaraan ge u zoo geheel hebt gewijd? Mijn familie is rijk en machtig; in haar beginselen het huis van Stuart genegen, en mocht eenige gunstige gelegenheid –”
„Een gunstige gelegenheid!” hernam Flora, min of meer met trotsche verachting. – In haar beginselen! – Kan zulk eene lauwe welwillendheid eervol zijn voor u zelven, of aangenaam aan uw wettigen Souverein! – Bereken naar mijn tegenwoordig gevoel, wat ik te lijden zou hebben, als ik lid was eener familie, bij welke de rechten die ik voor de heiligste houd, onderworpen worden aan koele berekening, en slechts dan ondersteuning waardig geacht worden, als het blijkt dat ze op het punt zijn, om ook zonder deze te zegepralen!”
„Uwe twijfelingen,” antwoordde Waverley met levendigheid, „zijn onrechtvaardig, voor zoo veel mij betreft. De zaak, welke ik omhelzen zal, zal ik, trots alle gevaren, blijven voorstaan, even onversaagd als de stoutmoedigste, die ooit het zwaard daarvoor trok.”
„Daaraan,” antwoordde Flora, „kan ik zelfs geen oogenblik twijfelen. Maar raadpleeg uw eigen gezond verstand liever, dan een in der haast opgevatte ingenomenheid, waarschijnlijk alleen, omdat gij een jong meisje, met de gewone begaafdheden eener beschaafde opvoeding bedeeld, in een afgelegen en romantische landstreek ontmoet hebt. Laat uw deelgenootschap aan dat groot en gevaarlijk drama op overtuiging berusten, en niet op een hartstochtelijk, en misschien wel voorbijgaand gevoel.”
Waverley poogde te antwoorden; maar de woorden ontbraken hem. De door Flora geuite gevoelens billijkten de sterkte der genegenheid die hij haar toedroeg; want zelfs haar gehechtheid aan de Stuarts, hoewel overdreven, was grootsch en edel; ze achtte het beneden zich gebruik te maken van eenig onrechtstreeksch middel, om de zaak waaraan ze zich toegewijd had te bevorderen.
Nadat ze het pad dat naar beneden in het dal voerde een kort eind zwijgend waren afgewandeld, vatte Flora het gesprek aldus weder op. – „Nog éen woord, mijnheer Waverley, eer wij dit onderwerp voor altijd laten varen; en vergeef mijn vermetelheid, zoo dat woord zweemt naar een waarschuwing. Mijn broeder Fergus wenscht vurig, dat ge deel zult nemen aan de onderneming door hem beraamd. Maar besluit hiertoe niet; – ge zoudt, door uw persoonlijken bijstand den goeden uitslag weinig kunnen bevorderen; maar daarentegen onvermijdelijk deelen in zijn val, zoo het Gods wil is dat hij valt. Uw goede naam zou dus een onherstelbare schade lijden. Laat mij u smeeken, naar uw eigen land terug te keeren, en als ge u openlijk hebt los gemaakt van elke verbintenis met het heerschend geslacht, zult ge, vertrouw ik, genoegzame reden en gelegenheid vinden, om uw mishandelden Souverein met kracht te dienen, en even als uwe edele voorouders, moedig optreden aan het hoofd uwer natuurlijke volgelingen en aanhangers – als een waardig afstammeling van het huis van Waverley.”
„En als ik zoo gelukkig was, mij aldus te onderscheiden, zou ik dan mogen hopen –”
„Vergeef me, dat ik u in de reden val. Slechts het tegenwoordige oogenblik is het onze, en ik kan niet anders, dan u openhartig de gevoelens doen kennen die ik thans koester; welke wending ze zouden kunnen nemen door een gunstigen loop van zaken, waarop niet te hopen valt, zou nutteloos zijn om zelfs te willen gissen. Wees echter verzekerd, mijnheer Waverley, dat, na de eer en het geluk mijns broeders, ik steeds oprecht voor de uwe zal bidden.”
Met deze woorden verliet ze hem, want ze waren nu een plaats genaderd, waar het pad zich in tweeën scheidde. Waverley bereikte het slot onder een mengeling van tegenstrijdige aandoeningen. Hij vermeed zorgvuldig elke afzonderlijke ontmoeting met Fergus, daar hij zich niet in staat gevoelde diens scherts te verdragen, of op zijne vragen te antwoorden. Het rumoer en de opgewondenheid van het feest, want Mac-Ivor hield open tafel voor zijn clan, strekten min of meer om zijn gedachten af te leiden. Toen de maaltijd geëindigd was, begon hij te overleggen, hoe hij freule Mac-Ivor, na de pijnlijke en belangrijke verklaring van dien morgen, weer zou ontmoeten. Maar Flora verscheen niet. Fergus, wiens oog vuur schoot, toen hem door Cathleen gezegd werd, dat haar meesteres voornemens was dier avond op haar kamer te blijven, ging haar zelf opzoeken; maar waarschijnlijk waren zijn vertoogen vruchteloos, want hij kwam terug met een verhoogde kleur en blijkbare teekenen van misnoegen. Het overige van den avond ging voorbij zonder eenige toespeling, van Fergus of Waverley, op het onderwerp hetwelk de gedachten van den laatsten, en misschien van beide, geheel vervulde.
Op zijn kamer teruggekeerd, poogde Eduard al hetgeen dien dag voorgevallen was, na te gaan. Dat de afwijzing, die hij van Flora had geleden, voor het oogenblik onveranderlijk was, leed geen twijfel. Maar kon hij hopen om eindelijk te slagen, als de omstandigheden het hervatten van zijn aanzoek eens gedoogden? Zou haar getrouwheid aan het oude koningshuis, die men bijna dweepziek zou kunnen heeten, en welke in dit oogenblik van spanning aan geene zachtere aandoening toegang vergunde, den goeden of kwaden uitslag der tegenwoordige staatkundige woelingen overleven? En zoo ja, kon hij dan hopen, dat de belangstelling die ze te zijnen aanzien erkend had te gevoelen, wijken zou voor een vuriger genegenheid? Hij pijnigde zijn geheugen door elk woord te herhalen, dat ze gebezigd had, terwijl hij zich de blikken en bewegingen, waardoor ze versterkt waren, evenzeer voor den geest bracht, en eindigde met zich in denzelfden staat van onzekerheid, te bevinden. Het was zeer laat, toen de slaap eindelijk het oproer in zijn hart tot bedaren bracht, na den smartelijksten en onrustigsten dag, dien hij ooit beleefd had.
ACHT-EN-TWINTIGSTE. HOOFDSTUK.
EEN BRIEF VAN TULLY-VEOLAN.
Des morgens, toen Waverley’s verwarde denkbeelden voor eenigen tijd in rust waren geweest, kwam er muziek bij zijn droomen, maar niet de stem van Selma [108]. Hij verbeeldde zich dat hij op Tully-Veolan was wedergekeerd, en dat hij Davie Gellatley op het voorplein die morgenliedjes hoorde zingen, die de eerste klanken plachten te zijn, waardoor hij in zijn rust gestoord werd, toen hij nog bij den baron van Bradwardine vertoefde, De tonen, welke hij nog in zijn droom had meenen te hooren, hielden aan en drongen nog duidelijk tot hem door, tot Eduard in goeden ernst wakker werd. De begoocheling scheen echter nog niet geheel geweken te zijn. Hij bevond zich wel degelijk in den toren van Ian nan Chaistel; maar het was toch de stem van Davie Gellatley, die de volgende regels onder zijn vensters zong:
Mijn hart is in ’t Hoogland, mijn hart is niet hier; Mijn hart is in ’t Hoogland, en jaagt met plezier; Het zit er de herten en reebokken na; Mijn hart is in ’t Hoogland, waar heen ik ook ga [109].
Nieuwsgierig om te weten, wat Gellatley bewogen mocht hebben zulk een buitengewoon langen tocht te doen, begon Eduard zich in allerijl te kleeden, en terwijl hij hiermede bezig was, veranderde David onderscheidene malen van gezang.
Niets vindt ge in ’t Hoogland, dan knoflook en prei, Langbeenige knapen, maar broekloos er bij: Maar ligt dat men kousen en schoenen herkrijgt, Als Koning Jacobus zijn troon weêr bestijgt [110].
Terwijl Waverley zich gekleed had en naar buiten gegaan was, had David zich bij twee of drie der talrijke Hooglandsche ledigloopers gevoegd, die de poort van het kasteel altijd met hunne tegenwoordigheid opluisterden, en sprong en danste in ’t rond, terwijl hij er zelf de wijs bij floot. In deze dubbele betrekking van danser en muzikant, ging hij voort, totdat een doedelzakspeler, die zijn bedrijven bedaard stond gade te slaan, aan het algemeen geroep van „Seid suas” (blaas op!) gehoor gaf, en hem van het laatste gedeelte zijner taak bevrijdde. Jong en oud mengde zich toen in den dans. – Waverley’s verschijning maakte geenszins een eind aan Davids lichaamsoefening, ofschoon hij, door grijnzen, knikken en allerlei buigingen van het lichaam, onzen held blijkbaar wilde doen verstaan dat hij hem herkende. Vervolgens, terwijl hij druk bezig was met de vereischte bewegingen, en intusschen allerlei geluiden maakte en met de vingers boven zijn hoofd klapte, rekte hij, op eens, zijn zijsprong, zoo dat deze hem bracht waar Waverley stond, en zich gedurig op de maat bewegende, even als Harlekijn in een pantomime, duwde hij onzen held een brief in de hand, waarop hij den dans zonder oponthoud of stoornis op nieuw voortzette. Daar Eduard zag, dat het adres van Rose’s hand was, verwijderde hij zich om den brief te lezen, terwijl hij den getrouwen overbrenger zijn lichaamsoefeningen liet voortzetten, tot het den doedelzakspeler of hem zelven vervelen zou.
De inhoud van den brief verbaasde hem in hooge mate. Oorspronkelijk was hij begonnen met „waarde heer!” maar deze woorden waren zorgvuldig uitgekrabt, en het korte „mijnheer!” daarvoor in de plaats gesteld. De rest zal in Rose’s eigen taal en stijl gegeven worden.
„Ik vrees, dat ik een ongepaste vrijheid gebruik, met u lastig te vallen; en toch kan ik het aan niemand anders overlaten, u het een en ander te doen weten, dat hier voorgevallen is, en waarmede gij noodzakelijk moet bekend wezen. Vergeef mij, zoo ik verkeerd handel; want, helaas! mijnheer Waverley, ik heb geen beteren of anderen raadsman dan mijn eigen gevoel; – mijn lieve vader is van hier gegaan, en wanneer hij terugkeeren zal om mij bij te staan en te beschermen, weet God alleen! Gij hebt waarschijnlijk gehoord, dat, ten gevolge van eenige verontrustende tijdingen uit de Hooglanden, bevelschriften werden gezonden, om verscheidene heeren in deze streken in hechtenis te nemen en daaronder ook mijn lieven vader. In weerwil van mijne tranen en gebeden, dat hij zich aan het Bewind zou overgeven, vereenigde hij zich met Falconer en eenige andere heeren, en trokken zij gezamenlijk naar het noorden, met een corps van omstreeks veertig ruiters. Dus ben ik niet zoo zeer beangst omtrent zijn oogenblikkelijke veiligheid, als wel over de gevolgen; want dit is slechts het begin van zeer onrustige tijden. Maar dit alles gaat u niet aan, mijnheer Waverley; ik dacht slechts dat het u verheugen zou te hooren, dat mijn vader ontsnapt is, ingeval gij mocht vernomen hebben, dat hij in gevaar was.
„Maar den dag, nadat mijn vader ontkomen was, verscheen er een troep soldaten op Tully-Veolan; ze gedroegen zich zeer ruw jegens den rentmeester Mac-Wheeble, ofschoon de officier heel beleefd jegens mij was; alleen zeide hij, dat zijn plicht hem gebood onderzoek te doen naar de wapenen en papieren mijns vaders. Maar vader had hiervoor gezorgd, door al de wapenen weg te nemen, uitgenomen de oude, nuttelooze dingen, die in de voorzaal hingen, terwijl hij al zijn papieren geborgen had. Dan, helaas! mijnheer Waverley, hoe zal ik u zeggen, dat ze een allernauwkeurigst onderzoek naar u deden, en vroegen, wanneer gij op Tully-Veolan geweest waart, en waar gij u nu bevondt. De officier is met zijn volk weêr heengegaan, maar een onderofficier en vier man blijven, als een soort van bezetting, in huis. Zij hebben zich tot hiertoe zeer goed gedragen, maar wij zijn genoodzaakt hen in alles te ontzien. De soldaten hebben zich echter laten ontvallen, dat gij, zoo gij in hun handen vielt, in groot gevaar zoudt zijn; ik kan niet over mij verkrijgen te schrijven, welke ondeugende leugens zij vertelden, want ik ben zeker dat het onwaarheden zijn; maar gij zult zelf best kunnen oordeelen, wat u te doen staat. De troep die terugkeerde, voerde uw knecht gevangen weg, met uw beide paarden en al wat ge te Tully-Veolan achtergelaten hebt. Ik hoop dat God u beschermen zal, en dat gij behouden in Engeland te huis zult komen, waar ge mij placht te vertellen, dat geen krijgsgeweld of vechten tusschen de clans geoorloofd was, maar dat alles geschiedde volgens billijke wetten, die alle weerloozen en onschuldigen beschermden. Ik hoop dat ge mijn vrijpostigheid zult vergeven dat ik u schreef; bedrieg ik mij niet, dan staan uwe veiligheid en eer op het spel. Ik ben verzekerd – ten minste ik geloof, dat mijn vader mijn schrijven zou goedkeuren; want mijnheer Rubrick is naar zijn neef, te Duchran, gevlucht, om buiten gevaar van de soldaten en de Whigs te zijn; en de heer Mac-Wheeble houdt er niet van, (zoo als hij zegt) zich met eens ander mans zaken te bemoeien; ofschoon ik hoop, dat, hetgeen mijns vaders vrienden in zulk een tijd van dienst kan zijn, niet als ongepaste bemoeizucht zal worden aangemerkt. Vaarwel, kapitein Waverley! ik zal u waarschijnlijk nooit weder zien; want het zou zeer ongepast zijn te wenschen, dat ge juist nu te Tully-Veolan zoudt afstappen, al waren deze mannen ook heengegaan; maar ik zal altijd met dankbaarheid uwe vriendelijkheid herdenken, en de welwillendheid waarmede ge zulk een onwetende, als ik ben, bijstondt, als mede de oplettendheden: die ge voor mijn lieven, besten vader hadt. Ik blijf uw verplichte dienares,
Rose Comyne Bradwardine.”
„P. S. – Ik hoop, dat ge mij een regeltje met David Gellatley zult zender, om te zeggen, dat ge dezen ontvangen hebt, en voorzichtig zult zijn; en vergeef mij, zoo ik u, om uw eigen wil verzoek, u volstrekt niet in deze ongelukkige kabalen te mengen, maar, zoo spoedig mogelijk, naar uw eigen gelukkig land te vluchten. Mijn groeten aan mijn lieve Flora en aan Glennaquoich. Is ze niet even mooi en knap, als ik u haar beschreef?”
Aldus sloot de brief van Rose Bradwardine, welks inhoud Waverley tegelijk bevreemdde en bedroefde. Dat de Baron, ten gevolge der beweging onder de aanhangers van het huis van Stuart, verdacht was bij het Bewind, scheen niet meer dan het natuurlijke gevolg van zijn staatkundige denkwijze; maar hoe men hem eveneens had kunnen verdenken, daar hij zich bewust was dat tot op gisteren zelfs geen gedachte bij hem tegen de regeerende familie was opgekomen, scheen hem onverklaarbaar. Zoo wel op Tully-Veolan als op Glennaquoich hadden zijn gastheeren den eed geëerbiedigd, die hem aan het bestaande Bewind verbond, en ofschoon hij toevallig had kunnen merken, dat de Baron en het Opperhoofd onder de misnoegde edelen moesten gerangschikt worden, nog in grooten getale in Schotland aanwezig, had hij echter, tot op het oogenblik, dat zijn betrekking tot het leger, door het intrekken van zijn aanstelling had opgehouden, geen reden te veronderstellen, dat ze eenige rechtstreeks vijandelijke onderneming tegen de bestaande orde van zaken in den zin hadden. Intusschen gevoelde hij wel, dat, zoo hij niet haastig besloot den voorslag van Fergus Mac-Ivor te omhelzen, het van het uiterste belang voor hem was, deze verdachte en gevaarlijke buurt terstond te verlaten, en zich daarheen te begeven waar zijn gedrag een voldoend onderzoek kon ondergaan. Hiertoe besloot hij te gereeder, daar Flora’s raad deze handelwijze begunstigde, en omdat hij een onbeschrijfelijken afkeer gevoelde van het denkbeeld, om medeplichtig te zijn aan de rampen van een burgeroorlog. Welke ook de oorspronkelijke rechten der Stuarts waren, het bedaard nadenken zeide hem, dat, de vraag daargelaten in hoe verre Jacobus de Tweede de rechten zijner nakomelingen kon verbeuren, hij toch, volgens de eenparige stem der gansche natie, de zijne wettiglijk had verbeurd. Sedert dat tijdperk hadden vier: koningen in vrede en voorspoed over Brittanje geregeerd, terwijl ze den roem van het volk buiten, en zijn vrijheden binnen ’s lands gehandhaafd en vermeerderd hadden. De rede vroeg: was het den moeite waard, een sedert zoolang gevestigd bewind te verontrusten, en een koninkrijk in al de ellende van den burgeroorlog te storten, om de afstammelingen van een koning op den troon te herstellen, door wien die troon willens en wetens verbeurd was? Doch zoo al, van den anderen kant, zijn volkomene overtuiging van de rechtvaardigheid hunner zaak, of de bevelen van zijn vader en oom hem de ondersteuning der Stuarts oplegden, dan was het nogtans noodzakelijk, dat hij zijn eigene eer handhaafde, door te bewijzen, dat hij geen stap in die richting gedaan had, zoo als men inderdaad valschelijk scheen voorgewend te hebben zoolang hij in dienst was van den regeerenden vorst.