Part 9
De arme jongen had den sprong gewaagd. De arme Pen, die van hartstocht en ontroering trilde, wiens hart angstig klopte en zwoegde, wien de tranen in spijt van hem zelven uit de oogen sprongen, wiens stem van aandoening bijna in zijne keel bleef steken, had de woorden uitgesproken, die hij niet langer terughouden kon, en zijn hart en zijn ganschen schat van liefde, bewondering en vuur aan de voeten dezer rijpe schoone nedergelegd. Zou hij de eerste zijn, die dit gedaan heeft? Heeft niemand vóór of na hem al de schatten zijns leven voor een paar bedrieglijke oogen op het spel gezet, evenals een wilde zijn land en zijne bezittingen voor een teug van het vuurwater der blanken?
„Weet uwe moeder hiervan, Arthur?” vroeg jufvrouw Fotheringay langzaam. Op die vraag greep hij in driftige vervoering hare hand, die hij met duizend kussen bedekte en die zij niet terugtrok. „Weet de oude dame er van?” dacht jufvrouw Costigan bij zich zelve: „Misschien weet zij er wèl van,” en zij herinnerde zich daarbij het fraaie diamanten kruis, dat mevrouw Pendennis op den avond van hare benefice aanhad. „Zeker,” overpeinsde zij, „zal dat in de familie blijven.”
„Bedaar, Arthur-lief,” sprak zij op haar vollen, diepen toon en lachte hem zoet maar ernstig toe. Daarop streek zij met hare vrije hand zijn haar luchtig van zijn kloppend voorhoofd weg. Hij verkeerde in zulk eene vervoering, in zulk een zwijm van gelukzaligheid, dat hij ternauwernood spreken kon. Eindelijk bracht hij met moeite uit: „Moeder heeft u gezien en bewondert u ten hoogste. Zij zal u spoedig leeren liefhebben, want wie zou anders kunnen? Zij zal van u houden, omdat ik van u houd.”
„Ja, waarlijk geloof ik, dat gij van mij houdt,” zeide jufvrouw Costigan, misschien met een soort van medelijden met Pen.
Zij geloofde het maar! Natuurlijk ging mijnheer Pen hier tot eene ontboezeming over, waarin wij, daar wij ons volkomen meester zijn, den knaap niet zullen volgen. Het spreekt van zelf, dat liefde, trouw en eeuwigheid er in voorkwamen, en dat er woorden gezocht maar niet gevonden werden om de vervaarlijke diepte van zijne genegenheid te peilen. Maar wij herhalen, dat wij met die redevoering niets te maken hebben. Zij was waarschijnlijk niet heel verstandig, maar welk recht hebben wij om ze af te luisteren? Laat den armen jongen zijn argeloos hart aan de voeten dier vrouw uitstorten en laten wij hem zacht beoordeelen. Op eene verstandige manier te beminnen, is ongetwijfeld het beste; maar op eene dwaze manier lief te hebben is beter dan in het geheel niet voor liefde vatbaar te zijn. Sommigen onzer zijn er niet vatbaar voor en beroemen zich op hunne onmacht.
Toen Pen’s rede gedaan was, kuste hij die vorstelijke hand nogmaals in vervoering, en ik geloof, dat het op dat zelfde oogenblik was, juist toen de vrouw van den deken en doctor Portman met elkander in gesprek waren, dat haar zoontje, de jonge heer Ridley Roset, haar aan de achterplooien van haar omvangrijk gewaad trok, met de woorden:
„Zeg eens, mama! kijk daar eens!” waarbij hij met zijn onschuldig kopje wenkte.
Ja waarlijk, dat was een gezicht uit den tuin van den deken, zooals zelden door dekens gezien – of in kapittels behandeld wordt. De arme Pen zat daar saluutschoten op de rozenvingeren van haar, die hem betooverd had, af te vuren, en zij van haar kant nam die hulde met onverstoorbare kalmte en gelijkmoedigheid aan. De jonge heer Ridley keek op en grinnikte, de jonge jufvrouw Rosa keek haar broeder aan en stond van verbazing met een open mond. Het gezicht, dat de vrouw van den deken zette, is niet te beschrijven, en doctor Portman stond van woede en verwondering versteend toen hij dat tafereel aanschouwde en zijn ouden gunsteling en beminden kweekeling Pen in het oog kreeg.
Mevrouw Haller werd op hetzelfde oogenblik het gezelschap daar beneden gewaar, deinsde even terug en begon te lachen. „Kijk eens, daar zijn menschen in den tuin van den deken,” riep zij uit en verwijderde zich met onverstoorbare bedaardheid, terwijl Pen, met een gezicht als eene kool vuur, wegvloog. Het gezelschap in den tuin was weer naar binnen gegaan toen hij het waagde andermaal naar buiten te kijken. De halve maan stond toen reeds helder aan den hemel te blinken, de sterren flikkerden, de klok der hoofdkerk sloeg negen uur, de gasten van den deken (één uitgezonderd, die zijn paard Dumpling had laten vóórkomen en reeds vroeg weggereden was) zaten een kopje thee met krentenbroodjes in de gezelschapszaal der vrouw van den deken te gebruiken – toen Pen van jufvrouw Costigan afscheid nam.
Pen kwam op een behoorlijken tijd thuis en wilde juist naar bed sluipen, want de arme jongen was zeer afgemat en van streek en zijne opgewondenheid grensde bijna aan waanzin, – toen John, de oude lakei, hem met een onheilspellend gelaat kwam berichten, dat zijne moeder hem beneden wenschte te spreken.
Hij deed zijne das dus weer om en ging naar beneden, naar de gezelschapskamer. Daar zat niet alleen zijne moeder, maar ook haar vriend, de eerwaarde doctor Portman. Helena’s gezicht zag er bij het lamplicht zeer bleek uit, – dat van den doctor was daarentegen rood en trilde van toorn en ontroering.
Pen zag dadelijk in, dat de bom losgebarsten en de zaak ontdekt was. „Nu zal het er op aankomen,” dacht hij.
„Waar zijt gij geweest, Arthur?” vroeg Helena met bevende stem.
„Hoe durft gij die – die achtenswaardige dame en een christelijk predikant in de oogen zien, mijnheer?” viel de doctor uit, in weerwil van Helena’s smeekende blikken. „Waar was hij geweest? Daar, waar zijn moeders zoon zich had moeten schamen te komen. Want uwe moeder is een engel, mijnheer, een engel! Hoe durft gij dit huis bezoedelen, en die reine vrouw rampzalig maken door de gedachte aan uw misdrijf?”
„Mijnheer,” riep Pen uit.
„Spreek het niet tegen, mijnheer,” bulderde de doctor. „Voeg geen leugens, mijnheer, bij uwe andere schanddaden. Ik zelf heb u gezien, mijnheer! Ik heb u gezien uit den tuin van den deken. Ik zag u de hand kussen van die vervloekte geblankette –”
„Zwijg!” zeide Pen en sloeg met de gebalde vuist zoo krachtig op de tafel, dat de lamp er van schudde en hooger opvlamde. „Ik ben nog zeer jong, maar ik verzoek u in gedachte te houden, dat ik een gentleman ben. Ik wil geen kwaad hooren van die dame.”
„Dame, mijnheer!” riep de doctor uit. „Dat eene dame? Staat gij hier – hier – staat gij hier voor uwe moeder en durft gij die – die vrouw eene dame noemen?”
„Voor iedereen durf ik haar zoo te noemen,” schreeuwde Pen. „Zij zou overal op hare plaats wezen. Zij is zoo rein als eenige vrouw wezen kan; en zij is even deugdzaam als schoon. Als iemand anders dan gij haar belasterde, zou ik hem vertellen hoe ik daarover dacht; doch gij, als mijn oudste vriend, hebt zeker het recht om aan mijne eer te twijfelen.”
„Neen, neen, Pen, beste Pen!” riep Helena in overmaat van blijdschap uit. „Ik heb het u wel gezegd, doctor, dat hij degeen niet was waarvoor gij hem hieldt.” En bij die woorden kwam de teerhartige vrouw naar haar zoon en wierp zich aan zijn hals.
Pen gevoelde zich man, hij gevoelde zich opgewassen tegen al de dominé’s in de christenheid. Hij verheugde zich, dat het eindelijk tot deze verklaring gekomen was. „Gij hebt gezien hoe schoon zij was,” sprak hij tot zijne moeder met het geruststellend en beschermend voorkomen, dat Hamlet in het tooneelstuk tegenover Geertruida aanneemt. „En ik verzeker u, moeder, dat zij evengoed is. Als gij haar kent, zult gij het ook zeggen. Met uitzondering van u is zij de eenvoudigste, vriendelijkste, hartelijkste aller vrouwen. Waarom zou zij niet op het tooneel mogen komen? Zij onderhoudt haar ouden vader door middel van haar arbeid.”
„Een dronken oude schelm,” bromde de doctor, maar Pen hoorde het niet, of gaf er niet om.
„Als gij hadt kunnen zien, gelijk ik er toe in de gelegenheid ben geweest, welk een ordelijk leven zij leidt, hoe onberispelijk en godsdienstig zij leeft, – dan zoudt gij, evenals ik, – ja, evenals ik –” (en hierbij wierp hij een woesten blik op den doctor), – „den lasteraar verachten, die haar durfde bezwalken. Haar vader was een officier, die zich in Spanje roemrijk onderscheidde. Hij was een vriend van zijne koninklijke hoogheid den hertog van Kent en een goede kennis van den hertog van Wellington en verscheidene der voornaamste officieren van ons leger. Hij gelooft, dat hij oom Arthur bij Lord Hill ontmoet heeft. Hij behoort tot eene der oudste en voornaamste familiën van Ierland, ja even aanzienlijk als de onze. De – de Costigan’s zijn koningen van Ierland geweest.”
„Wel, God bewaar me!” schreeuwde de doctor, niet wetende of hij lachen moest of boos worden, „gij wilt toch niet zeggen, dat gij van plan zijt haar te trouwen?”
Pen nam de houding aan van een prins en vroeg: „Wat zoudt gij denken, dat ik anders van plan was, Dr. Portman?”
De doctor, wiens aanval ten eenemale mislukt was en die door dezen plotselingen uitval van Pen weerloos was gemaakt, had nog slechts de kracht om met eene beklemde stem te zeggen: „Laat den majoor óverkomen, mevrouw Pendennis.”
„Den majoor laten óverkomen? met het grootste genoegen,” zeide Arthur, prins van Pendennis en groot-hertog van Fairoaks, met eene fiere handbeweging. En het gesprek eindigde met het schrijven van die twee brieven, welke in den aanvang dezer waarachtige historie van prins Arthur op de ontbijttafel van majoor Pendennis te Londen gelegd werden.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
WAARIN DE MAJOOR VERSCHIJNT.
Onze oude kennis, majoor Arthur Pendennis, verscheen op den bepaalden tijd te Fairoaks, na een vervelenden nacht in de diligence te hebben doorgebracht, waar een dikke passagier, door een aantal overjassen tot een onnatuurlijken omvang uitgezet, hem in een hoek gedrongen en door ongemanierd snorken wakker gehouden had; waar eene dame in den rouw, die tegenover hem zat, niet alleen door het ophalen van de glazen der portieren de versche lucht afgesloten, maar den wagen met den geur van Jamaica-rum vervuld had, waarvan zij telkens teugjes nam uit eene flesch, die zij in haar mandje borg; waar de arme majoor, wanneer hij een oogenblikje insluimerde, door het toeten op den hoorn bij de slagboomen, of het heen- en weer schuiven van zijn omslachtigen buurman, die hem nog dichter inmetselde, of het trappen van de voeten der weduwe op zijne eigene gevoelige teenen, telkens weer gewekt werd tot het bewustzijn van de ellende en de werkelijkheid van het leven – van een leven, dat thans voorbijgegaan en te niet gedaan is en alleen nog in de belangstellende herinnering leeft. Acht mijlen in het uur, en dit vier- of vijf en twintig uren achtereen, eene benauwde diligence, harde zitplaatsen, aanvechtingen van jicht, aanhoudende afwisseling van koetsiers, die bromden omdat uwe fooi niet groot genoeg was, een medepassagier, die te veel van grog hield, – wie heeft die ellende in den goeden ouden tijd niet doorstaan? Hoe konden de menschen bij zulk een staat van zaken reizen? En toch deden zij het, en waren nog vroolijk op den koop toe. Nabij het venster en naast den bediende van den majoor boven op de diligence, zaten een paar schooljongens, die naar huis gingen om de zomervacantie door te brengen.
Majoor Pendennis zag hen met verbazing in het logement te Bagshot soupeeren, waar zij eene hoeveelheid ham, eieren, pastei, zuur, thee, koffie en gekookt vleesch naar binnen zonden, waarover de arme majoor ontzet stond, die een kopje zeer slappe thee dronk, en met stille smart overdacht, dat juist op dit zelfde oogenblik Lord Steyne’s diner aan den gang was. De onbewimpelde gretigheid der jongens vermaakte echter den majoor, die zeer goedhartig was en nog meer belangstelling voor hen opvatte, toen hij ontdekte, dat de knaap, die met hem in de diligence reisde, de zoon van een lord was, wiens edele vader Pendennis natuurlijk in de voorname wereld, waarin hij verkeerde, ontmoet had. De kleine lord sliep den ganschen nacht door, in weerwil van de benauwde plaats en van het hoorngetoet en van de weduwe, en zag er zoo gezond als een visch uit, (gelijk hij zich ook, volgens zijne verklaring, gevoelde), toen de majoor met een geel gezicht, een ruigen baard, eene pruik uit de krul en pijnlijke rheumatische schoten door verschillende leden van zijn vermoeid lichaam, aan de kleine portierswoning te Fairoaks afstapte, waar hij door de portierster en tuinmansvrouw eerbiedig, en nog eerbiediger door mijnheer Morgan, zijn knecht, begroet werd.
Helena stond aan het venster en zag den gast, dien zij verwachtte, komen. Doch zij kwam hem niet dadelijk begroeten, want zij wist, dat de majoor niet gaarne overvallen werd en zich eerst wat moest opknappen, eer hij gezien wilde worden. Toen Pen nog een kleine jongen was, had hij zich de hoogste ongenade van den majoor op den hals gehaald, door van diens toilettafel een marokijnen doosje weg te nemen, hetwelk wij bekennen moeten, dat des majoors kiezen bevatte, die hij natuurlijk uit zijn mond liet zoolang hij in de botsende diligence zat, maar zonder welke hij zich niet vertoonen wilde. Zijn knecht Morgan maakte een diep geheim van zijne pruiken, krulde die op verborgene plaatsen en bracht ze heimelijk in zijn meesters kamer: en ook zonder zijn hoofdhaar wilde de majoor geen lid zijner familie, geen zijner kennissen ontmoetten. Hij ging dus naar het voor hem bestemde vertrek en verhielp die gebreken; en hij gromde en bromde en zuchtte en verwenschte Morgan gedurende dat toilet, zooals een oud jong heer, die den geheelen nacht door de rheumatiek is wakker gehouden en eene vervelende taak in het vooruitzicht heeft, licht doet. Toen hij eindelijk zijn rijglijf aanhad, zijne pruik had gekruld en recht op was gezet, ging hij met eene deftige en indrukwekkende houding, gelijk iemand voegde, die te gelijk een man van zaken en een man van de wereld was, naar de gezelschapskamer.
Pen was er echter niet; alleen Helena en de kleine Laura, die aan hare knieën zat te naaien en wie hij nooit meer dan zijn voorvinger gaf, gelijk hij nu, na zijne schoonzuster gegroet te hebben, ook weder deed. Laura nam dien vinger bevende aan, liet hem weer vallen en – pakte zich uit de kamer weg. Majoor Pendennis wilde haar volstrekt niet in de kamer, noch zelfs in het huis houden en had zijne eigen redenen waarom hij niet van haar hield en die wij misschien later wel eens zullen vermelden. Laura verdween dus en zwierf op het buitentje rond, om Pen te zoeken, dien zij spoedig in den boomgaard vond, waar hij in ernstig gesprek met mijnheer Smirke de paden op- en neer wandelde. Hij had het zoo druk, dat hij niet hoorde hoe Laura hem met haar helder stemmetje riep, tot Smirke hem aan zijne jas trok en naar het meisje wees, dat kwam aanloopen.
Toen zij bij hem was, legde zij hare hand in de zijne. „Kom mee, Pen!” sprak zij; „er is iemand gekomen. Oom Arthur is er.”
„Is hij er? is hij er?” riep Pen uit, waarbij zij voelde, dat hij haar handje kneep. Met ongewone fierheid zag hij naar Smirke, alsof hij zeggen wilde, dat hij hem of ieder ander zou staan. Mijnheer Smirke, sloeg echter als naar gewoonte de oogen omhoog en slaakte een deemoedig zuchtje.
„Ga maar vooruit, Laura,” zeide Pen, op een half verbolgen, half lachenden toon. „Ga vooruit, en zeg dat ik bij oom zal komen.” Doch hij lachte, om zijn grooten angst te verbergen, en verzamelde inwendig al zijn moed om de vuurproef, die hem wachtte, te doorstaan.
Sinds de beide laatste dagen had Pen mijnheer Smirke in zijn vertrouwen genomen en na de uitbarsting, die op de ontdekking van doctor Portman volgde, en gedurende elk der acht en veertig uren, welke hij in Smirke’s gezelschap had doorgebracht, over niets anders tegen zijn leermeester gesproken dan over jufvrouw Fotheringay – jufvrouw Emily Fotheringay – Emily enz., naar al welk gepraat Smirke zonder weerzin luisterde, daar hij ook verliefd was, op allerhande wijze Pen’s gunst trachtte te winnen, en bovendien zelf hoog liep met de bekoorlijkheden van die godin, wier gelijke hij nooit gezien had, daar hij nog nooit van zijn leven in den schouwburg was geweest. Pen’s geestdrift en spraakzaamheid, zijne vurige welsprekendheid en rijke dichterlijke beelden en vergelijkingen, zijn manhaftig, welwillend, warm en hoopvol hart, dat geene gebreken wilde zien in de persoon, die hij liefhad, en geene bezwaren, die hij niet zou kunnen overwinnen, – dit alles had mijnheer Smirke half overtuigd, dat de schikking, die mijnheer Pen ontworpen had, zeer uitvoerbaar en verstandig was, en dat het zeer wenschelijk zou zijn, dat Emily op Fairoaks gevestigd, kapitein Costigan voor zijn leven in de Gele Zaal onder dak gebracht en Pen op zijn achttiende jaar getrouwd zoude zijn.
Het is maar al te waar ook, dat de knaap in die twee dagen zijne moeder bijna bepraat en al hare tegenwerpingen de eene na de andere wederlegd had met die verontwaardiging en dat gezond verstand, die dikwijls het toppunt van dwaasheid zijn; en dat hij haar bijna in de stelling had doen berusten, dat, indien dit huwelijk in den hemel besloten was, daaraan niets te veranderen viel, en dat, indien het jonge meisje braaf was, zij van haar kant niets meer te eischen had; zoodat zij nu min of meer opzag tegen het bezoek van den oom en voogd, die, zooals zij voorzag, op eene geheel andere dan de eenvoudige, romaneske, nuchtere en hoogst ongerijmde wijze, waarop de weduwe reeds geneigd was zaken van dezen aard op te nemen, Pen’s huwelijk beschouwen zou.
Want, als in de oude fabel van het gouden en zilveren schild, waarover de twee ridders twistten, heeft ieder gelijk, naar gelang van den kant, waarvan hij de zaak beschouwt. Zoo is het ook met het huwelijk; de vraag of het dwaas of verstandig, wijs of het omgekeerde is, hangt af van het oogpunt, waaruit men het beziet. Indien het een lief huis op een deftigen stand beteekent, en mooie dinertjes en eene aardige equipage om in het Park te rijden, en een voldoend inkomen niet enkel voor het jonge paar, maar ook voor de telgen, die misschien te verwachten zijn, – indien dit de behoeften des levens zijn (en voor vele fatsoenlijke lieden zijn zij dat inderdaad), dan is het eene ongerijmdheid van iets anders te spreken; dan is bijv. liefde in een hutje – eene kinderachtige genegenheid, waarbij men geen rijtuig kan betalen, noch er eene fatsoenlijke modemaakster op kan nahouden – niets dan onverantwoordelijke dwaasheid en een kinderlijk droombeeld. Indien gij aan den anderen kant van meening zijt, dat menschen zonder een vast bestaan, maar met goede vooruitzichten om er een te krijgen, en met hoop, gezondheid en vurige genegenheid als prikkels, eene kans met de Fortuin om lief of leed kunnen wagen, dan wordt de fatsoenlijke theorie op hare beurt eene dwaasheid; ja, erger dan eene dwaasheid, bijna eene oneerbiedigheid degens het Opperwezen, een twijfel aan de voorzienigheid; en de man, die de vrouw zijner keuze niet gelukkig wil maken voordat hij haar in een mooi rijtuig met een paar paarden naar de kerk kan rijden, is niets anders dan een lafaard of beuzelaar, die liefde noch fortuin waardig is.
Ik zeg niet, dat de stedenbewoners geen gelijk hebben, maar Helena Pendennis was op het platteland groot gebracht, en in het boek des levens, gelijk zij het verstond, las zij eene andere geschiedenis dan de bladzijde bevat, die in de steden gelezen wordt. Gelijk de meeste zachtzinnige en sentimenteele vrouwen, waren hare gedachten voor een groot gedeelte aan het beramen van huwelijken gewijd, en ik houd mij overtuigd, dat zij overwogen had hoe haar zoon eenmaal zou verliefd worden en trouwen, lang voor dat dit denkbeeld in het brein van den jongen heer zelven opgerezen was. Met dat weemoedige genoegen, hetwelk sommige vrouwen smaken bij de gedachte, dat zij zich opofferen, peinsde zij over den dag wanneer zij alles zou overgeven aan Pen, als hij zijne vrouw in huis bracht, wanneer zij de sleutels zou overhandigen en de beste slaapkamer afstaan, wanneer zij onder aan de tafel zou zitten en hem gelukkig zien. Wat kon zij anders in het leven verlangen dan dat het haar gegeven mocht worden den jongen gelukkig te zien? Terwijl eene keizerin volstrekt niet te goed voor hem zou zijn en zich vereerd moest achten mevrouw Pen te worden, zou de moeder aan den anderen kant, indien hij de nederige Esther in plaats van koningin Vashti koos, zich tevreden stellen met de keus van mylord. Onverschillig hoe onaanzienlijk of arm het meisje mocht zijn, hetwelk die ongeloofelijke eer zou genieten, was mevrouw Pendennis bereid voor haar te buigen, haar het welkom toe te roepen en haar de eerste plaats af te staan. Maar eene actrice – eene vrouw van jaren, die sinds lang niet meer blozen kon dan door middel van blanketsel wanneer zij voor duizenden nieuwsgierige oogen stond – eene onkundige en slechtopgevoede vrouw, die waarschijnlijk in lichtvaardig gezelschap verkeerd en ongepaste taal gehoord had, – o, het was hard, dat zulk eene vrouw de uitverkorene zou zijn en dat de matrone van haar rang ontzet zou worden om plaats te maken voor zulk eene sultane!
Al deze bedenkingen had de weduwe in de twee dagen, die noodwendig vóór de komst van zijn oom moesten verloopen, aan Pen voorgehouden, die ze echter met die beminnelijke rondheid en luchthartigeid, welke aan een jong heer in dat tijdperk des levens eigen zijn, besproken en zijn moeders tegenwerpingen tot zijne eigene onbeschrijfelijke voldoening weerlegd had. Jufvrouw Costigan was een toonbeeld van deugd en fijn gevoel; zij was zoo kiesch als het beschroomdste meisje; zij was zoo rein als pas gevallen sneeuw; zij bezat de beschaafdste manieren, de lieftalligste geestigheid en genie, de bekoorlijkste verfijning en juistheid van oordeel in alle zaken van smaak; zij had het beminnelijkste humeur en was de onderdanigste dochter voor haar vader, een goed oud heer van aanzienlijke familie, maar gering vermogen, die echter in de beste gezelschappen van Europa verkeerd had: hij had geen haast en kon een onbepaalden tijd wachten – tot zijn een en twintigste jaar. Doch hij gevoelde (en hier nam zijn gelaat eene ontzettende en zielroerende plechtstatigheid aan), dat dit de eenige hartstocht van zijn leven was en dat alleen DE DOOD er een einde aan kon maken.
Helena verzekerde hem met een droevig glimlachje, terwijl zij haar hoofd schudde dat men die hartstochten overleefde, en wat lange engagementen tusschen jonge mannen en oude vrouwen betrof, wist zij door een voorbeeld in hare eigen familie – het voorbeeld van Laura’s armen vader – hoe noodlottig die waren.
Mijnheer Pen had echter besloten, dat de dood zijn lot moest zijn ingeval van teleurstelling, en liever dan het zoover te laten komen (of, in waarheid, liever dan hem verdriet te doen), zou deze dame zich elke opoffering of kwelling getroost, en knielend eene Hottentotsche schoondochter den voet gekust hebben.
Arthur kende de macht, die hij over de weduwe bezat, en de jonge tiran was geroerd, terwijl hij die uitoefende. In die twee dagen bracht hij haar bijna tot onderwerping en behandelde haar met genadige welwillendheid. Hij bracht den eenen avond bij de bekoorlijke pasteimaakster te Chatteries door, waarbij hij op zijne macht over zijne moeder snoefde; en den anderen avond besteedde hij aan het opstellen van een hartstochtelijk en hoogdravend vers aan zijne godin, waarin hij gelijk Montrose zwoer, dat hij haar door zijn degen vermaard en door zijne pen beroemd zou maken, en dat hij haar beminnen zou zooals geene sterfelijke vrouw sinds de schepping van het vrouwelijk geslacht aangebeden was.