Chapter 26 of 85 · 3985 words · ~20 min read

Part 26

En al die fierheid, al die genegenheid van oom en moeder had Pen door zijne verwenschte kwistzucht en luiheid door het slijk gesleept. Ik had niet in Pen’s plaats willen zijn, toen hij nadacht over hetgeen hij gedaan had. Terwijl hij had liggen slapen, had de schildpad den prijs in den wedloop behaald. Eene loopbaan, die schitterend had kunnen zijn, had hij reeds in den eersten aanvang bedorven. Onedelmoedig had hij de hand in de beurs eener milde moeder gestoken en haar bescheiden spaarpenning op laaghartige en roekelooze wijze verspild. O, het was eene lafhartige hand, die een zoo teeder schepseltje kon mishandelen en uitplunderen! En mogen wij, indien Pen gevoel had van het onrecht, dat hij jegens anderen had bedreven, niet vooronderstellen, dat een jong heer, met zooveel ijdelheid als hij, nog scherper de schande gevoelde, waarmede hij zich zelven beladen had? Wij kunnen ons verzekerd houden, dat geene wroeging folterender, geen gekerm hartbrekender is dan wanneer gekwetste eigenliefde er de oorzaak van is. Evenals Joe Miller’s vriend, die bij het examen den hoogsten graad behaald had, uit zijne loge in den schouwburg tegen het publiek boog, omdat hij toevallig te gelijker tijd met den koning binnenkwam, zoo hield ook Arthur Pendennis, met eene geenszins even streelende verwaandheid, zich overtuigd, dat gansch Engeland zou opmerken, dat zijn naam niet op de lijst der gepromoveerden voorkwam, en den mond vol zou hebben van zijn tegenspoed. Hoe kon hij zijn verontwaardigden onderwijzer, zijne talrijke schuldeischers, zijn oppasser en de beddenopmaakster, de studenten uit zijne eigene en uit jongere studiejaren, waarover hij den baas had gespeeld, of die hij bespot had, voortaan weer onder de oogen komen? Hij snelde naar zijne kamer, sloot zich daar op en wierp een brief aan zijn onderwijzer op het papier, vol van betuigingen van dank en achting, berouw en wanhoop, waarbij hij verzocht, dat zijn naam van de registers zou geschrapt worden, en den wensch en de verwachting te kennen gaf, dat de dood spoedig een einde zou maken aan het lijden van den geschandvlekten Arthur Pendennis.

Toen sloop hij weg, ternauwernood wetende waar hij heenging; maar werktuiglijk sloeg hij de stille straatjes achter de collegiegebouwen in, kwam zoo buiten het gebied der academie, volgde de oevers der Camisis, die nu stil was, maar anders zoo levendig kon zijn door menigen roeiwedstrijd en scharen van juichende studenten, en wandelde altijd maar voort, tot hij zich eenige mijlen van Oxbridge bevond, of liever daar gevonden werd door een paar kennissen, die de stad verlieten.

Terwijl Pen een heuvel beklom, waarbij een Januari-motregen hem in het gelaat sloeg en zijn gehavende tabbaard achter hem wapperde – want hij had zijne academische kleedij sedert dien morgen niet afgelegd – kwam een reiswagen langs den weg aanrollen, met een bediende op den bok, terwijl een jong heer binnen in, of liever half uit het portier, eene sigaar lag te rooken en met luider stemme den postiljon tot spoed aanspoorde. Het was niemand anders dan mijnheer Spavin, onze jeugdige kennis uit Baymouth, die zijn graad gehaald had en nu met postpaarden in triomf naar huis reed. Spavin kreeg de gestalte in het oog, die met de gebaren van een waanzinnige tegen den heuvel opklauterde, en herkende, terwijl het rijtuig voorbijstoof, het bleeke en verwrongen gezicht van Pen.

„Halt!” brulde mijnheer Spavin den postiljon toe, die de paarden in hunne dolle vaart stuitte en het rijtuig ongeveer vijftig ellen voor Pen deed stilhouden. Deze hoorde nu zijn eigen naam roepen en zag het bovenlijf van mijnheer Spavin, die hem met driftige gebaren tot zich wenkte, uit het venster van het rijtuig te voorschijn komen.

Pen stond stil, bedacht zich, schudde daarop met drift het hoofd en wees vooruit, alsof hij verlangde, dat de postiljon zou voortrijden. Hij sprak geen woord, maar hij moet er heel wanhopig hebben uitgezien, want na hem een oogenblik met sprakelooze ontzetting te hebben aangestaard, sprong Spavin uit het rijtuig, liep met uitgestrekte hand naar Pen, greep die van onzen vriend en riep uit: „Zeg eens, ouwe jongen, waar gaat ge naar toe, en wat is er aan het handje?”

„Ik ga waar ik naar toe behoor te gaan,” antwoordde Pen met een vloek.

„Maar dat is de weg niet,” hernam Spavin met een glimlach. „Die loopt naar Fenbury. Kom aan, Pen, laat uwe hersens niet op hol gaan, omdat ge gedropen zijt. Wanneer men er maar wat aan gewoon is, trekt men het zich niet meer aan. Ik ben driemaal gedropen, ouwe jongen, – en na den eersten keer kon het me niet meer schelen. Het doet me echter pleizier, dat het nu uit is. De volgende maal zal het u meevallen.”

Pen zag zijn vroegeren bekende aan, die gedropen was, die gesjeesd was, die pas na herhaalde mislukte pogingen behoorlijk had leeren lezen en schrijven en die, ondanks al deze ongunstige omstandigheden, tot de eer van een academischen graad was gekomen. „Deze man,” dacht hij, „is er dóórgekomen, en ik ben gedropen!” Het was bijna te veel, om te doorstaan.

„Vaarwel, Spavin,” hernam hij; „het doet mij genoegen, dat gij er door zijt. Laat ik u niet ophouden; ik heb haast – ik ga van avond nog naar Londen.”

„Gekheid,” zeide mijnheer Spavin. „Dat is de weg naar Londen niet, ik zeg u nog eens, dat hij naar Fenbury loopt.”

„Ik wou juist omkeeren,” hervatte Pen.

„Al de diligences zijn vol met studenten, die naar Londen gaan,” zeide Spavin. Pen scheen te schrikken. „Voor een bankje van tien pond zoudt ge geen plaats krijgen. Kom maar mede in mijn rijtuig; ik zal u te Mudford afzetten, waar ge misschien nog eene plaats in de diligence naar Fenbury zult vinden. Ik zal u een hoed en eene jas leenen; ik heb er eene menigte bij mij. Kom aan; er in gesprongen, ouwe jongen! Vooruit, postiljon!” en zoo zat Pen een oogenblik later in Spavin’s wagen en reed met dien heer naar de Ram te Mudford, vijftien mijlen van Oxbridge, waar de diligence van Fenbury van paarden verwisselde en Pen eene plaats naar Londen machtig werd.

Den volgenden dag heerschte er eene vreeselijke opschudding in het Bonifacius-Collegie te Oxbridge, want tot schrik van Pen’s onderwijzer en leveranciers was het gerucht in omloop gekomen, dat hij, uit wanhoop, omdat hij zijn graad niet verkregen had, zich van kant had gemaakt; men had althans drie mijlen ver op den weg van Fenbury, in de nabijheid van een molenvliet, eene afgedragen baret met zijn nog nauwelijks leesbaren naam er in en een wapen met zijn helmteeken, een adelaar, die in eene nu uitgedoofde zon staarde, gevonden, en vier en twintig uren lang geloofde men, dat Pen in den vliet gesprongen was, – tot er brieven van hem met het Londensche postmerk aankwamen.

De diligence kwam op het stille uur van vijven des morgens te Londen aan. Pen haastte zich naar zijn gewoon logement in Convent Garden, waar de altijd wakkere portier hem binnenliet en eene slaapkamer aanwees. Pen zag den man scherp aan, en was heimelijk nieuwsgierig of de laarzenpoetser óók zou weten, dat hij gedropen was. In bed kon hij den slaap niet vatten. Hij lag daar tot het aanbreken van het troebele Londensche daglicht te woelen, sprong toen wanhopig op en ging naar de woning van zijn oom in Bury Street, waar de meid, die de trappen schrobde, hem achterdochtig aankeek, daar hij ongeschoren was en zijn linnen van den vorigen dag nog droeg. Hij verbeeldde zich, dat zij ook al van zijn tegenspoed wist.

„Goeden hemel! Meneer Arthur, is er een ongeluk gebeurd?” vroeg Morgan de kamerdienaar, die juist de zorgvuldig geborstelde kleederen en glimmende laarzen aan de deur van zijn meesters slaapkamer gebracht had en nu met de pruik van den majoor naar binnen ging.

„Ik moet oom spreken,” riep Pen met eene holle stem en liet zich op een stoel nedervallen.

Morgan deinsde met een verschrikten en verwonderden blik voor het bleeke en wanhopige gezicht van den jongeling terug en verdween in de kamer van zijn meester.

„Zoo? Het examen afgeloopen? Eerste op de lijst, bovenaan in alle vakken, hè?” vroeg de oude heer. „Ik kom dadelijk,” en daarop verdween het hoofd.

„Zij weten nog niet wat er gebeurd is,” kermde Pen; „wat zullen zij wel zeggen als zij alles weten?”

Pen had met den rug naar het venster in dat twijfelachtige licht gestaan, waarmee Bury Street zich op een mistigen Januarimorgen bedeeld ziet, zoodat zijn oom de uitdrukking van zijn gelaat en den somberen en wanhopigen blik, die zelfs Morgan in het oog was gevallen, niet had kunnen zien. Toen de majoor netjes en deftig uit zijne kleedkamer te voorschijn kwam, voorafgegaan door zoete geuren uit den winkel van Delcroix, waar hij de reukwerken voor zijne pruik en zijn zakdoek kocht, reikte hij Pen de hand en wilde hem juist met zijne opgeruimde stem toespreken, toen hij eindelijk het gelaat van den jongeling opmerkte en, diens hand latende vallen, uitriep: „Goede god, Pen! wat is er gaande?”

„Gij zult het aan het ontbijt in de courant zien, oom,” antwoordde Pen.

„Wat zien?”

„Dat mijn naam er niet in staat, oom.”

„Wel, voor den drommel, waarom zou die er in staan?” vroeg de majoor, nog niets van de zaak begrijpende.

„Ik heb alles verloren, oom,” bracht Pen klagend uit; „mijne eer is verspeeld; ik ben reddeloos verloren; ik kan niet meer naar Oxbridge terugkeeren.”

„Uwe eer verspeeld!” schreeuwde de majoor. „In ’s duivels naam! gij wilt toch niet zeggen, dat gij u als een lafaard gedragen hebt?”

Pen lachte bitter. „Neen, oom, dàt niet,” sprak hij. „Ik ben niet bang om doodgeschoten te worden; ik wenschte, dat iemand het maar wou doen. Ik heb mijn graad niet gehaald. Ik heb er op het examen langs gekregen.”

De majoor had wel eens gehoord van „er langs te krijgen,” doch maar zeer terloops en oppervlak, zoodat hij zich ingebeeld had, dat dit eene ceremonie was, die lichamelijk aan weerspannige studenten voltrokken werd. „Ik begrijp niet hoe gij mij na zulk eene schande nog onder de oogen durft komen, mijnheer,” zeide hij, „en het verwondert mij, hoe gij als gentleman er u aan onderworpen hebt.”

„Ik heb er niets aan kunnen doen, oom. Mijn werk over de klassieken was vrij goed, maar die verwenschte wiskunde, die ik altoos verwaarloosd heb, heeft het mij gedaan.”

„En gebeurde dat – gebeurde dat in het publiek, mijnheer?” vroeg de majoor.

„Wat?”

„Toen gij er langs hebt gekregen?” hernam de voogd en zag zijn pupil met gespannen verwachting aan.

Pen ontdekte thans in welke dwaling zijn voogd verkeerde. De bok, dien de majoor geschoten had, perste den armen jongen, in weerwil van zijne ellende, een flauwen glimlach af, en deed het gesprek van den tragischen toon afdalen, waarop Pen voornemens was geweest het voort te zetten. Hij legde zijn oom nu uit, dat hij zich voor zijn examen aangemeld had, maar er niet doorgekomen was; waarop de majoor antwoordde, dat het, ofschoon hij iets beters van zijn neef verwacht had, echter geen groot ongeluk was, en er ook, zoover hij zien kon, geen schande in stak, zoodat Pen het maar opnieuw moest beproeven.

„Ik weer naar Oxbridge gaan, na zulk eene vernedering!” dacht Pen, want hij gevoelde, dat hij geen voet meer in die stad kon zetten, zoo hij haar ten minste niet kwam platbranden.

Eerst toen hij zijn oom inlichtte omtrent zijne schulden, ontstak deze voorgoed in verbazing en toorn en barstte hij in de hevigste verwijten tegen Pen los, waaraan de jonkman, zoo goed mogelijk, zich onderwierp. Hij had besloten open kaart te spelen en daarom had hij eene volledige, waarachtige lijst van al zijne rekeningen en schulden te Oxbridge en te Londen opgemaakt. Zij bestonden uit verschillende posten, zooals:

Kleermaker te Londen. Dito te Oxbridge. Modewinkel, voor hemden en handschoenen. Juwelier. Kok van het Collegie. Aan Crump, voor desserten. Laarzenmaker. Wijnkooper te Londen. Dito te Oxbridge. Rekening voor paarden. Prentenverkooper. Boeken. Boekbinder. Kapper en parfumerieën. Logementrekening te Londen. Diversen.

Al deze posten kan de lezer naar goedvinden invullen. De ouders van vele studenten hebben dergelijke rekeningen onder de oogen gehad. Die van mijnheer Pen beliepen bij elkander de som van ongeveer zevenhonderd pond, en men kon berekenen, dat hij nog het dubbele in gereed geld gedurende zijn verblijf te Oxbridge uitgegeven had. Die som had hij doorgebracht, en welke waarde kon hij er voor toonen?

„Gij behoeft iemand, die al in het slijk ligt, niet nog meer er door te halen, oom,” voegde Pen den majoor op somberen toon toe. „Ik weet zeer goed hoe slecht en lui ik geweest ben. Mijne moeder zou mij niet gaarne geschandvlekt zien, mijnheer,” ging hij voort, terwijl zijne stem hem begaf, „en ik weet, dat zij deze rekeningen betalen zal. Maar ik zal haar niet verder om geld vragen.”

„Zooals gij goedvindt, mijnheer,” antwoordde de majoor. „Gij zijt meerderjarig en ik wasch mijne handen van uwe zaken. Maar gij kunt zonder geld niet leven, en hebt, zoover ik weet, geen middel om geld te verdienen, ofschoon gij uitmuntend de kunst verstaat om het te verteren, en ik houd het er voor, dat gij zult voortgaan zooals gij begonnen zijt, en dat gij uwe moeder zult ruïneeren eer wij vijf jaar verder zijn. – Goedenmorgen! Het is mijn tijd om te gaan ontbijten. Ik zal u wegens mijne bezigheden niet veel kunnen zien gedurende uw verblijf te Londen. Gij zult zeker uwe moeder bekend maken met het nieuws, dat gij mij zoo even hebt meegedeeld?”

En zijn hoed op het hoofd drukkende en eenigszins bevende, stapte majoor Pendennis vóór zijn neef de kamer uit, om verdrietig zijn gewone hoekje in de club te gaan innemen. Hij zag de lijsten der examens te Oxbridge in de morgenbladen en las de namen, ofschoon hij van de zaak niet veel begrip had, met sombere aandacht na. In den loop van den dag raadpleegde hij verscheidene oude heeren van zijne kennis in de clubs: Wenham, een deken, en verscheidene ambtenaren. Hij vroeg hun gevoelen, toonde hun het bedrag der schulden van zijn neef, die hij op den achterkant van een kaartje had genoteerd, en vroeg hun wat daaraan te doen was, en of zij zulk een schuldbedrag niet monsterachtig en ongehoord vonden? Wat was er aan te doen? Niets anders dan te betalen. Wenham en de anderen deelden den majoor gevallen mee van jongelui, die tweemaal zooveel, vijfmaal zooveel schulden hadden als Arthur, zonder middelen hoegenaamd om te betalen. Die beraadslagingen, berekeningen en oordeelvellingen stelden den majoor wat gerust. Hij was het althans niet, die betalen moest.

Doch hij dacht met bitterheid aan de vele plannen, die hij gesmeed had om een groot man van zijn neef te maken, aan de opofferingen, die hij zich getroost had, en aan de wijze, waarop hij te leur gesteld was geworden. En daarop schreef hij een brief aan doctor Portman, waarbij hij hem de noodlottige gebeurtenissen meedeelde, die voorgevallen waren, en den doctor verzocht er Helena op voor te bereiden. Want de stijve oude heer hield zich in alle dingen aan de gewoonte, en oordeelde, dat het beter was iemand op een slecht nieuws te doen „voorbereiden” door middel van een bode (die licht onhandig of gevoelloos kan zijn), dan het eenvoudig met een briefje naar zijne bestemming te zenden. De majoor dan schreef aan doctor Portman, en ging toen uit dineeren als een der neerslachtigste mannen, welke dien middag te Londen aan een disch hebben aangezeten.

Pen schreef ook zijn brief en slenterde het overige van den dag door de straten van Londen rond, waar hij zich verbeeldde, dat iedereen hem aankeek en tegen zijn buurman fluisterde: „Dat is Pendennis van Bonifacius, die gisteren gedropen is.” Teederheid en zielswroeging spraken uit zijn brief aan zijne moeder; hij stortte er de bitterste tranen over, en het berouw en de ontboezemingen brachten hem, in zekere mate, tot rust.

Hij zag een gezelschap luidruchtige jonge studenten van Oxbridge in de koffiekamer van zijn logement, maar hij sloop weg en stapte de straat weer op. Hij zegt, dat hij zich de prenten herinnert, die hij onder den regen in den winkel van Ackermann zag hangen, en een boek, dat hij aan een stalletje nabij den Tempel las: des avonds ging hij in het parterre van den schouwburg om jufvrouw Fotheringay te zien, maar hij kan zich volstrekt niet meer voor den geest brengen in welk stuk het was.

Den tweeden dag kwam er een vriendelijke brief van zijn repetitor, die vele ernstige en toepasselijke opmerkingen bevatte over den tegenspoed, die hem weervaren was, maar hem krachtig aanspoorde om zijn naam niet van de registers der hoogeschool te laten schrappen, en integendeel alles in te spannen om een ongeluk uit te wisschen, hetwelk ieder wist, dat alleen aan zijne achteloosheid toe te schrijven was, en dat hij, door eene maand ijverig te werken, kon herstellen. Hij voegde er bij, dat hij Pen’s oppasser gelast had eenige koffers met de kleederen van den jongen heer te pakken, die ook behoorlijk aankwamen, met nieuwe afschriften van al de rekeningen van Pen er boven in.

Den derden dag kwam er een brief van huis, dien Pen op zijne slaapkamer las, met dat gevolg, dat hij op de knieën neerzonk, met het hoofd in zijne beddelakens, en daar uit den grond zijns harten bad en zich verootmoedigde. Vervolgens ging hij naar beneden, ontbeet stevig, stapte de straat op en nam in de Bull and Mouth in Piccadilly eene plaats in de diligence, welke dien avond naar Chatteries vertrok.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE TERUGKOMST VAN DEN VERLOREN ZOON.

Een brief als die van den majoor joeg natuurlijk doctor Portman naar Fairoaks, en hij spoedde er zich heen met die vlugheid, die een goedhartig mensch aan den dag legt als hij eene onaangename tijding moet meedeelen. Hij wenschte dat zoo spoedig mogelijk achter den rug te krijgen. Het doet hem leed, maar que voulez-vous? de tand moet er uit en hij duwt u in den stoel neer, en het is verbazend met hoeveel moed, met welk eene krachtige vuist hij er de tang aan zet. Misschien zou hij niet volkomen dezelfde vlugheid of vaardigheid aan den dag leggen als het zijn tand was; maar kort en goed, het is voor u plicht den uwen te laten trekken. De doctor las dus den brief aan Myra en mevrouw Portman voor, vergezeld van vele afkeurende ontboezemingen over den jongen schavuit, die zich al dieper en dieper in het verderf stortte, stelde die dames in de gelegenheid om de tijding in Clavering uit te bazuinen, hetgeen zij ook met hare gewone nauwkeurigheid en vlugheid deden, en wandelde toen naar Fairoaks, om de weduwe op het nieuws voor te bereiden.

Maar zij wist het al. Zij had Pen’s brief gelezen en het had haar in zekere mate verlicht. Vele, vele maanden lang had haar een benauwend voorgevoel van iets kwaads, dat in aantocht was, neergedrukt. Het ergste wist zij nu en haar lieveling was met een berouwhebbend en verbrijzeld hart tot haar teruggekeerd. Wat had zij meer noodig? Al wat de dominé wist aan te voeren (en zijne aanmerkingen werden hem ingegeven door zijn gezond verstand, en waren door hare ouderwetschheid van nog meer gewicht) was niet in staat om bij Helena eenige verontwaardiging of bijzondere verdrietelijkheden op te wekken, tenzij misschien de vrees, dat de jonkman zich ongelukkig zou gevoelen. Wat was die graad, waarom zooveel beweging gemaakt werd, en welk nut zou hij Pen doen? Waarom hadden doctor Portman en zijn oom er zoo op aangedrongen om den jongen naar eene plaats te zenden, waar hij zooveel verleiding te duchten had en zoo weinig goeds kon leeren? Waarom lieten zij hem niet thuis bij zijne moeder? Wat zijne schulden betrof, die moesten natuurlijk betaald worden, – zijne schulden! – kwam al het geld van zijn vader hèm niet toe en had hij het recht niet om het te verteren? Op deze wijze weerlegde de weduwe den eerzamen doctor en, zonderling! al de pijlen zijns toorns gleden machteloos van haar zachtzinnigen boezem af.

Een aangenaam bedrijf, sinds de oudste tijden bekend, waardoor broeders en zusters hunne genegenheid jegens elkander aan den dag leggen en waarmee ook Pen en zijn zusje Laura zich tamelijk druk in hunne kindsche dagen hadden bezig gehouden, was met de wederzijdsche toestemming van beiden sedert eenigen tijd nagelaten. Toen mijnheer Arthur, na in eenige maanden niet thuis geweest te zijn, van de academie terugkwam, vond hij, in plaats van het dood eenvoudige meisje, dat hij achtergelaten had, eene rijzige, slanke, bevallige jonkvrouw, wie hij zich niet verstouten kon den kus aan te bieden, dien hij vroeger gewoon was geweest haar toe te dienen; eene jonkvrouw, die hem ontving met eene gracieuse nijging, eene toegestoken hand en een sterken blos, die hare wang juist op die plaats kleurde, waar de jonge Pen zijn kus placht aan te brengen.

Ik heb geen slag om vrouwelijk schoon te beschrijven, en, om de waarheid te zeggen, geef ik er ook niet om, daar goedhartigheid en deugd, naar mijne overtuiging, veel nuttiger voor eene jonge dame zijn loutere bekoorlijkheden van gelaat en gestalte. Ik zal dus geene bepaalde schets van Laura Bell op zestienjarigen leeftijd trachten te geven. Zij had toen reeds hare tegenwoordige lengte van vijf voet vier duim bereikt, zoodat zij door sommigen van haar eigen geslacht, die liever zien, dat eene vrouw klein is, eene sliersperge en door anderen een boonenstaak genoemd werd; maar indien zij een boonenstaak was, droeg die toch fraaie rozen, en staat het vast, dat vele herders er gaarne rondom zouden gedanst hebben. Doorgaans zag zij er bleek uit, met een zwak blosje op de wangen; doch zij werden in een oogenblik rood als de gelegenheid het meebracht en bloosden nog heel lang na, want de rozen bleven, als de aandoening reeds voorbij was, die de lieve bloempjes in het leven had geroepen. Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat hare oogen sinds hare vroegste jeugd zeer groot waren, en die eigenaardigheid ook later behielden. Welwillende critici (altijd dames) zeiden, dat zij met die oogen „werkte” en de heeren en dames, die in haar gezelschap waren, altijd toelonkte; doch zij schitterden van nature en konden het evenmin helpen, dat zij dit deden, als de eene ster het helpen kan, dat zij helderder flikkert dan de andere. Het was zeker om dit schitteren te temperen, dat mejufvrouw Laura’s oogen met een paar sluiers begiftigd waren in den vorm van de langste en fijnst mogelijke zwarte wimpers, zoodat dezelfde menschen, die zooveel aanmerking op die oogen hadden, van haar vertelden, dat zij, wanneer zij de oogen sloot, dit deed om hare wimpers te laten zien. Ik moet dan ook bekennen, dat het een lief gezicht moet geweest zijn haar te zien slapen.

Hare kleur was bijna zoo blank als die van Lady Mantrap, en dat wel zonder behulp van het poeier, waarvan die dame zich bedient. Haar neus moet ik aan de verbeeldingskracht van den lezer overlaten. Indien haar mond misschien wat groot was (zooals jufvrouw Piminy beweert, wier mond men zou meenen met een stuivertje te kunnen bedekken, als men niet wist, dat er zulke geduchte brokken in konden), gaf iedereen toe, dat zij een bekoorlijken lach had en daarbij twee rijen parelwitte tanden liet zien, terwijl hare stem zoo zacht en liefelijk was, dat men muziek meende te hooren als men naar haar luisterde. Daar zij gewoon is zeer lange kleedjes te dragen, zeggen de menschen natuurlijk, dat hare voeten niet heel klein zijn; maar zij zijn misschien van de grootte, die aan hare gestalte voegt, en al steekt mevrouw Pincher haar voet uit, dan volgt daaruit nog niet, dat alle andere dames de hare ook eeuwigdurend op het tapijt moeten brengen. Met één woord, jufvrouw Laura Bell was op haar zestiende jaar een heel lief jong meisje. Laten wij hopen, dat er zoo nog vele duizenden gevonden worden in dit land, waar nog geen gebrek aan goedheid, zedigheid, reinheid en schoonheid bestaat.