Chapter 75 of 85 · 3939 words · ~20 min read

Part 75

„Ik weet het, omdat ik werd geraadpleegd over het testament van de arme mevrouw Pendennis,” hernam Archer. „De majoor, Pendennis’ oom, doet zelden iets zonder mij; en daar hij misschien wel wat verkwistend zou zijn, hebben wij het geld vastgezet, zoodat hij er niet mee doen kan wat hij wil. – Hoe vaart ge, mylord? – Kent ge dien heer, dames? Gij hebt de redevoering toch wel gelezen, die hij in het parlement houdt; het is Lord Rochester.”

„Lord Takkebos,” riep Finucane van den bok af. „Dat is immers Tom Staples van den Morning Advertiser, Archer?”

„Zoo?” zeide Archer op de onnoozelste wijze. „Nu, ik ben zeer bijziende, en ik dacht, op mijn woord, dat het Lord Rochester was. Die heer met dien dubbelen tooneelkijker” (weer een knikje) „is Lord John Russell, en die lange man, dien hij bij zich heeft – kent gij hem – is Sir James Graham.”

„Die kent gij, omdat gij hem in het parlement ziet,” merkte Finucane aan.

„Ik ken hen, omdat zij zoo vriendelijk zijn mij te veroorloven hen mijne boezemvrienden te noemen,” ging Archer voort. „Daar hebt ge den hertog van Hampshire; wat een model van een echt oud Engelsch gentleman! Hij zal de Derby-wedrennen nooit verzuimen. „Archer,” zeide hij nog gisteren tegen mij, „ik heb vijf en zestig Derby’s bijgewoond! toen ik pas zeven jaar was, kwam ik op een bonte hit met mijn vader, den prins van Wallis en kolonel Hanger voor het eerst op de baan; en ik heb slechts twee wedrennen sedert verzuimd, den een toen ik te Eton de mazelen had, en den anderen in het jaar van Waterloo, toen ik met mijn vriend Wellington in Vlaanderen was.”

„En van wien is dat gele rijtuig, met die paarsche en gele parasols, waar mijnheer Pendennis en zulk een aantal andere heeren staan te praten?” vroeg mevrouw Bungay.

„Dat is Lady Clavering van Clavering Park, het landgoed naast dat van mijn vriend Pendennis. Dat kind op den bok is de jeugdige zoon en erfgenaam; de kleine schelm is zoo dronken als een tempelier; en de jonge dame is jufvrouw Amory, Lady Claverings voordochter, een meisje, dat een buitengewoon goed oog op mijn vriend Pendennis heeft, wiens genegenheid ik echter meen te weten dat elders gevestigd is. Ge hebt toch wel van den jongen mijnheer Foker gehoord (van dien grooten brouwer, Foker, weet u?); die heeft zich opgehangen ten gevolge van eene vervaarlijke liefde voor jufvrouw Amory, die hem echter afgewezen had; zijn kamerdienaar sneed hem nog juist bijtijds af en nu reist hij in het buitenland, onder toezicht van een bewaker.”

„Wat is die jonge heer gelukkig!” zuchtte mevrouw Bungay. „Wie zou gedacht hebben, toen hij voor een jaar of drie vier zoo stil en lijdelijk bij ons kwam dineeren, dat hij zulk een voornaam heer zou worden. Ik heb zelf onlangs gelezen, dat hij aan het hof is voorgesteld door den markies van Steyne; en bij elke partij van den adel vindt men zijn naam vermeld, zoo zeker als de zon aan den hemel staat.”

„Ik heb hem veel vooruitgeholpen toen hij voor het eerst te Londen kwam,” zeide mijnheer Archer, „en zijn oom, majoor Pendennis, deed het overige. Hola! wel wie had ooit gedacht, dat Cobden hier zou zijn! Ik moet hem eens spreken. Vaarwel, mevrouw Bungay. Uw dienaar, mevrouw Shandon.”

Een uur te voren had men aan een ander gedeelte der renbaan een oude diligence kunnen zien, waarop boven een aantal kale heeren zaten te stampen en te juichen, toen de paarden, die aan den Derby-wedren, de groote plechtigheid van den dag, deel namen, over het groene veld vlogen, onder het getier van de honderdduizenden, vergaderd om dit treffende schouwspel bij te wonen. Dit voertuig was van Wheeler, den kastelein uit het Harlequin’s Head, en had een uitgezocht gezelschap uit Bow Street overgebracht, die een stevig ontbijt in het kastje onder de bank meevoerden. Toen de paarden als een stormwind voorbijschoten, riep elk lid van dat uitgezocht gezelschap den naam van het paard of van de kleuren, die hij meende of hoopte, dat de eerste zouden zijn. „De Cornet!” „Het is Muffineer!” „Het is die met de blauwe mouwen!” „Gele pet! gele pet! gele pet!” en meer van dien aard gilden deze heeren liefhebbers gedurende die heerlijke minuut vol gespannen verwachting voordat de strijd beslist was; en toen de seinwimpel geheschen werd en het nommer daarvan verkondigde, dat het vermaarde paard Podasokus den prijs gewonnen had, sprong een der heeren van het Harlequin’s Head op het dak der diligence omhoog, alsof hij eene postduif was, die dadelijk met het nieuws naar Londen of York wilde vliegen.

Maar zijn opgetogenheid verhief hem niet veel duimen boven zijne plaats, op welke hij dadelijk weer met zooveel kracht neerkwam, dat de planken van het wrakke oude rijtuig onder het gewicht zijner blijdschap kraakten. „Hoera! hoera!” schreeuwde hij uit. „Het is Podasokus! Wheeler, beste jongen, een souper voor tien personen. Natuurlijk vraag ik u allen, want het kan mij niet schelen wat het kost.”

Hierop zeiden al de heeren op het rijtuig, al die kale kwasten, die nagemaakte dandy’s: „Asjeblieft, – wij wenschen u van harte geluk, kolonel; wij zullen gaarne met u soupeeren,” en de een fluisterde den ander toe: „De kolonel wint vijftienhonderd pond, en degeen, van wien hij ze wint, is er goed voor!”

Ieder van de kale heeren en verloopen dandy’s begon zijn buurman met achterdochtige blikken gade te slaan, uit vrees dat die buurman gebruik zou maken van de gelegenheid om den kolonel afzonderlijk te spreken en geld van hem te leenen. En de man, die door Podasokus geld gewonnen had, kon zich dien ganschen namiddag geen oogenblik afzonderen, zoo nauwkeurig hielden zijne vrienden hem en elkander in het oog.

Op een ander gedeelte der baan had men een rijtuig kunnen zien, dat voorzeker minder in het oog loopend, zoo niet nog meer gehavend was dan de ontredderde koets, die het uitgezochte gezelschap van het Harlequin’s Head vervoerd had; dit was de vigilante No. 2002, waarmede een heer en twee dames van de standplaats der vigilantes herwaarts gereden waren. Eene dier dames, die, op den bok gezeten, zich met hare mama en beider geleider aan kreeften-salade en bittere ale had te goed gedaan, zag er zoo frisch en lief uit, dat vele der opzichtige jonge dandy’s, die bij de renbaan drentelden en zich met het edele balwerpen vermaakten, of met de prachtig gekleede dames in de fraaie rijtuigen op den heuvel spraken, zich aan die verlokselen onttrokken om op het lachende meisje met de rozenwangen op den bok der vigilante een blik te werpen. De blos van jeugd en vroolijkheid overtoog de wangen van het kind en dreef over dat blanke gelaat, gelijk de aardige lichte wolkjes aan den helderen hemel boven hun hoofd. Ook de wang der oudere dame was rood; maar het was daar eene blijvende roos, die alleen donkerder werd na elke teug bier en brandewijngrog, tot haar gezicht eindelijk met de hooggekleurde schaal van den kreeft, dien zij met gretigheid zat te nuttigen, wedijverde.

De heer, die deze beide dames geleidde, was onuitputtelijk in zijn oplettendheden, zoowel hier op de renbaan, als hij het was geweest op de reis herwaarts. Gedurende dien ganschen vroolijken en heerlijken tocht van Londen, was er geen eind geweest aan zijne grappen. Onbeschroomd richtte hij het woord zoowel tot ontzagwekkende rijtuigen vol van de grootste en deftigste officieren der garde, als tot de geringste ezelskar, waarmede Bob de vuilnisman zijne Molly naar den wedren reed. Hij had verbazende hoeveelheden aardigheden afgevuurd naar de ontelbare vensters, die zij voorbijkwamen; naar de reeksen van giggelende jonge jufvrouwen van de scholen; naar de regimenten juichende bengels, die achter het hek hunner instituten hoera stonden te roepen; naar de ramen, waar lachende dienstmeisjes of minnen met zuigelingen op den arm, of stijve oude jufvrouwen met afkeurende gezichten uitkeken. En het mooie meisje met dien strooien hoed met paarsch lint en hare mama, de kreeftenverslindster, waren het eens, dat niemand in de schaduw van mijnheer Sam kon staan, wanneer hij „op zijn dreef” was. Hij had het rijtuig volgepropt met voorwerpen, die hij gewonnen had op de draaiborden hier in den omtrek, en met een onnoemelijk aantal speldenkussens, houten appelen, tabaksdoozen, springduiveltjes en kindersoldaatjes. Hij had eene heidin met een bruin kind op haar arm er bij gehaald, om voor de dames te waarzeggen; en de eenige wolk, die den zonneschijn van dit gelukkige gezelschapje een oogenblik verduisterde, vertoonde zich toen de waarzegster aan de jonge dame toevoegde, dat zij zich in acht moest nemen voor een blond man, die haar valsch was, dat zij eene zware ziekte had doorgestaan, en dat zij ondervinden zou dat een donker man haar trouw zou wezen.

Het jonge meisje keek op het vernemen van dit nieuws zeer verslagen, terwijl hare moeder en de jonkman teekenen van verwondering en verstandhouding wisselden. Waarschijnlijk had de waarzegster dien dag hetzelfde reeds bij honderd andere rijtuigen verteld.

Een jeugdig vriend van ons, die onverzeld tusschen de volksmenigte en de rijtuigen doorwandelde en volgens zijne gewoonte de verschillende toestanden en karakters, die het levendige tooneel opleverde waarnam, ontwaarde plotseling de vigilante No. 2002 en het groepje dat buiten op het rijtuig zat. Toen hij de jonge dame op den bok in het oog kreeg, ontstelde en verbleekte zij; hare moeder werd rooder dan ooit; de tot nog toe zoo vroolijke en zegepralende mijnheer Sam zette dadelijk een barsch en achterdochtig gezicht en liet zijn oogen verbolgen van Fanny Bolton (die de lezer ongetwijfeld wel in de jonge dame op het rijtuig herkend zal hebben) naar Arthur Pendennis gaan, die naar haar toekwam.

Ook Arthur keek somber en achterdochtig, toen hij mijnheer Samuel Huxter in gezelschap van zijn oude bekenden zag; maar zijn achterdocht ontsproot uit onthutste moraliteit, en was in mijnheer Arthur natuurlijk zeer loffelijk, evenals de achterdocht van mevrouw Lynx, wanneer zij mijnheer Brown en mevrouw Jones met elkander ziet praten, of mevrouw Lamb een paar maal in eene mooie operaloge ontdekt. Er is misschien geen kwaad in dat gesprek van mijnheer B. met mevrouw J., en mevrouw Lamb kan misschien heel eerlijk aan hare loge gekomen zijn (ofschoon iedereen weet, dat zij die niet betalen kan), maar desniettemin heeft iemand, die een oogje in het zeil houdt, zooals mevrouw Lynx, het recht om wat voorbarig bevreesd te zijn; en Arthur was dus zonder twijfel bevoegd om zulk een zuur gezicht te zetten.

Fanny’s hart begon hevig te kloppen; Huxter’s handen, in de zakken zijner paletot gedompeld, balden zich tot vuisten en legden zich als het ware in hinderlaag; jufvrouw Bolton begon uit alle macht en met verbazende radheid te praten, en „Heere, zij was zoo blij dat ze meneer Pendennis nog eens sprak, en wat zag hij er goed uit, en we spraken net zooeven nog over meneer P., niet waar, Fanny? en als dit nu de beroemde Hepsom wedrennen waren, waar zulk een groote roep van uitging, dan kon het haar niets schelen, voor haar part, indien zij ze nimmer weer zag. En hoe voer majoor Pendennis, en die vriendelijke meneer Warrington, die meneer Pendennis’ hartelijke groeten aan Fanny had overgebracht? en dat zou zij nooit, nooit vergeten; en meneer Warrington was zoo lang, dat hij zich het hoofd stootte aan den ingang der portierswoning. Weet ge nog wel, Fanny, hoe meneer Warrington zich het hoofd stootte?”

Ik zou wel eens willen weten hoeveel duizenden gedachten door Fanny’s brein schoten terwijl jufvrouw Bolton aldus voortratelde, en welke dierbare oogenblikken, droevige tweestrijden, eenzame smarten en latere vertroostingen, over welke zij zich schaamde, weer in haar geheugen oprezen. Welke kwellingen doorstond het arme meisje, toen zij bedacht dat zij hem zoozeer had liefgehad en hem nu niet meer beminde? Dáár stond hij, voor wien zij tien maanden geleden had willen sterven, verwaand en laatdunkend, met een rouwband om zijn witten hoed en zwarte knoopjes in zijn overhemd, met een anjelier, die een andere hem waarschijnlijk geschonken had, in zijn knoopsgat; met de engst sluitende lavendelkleurige handschoenen met zwarte naden en het kleinst mogelijke wandelstokje. Huxter droeg geen handschoenen, maar groote rijglaarzen, en rook erg naar tabak; en hij zag er uit – ja, het was niet te ontkennen alsof een emmer water hem veel goed zou gedaan hebben. Al die gedachten, en nog duizenden andere, vlogen door Fanny’s hoofdje terwijl hare moeder zich ontboezemde, en toen het meisje met een steelschen blik Pendennis opnam – en zij nam hem van top tot teen op, den kring op zijn blank voorhoofd, dien zijn hoed naliet als hij dezen oplichtte (zijn heerlijk, heerlijk haar was weer aangegroeid), de snuisterijen aan zijn horlogeketting, den ring aan zijn vinger onder zijn handschoen, zijne nette glimmende laarzen, die zoozeer afstaken bij die van Sam! – en toen hare hand een kleinen schuchteren druk had gegeven aan de lavendelkleurige glacé-hand die haar werd toegereikt, en toen hare moeder haar ontboezeming had geëindigd toen, was het eenige wat Fanny wist te zeggen: „Dit is mijnheer Samuel Huxter, dien ik geloof dat gij vroeger gekend heb, mijnheer; mijnheer Samuel, gij hebt mijnheer Pendennis vroeger gekend – en – en zult ge niet iets gebruiken?”

Hoewel deze weinige woorden, bevende uitgesproken, niet bijzonder veel beteekenden, vatte Pendennis die echter in zulk een zin op, dat zij een zwaren last van verdenking van zijne ziel – en misschien van wroeging van zijn hart – afnamen. De barschheid verdween van het gelaat van den prins van Fairoaks, en een welwillende glimlach en eene veelbeteekenende flikkering in zijn oogen luisterden het gezicht van zijne hoogheid op. „Ik heb grooten dorst,” gaf hij ten antwoord, „en zal gaarne op uwe gezondheid drinken, Fanny; en ik hoop, dat mijnheer Huxter het mij zal willen vergeven, dat ik de laatste maal, toen wij elkander zagen, zeer onbeleefd tegen hem ben geweest, want ik was zoo ongesteld en mismoedig, dat ik waarlijk bijna niet wist wat ik zeide.” En bij die woorden werd de lavendelkleurige glacé handschoen ten teeken van vriendschap aan Huxter toegestoken.

De onzindelijke vuist in den zak van den jongen chirurgijn was nu genoodzaakt zich te openen en ontwapend uit hare hinderlaag te voorschijn te komen. De arme kerel voelde hoe zijne hand gloeide, toen hij haar in die van Pen legde, en hoe vuil zij was, want zij liet donkere plekken op Pen’s handschoenen na; hij zag ze, en gaarne zou hij zijne vuist weer gebald en in het opgeruimde gelaat van den ander geplant hebben, om hier op deze zelfde plek, met Fanny en gansch Engeland tot toeschouwers, te zien wie van beiden de sterkste was – hij, Sam Huxter van het Bartholomeus-Hospitaal, of die grinnikende kwast.

Met onverstoorbare gelijkmoedigheid nam Pen een glas aan – het was hem onverschillig wat het bevatte; het was hem maar te doen, om op de gezondheid der dames te drinken; en hij schonk het vol met lauw bier, hetgeen hij voor heerlijk verklaarde en waarmee hij op den hartelijksten toon op het welzijn van het gezelschap dronk.

Terwijl hij nu op eene bevallige wijze stond te drinken en te praten, ging eene jonge dame in een duivenkleurig gewaad met weerschijn, eene witte parasol met paarsche voering, en de alleraardigste duivenkleurige laarsjes die ooit gezien zijn, Pen voorbij aan den arm van een rijzig heer met een krijgshaftigen knevel.

De jonge dame kneep haar vuistje samen en sloeg ter zijde een ondeugenden blik op Pen, toen zij hem voorbijging. De heer met de knevels barstte in een gullen lach uit. Hij had den hoed afgenomen voor de dames in de vigilante No. 2002. Men had eens moeten zien, met welke oogen Fanny Bolton de duivenkleurige jonge dame nazag. Zoodra Huxter op de richting van die oogen lette, staakten zij het nakijken van de duivenkleurige nimf, en keken zij met de argelooste en vroolijkste uitdrukking in Sam Huxter’s oogen.

„Wat een lief meisje!” zeide Fanny. „Wat een beelderig kleedje! Hebt gij wel gezien, mijnheer Sam, welke kleine handjes zij heeft?”

„Dat was kapitein Strong, zeide jufvrouw Bolton; „maar ik zou wel eens willen weten, wie dat meisje is?”

„Een buurmeisje van mij op het land – jufvrouw Amory,” zeide Arthur, „de dochter van Lady Clavering. Gij hebt Sir Francis dikwijls in Shepherd’s Inn gezien, jufvrouw Bolton.”

En terwijl hij dit zeide, bouwde Fanny een volslagen roman in drie deelen op liefde, trouweloosheid, eene prachtige trouwpartij in de St.-Georgekerk in Hanover Square, een meisje met een gebroken hart, – en Sam Huxter was de held niet van die geschiedenis, de arme Sam, die in den tusschentijd eene ijselijk stinkende Cuba-sigaar te voorschijn had gehaald en deze onder Fanny’s neusje rookte.

Nadat die verwenschte kwast van een Pendennis het gezelschap ontmoet en weer verlaten had, was de zon minder helder voor Sam Huxter, de lucht minder blauw, de spellen hadden hunne bekoorlijkheid voor hem verloren, het bitterbier was warm en ondrinkbaar, de wereld had een ander voorkomen gekregen. Hij had wat erwten en een tinnen blaaspijp in het kastje der vigilante tot uitspanning op de terugreis meegenomen; doch hij haalde die niet te voorschijn, en vergat geheel, dat hij er zich van voorzien had, totdat een andere snaak, op hun terugweg, eene volle lading erwten tegen Sam’s bedroefd gelaat schoot, eene begroeting, die hem, na eenige vloeken van verbazing, in een woesten en sardonischen lach deed uitbarsten.

Maar Fanny was op die geheele terugreis betooverend. Zij sprak vleiend en innemend, met een glimlachje op de lippen. Zij schoot in de alleraardigste lachjes; zij was vol bewondering over alles: zij haalde dat hondje van een springduiveltje voor den dag, en was er Sam zóó dankbaar voor! En toen zij thuis kwamen en mijnheer Huxter, nog altijd met een donker gezicht, op koele wijze afscheid van haar nam, barstte zij in tranen uit en verklaarde dat hij een, ondeugend norsch mensch was.

En daarop klemde de jeugdige chirurgijn met bijna even groote ontroering als die van Fanny, het meisje in zijn armen; hij zwoer, dat zij een engel en hij zelf een jaloersche rekel was; hij bekende, dat hij haar onwaardig was en geen recht had Pendennis een kwaad hart toe te dragen, en hij verzocht en bezwoer haar, hem nog ééns te zeggen, dat zij –.

Dat zij wat? Het laatste gedeelte der vraag en het antwoord werden uitgesproken door lippen, die zoo dicht bij elkander waren, dat geen der omstanders er iets van kon hooren. Jufvrouw Bolton zeide alleen: „Kom, kom, mijnheer H., geen gekheid, als het u belieft. Ik vind dat gij u heel onaangenaam gedragen en Fanny wreedaardig behandeld hebt, dat is waar!”

Toen Arthur de vigilante No. 2002 verliet, ging hij zijn compliment maken bij het rijtuig, waarin de duivenkleurig gekleede schrijfster van Mes Larmes thans weer plaats had genomen naast hare mama. De onvermoeibare oude majoor Pendennis wijdde zijne diensten aan Lady Clavering en zat op de achterbank van het rijtuig, terwijl de jonge veelbelovende erfgenaam van het huis Clavering, onder toezicht van kapitein Strong, den bok in bezit had genomen.

Een aantal dandy’s en heeren van zekere soort (militairen en fatterige jonge ambtenaren, van die personen, die meer ophebben met heeren dan met dames) hadden zich rondom het rijtuig geschaard, terwijl het op den heuvel stond, een paar woorden met Lady Clavering gewisseld en met jufvrouw Amory een praatje gemaakt (of „gekletst”, zooals de elegantste dier heeren hun gesprek noemden). Zij hadden schertsend met haar willen wedden, en praatten zeer vrij en met veelbeteekenende zinspelingen over allerlei onderwerpen. Zij wezen haar aan wie al zoo bij de wedrennen tegenwoordig waren, en dat waren niet altijd personen, die eene jonge dame behoorde te kennen.

Toen Pen bij Lady Clavering’s rijtuig kwam, moest hij door een aantal dezer jonge fatten, die hun hof aan jufvrouw Amory maakten, heendringen, om even dicht bij haar te komen, daar zij hem met een aantal lieve wenken tot zich riep.

„Je l’ai vue,” sprak zij: „elle a de bien beaux yeux; vous êtes un monstre!”

„Waarom een monster?” vroeg Pen lachend. „Honi soit qui mal y pense. Mijne jonge vriendin daar ginds is zoo goed beschermd als eenige jonge dame in de gansche Christenheid het kan. Zij heeft hare mama aan den eenen en haar aanstaande aan den anderen kant. Welk leed zou tusschen die beiden een meisje kunnen treffen?”

„Men weet niet wat er al gebeuren kan,” zeide jufvrouw Blanche in het Fransch, „wanneer een meisje er toe genegen is en vervolgd wordt door een ondeugend monster zooals gij. Verbeeld u, majoor, dat ik, voorbijkomende, monsieur uw neef bij eene vigilante aantrof, waarin twee dames zaten, en een man – o zoo’n kluchtigen man! – en die kreeften aten, en lachten, lachten!”

„Ik heb niet kunnen merken, dat de man lachte,” zeide Pen. „En wat de kreeften betreft, het was alsof hij mij zelven na die kreeften wel had willen opeten. Hij gaf mij de hand en kneep mij zoo sterk, dat de mijne bont en blauw werd onder den handschoen. Het is een jonge chirurgijn, uit Clavering afkomstig. Herinnert ge u daar niet de Gouden vijzel en stamper in de High Street?”

„Als hij over u praktizeert wanneer gij ziek zijt,” hernam jufvrouw Amory, „zal hij u vermoorden. En dat zal ook uw verdiende loon zijn, want gij zijt een monster.”

Dat herhaalde gebruik van het woord „monster” kwetste Pen’s ooren. „Zij spreekt veel te lichtvaardig over deze zaken,” dacht hij. „Indien ik een monster ware geweest, gelijk zij het noemt, zou zij mij op juist dezelfde wijze ontvangen hebben. Geen Engelsche dame behoorde aldus te spreken of te denken. Laura zou zich althans, Goddank, zóó niet uitlaten,” en bij die gedachte betrok zijn eigen gelaat.

„Waaraan denkt gij? Wilt gij boos op mij worden?” vroeg Blanche. „Majoor, bestraf uw méchanten neef eens. Hij amuseert mij in het geheel niet. Hij is even bête als kapitein Crackenbury.”

„Wat zegt gij van mij, jufvrouw Amory?” vroeg de garde-officier met een grijns. „Als het wat goeds is, zeg het dan in het Engelsch, want ik versta geen Fransch als het zoo verduiveld snel gesproken wordt.”

„Het is niets goeds, Crack,” zeide diens vriend kapitein Clinker. „Kom, laten wij heengaan en het spel niet bederven. Men zegt, dat Pendennis een oogje op haar heeft.”

„Ik heb gehoord, dat hij een verduiveld knappe kerel is,” zuchtte kapitein Crackenbury. „Lady Violet Lebas zegt, dat hij een verduiveld knappe kerel is. Hij heeft een werk, of een gedicht of zoo iets geschreven; en hij schrijft die verduiveld mooie dingen in de – in de couranten, weet je. Wat drommel Clinker, ik wenschte, dat ik een knappe kerel was!”

„Daar helpt geen wenschen meer aan, Crack, beste jongen,” zeide de ander. „Ik kan geen mooi boek schrijven, maar ik geloof, dat ik een vrij goed boek met weddenschappen bij de wedrennen vullen kan. Wat is die Clavering een ezel! En die begum! ik houd wel van die oude begum! Zij kan tegen tien van de soort harer dochter opwegen. Wat was die oude vrouw blij toen zij wat in de loterij won!”

„Clavering is er toch goed voor, dat hij betalen zal, hoop ik?” zeide Crackenbury.

„Dat wil ik ook hopen,” antwoordde zijn vriend, waarop beiden zich verwijderden, om de volksvermaken weer te gaan bijwonen.

Voordat de genoegens van den dag ten einde liepen, kwamen nog vele andere heeren van Lady Clavering’s kennis bij haar rijtuig en maakten een praatje met het gezelschap. De achtenswaardige dame was zeer vroolijk en opgeruimd, lachte en snapte als naar gewoonte en bood al hare vrienden ververschingen aan, totdat hare goed gevulde manden en flesschen geledigd en hare bedienden en postiljons zoo opgewonden waren, als bedienden en postiljons dit op den dag der wedrennen doorgaans zijn.