Part 77
Sedert eenigen tijd had Pen’s oom zich in denzelfden geest tegen jufvrouw Amory uitgelaten. Hij had haar aandacht gevestigd op de aanbevelenswaardige zijde van het huwelijk, dat hem zoozeer ter harte ging, en achtte zich verplicht er bij te voegen, dat weinig, neen niets, zoo goed was om op te trouwen als wederkeerig belang. „Let maar eens op die huwelijken uit liefde, mijn schatje. De lieden, die enkel uit liefde trouwen, staan bekend wegens het oneenige leven dat zij later leiden, en een meisje, dat met Jan naar Gretna Green vlucht, neemt altijd in het vervolg met Piet de vlucht naar Zwitserland. Het voorname punt bij een huwelijk is, dat de beide partijen overeenkomen elkander zooveel mogelijk van nut te zijn. De dame brengt de middelen aan en de heer doet ze vruchten dragen. De vrouw van mijn jongen verschaft hem het paard, en Pen neemt daarmede deel aan den wedren en wint den prijs. Dat is wat ik een verstandig huwelijk noem. Zulk een paar heeft wat te behandelen als zij bij elkander zitten. Al hadden zij Cupido zelf om mee te praten – gesteld dat Blanche en Pen Cupido en Psyche waren – dan zouden zij al na weinige avonden beginnen te geeuwen wanneer, zij geen andere onderwerpen dan sentimentaliteiten hadden.”
Jufvrouw Amory van haar kant was vrij wel met Pen tevreden, zoolang zij niemand beters had. Hoeveel andere jonge dames gelijken haar wel? en hoeveel huwelijken uit liefde houden het tot het eind vol? en hoeveel sentimenteele firma’s gaan niet ten slotte bankroet? en hoeveel gloeiend liefdevuur verflauwt niet tot ergerlijke onverschilligheid of dooft niet geheel en al uit?
Volgens zijne gewoonte, prentte de majoor deze levensbeschouwingen en wijsgeerige opvattingen voortdurend aan Pen in, wiens doorzicht hem in staat stelde het voor en tegen van menig vraagstuk te zien; en terwijl hij begreep, dat een sentimenteel leven verre boven de bevatting van den braven majoor ging, kon hij het practische leven ook zeer goed begrijpen, en er zich in werkelijkheid of althans volgens zijne meening, naar schikken. Vandaar, dat de raadgevingen van zijn oom gedurende het voorjaar, dat op zijn moeders dood volgde, zeer veel invloed op hem hadden en hij in Lady Clavering’s huis als het ware zijn hoofdkwartier had opgeslagen; hij was in zekeren zin door jufvrouw Amory aangenomen zonder haar verklaarde minnaar te zijn en werd toegelaten zonder met haar geëngageerd te wezen. De jongelui waren uiterst vertrouwelijk, zonder bijzonder sentimenteel te zijn, en kwamen met elkander in gezelschap of scheidden met de meeste kalmte. „En dat ben ik nu,” dacht Pendennis, „die acht jaar geleden smoorlijk verliefd was, en nog verleden jaar in mijne koortsvlagen om Briseïs riep!”
En echter was het nog altijd dezelfde Pendennis, voor wien de tijd, gelijk voor ons allen, de gewone gevolgen en vertroostingen, en de gewone ontwikkeling had meegebracht. Wanneer wij zeggen, dat een man of eene vrouw niet meer zóó zijn als wij ons hen uit onze jeugd herinneren, en wij bij onze vrienden veranderingen waarnemen (natuurlijk om die te betreuren), dan nemen wij misschien niet genoeg in aanmerking, dat de omstandigheden sommige sluimerende gebreken of deugden alleen te voorschijn, maar niet in het leven roepen. De zelfzuchtige kalmte en onverschilligheid, die men heden aan den dag legt, nu men in het bezit is, zijn slechts gevolgen van den zelfzuchtigen ijver waarmee men gisteren naar dat bezit streefde; – de minachting en lusteloosheid, die uitroept „ijdelheid der ijdelheden,” is slechts de afmatting van een verflauwden smaak, die verzadigd is van vermaak; de overmoed van den gelukkigen parvenu is slechts de noodwendige voortzetting der loopbaan van den behoeftigen sukkelaar; de veranderingen van ons gemoed zijn, evenals onze grijze haren of rimpels, niets anders dan de vervulling der wet van den aanwas en het verval des lichaams; wat nu sneeuwwit is, was eenmaal glanzig zwart; wat heden trage zwaarlijvigheid is, was slechts weinige jaren geleden levende en frissche gezondheid; die kalme, welwillende, onderworpene en teleurgestelde berusting was voor weinige jaren brandende en hevige eerzucht, en is slechts na menigen strijd en nederlaag tot lijdzame rust gekomen. Welzalig degeen, die zijne teleurstelling zoo dapper doorstaat en zijn gebroken zwaard met een onversaagd en nederig hart aan het Fatum, dat de overwinning behaalt, overgeeft! O welwillende lezer, die dit boek misschien opgenomen hebt om u een oogenblik te ontspannen, en het weer neerlegt om u aan ernstige gedachten over te geven! Zijt gij niet met ontzetting vervuld als gij overdenkt dat gij, die geslaagd zijt, of wel uw ondernemingen hebt zien mislukken, die misschien een aanzienlijken rang bekleedt, of wel eene hopelooze en onbekende plaats (aan u zelven alleen bekend) inneemt onder de duizenden, die van zooveel tegenspoed, geluk, misdaad of berouw kunnen getuigen; gij, die wellicht hebt liefgehad en koel zijt geworden, die, wie weet hoe dikwijls, geweend en wederom gelachen hebt, – wanneer gij overdenkt, herzeg ik, dat gij dezelfde zijt, dien gij u uit den tijd der kindsheid herinnert, voordat de levensreis een aanvang nam? Zij is voorspoedig geweest en gij loopt de haven binnen, terwijl de bemanning hoera roept en de kanonnen het saluut losbranden, en de gelukkige kapitein zijn groet brengt, zonder dat iemand weet van de zorg, die onder de ster op zijne borst huisvest; – of gij hebt schipbreuk geleden en zijt hopeloos, op een enkele plank vastgebonden, de zee ingedreven; de wegzinkende schepeling en de gelukkig geslaagde man denken waarschijnlijk ieder aan hun ouderlijk huis en herinneren zich den tijd toen zij kinderen waren; doch gij gevoelt u alleen, terwijl gij op de plank drijft, die geene redding aanbiedt, en buiten het gezicht van allen wegzinkt, evenals gij u alleen gevoelt te midden der menigte die u toejuicht.
EEN EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
GESPREKKEN.
Onze goedaardige begum was aanvankelijk zoo vertoornd over het laatste bewijs van haar mans dubbelhartigheid en dwaasheid, dat zij Sir Francis Clavering volstrekt niet in staat wilde stellen om zijn eereschulden af te doen, maar de verklaring aflegde, dat zij van hem zou scheiden en hem aan zijn lot, het gevolg van zijn onverbeterlijke zwakheid en spilzucht, overlaten. Na de gebeurtenissen van dien noodlottigen dag der wedrennen verkeerde de rampzalige dobbelaar in zulk een gemoedstoestand, dat hij iedereen trachtte te ontloopen, zoowel zijne kameraden van de renbaan jegens, wie hij schulden had aangegaan die hij vreesde niet te zullen kunnen betalen, als zijne vrouw, zijne bankierster, die zooveel voor hem geleden had, dat hij te recht twijfelde, of zij nog langer zou dulden, dat hij de hand in hare beurs stak. Toen Lady Clavering den volgenden morgen vroeg of Sir Francis thuis was, ontving zij ten antwoord, dat hij den vorigen avond niet was teruggekomen, maar eene boodschap aan zijn kamerdienaar gezonden had, met last om aan den brenger zijne kleeren en brieven mee te geven. Strong begreep, dat hij in den loop van dien dag, of den volgenden, wel een bezoek of een uitnoodiging van den baronet zou ontvangen, en werkelijk kreeg hij dan ook een briefje, waarin hij verzocht werd zich bij zijn radeloozen vriend F. C. in Short’s Hotel te Blackfriars te vervoegen en naar mijnheer Francis te vragen. Want de baronet was een heer van zulk een bijzonderen stempel, dat hij liever loog dan de waarheid sprak, en een strijd tegen de Fortuin altijd aanving met de vlucht te nemen en zich ergens te verschuilen. De bode van het hotel des heeren Short, die Clavering’s boodschap op Grosvenor Place bezorgde en van daar zijn reiszak meebracht, begreep dadelijk wie de eigenaar van dien zak was, en deelde zijn overtuiging aan den lakei mede, terwijl deze het ontbijt gereed zette, die het nieuws in de dienstbodenkamer vertelde, die het verhaalde aan jufvrouw Bonner, mylady’s huishoudster en vertrouwde kamenier, die het aan mylady overbracht. Op die wijze wist ieder lid van het huisgezin op Grosvenor Place, dat Sir Francis zich, onder den naam van Francis, in een logement op de Blackfriars Road verscholen had. De koetsier van Sir Francis vertelde het aan de koetsiers van andere heeren, die het verhaalden aan hunne meesters en in het naburige etablissement van Tattersall, alwaar men een somber voorgevoel had, dat Sir Francis met de noorderzon vertrekken zou.
Het aantal brieven aan den baronet Sir Francis Clavering, die in den loop van den dag den weg naar de tafel in zijne vestibule vonden, was inderdaad verbazend. De Fransche kok zond zijne rekening bij mylady in; ook de leveranciers, die mylady’s tafel voorzagen, en de heeren Finer en Gimcrack, de galanteriehandelaars, en madame Crinoline, de voorname modemaakster, zonden hunne kleine notaatjes aan mylady, te gelijk met de afzonderlijke en gansch niet onbeduidende rekeningen van jufvrouw Amory bij elk dier winkeliers.
Toen Strong des namiddags van den dag na de wedrennen (na in Short’s Hotel met zijn principaal, dien hij bezig vond met huilen en curaçao-drinken, een onderhoud te hebben gehad), zich volgens gewoonte op Grosvenor Place vervoegde om daar de zaken te behandelen, vond hij al die verdachte documenten in de kamer van den baronet, waarop hij ze met een bedenkelijk gelaat begon open te breken en in te zien.
Terwijl hij zich hiermede onledig hield, kwam jufvrouw Bonner, mylady’s kamenier en huishoudster, hem storen. Jufvrouw Bonner, die als een lid van de familie kon beschouwd worden en voor hare meesteres even onmisbaar was als de chevalier voor Sir Francis, was in het geschil tusschen Lady Clavering en haar echtgenoot natuurlijk op de hand der lady en, volgens plicht, zelfs nog boozer dan deze laatste.
„Als zij mijn raad volgt, zal zij niet betalen,” zeide jufvrouw Bonner. „Ga maar weer naar Sir Francis, kapitein, – die zich nu in eene gemeene herberg verschuilt en zijne vrouw niet als man onder de oogen durft komen! – en zeg hem, dat wij zijne schulden niet langer willen betalen. Wij hebben hem gemaakt tot wat hij is; – wij hebben hem (en misschien wel anderen ook) uit de gevangenis verlost, wij hebben telkens zijne schulden betaald, wij hebben hem eene plaats in het parlement verschaft en hem een huis in de stad en op het land geschonken, waar de kale lafaard zijn gezicht niet durft vertoonen! Wij hebben hem het paard gegeven dat hij berijdt en het eten dat hij krijgt, ja, de kleeren die hij aanheeft; en nu willen wij hem niets meer geven. Onze fortuin, zooveel er van overgebleven is, komt ons toe, en wij willen er niets meer van verspillen aan dien ondankbaren man. Wij zullen hem genoeg toeleggen om van te leven en hem verder aan zijn lot overlaten, dat zullen wij; en dat moogt gij hem nu vertellen uit naam van Suze Bonner.”
Op dit oogenblik liet Suze Bonner’s meesteres, die van de komst van Strong gehoord had, dezen roepen, waarop de chevalier zich naar mylady begaf, niet zonder hoop haar handelbaarder te vinden dan jufvrouw Bonner, hare gemachtigde. Reeds vele malen had hij de zaak van zijn client bij Lady Clavering bepleit en haar goed hart weten te vermurwen. Dit beproefde hij thans nogmaals. Met sombere kleuren schilderde hij den toestand af, waarin hij Sir Francis had aangetroffen, zoodat hij niet wilde instaan voor de gevolgen, als hij de middelen niet kon verkrijgen om aan zijne verplichtingen te voldoen.
„Zou hij zich van kant maken?” vroeg jufvrouw Bonner lachend. „Zou hij zich van kant maken? ei! Nu, hij kan niets beter doen dan dood gaan.” Strong zwoer, dat hij een scheermes op de tafel had zien liggen, maar daarover begon Lady Clavering op hare beurt met bitterheid te lachen. „Hij zal zich zelven geen kwaad doen, zoolang een arme vrouw nog een stuiver bezit waarvan hij haar berooven kan. Zijn leven is veilig, kapitein, daarop kunt gij u verlaten. Ach, het was wel een ongeluksdag toen ik hem voor het eerst zag!”
„Hij is erger dan haar eerste man,” riep mylady’s adjudant uit. „Dat was ten minste een man, dat was hij, – een woeste duivel, maar hij bezat den moed van een man, – terwijl deze kerel.... wat helpt het, dat mylady zijne rekeningen betaalt, hare diamanten verkoopt en hem vergiffenis schenkt? Het volgende jaar maakt hij het weer even erg. Zoodra hij er kans toe ziet, bedriegt hij en besteelt hij haar, en gaat met haar geld naar eene bende schelmen en gauwdieven – u bedoel ik niet, kapitein – gij hebt ons altijd veel vriendschap betoond; wij wenschten echter u nooit gezien te hebben.”
De chevalier begreep uit hetgeen jufvrouw Bonner zich aangaande de diamanten had laten ontvallen, dat de zachtmoedige begum zich ten minste nog ééns zou laten bepraten en er voor zijn principaal nog altijd hoop bestond.
„Op mijn woord, mevrouw,” zeide hij met oprecht medelijden voor de beproevingen van Lady Clavering en bewondering voor haar onuitputtelijke goedhartigheid, en met een betoon van geestdrift, hetwelk de zaak van zijn nietswaardigen patroon niet weinig bevoordeelde: „wat gij tegen Clavering zegt, of wat jufvrouw Bonner mij in het gezicht werpt, is niet meer dan wij beiden verdienen, en de dag, toen gij ons voor het eerst zaagt, was wel ongelukkig. Hij heeft u wreedaardig behandeld, en indien gij niet de edelmoedigste en de meest vergevensgezinde vrouw ter wereld waart, weet ik dat hem geene hoop zou overblijven. Doch gij kunt den vader van uw zoon niet te schande maken; gij kunt den kleinen Frans de wereld niet laten ingaan met zulk eene smet op hem klevende. Zet hem vast; bind hem door welke beloften gij goedvindt; ik sta er u borg voor, dat hij ze zal doen.”
„En niet houden,” liet jufvrouw Bonner er op volgen.
„En ditmaal houden,” riep Strong uit. „Hij moet ze houden. Als ge eens hadt kunnen zien, mevrouw, hoe hij schreide! „O, Strong,” zeide hij tegen mij, „niet voor mij zelven doet het me leed, maar voor mijn jongen, voor de beste vrouw in Engeland, die ik slecht behandeld heb, – dat weet ik.” Hij was niet voornemens bij het rennen te wedden, mevrouw, wezenlijk niet! Hij is er toe verleid, en al de kenners zijn bij den neus genomen. Hij meende dat hij gerust kon wedden, zonder het minste gevaar te loopen. Maar het zal hem zijn leven lang eene les zijn. Een man te zien schreien, – o, dat is verschrikkelijk!”
„Hij geeft er niet veel om, of hij mijne lieve mevrouw aan het schreien maakt,” zeide jufvrouw Bonner, „die arme ziel! Let maar eens op, kapitein, of hij er zich veel om bekreunen zal.”
„Als gij een hart in uw lijf hebt, Clavering,” zeide Strong tegen zijn principaal, toen hij hem dit tooneel verhaalde, „dan moet gij ditmaal uwe belofte houden, en ik neem den hemel tot getuige, dat, als gij thans uw gegeven woord verbreekt, ik partij tegen u zal kiezen en alles vertellen.”
„Hoe? alles?” riep mijnheer Francis uit, toen zijn afgezant hem dat nieuws bracht in Short’s Hotel, waar Strong den baronet bezig vond met huilen en curaçao-drinken.
„Bah! Ziet gij mij voor gek aan?” barstte Strong uit. „Denkt gij, Frans Clavering, dat ik zoo lang in de wereld geleefd heb, zonder mijn oogen te leeren gebruiken? Gij weet, dat ik maar behoef te spreken, en morgen zijt gij een bedelaar. En ik ben niet de eenige, die uw geheim kent.”
„Wie kent het dan nog meer?” bracht Clavering met moeite uit.
„De oude Pendennis, als ik mij niet vergis. Hij herkende den man den eersten avond dat hij hem onder de oogen kreeg, toen hij dronken bij u aan huis kwam.”
„Weet hij het inderdaad!” schreeuwde Clavering. „Wel verd–! Vermoord hem!”
„Gij zoudt ons wel allemaal willen vermoorden, niet waar, ouwe jongen?” zeide Strong spottend en blies eene rookwolk van zijne sigaar weg.
De baronet sloeg zich met machtelooze hand tegen het voorhoofd, want niet onwaarschijnlijk had de ander zijn innerlijken wensch geraden. „O Strong!” riep hij uit; „als ik er den moed toe had, zou ik een einde aan mijn leven maken, want ik ben de verd–ste, ellendigste hond in gansch Engeland. Dat is het wat mij zoo woest en onbesuisd maakt, wat mij aan den drank brengt.” (en met bevende hand zond hij een glas curaçao naar binnen), „wat mij doet omgaan met die dieven. Ik weet dat het dieven zijn, man voor man, verd– dieven! En – en hoe kan ik het helpen? – en ik wist het niet, dat weet ge – en, bij den hemel, ik ben onschuldig – en ik wist er, totdat ik dien verwenschten schurk voor het eerst zag, even weinig van als van het uur van mijn dood – en ik zal wegloopen, en mij buitenslands begeven, buiten het bereik van die verwenschte speelholen, en ik zal mij, voor den duivel, in een bosch verbergen en mij aan een boom ophangen, en – o – ik ben de ellendigste bedelaar in gansch Engeland!” Aldus gaf het machtelooze ongelukskind onder tranen, kreten en vloeken lucht aan zijn verdriet, beklaagde zich over zijn rampzalig lot en drukte in zuchten, wanhoop en godslastering zijn berouw uit.
Het geliefkoosde spreekwoord, dat des eenen dood des anderen brood is, werd bewaarheid in het geval van Sir Francis Clavering en een medebewoner van de kamers van mijnheer Strong in Shepherd’s Inn. Bij toeval was de man, met wien kolonel Altamont gewed had, er „goed” voor; en op den afrekeningsdag der wedrennen, toen kapitein Clinker, die uitgenoodigd was de zaken van Sir Francis Clavering te regelen (want op raad van majoor Pendennis had Lady Clavering geweigerd den baronet zijne eigene schulden te laten vereffener), de bankbiljetten aan de talrijke schuldeischers van den baronet uitbetaalde, op dien zelfden dag had kolonel Altamont het genoegen de sommen, die hij gewonnen had door dertig tegen één te wedden op het paard, dat den prijs had behaald, in bankbiljetten van vijftig pond te ontvangen.
Er waren bij die gelegenheid een aantal van des kolonels vrienden tegenwoordig, om hem met zijn voorspoed geluk te wenschen; – al de kameraden van Altamont en de heeren waarmee hij omging in de prettige gelagkamer van den gastvrijen Wheeler, den kastelein van het Harlequin’s Head, kwamen het fortuintje van hun vriend bijwonen, en zouden er, met hunne edele sympathie voor alles wat voordeelig uitviel, wel in hebben willen deelen. „Nu was er gelegenheid,” gaf Tom Driver aan den kolonel te verstaan, „om het zilvergaljoen, dat in de Golf van Mexico gezonken was met 380,000 dollars, behalve de staven edele metalen en dubloenen, te lichten.” „De aandeelen in de Tredyddlummijnen stonden nu bijzonder laag en waren voor een appel en een ei te krijgen,” gaf mijnheer Keightley te kennen; „er had zich nooit eene betere gelegenheid voorgedaan om aandeelen te koopen”; en Jan Holt bracht zijn plan om tabak te smokkelen, welks vermetelheid den kolonel meer aanlachte dan eenige andere der hem voorgestelde speculatiën, weer op het tapijt. Onder de gasten uit het Harlequin’s Head kende Jakob Rackstraw een paar paarden, die de kolonel noodzakelijk moest koopen; Tom Fleet, wiens satiriek blad de Bram slechts tweehonderd pond kapitaal noodig had om aan dengeen, die dit verschafte, duizend pond ’s jaars op te brengen, bracht den kolonel aan het verstand, dat hij daardoor groote macht en invloed zou verwerven, benevens toegang tot de foyers van al de Londensche schouwburgen; en daarentegen bezwoer de kleine Moss Abrams den kolonel, niet te luisteren naar die dwaze kerels met hunne windspeculatiën, maar zijn geld te beleggen in eenige solide wissels, die Moss voor hem kon koopen en waaraan vijftig percent te verdienen viel, zoo goed alsof men die in de Bank van Engeland had staan.
Gezamenlijk en afzonderlijk kwamen deze heeren den kolonel met hunne verschillende verlokselen aan boord; maar hij bezat geestkracht genoeg om hun het hoofd te bieden, zijne bankbiljetten in zijn toegeknoopten rok weg te bergen, met Strong naar huis te gaan, en de buitendeur hunner kamers te sluiten. De eerlijke Strong had zijn huisgenoot goed ingelicht omtrent al die kennissen, en ofschoon hij, toen de kolonel sterk bij hem aandrong, er geen gewetensbezwaar in vond zelf twintig pond uit diens winst aan te nemen, was hij echter met te veel vriendschappelijk gevoel vervuld, om hem door anderen te laten oplichten.
Als Altamont geld had, was hij geen kwade kerel. Hij bestelde eene sierlijke livrei voor Grady en ontlokte den armen ouden Costigan een stroom tranen van snel vervliegende dankbaarheid, door hem, na een lekker diner in de Achterkeuken, een bankbiljet van vijf pond ten geschenke te geven. Voorts kocht hij een groenen shawl voor jufvrouw Bolton en een gelen voor Fanny, de fraaiste artikelen van een „uitverkoop beneden fabrieksprijzen” in een kleerenwinkel van Regent Street. En korten tijd hierop ontving jufvrouw Amory op haar verjaardag, die in Juni viel, een pak, dat een ontzaglijk grooten met koper ingelegden schrijflessenaar bevatte, waarin een stel amethysten besloten was, de leelijkste die men met oogen zien kon, eene speeldoos, en twee Jaarboekjes van het jaar te voren, alles vergezeld van een paar stukken goed voor kleedjes van de ongeloofelijkste kleuren. De sylphide kon bij de ontvangst dier schatten niet tot bedaren komen van lachen en verwondering. Nu is het maar al te waar, dat kolonel Altamont omstreeks dezen tijd een aankoop van sigaren en Fransche zijden stoffen bij eenige uitdragers in Fleet Street gedaan had; en Strong vond hem in de zaal der openbare verkoopingen in Cheapside, waar hij wat geld besteedde aan twee lessenaars, verscheidene paren pleten kandelaars, een middenstuk voor de tafel en een bagatelle-bord. Het middenstuk bleef op zijne kamer en prijkte daar bij de feestmalen, die de kolonel nog al dikwijls gaf. Hij beschouwde het als een waar prachtstuk, totdat Jan Holt zeide, dat het er uitzag, alsof men het in betaling voor eene kwade schuld had moeten overnemen, en Jan Holt was een man die het wel weten moest.