Part 1
W. M. THACKERAY
GESCHIEDENIS VAN ARTHUR PENDENNIS
ZIJN VOOR- EN TEGENSPOED ZIJN VRIENDEN EN ZIJN GROOTSTEN VIJAND
DE VERTALING HERZIEN DOOR DR. M. P. LINDO
SCHIEDAM H. A. M. ROELANTS
GESCHIEDENIS VAN ARTHUR PENDENNIS.
EERSTE HOOFDSTUK.
WAARIN MEN ZIET HOE EENE EERSTE LIEFDE EEN ONTBIJT KAN VERSTOREN.
Op zekeren fraaien morgen in het hartje van het Londensche seizoen kwam majoor Arthur Pendennis van zijn kamers, om naar gewoonte te gaan ontbijten in zekere club in Pall Mall, waarvan hij een der grootste sieraden was. Daar hij onder de beste wijnkenners in Engeland behoorde, en een man was van een werkzamen, gebiedenden en onderzoekenden geest, was hij zeer te recht tot lid der commissie van beheer der club verkozen, ja men kon bijna zeggen, dat hij de bestuurder dier inrichting was; en de hofmeesters en knechts bogen voor hem even onderdanig als voor een hertog of een veldmaarschalk.
De majoor verscheen altijd zonder feil kwart over tienen, met de best gepoetste laarzen uit gansch Londen, eene geruite morgendas, waarin tot op het uur van het diner geen kreukje kwam, een geel vest, welks knoopen de koninklijke kroon droegen, en linnen zoo smetteloos, dat Brummel [1] zelf hem den naam zijner waschvrouw gevraagd had en haar zeker met zijne klandizie zou begunstigd hebben, zoo de tegenspoed dien grooten man niet genoodzaakt had uit zijn land te vluchten. De rok, de witte handschoenen, de bakkebaarden, ja tot zelfs de rotting van Pendennis waren in hun soort volmaakte toonbeelden van de uitrusting van een gepensioneerd militair. Zag men hem op een afstand, of enkel op den rug, men zou hem niet meer dan dertig jaren gegeven hebben; alleen van naderbij ontdekte men, dat zijn weelderig bruin haar niet echt was, en dat zich eenige rimpels vertoonden rondom de eenigszins verflauwde oogen in zijn niet onbevallig en blozend gelaat. Zijn neus was van het Wellington model. Zijne handen en manchetten waren sierlijk lang en blank. Aan de laatstgenoemde had hij fraaie gouden knoopen, een geschenk van zijne koninklijke hoogheid den hertog van York, en aan de eerste meer dan één eleganten ring, waarvan de voornaamste en grootste met het vermaarde wapen der familie Pendennis versierd was.
Hij nam altijd dezelfde tafel in hetzelfde hoekje van het vertrek in bezit, waaruit nu nooit iemand meer op de gedachte kwam om hem te verjagen. Een paar dolle snaken en wilde knapen hadden in vroeger tijd voor de grap, of uit plaagzucht, hem een paar malen van zijne plaats trachten te berooven; doch er was, toen de majoor zich aan het volgende tafeltje zette en zijn blik op de indringers liet rusten, zulk eene kalme waardigheid in zijne houding, dat geen mensch bij mogelijkheid rustig onder zijn oog kon zitten ontbijten, en die tafel – bij het vuur, en toch dicht bij het venster – werd zijn eigendom. De voor hem aangekomen brieven werden daar in afwachting van zijne komst neergelegd, en menig jong lid der club staarde met verbazing op dat aantal missives met de verschillende poststempels en lakken. Wanneer men weten wilde wat de etiquette voorschreef, wat er in de voorname kringen gebeurde, wie getrouwd was met dezen of genen, of hoe oud die of die hertog wel was, dan was Pendennis de man, tot wien iedereen zich wendde. Markiezinnen hielden dikwijls met haar rijtuig aan de club stil en gaven briefjes voor hem over, of kwamen hem afhalen. Hij was de minzaamheid zelf. De jongelieden wandelden gaarne met hem in het park of door Pall Mall, want hij groette iedereen, en om den anderen was het een „lord,” dien hij ontmoette.
De majoor zette zich dus aan zijn gewoon tafeltje, en terwijl de bedienden liepen om zijn geroosterd brood en zijne courant te halen, bekeek hij zijne brieven door zijn gouden dubbel lorgnet. Hij hanteerde dit zoo luchtig, dat men weinig vermoed zou hebben dat het een vermomde bril was, en onderzocht het eene elegante briefje na het andere en rangschikte ze in zekere orde. Er waren groote en deftige uitnoodigingskaarten voor diners, die aan drie entrées en eene vervelende conversatie deden denken; er waren sierlijke, kleine, vertrouwelijke briefjes, die verzoeken van dames inhielden; er was een brief op dik officieel papier van den markies van Steyne, die hem verzocht te Richmond te komen deelnemen aan een partijtje in het beroemde logement The Star and Garter, en daar Fransch te spreken, eene taal, die de majoor meester was; en een andere brief, waarbij de hoogeerwaarde heer Trail, bisschop van Ealing, en zijne vrouw verzochten de eer te mogen smaken van majoor Pendennis’ gezelschap op Ealing House, al welke geschriften de majoor met genoegen las, en dat te meer, daar Glowry, de Schotsche chirurgijn, die tegenover hem zat te ontbijten, het aanzag en een hekel aan hem had, omdat hij zooveel uitnoodigingen kreeg, terwijl nooit iemand er een aan Glowry zond.
Toen de majoor dat alles had doorgezien, haalde hij zijn zakboekje uit, om na te gaan op welke dagen hij vrij was, en welke van die vele gastvrije uitnoodigingen hij bij machte was aan te nemen en welke hij van de hand moest wijzen.
Hij liet Cutler, den Mededirecteur der Oost-Indische Compagnie, in Baker Street, in den steek, ten einde met Lord Steyne en het kleine Fransche gezelschap in den Star and Garter te kunnen dineeren; des bisschops uitnoodiging nam hij aan, omdat hij, ofschoon de maaltijd vervelend was, gaarne met bisschoppen aanzat; en zoo liep hij de lijst door en besliste naarmate van zijn lust of belang. Daarop ontbeet hij, liet de oogen over het nieuwsblad gaan, las de benoemingen, geboorten en sterfgevallen, de nieuwtjes uit de voorname wereld, onderzocht of zijn naam niet vergeten was in de lijst der gasten, die de partij bij Lord Die-en-die bezocht hadden, en onderhield zich, in de oogenblikken van verpoozing tusschen al die verschillende bezigheden, op opgeruimden toon met zijne aanwezige bekenden.
Van de brieven, die heden morgen majoor Pendennis ontvangen had, was er slechts één ongelezen gebleven; die lag eenzaam en verre van al die aanzienlijke Londensche brieven en droeg een plattelandspostmerk en een eenvoudig lak. Het adres was in eene fijne en fraaie vrouwenhand geschreven, en hoewel de schoone schrijfster er cito had bijgezet en dit woord met eene streep, die van zenuwachtigheid getuigde, onderhaald was, had de majoor echter, om bijzondere redenen, tot nog toe die nederige verzoekster van het platteland laten liggen, die dan ook onder zooveel groote lui, die hunne opwachting bij hem kwamen maken, bezwaarlijk op een gehoor kon hopen. Het was, om de waarheid te zeggen, een brief van eene schoonzuster van Pendennis, en terwijl de voorname bekenden van haar broeder ontvangen werden en een onderhoud kregen en als het ware weder wegreden, bleef de geduldige plattelandsbrief een geruimen tijd in de voorzaal, onder de spoelkom, op audiëntie wachten.
Maar eindelijk kwam ook deze brief met zijn postmerk „Clavering St. Mary’s” aan de beurt, en verbrak de majoor het lak, waarop „Fairoaks” gegraveerd stond. Er was een andere brief bij ingesloten, en de majoor begon den omslag te lezen eer hij op het binnenste aanviel.
„Was dat ook een brief van een hertog,” gromde Glowry inwendig, „dan ben ik zeker, dat Pendennis hem niet tot het laatst zou hebben gelaten.”
„Waarde majoor Pendennis,” begon de brief, „ik verzoek en smeek u, dadelijk tot mij te komen,” – dat kunt gij begrijpen, dacht Pendennis; en dan Steyne’s diner vandaag? – „ik verkeer in de grootste smart en verlegenheid. Mijn beste jongen, die tot nog toe alles geweest is wat de teerhartigste moeder kon wenschen, grieft mij vreeselijk. Hij heeft – ik kan het haast niet neerschrijven – eene genegenheid, een verblinden hartstocht opgevat,” – hier grijnsde de majoor – „voor eene actrice, die hier gespeeld heeft. Zij is minstens twaalf jaar ouder dan Arthur – die in Februari aanstaande pas achttien zal worden – en die kwajongen wil haar met geweld trouwen.”
„Hé! waarom vloekt Pendennis zoo?” vroeg Glowry in zich zelven, want woede en verwondering waren te lezen in den open mond van den majoor, toen hij die verbazende tijding las.
„Kom toch, beste vriend,” ging de van smart verslagene dame voort, „kom dadelijk tot mij als gij dezen ontvangt, en verzoek en beveel gij, als Arthur’s voogd, dat mijn rampzalig kind dit allernoodlottigst besluit opgeve.” En na nog verscheidene aansporingen van dien aard, eindigde de schrijfster met zich te teekenen, „des majoors ongelukkige, maar toegenegene zuster, Helena Pendennis.”
„Fairoaks, Dinsdag,” eindigde de majoor, de laatste woorden van den brief lezende. „Een verd..... mooi geval op Fairoaks, Dinsdag! – laten wij nu eens zien wat de jongen zelf te zeggen heeft;” en bij die woorden nam hij den anderen brief op, geschreven in eene groote ongeregelde jongenshand, verzegeld met het groote zegel der Pendennis’en, nog grooter dan dat van den majoor, en met veel noodeloos lak rondom het cachet, een bewijs van het beven en van de zenuwachtigheid van den schrijver.
De brief was van dezen inhoud:
„Fairoaks, Maandag, middernacht.
„Waarde Oom,
„Als ik u kennis geef van mijn engagement met mejufvrouw Costigan, dochter van den heer J. Chesterfield Costigan, van Costiganstown, u echter misschien beter bekend onder den naam, dien zij in de kunstwereld heeft aangenomen, als mejufvrouw Fotheringay van de koninklijke schouwburgen in Drury Lane en Crow Street, geëngageerd voor de kunstreizen naar Norwich en door Wallis, dan weet ik, dat ik u eene kennisgeving doe, die, althans naar de tegenwoordige vooroordeelen der maatschappij, aan mijne familie niet aangenaam kan zijn. Mijne lieve moeder, wie ik – God is mijn getuige – nooit eenige noodelooze smart zou willen berokkenen, is, het spijt mij dat ik het zeggen moet, diep ontroerd en getroffen door de mededeeling, die ik haar heden avond gedaan heb. Ik bezweer u, oom-lief, hier te komen, om haar tot rede te brengen en te troosten. Ofschoon mejufvrouw Costigan wegens gebrek aan fortuin genoodzaakt is een eervol onderhoud te verdienen door partij te trekken van hare schitterende talenten, is hare familie zoo oud en edel als de onze. Toen onze voorvader Rolf Pendennis met Richard II in Ierland aankwam, waren de voorvaderen mijner Emily koningen van dat gewest. Ik weet dit van mijnheer Costigan, die evenals gij een militair is.
„Ik heb tevergeefs getracht met mijne lieve moeder te redeneeren, en haar te bewijzen, dat eene jonge dame, op wier naam en afkomst niets aan te merken is, die de schitterendste gaven van schoonheid en genie bezit, die zich wijdt aan de uitoefening van een der edelste vakken, met het loffelijke doel om hare betrekkingen te onderhouden, iemand is, die wij allen eerder zouden moeten liefhebben en vereeren, dan schuwen. Mijne arme moeder is met vooroordeelen behebt, die mijne redeneeringen niet uit den weg kunnen ruimen, en weigert een meisje in hare armen te sluiten, dat levenslang hare liefhebbende dochter zou willen zijn.
„Ofschoon mejufvrouw Costigan eenige jaren ouder is dan ik, behoeft dit geen hinderpaal tegen mijne genegenheid te zijn, en ik weet, dat het een invloed op de duurzaamheid er van zal hebben. Eene liefde als de mijne, waarde oom, weet ik, dat voor het leven is. Gelijk ik nooit van liefde gedroomd had voordat ik haar zag, gevoel ik nu, dat ik sterven zal zonder ooit een anderen hartstocht te kennen: Ik heb mijne bestemming gevonden. Mejufvrouw Costigan was het zelve, die in hare kieschheid mij indachtig maakte, dat het verschil van leeftijd, waarop ik nimmer zou gelet hebben, een hinderpaal tegen onze vereeniging kon zijn. Doch na eenmaal liefde opgevat te hebben, zou ik mij zelven verachten en den naam van gentleman onwaardig zijn, indien ik aarzelde gestand te blijven aan mijne genegenheid; indien ik niet alles gaf waar ik alles gevoelde, en niet mijn gansche hart en mijn gansche fortuin schonk aan de vrouw, die mij zoo teer bemint.
„Ik dring op een spoedig huwelijk met mijne Emily aan – want waarom het toch uit te stellen? Uitstel geeft een twijfel te kennen, dien ik, als mijner onwaardig, verre van mij werp. Mijne gevoelens ten opzichte van Emily kunnen onmogelijk veranderen; op geen leeftijd kan zij iets anders zijn dan het eenige voorwerp mijner liefde. Waarom dan te wachten? Ik smeek u, waarde oom, hier te komen en mijne lieve moeder vrede te doen hebben met onze vereeniging, en ik wend mij tot u als een man van de wereld qui mores hominum multorum vidit et urbes, die geen zier van die zwakke bezorgdheid en vrees zal gevoelen, welke eene vrouw beklemt, die den voet bijna niet buiten haar dorp heeft gezet.
„Ik bid u, dadelijk tot ons te komen. Ik houd mij overtuigd, dat gij – beschouwingen van geheel wereldlijken aard, wat het geld betreft, daarbuiten gelaten – mijne Emily zult bewonderen en mijne keus goedkeuren.
„Uw toegenegen neef,
Arthur Pendennis Jr.”
Toen de majoor dezen brief uitgelezen had, stond er zooveel toorn en afgrijzen op zijn gelaat geschilderd, dat Glowry, de chirurgijn, in zijn zak naar zijn lancet zocht, dat hij altijd in zijn etui met visitekaartjes had, daar hij verwachtte, dat zijn geachte vriend eene beroerte zou krijgen. Het bericht was dan ook toereikend, om Pendennis van zijn stuk te brengen: het hoofd der Pendennis’en op het punt om eene actrice te trouwen, die tien jaar ouder was dan hij! een onberaden knaap van zins om blindelings in den strik te loopen! „De moeder heeft dien jongen schavuit door hare verwenschte sentimentaliteit en romantischen onzin bedorven,” bromde de majoor. „Mijn neef eene tooneelprinses trouwen! Genadige hemel, men zal mij zóó uitlachen, dat ik mijn gezicht niet meer zal durven vertoonen.” En daarbij bedacht hij met onuitsprekelijke zielesmart, dat hij er het diner met Lord Steyne te Richmond aan moest geven, en dat hij zijne rust moest opofferen en den nacht in eene verfoeielijke, bedompte diligence doorbrengen, in plaats van, gelijk hij had voorgenomen, zich te ontspannen in het gezelschap van het onderhoudendste en meest uitgezochte gezelschap in geheel Engeland.
En hij moest niet alleen van deze, maar een tijdlang van alle andere partijen afstand doen. Wie toch kon zeggen, hoelang die zaak hem ophouden zou! Hij ging van zijne ontbijttafel naar de aangrenzende zaal, en schreef daar, met diepe smart, weigerende antwoorden aan den markies, den graaf, den bisschop en allen, die hem genoodigd hadden. Daarop liet hij zijn knecht plaatsen bespreken in de diligence van dien avond, waarbij hij natuurlijk de reiskosten op rekening stelde van de weduwe en van den jongen guit, waarover hij voogd was.
TWEEDE HOOFDSTUK.
EEN STAMBOOM EN ANDERE FAMILIE-AANGELEGENHEDEN.
In het begin van het regentschap van George den Prachtlievende woonde in een stadje in het westen van Engeland, Clavering geheeten, zeker heer met name Pendennis. Er leefden er nog, die zich herinnerden zijn naam geschilderd te hebben gezien op een bord onder een vergulden vijzel en stamper, boven de deur van een zeer gering winkeltje in Bath, waar de heer Pendennis het beroep van apotheker en chirurgijn uitoefende, en waar hij niet alleen heeren op hunne ziekenkamers en dames in de belangwekkendste tijdperken van haar leven bezocht, maar zich ook wilde verwaardigen om eene hechtpleister aan eene boerin aan de toonbank te verkoopen, of tandenborstels, haarpoeier en Londensche parfumerieën aan den man te brengen. Deze feiten waren sommige lieden te Clavering bereid te bezweren, want de herinnering hield daar misschien langer stand dan in eene groote en drukke hoofdstad.
En evenwel was dat apothekertje, dat aan den komenden man een stuiver vlugzout of een welriekend stuk Windsor-zeep verkocht, een gentleman van goede opvoeding en van eene familie zoo oud als de beste in het graafschap Somerset. Hij bezat een Cornwallschen stamboom, die de Pendennis’en tot den tijd der Druïden deed opklimmen, en de hemel weet hoeveel hooger. Zij hadden zich eerst in later tijd met de Normandische geslachten verzwagerd en waren aan al de groote familiën van Wallis en Bretagne vermaagschapt. Pendennis had ook voor een gedeelte eene academische opleiding genoten, en zou dien weg wellicht verder met grooten roem bewandeld hebben, zoo het noodlot niet in het tweede jaar van zijn verblijf te Cambridge gewild had, dat zijn vader stierf, waardoor de arme Pen genoodzaakt werd tot den stamper en den vijzel over te gaan. Hij had altijd een afkeer van zaken gehad, en het was alleen nooddwang en het aanbod van zijn moeders broeder, een Londensch apotheker van geringe familie, tot welke Pendennis’ vader zich door zijn huwelijk verlaagd had, die John Pendennis tot zulk een afschuwelijk beroep dreven.
Hij scheidde zich spoedig na zijne leerjaren van zijn onbeschaafden oom en vestigde zich te Bath met een bescheiden medisch uithangbord. Een tijdlang had hij een harden strijd tegen de armoede te voeren, en het uiterste wat hij doen kon, was den winkel en diens vergulde sieraden behoorlijk te onderhouden en het zijner bedlegerige moeder gemakkelijk te maken. Doch het gebeurde eens, dat Lady Ribstone, op weg naar de concertzaal, door een dronken Ier, die haar draagstoel torschte, tegen Pen’s eigen deurstijl geslagen werd, waarbij de draagstok zelfs door de fraaiste lichtroode flesch heenging, die het venster van den chirurgijn versierde. De dame sprong gillende uit het voertuig en werd in den winkel van mijnheer Pendennis met een stoel geriefd, terwijl men haar met kaneelwater en vlugzout weder tot haar zelve bracht.
Mijnheer Pendennis’ manieren waren zoo ongemeen fatsoenlijk en werkten zoo bedarend, dat Milady, de echtgenoote van Sir Pepin Ribstone, baronet, van Codlingbury in het graafschap Somerset, haar redder, gelijk zij hem noemde, tot apotheker van haar en hare familie, die zeer talrijk was, aanstelde. Toen de jonge heer Ribstone van de school te Eton gekomen was om de kerstvacantie thuis door te brengen, overlaadde hij zich de maag en kreeg eene koorts, waarbij Pendennis hem met groote bekwaamheid en teedere zorg behandelde. Met één woord, hij kwam in de gunst bij de familie van Codlingbury, en van dien dag af begon het hem voor den wind te gaan. De aanzienlijke lui van Bath hielden hem de hand boven het hoofd, en het waren inzonderheid de dames, die hem op de handen droegen en bewonderden. Eerst veranderde hij zijn onaanzienlijk winkeltje in een fraaien winkel; daarop schafte hij zijn debiet van tandenborstels en parfumerieën af, als onvoegzaam voor een heer van deftige afkomst; vervolgens sloot hij zijn winkel geheel en al en behield alleen eene kleine apotheek, waarin een fatsoenlijk jonkman hem behulpzaam was; toen hield hij een wagentje met een knecht om hem te rijden; en vóór haar scheiden uit de wereld had zijne arme oude moeder nog het genoegen, uit het venster harer slaapkamer, waar haar stoel heengerold werd, haar beminden John in een gesloten eigen rijtuig te zien stappen, wel is waar een rijtuig voor slechts één paard, maar met het wapen der familie Pendennis fraai geschilderd op de portieren. „Wat zou Arthur nu wel zeggen,” vroeg zij, doelende op een jonger zoon van haar, „die mijn besten Johnny niet ééns is komen opzoeken in al den tijd zijner armoede en beproevingen?”
„Kapitein Pendennis is met zijn regiment in Indië, moeder,” merkte mijnheer Pendennis aan, „en, met uw welnemen, zou ik wenschen, dat gij mij niet Johnny noemdet in tegenwoordigheid van dien jongen man – van Parkins.”
Eerlang kwam de dag, dat zij ophield haar zoon met Johnny of eenig ander zoet naampje aan te spreken, en het was nu in zijn huis zeer eenzaam zonder die vriendelijke, hoewel klagende stem. Hij liet zijne nachtbel verplaatsen en overbrengen in de kamer waar de goede oude vrouw zoo menig lang jaar had zitten morren, en hij ging in het hooge en ruime bed daar slapen. Hij was over de veertig, toen deze gebeurtenissen voorvielen; voordat de oorlog afgeloopen was; voordat George de Prachtlievende den troon besteeg; ja vóór den tijd van deze geschiedenis: maar wat is een gentleman zonder stamboom? Pendennis had den zijne tegen dezen tijd in eene fraaie lijst en achter glas doen ophangen in zijne receptiekamer, tusschen de afbeeldingen van den huize Codlingbury in Somersetshire en het St.-Bonifacius-College te Cambridge, waar hij de korte en blijde dagen van zijn jongelingsleven had doorgebracht. Dien stamboom had hij uit een koffer gehaald, – gelijk Sterne’s officier om zijn degen riep, – nu hij een gentleman was en hem toonen mocht.
Omstreeks den tijd van het afsterven van mevrouw Pendennis overleed ook eene andere van haar zoons patiënten te Bath, en wel die deugdzame oude Lady Pontypool, dochter van Reginald, twaalfden graaf van Bareacres, en bijgevolg achter-oudtante van den tegenwoordigen graaf, en weduwe van John tweeden Lord Pontypool, alsmede van den weleerwaarden John Wales, van de Armageddon-kapel te Clifton. Gedurende de vijf laatste jaren haars levens werd Milady opgepast door mejufvrouw Helens Thistlewood, eene zeer verre bloedverwante van het bovengenoemde edele huis van Bareacres, en dochter van den luitenant ter zee R. Thistlewood, die in den slag van Kopenhagen sneuvelde. Onder het dak van Lady Pontypool vond jufvrouw Thistlewood eene behaaglijke schuilplaats, voor zooveel kost en inwoning betrof, maar zij zuchtte onder zulk eene helsche tirannie, als alleen vrouwen elkander kunnen aandoen, of van elkander verdragen. De dokter, die ten minste tweemaal daags Lady Pontypool bezocht, moest noodwendig de engelachtige zachtheid en vriendelijkheid opmerken, waarmede het meisje de smadelijke bejegeningen van hare oude bloedverwante verduurde; en het was toen zij in de achterste rouwkoets stapten, om het geëerbiedigde overschot van de oude dame naar de abdij van Bath, waar het thans rust, te vergezellen, dat hij de jonge dame in het zachte bleeke gelaat zag en besloot haar zekere vraag te doen, welker strekking zijn pols ten minste negentig slagen in de minuut deed aangeven.
Hij was meer dan twintig jaar ouder dan zij, en in geen tijdperk zijns levens had hij tot de zeer hartstochtelijke menschen behoord. Misschien had hij in vroeger tijd een minnehandel moeten smoren – misschien ware het maar goed, dat alle eerste liefdesgeschiedenissen gesmoord of verdronken wierden als jonge katjes; – maar hoe dit zij, op zijn drie en veertigste jaar was hij een bedachtzaam, bedaard heertje met zwarte kousen en een kaal hoofd, en weinige dagen na de begrafenis bracht hij haar een bezoek, en toen hij haar den pols voelde, hield hij hare hand in de zijne vast en vroeg haar waarheen zij nu gaan zou, nu de familie Pontypool op de nalatenschap was neergestreken, die in kisten gespijkerd, en in manden gepakt, en met hooi omzwachteld, en in stroo bedolven, en met drie sloten in met groen baai bekleede zilverkisten weggeborgen, en onder de oogen van de arme jufvrouw Helena weggereden werd, – hij vroeg haar waar zij nu voorgoed zou gaan wonen?
Hare oogen schoten vol tranen en zij antwoordde, dat zij het niet wist. Zij bezat een weinigje geld. De oude dame had haar – zoo waar! – duizend pond sterling vermaakt en zij zou dus in een kosthuis gaan, of op eene school; eigenlijk wist zij nog niet waarheen.
Toen vroeg haar Pendennis, terwijl hij in het bleeke gezichtje staarde en haar koude handje bleef vasthouden, of zij bij hem wilde komen wonen? Hij was oud in vergelijking van – van zulk eene bloeiende jonge dame als mejufvrouw Thistlewood (Pendennis behoorde nog tot de oude wellevende school van gentlemen en apothekers), maar hij was van goede afkomst, en, naar hij zich vleide, ook van goed karakter en humeur. Zijne vooruitzichten waren goed en werden met den dag beter. Hij stond alleen in de wereld en had behoefte aan eene welwillende en trouwe gezellin, wier geluk het doel van zijn leven zou zijn; kortom, hij zeide eene kleine redevoering bij haar op, die hij denzelfden morgen in zijn bed bedacht en in zijn rijtuig gerepeteerd en gepolijst had, toen hij bij de jonge dame zijne opwachting ging maken.