Part 30
Toen Waverley dat gedeelte der kolonne bereikt had, hetwelk uit den clan van Mac-Ivor bestond, hielden ze halt, maakten front, en ontvingen hem met een zegedeun op de doedelzakken, gevolgd door een luid hoezee van de manschappen. Een aantal hunner kende hem persoonlijk, en verheugde zich hem in de kleeding van hun land en van hun stam te zien, „Ge juicht,” zeide een Hooglander van een naburigen clan tot Evan Dhu, „alsof het Opperhoofd zoo even bij u gekomen ware.”
„Mar e Bran is e a Brathair, als het Bran niet is, dan is het Brans broeder” was het spreekwoord dat Maccombich tot antwoord bezigde.
„O, dan is het de knappe Saksische Duinhé-wassel, die trouwen zal met freule Flora?”
„Dat kan wel zijn, of het kan niet zijn; en dat is mijn zaak, noch de uwe, Gregor.”
Fergus trad vooruit, om den vrijwilliger te omhelzen, en hem een warm en hartelijk welkom toe te brengen; maar hij achtte het noodig zich te verantwoorden omtrent de verminderde sterkte van zijn bataljon (dat geen twee honderd man te boven ging), door de aanmerking, dat hij een goed deel zijner manschappen op kleine tochten had uitgezonden.
De waarheid echter was, dat Donald Bean Lean hem van ten minste dertig geharde knapen had beroofd, op wier dienst hij vast gerekend had; en een aantal zijner van tijd tot tijd verworven aanhangers waren door hunne verschillende opperhoofden teruggeroepen tot die standaards, waaronder zij eigenlijk behoorden. Desgelijks had het mededingend opperhoofd van den grooten noordelijken tak, ook van zijn clan zijn volk gemonsterd (ofschoon hij zich nog niet voor het bewind, noch voor den Prins had verklaard) en door zijn kunstgrepen eenigszins de macht verkleind, waarmede Fergus te velde trok. Als een vergoeding voor deze tekortkoming, werd algemeen erkend, dat het volk van Vich Ian Vohr, wat houding, uitrusting, wapens, en behendigheid, betrof, met de beste troepen van het geheele leger van Karel Eduard kon wedijveren. De oude Ballenkeiroch diende als zijn majoor, en ontving, benevens de andere officieren, die Waverley op Glennaquoich hadden leeren kennen, onzen held met groote hartelijkheid, als deelgenoot van hunne aanstaande gevaren en van de eer waarop zij hoopten.
Na het dorp Duddingston verlaten te hebben, volgde de Hooglandsche armee, een geruimen tijd, den gewonen straatweg tusschen Edinburgh en Haddington, tot zij te Musselburgh de Esk overstaken; toen zij, in plaats van de lage gronden naar den zeekant te houden, meer landwaarts in trokken, en den rand der hoogte, Carberry-heuvel genoemd, bezetten, een plaats reeds bekend in de Schotsche geschiedenis, als de plek waar de schoone Maria zich aan haar oproerige onderdanen overgaf. Deze richting was gekozen, omdat de Prins bericht gekregen had, dat de troepen van het Bewind den vorigen nacht ten westen van Haddington gelegerd waren geweest, met oogmerk om naar de zeezijde af te zakken, en Edinburgh langs den lager kustweg te naderen. Door deze hoogte te bezetten, die op een aantal plaatsen den genoemden weg bestreek, hoopten de Hooglanders gelegenheid te vinden om hen met voordeel aan te vallen. Het leger hield dus halt op den bergrug van Carberry-heuvel, deels om de soldaten te laten rusten, deels omdat men van hier den marsch zou kunnen richten naar ieder punt, dat de bewegingen van den vijand als het meest raadzaam mochten aanwijzen. Terwijl ze aldus gelegerd waren, kwam er in haast een boodschapper, om te verzoeken dat Mac-Ivor zich bij den Prins zou vervoegen, en bracht tevens het bericht, dat hunne voorhoede een schermutseling had gehad met een deel van des vijands ruiterij, en dat de baron van Bradwardine enkele gevangenen had opgezonden.
Waverley, die zich voorwaarts, buiten de gelederen begeven had om zijn nieuwsgierigheid te voldoen, ontdekte spoedig een vijf- of zestal ruiters, die, met stof bedekt, waren komen aandraven, om te melden dat de vijand, westwaarts langs de kust, in vollen aantocht was. Nog een weinig verder, werd zijn oor getroffen door een zacht gekerm, dat uit een hut voortkwam. Hij naderde de plek, en hoorde een stem, in het Engelsch dialect van zijn geboorteplaats, die, schoon dikwijls door de pijn afgebroken, het „Onze Vader” poogde op te zeggen. De stem des ongeluks vond altijd terstond weêrklank in het hart van onzen held. Hij trad de stulp binnen, die bestemd scheen voor wat men in de Schotsche herdersstreken een „ziekenkooi” noemt; en in het duister kon Eduard vooreerst niets ontdekken, dan in een hoek een soort van rooden bundel. Zij, die den gekwetste van zijn wapens, en voor een gedeelte van zijn kleederen hadden beroofd, hadden hem den dragonders mantel gelaten, waarin hij gewikkeld was.
„Om Gods wil,” steunde de gewonde, toen hij Waverleys stap hoorde, „geef mij een slokje water!”
„Ge zult het terstond hebben,” antwoordde Waverley, terwijl hij hem tegelijk in zijn armen oprichtte, hem naar de deur der hut bracht, en uit zijne flesch te drinken gaf.
„Het is of ik die stem ken,” antwoordde de gewonde; maar, terwijl hij met een verwilderden blik op Eduards kleeding zag, voegde hij er bij, „neen dat is toch niet onze jonker!”
Dit was de gewone benaming, voor Eduard op de goederen van Waverley-Hanour. De stem, die hij zoo even hoorde deed zijn hart trillen en verlevendigde duizenderlei herinneringen, die het bekende dialect van zijn landgenoot reeds had helpen ontwaken. „Houghton!” riep hij, terwijl hij de trekken beschouwde, welke de dood reeds bijna onkenbaar maakte, „Houghton, is het mogelijk, zijt gij het?”
„Ik had nooit gedacht weêr de stem van een Engelschman te hooren,” hernam de gekwetste; „zij lieten mij hier liggen om te leven of te sterven, zoo als het uitkwam, toen ze begrepen, dat ik hun niet wilde zeggen hoe sterk ons regiment is. Maar, o! mijnheer, hoe kondt ge zoo lang van ons wegblijven, en ons in verzoeking laten brengen door dien boosdoener, Ruffin? – wij zouden u, zoo waar, door water en vuur gevolgd zijn.”
„Ruffin! Ik verzeker u, Houghton, dat hij u allerschandelijkst bedrogen heeft.”
„Dat heb ik meer dan eens gedacht,” zeide Houghton, „ofschoon zij ons uw cachet, met het wapen lieten zien; en daarom werd Tims doodgeschoten, en benam men mij de sergeants-strepen.”
„Put uwe kracht niet uit door spreken,” zeide Eduard, „ik zal u terstond een dokter bezorgen.”
Hij zag Mac-Ivor naderen, die thans uit het hoofdkwartier terug kwam, waar hij een krijgsraad had bijgewoond, en zich haastte om hem te ontmoeten. „Goed nieuws!” riep het Opperhoofd; „wij zullen in minder dan twee uren slaags zijn. De Prins heeft zich aan het hoofd van den tocht gesteld, en riep, zijn zwaard trekkende, uit: „Vrienden, ik heb de schede weggeworpen!” Kom, Waverley, wij breken oogenblikkelijk op.”
„Een oogenblik, – een oogenblik! deze arme gevangene is in levensgevaar; – waar vind ik een arts?”
„Een arts? Wij hebben er geen, zoo als gij weet, behalve twee of drie Fransche knapen, die, geloof ik, niet veel meer zijn dan garçons apothécaires.”
„Maar de man zal dood bloeden!”
„Arme drommel!” zeide Fergus, door een opwelling van medelijden getroffen, en voegde er oogenblikkelijk weder bij: „Maar dit zal het lot van duizenden zijn, eer het nacht is; kom dus mede.”
„Ik kan niet; ik zeg u, dat hij de zoon van een boer van mijn oom is.”
„O, zoo hij tot de uwen behoort, moet hij bezorgd worden; ik zal u Callum Beg zenden; maar Diaoel! – ceadie millia molligheart,” [144] ging het ongeduldig Opperhoofd voort, – „wat drommel! zendt een oud soldaat, als Bradwardine, ons stervenden, om ons tot last te zijn?”
Callum kwam met zijn gewone vlugheid toesnellen; en inderdaad, Waverleys bezorgdheid voor den gewonden man, deed hem veeleer in de achting der Hooglanders rijzen, dan dat ze hem schaadde. Zij zouden geen begrip gehad hebben van de algemeene menschenliefde, die het Waverley onmogelijk zou gemaakt hebben, wien ook in zulk een jammerlijken toestand voorbij te gaan; maar toen zij vernamen dat hij een der „zijnen” was, stemden zij algemeen toe, dat Waverleys gedrag dat was van een vriendelijk en liefderijk Opperhoofd, die de genegenheid van zijn volk verdiende. Binnen ongeveer een kwartier gaf de arme Humphrey den geest, na vooraf zijn jongen meester gebeden te hebben, om zoo hij op Waverley-Honour terug kwam, goed voor den ouden Job Houghton te zijn, terwijl hij hem bezwoer niet met deze woeste kortrokken tegen Oud Engeland te vechten.
Toen hij den laatsten snik gegeven had, beval Waverley – die voor het eerst getuige was van de doodsangsten eens stervenden, en een diep gevoel van leed niet zonder een zekere gewetensknaging ondervond – aan Callum, het lijk in de hut te brengen. De jonge Hooglander voldeed terstond aan dat bevel, zoodra hij eerst de zakken van den overledene onderzocht had, die echter, zoo als hij aanmerkte, zeer netjes geleêgd waren. Hij nam evenwel den mantel, en terwijl hij met de voorzichtigheid van een hond, die een been verstopt, te werk ging, verborg hij zijn buit onder eenige bremstruiken, en zette een merk zorgvuldig op de plaats, zeggende, dat, zoo hij dezen weg weêr langs mocht komen, het een schoone schoudermantel voor zijn oude moeder Elspat wezen zou.
Eerst na veel inspanning, herwonnen zij hun plaats in de voortrukkende kolonne, daar zich deze thans tamelijk snel voorwaarts bewoog, om de hooge gronden boven het dorp Tranent te bezetten, tusschen welk dorp en de zee het vijandelijke leger heen marscheren moest.
De treurige ontmoeting, die Waverley met zijn voormaligen wachtmeester gehad had, wekte in zijn ziel een aantal smartelijke en nuttelooze gedachten op. Uit de bekentenis van den gesneuvelde bleek duidelijk, dat kolonel Gardiners gedrag nauwkeurig gericht was naar, en zelfs noodzakelijk gemaakt werd door de in Eduards naam gedane stappen, om zijn krijgslieden tot muiterij aan te zetten. Nu eerst herinnerde hij zich de bijzonderheid van het cachet, en dat hij het in het hol van den roover Bean Lean verloren had. Dat de listige schelm zich er meester van gemaakt, en het als een middel gebruikt had om een list te smeden tot bereiking van zijn eigene bijzondere doeleinden, was genoegzaam bewezen; en Eduard twijfelde thans geenszins meer, of hij zou in het pakje, door des mans dochter in zijn mantelzak gestoken, verder licht over diens handelingen verspreid vinden. Te gelijker tijd klonk het herhaalde malen geuite verwijt van Houghton: „Ach, mijnheer, waarom verliet gij ons?” hem als een doodsklok in de ooren.
„Ja,” zeide hij, „ik heb jegens u inderdaad met onbedachtzame wreedheid gehandeld. Ik heb u uw vaderlijk dak doen verlaten, en u beroofd van de bescherming van een edelmoedigen en minzamen meester; en na u aan de gestrengheid der krijgstucht onderworpen te hebben, weigerde ik mijn eigen deel van den last te dragen, en verzuimde de plichten die ik op mij genomen had, door zoo wel hen, die het mijne zaak was te beschermen, als mijn eigen goeden naam, bloot te geven aan de listen van een verrader. O, traagheid en besluiteloosheid! zoo gij al op u zelve geene ondeugden zijt, tot welke ellende baant gij niet menigmaal den weg!”
TWAALFDE HOOFDSTUK.
DE AVOND VOOR DEN SLAG.
Ofschoon de Hooglanders een snellen marsch hadden afgelegd, was toch de zon aan het ondergaan, toen zij den rand dier hoogten bereikten, welke de open en uitgestrekte vlakte bestrijken, die zich noordwaarts naar de zee uitstrekt, en waarop, hoewel tamelijk ver van elkander verwijderd, de dorpen Seaton, Cockenzie en het uitgebreider Preston gelegen zijn. De lage kustweg naar Edinburgh loopt door deze vlakte, waar hij uitkomt bij Seaton-House, en bij het vlek, of dorp, Preston weder door een meer bedekte streek kronkelt. Langs dezen weg had de Engelsche generaal zich voorgenomen de hoofdstad te naderen, daar deze zoowel de gemakkelijkste weg voor zijn ruiterij was, als omdat hij waarschijnlijk van gevoelen was, dat hij, zoodoende, de Hooglanders in het front zou krijgen, terwijl ze, in de tegenovergestelde richting, van Edinburgh kwamen. Hierin bedroog hij zich; want het gezond oordeel van den Prins, of van hen aan wier raad hij het oor leende, [145] liet den onmiddellijken toegang vrij, maar bezette de voordeelig gelegene hoogten, van waar de weg overzien en bestreken kon worden.
Zoodra de Hooglanders die hoogte bestegen hadden, werden ze oogenblikkelijk, langs den rand der steilte, in slagorde geschaard. Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen de voorhoede der Engelschen, die van uit het geboomte en de omheiningen van Seaton opdaagde, met het oogmerk om den oploopenden grond tusschen de zee en de hoogten te bezetten. Daar de ruimte, die de legers verdeelde, slechts omtrent een halve mijl breed was, kon Waverley duidelijk de escadrons dragonders, het een na het ander, uit de engte te voorschijn zien komen, met hunne videtten in het front, en zich scharende op de vlakte, vlak tegenover het leger van den Prins. Ze werden gevolgd door een trein veldstukken, die, toen ze de flank van de dragonders bereikten, desgelijks in linie gebracht en tegen de hoogten gericht werden. Drie of vier regimenten infanterie marcheerden vervolgens met open kolonnes vooruit, terwijl hunne bajonetten als het ware een reeks van wandelende stalen heggen vormden, en hunne wapens bliksems schenen te schieten, toen ze, op een gegeven teeken, zich eensklaps in linie plaatsten, en onmiddellijk tegenover de Hooglanders in slagorde gesteld werden. Een tweede trein artillerie, met, nog een regiment te paard, sloot den langen stoet, en greep op de linkerflank der infanterie post, zoodat de geheele linie naar het zuiden gekeerd was.
Terwijl het Engelsche leger deze evolutiën ten uitvoer bracht, legden de Hooglanders even veel vaardigheid als verlangen naar den strijd aan den dag. Naar gelang de clans op den bergrug aankwamen, die in het front van den vijand lag, werden ze in linie geschaard, in dier voege dat beide legers op hetzelfde oogenblik in volkomen slagorde waren. Toen dit volbracht was, hieven de Hooglanders een vreeselijk gegil aan, hetwelk door de hoogten achter hen terug gekaatst werd. De geregelde troepen, die vol moed waren, beantwoordden met een luid, uitdagend geschreeuw den Schotschen oorlogskreet, en brandden een paar kanonnen op een voorpost der Hooglanders los. De laatsten verriedden het grootste verlangen om oogenblikkelijk tot den aanval over te gaan, terwijl Evan Dhu tegen Fergus, bij wijze van argument, aanvoerde, „dat de roode soldaten waggelden als een ei op de punt van een stok, en dat de troepen van den Prins het voordeel hadden van den aanval, want dat zelfs een haggis [146] (God zegene haar!) den heuvel af storm kon loopen.”
Maar ofschoon de grond, waarlangs de Schotten hadden moeten afdalen, niet zeer uitgestrekt was, was die evenwel onbruikbaar, omdat hij niet slechts moerassig, maar door muren van lossen steen afgebroken, en over de geheele lengte door een zeer breede en diepe sloot doorsneden was, wat aan het geweervuur der geregelde troepen geen geringe voordeelen zou gegeven hebben. Het gezag der bevelhebbers werd dus ingeroepen, om de onstuimigheid der Hooglanders te beteugelen, en slechts eenige weinige scherpschutters werden de steilte afgezonden, om met de voorposten der vijanden te schermutselen en den grond te verkennen.
Hier was dus een militair schouwspel te zien van meer dan gewoon belang, en hetwelk men maar zeldzaam aantreft. De beide legers, zoo verschillend in voorkomen en krijgstucht, en echter beide verwonderlijk goed geoefend volgens ieders bijzondere wijze van oorlogvoeren, en van wier worstelstrijd het tijdelijk lot, van Schotland althans, scheen af te hangen, stonden tegenover elkander, als twee zwaardvechters in het strijdperk, terwijl ieder bij zichzelven overlegt op welke wijze hij zijn vijand zal aanvallen. De hoofdofficieren en de generalenstaf van beide legers lieten zich gemakkelijk vóor het front hunner liniën onderscheiden, terwijl ze bezig waren elkanders bewegingen met hunne verrekijkers te bespieden, met het afzenden van orders, en het ontvangen van berichten, door de adjudanten en de ordonnansofficieren overgebracht, die de levendigheid van het tooneel verhoogden, door, in verschillende richtingen, heen en weêr te rennen, alsof het lot van, den dag afhankelijk was van de vlugheid hunner paarden. De ruimte, die de beide legers van elkander scheidde, werd van tijd tot tijd het tooneel van afzonderlijke en ongeregelde gevechten onder de scherpschutters, en nu en dan zag men een hoed of een muts vallen, of een gekwetste door zijn kameraden wegdragen. Doch dit waren slechts onbeduidende schermutselingen; want het strookte met het oogmerk van geen der beide partijen, om hiermede te blijven voortgaan. Uit de naburige gehuchten kwamen de boeren voorzichtig te voorschijn, alsof zij den uitslag van het dreigende gevecht bespieden wilden; en op een geringen afstand, in de baai, lagen twee schepen, die de Engelsche vlag voerden, en wier masten en want met minder vreesachtige toeschouwers waren opgevuld.
Toen deze ontzagwekkende pauze een tijd lang geduurd had, ontving Fergus, met nog een ander opperhoofd, het bevel om hunne clans naar den kant van het dorp Preston te doen trekken, ten einde de rechterflank van Copes’ leger te bedreigen, en hem te dwingen een andere stelling in te nemen. Om deze bevelen uit te voeren, bezette het opperhoofd van Glennaquoich het kerkhof van Tranent; dit was een hoogte, die de vlakte bestreek, en bijzonder geschikt was, zooals Evan Dhu aanmerkte, voor iederen heer, die het ongeluk mocht hebben van gedood te worden, en op een Christelijke begrafenis gesteld was. Om deze afdeeling in bedwang te houden, of om ze te verdrijven, zond de Engelsche generaal twee stukken geschut af, door een sterke afdeeling ruiterij gedekt. Zij naderden zoo dicht bij, dat Waverley duidelijk den standaard der compagnie kon onderscheiden welke hij voorheen had gecommandeerd, en de trompetten en pauken, aan wier klank hij zoo dikwijls gehoorzaamd had, het sein tot voortrukken kon hooren geven. Hij kon ook de welbekende woorden, in de Engelsche taal hooren uitbrengen, door de even bekende stem van den bevelvoerenden Officier, voor wien hij eens zooveel eerbied had gevoeld. Het was op dit oogenblik, dat hij, zijn oogen rondom zich slaande, de woeste kleeding en het voorkomen van zijn Hooglandsche makkers ontwaarde, hun fluisteren in een ruwe en onbekende taal hoorde, op zijn eigene uitrusting staarde, zoo verschillend van de kleeding door hem van zijn kindschheid af gedragen, – en door den plotselingen wensch bezield werd te ontwaken uit hetgeen hem thans een vreemde, verschrikkelijke en onnatuurlijke droom toescheen. „Goede Hemel!” dacht hij, „ben ik dan een verrader van mijn vaderland, een verzaker van mijn vaandel, en een vijand, zooals die arme Houghton zich uitdrukte, van dat Engeland dat mij zag geboren worden?”
Eer hij deze gedachten tot rijpheid brengen of smoren kon, viel de ranke krijgsmansgestalte van zijn voormaligen Overste, die de plaats wenschte te verkennen, hem duidelijk in het oog. „Nu kan ik hem raken,” zeide Callum, terwijl hij zijn geweer voorzichtig aanlegde over den muur, waarachter hij op nauwelijks zestig ellen afstands verborgen lag.
Het scheen Eduard toe alsof hij op het punt stond een vadermoord te zien begaan; want het eerwaardige grijze haar en het sprekende gelaat van den ouden krijgsman, herriepen in zijn geest den bijna kinderlijken eerbied, welke zijn officieren hem algemeen toedroegen. Maar eer hij een woord kon zeggen, hield een bejaarde Hooglander, die naast Callum lag, diens arm tegen. „Spaar uw schot,” zei de ziener, „zijn uur is nog niet gekomen. Maar laat hem zich wachten voor morgen – ik zie zijn doodskleed op zijn borst.”
Callum, die voor alle andere bedenkingen geheel onvatbaar zou zijn gebleven, was zeer toegankelijk voor het bijgeloof. Hij werd bleek bij het gezegde van den Taishair, en trok zijn geweer terug. Kolonel Gardiner, onkundig van het gevaar, waaraan hij ontsnapt was, keerde zijn paard om, en reed langzaam naar zijn regiment terug.
Thans had het geregelde leger een nieuwe linie gevormd; de eene flank er van was gericht naar de zee, en de andere leunde tegen het dorp Preston. Daar deze stelling dezelfde zwarigheden met betrekking tot den aanval opleverde, kregen Fergus en het geheele detachement bevel naar hun vorigen post terug te keeren. Deze verandering veroorzaakte een daarmede overeenkomstige frontsverandering van het leger van generaal Cope, zoo dat dit op nieuw in een linie, evenwijdig met die der Hooglanders, geplaatst werd. Deze aan weerszijde volbrachte bewegingen, hadden vrij wat tijd vereischt; de dag was bijna verloopen, en de beide legers maakten zich gereed, om den nacht onder de wapens door te brengen, in de stellingen, die ze reeds bezet hielden.
„Er zal van avond niets gebeuren,” zeide Fergus tot zijn vriend Waverley; „laat ons, eer we ons in onzen plaid wikkelen, gaan zien, wat de Baron, hier in de achterhoede, al zoo uitricht.”
Toen ze zijn post naderden, vonden ze den goeden, ouden, voorzichtigen Officier, nadat hij zijn nachtpatrouiljes afgezonden, en zijn schildwachten uitgezet had, bezig voor de rest van zijn volk de avonddienst der Episcopale Kerk te lezen. Zijn stem was krachtig en welluidend, en ofschoon de bril op zijn neus, en het voorkomen van Saunders Saunderson, die in uniform den post van voorzanger waarnam, iets belachelijks hadden, gaven de gevaarvolle omstandigheden, waarin ze verkeerden, het militair kostuum van het gehoor, en het gezicht hunner paarden, die gezadeld en gepiketteerd achter hen stonden, iets indrukwekkends en plechtigs aan deze godsdienstoefening.
„Ik heb vandaag al gebiecht, eer ge wakker waart,” fluisterde Fergus Waverley in, „en echter ben ik lang zoo’n stijve Katholiek niet, dat ik weigeren zou mij te vereenigen met de gebeden van dezen goeden man.” Eduard knikte toestemmend, en ze wachtten tot de Baron de dienst geëindigd had.
Zoodra hij het boek dicht deed, zeide hij: „Nu jongens, gaat het er morgen op los met zware handen en ligte gewetens.” Thans groette hij vriendelijk Mac-Ivor en Waverley, die verzochten zijn gevoelen omtrent hun toestand te mogen vernemen. „Welnu! ge weet, dat Tacitus zegt, in rebus bellicis maxime dominatur Fortuna, hetgeen zoo wat met ons nationaal spreekwoord overeenkomt: „In den oorlog hangt veel van ’t geluk af.” Maar gelooft mij, mijne heeren, de man daar tegenover ons is geen meester in zijn vak. Hij dooft den moed der knapen waarover hij het bevel voert, uit, door hen alleen verdedigend te laten handelen, hetwelk op zichzelf altijd minderheid, of vrees te kennen geeft. Nu zullen ze ginds op hunne wapens rusten, zoo ongerust en ongemakkelijk, als een pad onder een egge, terwijl onze manschappen volkomen frisch en vroolijk zullen zijn, als het er morgen op los gaat. – Nu, goeden nacht! – Eén ding verontrust mij, maar als het morgen goed afloopt, zat ik u er over spreken, Glennaquoich.”
„Ik kan bijna van Bradwardine zeggen, wat Henry omtrent Fluellen [147] beweert,” zeide Waverley, terwijl zijn vriend en hij weder naar hun bivak wandelden:
„Al schijnt hij ook wat ouderwetsch en bot, Daar ’s overleg en moed in dezen Schot.”
„Hij heeft veel gezien,” hernam Fergus, „en men staat er somtijds verbaasd over, hoeveel dwaasheid en wijsheid in zijn persoon vereenigd zijn. Ik begrijp niet, wat hem verontrusten kan – misschien iets Rose betreffende. Hoor! de Engelschen zetten hun wachten uit.”
Het tromgetroffel en het schelle accompagnement der pijpers liet zich hooren, verwijderde zich, begon op nieuw en zweeg eindelijk geheel. De trompetten en pauken voerden vervolgens den schoonen en woesten oorlogsdeun uit, voor dit gedeelte van den avonddienst bestemd; eindelijk stierf het geluid weg, alsof het zich met den wind ter ruste legde.
De beide vrienden, die nu hun post bereikt hadden, bleven een oogenblik stilstaan en zagen rond, eer ze zich ter rust nedervlijden. In het westen flikkerden de sterren aan den hemel; maar een koude mist, die uit den Oceaan oprees, bedekte den oostelijken gezichteinder, en rolde, in witte wolken over het veld, waar de vijandelijke armee gelegerd was. De voorposten er van strekten zich uit, tot aan den kant van de breede sloot, beneden de schuinsche hoogte, en hadden op zekere afstanden groote vuren ontstoken, die met doffen, donkeren gloed door den dikken nevel heengloorden, welke ze met een geheimzinnigen kring omsluierde.
De Hooglanders lagen, „dicht als het gebladerte in Valambrosa,” uitgestrekt op den rug van de heuvels, met uitzondering van de schildwachten, in de diepste rust verzonken. „Hoe vele van deze brave kerels zullen, eer het morgenavond is, vaster slapen, Fergus!” zeide Waverley, terwijl hem onwillekeurig een zucht ontsnapte.