Part 44
De trouwe Finucane had ondertusschen mijnheer Bungay in onhandelbaarder stemming gevonden dan den vorigen avond, toen zijn gemoed door twee derden van eene flesch portwijn en twee groote glazen brandewijngrog tot geestdrift was opgewonden, zoodat hij de schoonste beloften in het belang van kapitein Shandon gedaan had. Toen hij thuis was gekomen, had zijne knorrige vrouw hem den mantel uitgeveegd. Zij had gelast, dat hij den kapitein aan zijn lot zou overlaten, want het was een deugniet, die met geen geld te helpen was; zij keurde de oprichting der Pall Mall Gazette af en voorspelde, dat Bungay er geld mee verliezen zou, gelijk zij met het Whitehall Journal aan den overkant ook deden (haar broeders zaak bestempelde zij altijd met den naam van „den overkant”). Shandon moest maar in de gevangenis blijven en daar zijn werk doen; het was de beste plaats voor hem. Finucane’s pleiten en beloften en smeeken bleef vruchteloos, want zijn vriend Bungay had dien morgen een bedsermoen van een uur lang moeten aanhooren en was dus onverbiddelijk.
Maar hetgeen de brave Jack gelijkvloers op het kantoor niet bewerken kon, dat brachten de innemende gezichtjes en manieren van moeder en dochtertje in de gezelschapszaal op de eerste verdieping teweeg, waar zij het hart van de driftige, doch inderdaad goedhartige, mevrouw Bungay vermurwden. Er lag eene ongemaakte lieftalligheid in mevrouw Shandon’s stem en eene innemende rondheid in hare manieren, om welke de meeste menschen haar liefkregen en beklaagden; en moed scheppende uit de ruwe hartelijkheid, waarmee mevrouw Bungay haar ontving, verhaalde de kapiteinsvrouw hare geschiedenis en beschreef de goedheid en de deugden van haar man en de achteruitgaande gezondheid van haar kind (van twee kinderen, zeide zij, had zij moeten scheiden; zij had hen naar school moeten zenden, want zij wilde hen in die verschrikkelijke plaats niet bij zich houden), – zoodat mevrouw Bungay, ofschoon zoo barsch als Lady Macbeth, door dit eenvoudige verhaal geheel verteederd werd en zeide dat zij naar beneden zou gaan om eens met Bungay te spreken. In dit huishouden nu stond spreken bij mevrouw Bungay met bevelen gelijk, en hooren bij mijnheer Bungay met gehoorzamen.
Het was juist op dit oogenblik toen Finucane aan het welslagen zijner bemoeiingen wanhoopte, dat de majestueuse mevrouw Bungay bij haar echtgenoot verscheen en mijnheer Finucane beleefdelijk verzocht zich eenige oogenblikken bij mevrouw Shandon in de gezelschapskamer te vervoeren, daar zij mijnheer B. even spreken moest; en toen het echtpaar alleen was gaf des uitgevers wederhelft hem te kennen, welke plannen zij met de vrouw van den kapitein had.
„Wat is er nu gaande?” vroeg de Maecenas, vol verwondering over de veranderde stemming zijner vrouw. „Heden morgen wildet gij er niet van hooren, dat ik iets voor den kaptein doen zou. Wat heeft u zoo van inzicht doen veranderen?”
„De kaptein is een Ier,” gaf mevrouw Bungay ten antwoord, „en ik heb altijd gezegd, dat ik die Ieren niet kan uitstaan. Maar zijne vrouw is eene echte dame, dat kan men haar wel aanzien; en eene goede vrouw, de dochter van een dominé, eene vrouw uit het westen van Engeland, B., waar ik van moederszijde ook vandaan ben – en o, Marmaduke, hebt ge niet op dat kleine meisje gelet?”
„Ja wel, ik heb dat kindje gezien.”
„En hebt ge dan niet opgemerkt, B., hoe sprekend zij op ons engeltje van een Bessy gelijkt?” en bij die woorden ging mevrouw Bungay in den geest achttien jaren terug, toen Bacon en Bungay zich pas kortelings als kleine boekverkoopertjes in eene provinciestad gevestigd hadden, en toen zij een kind met name Bessy had gehad, dat eenigszins op de kleine Marie geleek, die thans haar medelijden had gaande gemaakt.
„Nu, nu, mijne beste,” zeide Bungay, toen hij zag dat de kleine oogjes zijner vrouw begonnen te trekken en rood werden; „de kaptein zit voor geen groote som in de doos. Hij is maar gegijzeld voor honderd dertig pond. Finucane zegt, dat wij hem voor de helft van dat geld uit de gevangenis kunnen verlossen, en wij zullen hem dan maar half loon uitbetalen tot hij het voorschot aangezuiverd heeft. Toen dat kleintje zeide: „Waarom haalt ge pa hier niet uit?” toen gevoelde ik het ook, Elizabeth, op mijn woord!” Het gevolg van dit gesprek was, dat mijnheer en mevrouw Bungay te zamen de trap opgingen naar de gezelschapskamer, waar Bungay in eene taaie en hortende toespraak aan mevrouw Shandon berichtte, dat hij bereid was de vijf en zestig pond, waarvoor hij gehoord had, dat haar man vrij kon komen, voor te schieten, die hij dan van het salaris van den kapitein zou inhouden, maar dat hij dit deed onder voorwaarde, dat zij zelve met de schuldeischers de schikkingen zou maken om haar man in vrijheid te doen stellen.
Ik geloof, dat dit de gelukkigste dag was, dien mevrouw Shandon en mijnheer Finucane in langen tijd beleefd hadden. „Te drommel, Bungay, ge zijt een juweel!” galmde Fin uit met zijn zwaarste Iersche accent en tot in zijne ziel aangedaan. „Geef mij de hand, ouwe jongen! We zullen de Pall Mall Gazette tot tien duizend abonnenten opdrijven, of ik heet niet Finucane!” en onderwijl huppelde hij de kamer rond en wierp hij de kleine Marie onder honderden bokkesprongen in de hoogte.
„Als ik u ergens met mijn rijtuig heen kan brengen, mevrouw Shandon, is het geheel tot uw dienst,” zeide mevrouw Bungay met een blik op een rijtuigje met één paard, dat juist was voorgekomen en waarin zij nog al dikwijls een luchtje schepte; en de twee dames, met de kleine Marie tusschen haar beiden (wier tengere handje de vrouw van Maecenas in hare groote vuist vasthield) en den verrukten Finucane op het achterbankje, reden van Paternoster Row weg, terwijl de eigenares van het rijtuig zegevierende blikken op de vensters van Bacon aan den overkant wierp.
„Het zal den kapitein niet helpen,” dacht Bungay, toen hij naar zijn lessenaar en zijne rekeningen terugkeerde. „maar mevrouw B. geraakt geheel van streek, als zij aan haar verlies denkt. Ware het kind in het leven gebleven, dan zou het gisteren meerderjarig geweest zijn, zooals Bessy mij gezegd heeft;” en hij verwonderde zich, dat de vrouwen zulk een goed geheugen hebben.
Het doet ons genoegen te kunnen mededeelen, dat mevrouw Shandon in den haar opgedragen last zeer goed slaagde. Zij, die schuldeischers had moeten verteederen toen zij geen stuiver en niets dan tranen en smeekingen bezat om hen tot inschikkelijkheid te bewegen, had geen moeite om hen genadig te stemmen door de betaling van tien shillings van elk pond sterling, en de volgende Zondag was de laatste, althans voor eenigen tijd, welken de kapitein in de gevangenis doorbracht.
VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN DINER IN PATERNOSTER ROW.
Op den bepaalden dag vervoegden onze beide vrienden zich aan de deur van mijnheer Bungay in Paternoster Row, niet de publieke toegang waar de boekverkoopersjongens uitkwamen met zakken vol boeken, die Bungay uitgegeven had, en waar bedeesde, pas beginnende letterkundigen met hunne maagdelijke handschriften rondzwierven, die zij gaarne aan den sultan Bungay wilden verkoopen; maar de afzonderlijke deur van het woonhuis, waaruit de prachtig gekleede mevrouw Bungay te voorschijn kwam om in haar rijtuigje te stappen en een ritje te doen, waarbij zij zich op de kussens neervlijde en uitdagende blikken naar de vensters van mevrouw Bacon aan den overkant wierp – van mevrouw Bacon, die tot nog toe eene vrouw zonder rijtuig was.
Bij zulke gelegenheden en wanneer mevrouw Bacon meer dan gewoonlijk verontwaardigd was over het prachtvertoon van hare schoonzuster, schoof zij het raam harer huiskamer op en keek met hare vier kinderen naar het rijtuig, alsof zij zeggen wilde: „Kijk die vier engeltjes eens aan, Betsi Bungay! Dit is de reden waarom ik geen rijtuig kan houden; maar gij zoudt eene koets met vier paarden willen missen, om hetzelfde te kunnen zeggen.” En met deze pijlen uit haar koker schoot Emma Bacon Betsi Bungay dood, als zij wangunstig en kinderloos in haar zegewagen zat.
Toen Pen en Warrington aan Bungay’s deur kwamen, hielden eene koets en eene vigilante bij Bacon stil. Uit de koets steeg Dr. Slocum heel langzaam; zijne equipage was even zwaar als zijn omgang met hem saai was, doch beiden maakten een allerweldadigsten indruk op de uitgevers in de Row. Uit de vigilante kwamen twee blinkende witte vesten te voorschijn.
Warrington moest lachen. „Ge ziet,” zeide hij, „dat Bacon ook een diner geeft. Dat is Dr. Slocum, de schrijver der Gedenkschriften van de vergifmengers. Men zou onzen vriend Hoolan bijna niet herkennen met dat prachtige witte vest. Doolan echter behoort tot de volgelingen van Bungay, en waarlijk, daar komt hij.” De heeren Hoolan en Doolan waren in ééne vigilante uit het Strand gekomen en hadden onderweg kruis of munt geraden wie den shilling betalen zou. Doolan stapte van de andere zijde der straat over; hij was in het zwart uitgedost en had een paar groote witte handschoenen, die hij onwillekeurig met genoegen bekeek, over zijne handen uitgebreid.
De huisportier in avondcostuum en heeren met handschoenen, zoo groot als die van Doolan, maar van het vermaarde Berlijnsche garenfabricaat, stonden in den gang bij Bungay, om de hoeden en overjassen der gasten aan te nemen en hunne namen de trap op te schreeuwen. Er waren reeds eenige gasten aanwezig toen de drie laatstgekomenen binnentraden; maar het schoone geslacht was nog alleen vertegenwoordigd door mevrouw Bungay, in rood satijn en met eene toque op het hoofd. Zij maakte eene neiging voor elken genoodigde, die de gezelschapskamer binnenkwam, maar haar geest werd blijkbaar door andere gedachten bezig gehouden. Het was mevrouw Bacon’s diner, dat hare kalmte verstoorde, en zoodra zij iemand van hare eigen gasten ontvangen had, vloog zij naar het venster terug, van waar zij de rijtuigen van Emma Bacon’s vrienden kon opnemen, die door de Row kwamen aanrollen. Het gezicht van Dr. Slocum’s groote koets, met de magere huurpaarden, sloeg Betsi Bungay geheel ter neer, want er hadden dien dag nog niets anders dan huurrijtuigen voor hare eigene deur stilgehouden.
Al de aanwezigen waren letterkundigen, ofschoon vooralsnog onbekend aan Pen. Daar was mijnheer Bole, de eigenlijke redacteur van het magazijn, waarvan Wagg in naam de bestuurder was: mijnheer Trotter, die aanvankelijk als een dichter van tragisch allooi, niet vrij van overhelling tot zelfmoord, voor het oog der wereld was opgetreden, maar nu in een van Bungay’s achterkamers ondergegaan was als corrector van dien heer; en kapitein Sumph, een voormalig modepop, die nog altijd in de wereld verkeerde en in eene eenigszins duistere betrekking tot de letterkunde en den adel stond. Men zeide, dat hij eenmaal een boek had geschreven, dat hij een vriend van Lord Byron was geweest, dat hij familie was van Lord Sumphington. Anekdotes betreffende Byron waren bij hem dan ook schering en inslag, en zelden deed hij den mond open, of de naam van dien dichter of van sommige zijner tijdgenooten kwam er uit, bijv.: „Ik herinner mij, dat de arme Shelley op school eene goede aanteekening kreeg voor verzen, waarvan ik, voor den drommel, elken regel geschreven had;” of: „Ik herinner mij dat ik, toen ik met Byron te Missolonghi was, op Gamba wilde wedden,” en meer van dien aard. Pen merkte op, dat mevrouw Bungay met groote oplettendheid naar dezen heer luisterde; zijne anekdotes van de aristocratie, waarvan hij een lid was, bekoorden de uitgeversvrouw, en hij was in haar oog bijna een nog grooter man dan de groote mijnheer Wagg zelf. Ware hij maar met eigen rijtuig gekomen, mevrouw zou Bungay genoodzaakt hebben, elk werk van zijne pen, onverschillig over welk onderwerp, te koopen.
Mijnheer Bungay ging bij zijne gasten rond naarmate zij aankwamen en nam de honneurs van zijn huis met de grootste hartelijkheid waar. „Hoe vaart ge, mijnheer? Mooie dag, mijnheer? Verheugd u te zien, mijnheer! Betsi, mijne waardste, laat ik de eer hebben mijnheer Warrington aan u voor te stellen. Mijnheer Warrington, mevrouw Bungay; mijnheer Pendennis, mevrouw Bungay. Hoop dat ge goeden eetlust hebt, heeren. Gij hebt dat zéker, Doolan, want gij hebt altijd eene drommels goede maag gehad.”
„Heere, Bungay!” riep mevrouw Bungay uit.
„Nu, Bungay, die hier niet smakelijk eet, is moeielijk tevreden te stellen,” antwoordde Doolan met een knipoogje, en sloeg met de groote handschoenen op zijn mager been; terwijl hij te gelijker tijd eene vriendschappelijke toenadering tot mevrouw Bungay beproefde, welke die brave dame met verachting afwees. „Zij kon dien Doolan niet uitstaan,” verklaarde zij in vertrouwen aan hare bekenden, en al zijne vleiende pogingen om hare gunst te winnen, waren dan ook vruchteloos.
Onder die gesprekken kreeg mevrouw Bungay, die uit haar venster den blik over het menschdom liet gaan, een heerlijk visioen van een reusachtigen schimmel in het oog, dat met snelheid naderde. Achter het paard werden een paar witte leisels zichtbaar, door kleine witte handschoenen vastgehouden. Een gelaat, dat bleek, doch met een haarbos aan de kin rijk versierd was, het hoofd van een dwergachtig knechtje, dat boven de cab uitkeek, – deze heerlijke dingen openbaarden zich aan de verrukte mevrouw Bungay. „Nu, ik moet zeggen, dat mijnheer Percy Popjoy stipt op zijn tijd is,” riep zij uit en zweefde naar de deur om den jongen edelman af te wachten.
„Het is Percy Popjoy, zeide Pen, toen hij uit het venster keek en een heer met blinkende verlakte laarzen uit de heen en weer zwaaiende cab zag stijgen; en het was inderdaad die jeugdige spruit van den adel – Lord Falconet’s oudste zoon, zooals wij allen best weten – die gekomen was, om met zijn uitgever, zijn uitgever in de Row, te dineeren.
„Op de school te Eton stond hij onder mij,” zeide Warrington; „ik had hem een beetje meer moeten afrossen.” Percy en Pen hadden eenige discussiën gehad in de debatteerclub te Oxbridge, waarvan de laatstgenoemde altijd verreweg het best was afgekomen. Percy kwam nu binnen met zijn hoed onder den arm en met een onbeschrijfelijken blik van zelfbehagen en onnoozelheid op zijn rond gelaat, met kuiltjes in de wangen, een gelaat, waarop de natuur een baardje onder de kin had doen ontspruiten, met zooveel inspanning echter, dat zij het overige van zijn gezicht geheel haarloos had gelaten.
De fungeerende kamerheer galmde uit: „Jonkheer Percy Popjoy,” tot groote verlegenheid van dien heer, dat hij zich zoo bij zijn titel hoorde aandienen.
„Waarom wilde die knecht volstrekt mijn hoed wegnemen, Bungay?” vroeg hij den uitgever. „Ik kan mijn hoed niet missen, – ik heb hem noodig om mijn compliment aan mevrouw Bungay te maken. Wat ziet ge er vandaag goed uit, mevrouw. Ik heb uw rijtuig niet in het park gezien; waarom zijt ge er niet geweest? Ik heb u daar gemist, – wezenlijk, dat is zoo!”
„Ik geloof, dat gij er eene aardigheid van maakt,” zeide mevrouw Bungay.
„Aardigheid? Ik heb nog nooit eene aardigheid gezegd in mijn gansch – Hé, wien zie ik hier? Hoe vaart ge, Pendennis? Hoe maakt ge het, Warrington? Oude vrienden van mij, mevrouw Bungay. Wel, wel, hoe drommel komt gij hier?” vroeg hij nogmaals en draaide zijne verlakte hielen naar mevrouw Bungay toe, die eerbied voor de beide jeugdige gasten van haar man begon te krijgen, nu zij zag, dat zij op vertrouwelijken voet met den zoon van een lord stonden.
„Hoe! kennen zij hem?” vroeg zij haastig aan mijnheer B.
„Deftige jongelui, dat verzeker ik je; de jongste is familie van den geheelen adel,” antwoordde de uitgever, en het echtpaar snelde glimlachende en buigende voorwaarts om bijna even groote personages als den jongen lord te verwelkomen; want er werden op dit oogenblik geen mindere lui dan de groote mijnheer Wenham en de groote mijnheer Wagg aangediend.
Mijnheer Wenham trad binnen met het stemmige gelaat en den half onderdrukten glimlach, waarmee hij gewoonlijk naar de punten zijner nette en kleine, glimmende laarzen, maar zelden naar den persoon, met wien hij in gesprek was, keek. Het witte vest van Wagg daarentegen was, als het ware, bestemd om de aandacht te trekken; zijn dik en rood gezicht, stralende bij de gedachte aan levendige grappen en een goed diner, schitterde daarboven uit. Hij deed gaarne zijne intrede in een gezelschap met een lachje en liet even gaarne, als hij des avonds heenging, eene grap achter, waarover men, na zijn vertrek, kon lachen. Geen rampen of tegenspoeden (waarvan deze humorist evenzeer zijn deel had als de menschen, die geen grappen maken) konden zijne vroolijkheid geheel dempen. Welk verdriet hij hebben mocht, het vooruitzicht op een goed diner versterkte zijne verheven ziel weer, en zoodra hij een lord zag, begroette hij hem met eene woordspeling.
Wenham naderde dus mevrouw Bungay met een veelbeteekenenden glimlach en fluisterde haar iets toe, keek van onderen naar haar op en liet haar de punten zijner laarzen zien. Wagg verklaarde, dat zij er bekoorlijk uitzag, en ging daarop recht op den jonkheer los, dien hij kortaf Pop noemde, en dadelijk op eene grappige historie onthaalde, die, met hetgeen de Franschen gros sel noemen, gekruid was. Het deed hem evenzeer genoegen dat hij Pen zag, dien hij de hand schudde en gemeenzaam op den schouder klopte, want hij was zeer levendig en opgeruimd. Hij sprak op zeer luiden toon over hunne laatste ontmoeting, te Baymouth, en vroeg hoe het met hunne vrienden op Clavering Park ging en of Sir Francis het seizoen niet te Londen kwam doorbrengen, en of Pen een bezoek bij Lady Rockminster had afgelegd, die in de stad gekomen was – knappe oude dame, die Lady Rockminster! Dit alles zeide Wagg niet zoozeer om den wille van Pen, als wel tot stichting van het gezelschap, dat hij gaarne op de hoogte wilde brengen dat hij bezoeken op de buiterplaatsen van voorname lui aflegde en op een gemeenzamen voet met den adel stond.
Ook Wenham drukte onzen jongen vriend de hand – al hetgeen mevrouw Bungay met eerbied en genoegen opmerkte, zoodat zij later haar gevoelen over den invloed van mijnheer Pendennis aan Bungay te kennen gaf – een gevoelen, waarvan Pen meer voordeel trok dan hij vermoedde.
Pen, die eenige der werken van jufvrouw Bunion gelezen en zelfs bewonderd had (en iemand in haar dacht te vinden, eenigszins beantwoordende aan de beschrijving, die zij van zich zelve gegeven had in de Passiebloem, volgens welke zij in hare jeugd was:
Een bloempje, dat zijn blaeren Voor stormwind tracht te sparen, Een schuchtre hinde, in schaûw der linde, Die vrijwaart voor gevaren,
en wier rijpere schoonheid zeker wel eenigszins verschillen zou van de ongekunstelde lieftalligheid harer eerste jeugd, maar die toch nog in de hoogste mate bekoorlijk en wegslepend zou wezen), zag, tot zijne verbazing en vermaak, eene groote en beenderige vrouw in eene satijnen japon voor zich, die met een stap als een grenadier op krakende schoenen de kamer binnenkwam. Wagg zag dadelijk, dat zij aan den gekreukten zoom van haar kleed een stroohalmpje binnenbracht, en zou zich gebukt hebben om het op te rapen; maar jufvrouw Bunion ontwapende de kritiek door dit sieraad zelve op te merken; zij zette er een harer groote voeten op, waardoor zij het van hare japon losmaakte, en bukte toen om het op te nemen, waarbij zij tegen mevrouw Bungay zeide, dat het haar speet, dat zij wat laat kwam omdat de omnibus zeer langzaam ging, maar dat het toch een groot geluk was, dat men dien ganschen langen weg van Brompton voor zes stuivers kon rijden. Niemand lachte om deze ontboezeming der dichteres, daar zij er zoo eenvoudig mee voor den dag kwam. De achtenswaardige dame dacht aan geen schaamte over eene handeling, die het gevolg was van hare bekrompen omstandigheden.
„Is dat de Passiebloem?” vroeg Pen aan Wenham, naast wien hij stond. „Op haar portret in het boek is zij eene jonge vrouw, die er zeer goed uitziet.”
„Ge weet, dat passiebloemen, evenals alle andere, op den duur verwelken,” zeide Wenham; „jufvrouw Bunion’s portret is waarschijnlijk een aantal jaren geleden geschilderd.”
„Het neemt mij voor haar in, dat zij zich over hare armoede niet schaamt.”
„Mij ook,” antwoordde Wenham, die liever broodsgebrek zou geleden hebben dan met een omnibus naar een diner te rijden; „maar ik geloof niet, dat zij dat strootje zoo behoefde heen en weer te zwaaien, – gij wel, mijnheer Pendennis? Waarde jufvrouw Bunion, hoe vaart ge? Ik was van morgen bij eene voorname dame, waar iedereen met uw laatste werk dweepte. Dat vers op den doop van Lady Fanny Fantail perste der hertogin tranen uit de oogen. Ik zeide, dat ik het genoegen dacht te hebben u heden te zien, waarop zij mij verzocht u haar dank te betuigen en u te zeggen, dat het haar een overgroot genoegen had gedaan.”
Deze op natuurlijken toon en met een glimlachend gelaat verhaalde geschiedenis van eene hertogin, die Wenham pas dien zelfden morgen gesproken had, sloeg de douairière en den baronet van den armen Wagg geheel uit het veld en plaatste Wenham, als man van de groote wereld, boven Wagg. Wenham zorgde dit onschatbaar voordeel te behouden, en daar hij nu het woord geheel alleen had, liep hij van stapel met een aantal anekdotes betreffende de aristocratie. Hij trachtte Popjoy in het gesprek te trekken door het woord op deze of dergelijke wijze tot hem te richten: „Ik zeide nog heden morgen tegen uw vader,” of: „Ik geloof dat gij onlangs er bij waart, op die partij toen de hertog dit en dat zeide;” doch mijnheer Popjoy wilde hem zijn zin niet geven door aan het gesprek deel te nemen, maar voegde zich liever bij mevrouw Bungay aan het boogvenster, om naar de rijtuigen te kijken, die voor de deur aan den overkant stilhielden. Zoo hij niet wilde spreken, hoopte de gastvrouw ten minste, dat die akelige Bacon’s het zien zouden, dat zij zoo’n groot heer als Percy Popjoy op hare partij had weten te krijgen.
De klok der St.-Paulskerk verkondigde, dat het een half uur later was dan het uur, waarop mijnheer Bungay zijne gasten genoodigd had, en het gezelschap was nu voltallig, op twee personen na, die eindelijk voor den dag kwamen en waarin Pen met genoegen kapitein Shandon en diens vrouw herkende.
Toen beiden aan den heer en de vrouw des huizes hun compliment gemaakt en meer of minder hartelijke groeten met de meesten der aanwezigen gewisseld hadden, gingen Pen en Warrington naar hen toe en drukten met warmte de hand van mevrouw Shandon, die eenigszins ontroerd was bij de ontmoeting en de gedachte waar zij hem slechts weinige dagen te voren gezien had. Shandon was zoo netjes mogelijk gekleed en zag er zeer goed uit, met een rood fluweelen vest en een jabot, waarin zijne vrouw hare mooiste speld gestoken had. In weerwil van mevrouw Bungay’s voorkomendheid, of misschien juist ten gevolge daarvan, was mevrouw Shandon zeer onthutst en bedeesd toen zij haar naderen moest. Mevrouw Bungay was dan ook ontzagwekkender dan ooit met haar rood satijnen kleed en den paradijsvogel op haar hoofd, en eerst toen zij met hare zware stem naar het lieve meisje gevraagd had, kreeg mevrouw Shandon weer wat moed en waagde zij het te spreken.
„Eene knappe vrouw,” fluisterde Popjoy tegen Warrington, „Stel mij aan kapitein Shandon voor, Warrington. Ik heb gehoord, dat hij een verbazend knappe kerel is, en zoo waar ik leef, ik aanbid al wat door verstand uitmunt!” En dit was de waarheid: de hemel had den heer Popjoy zelven niet met veel verstand toegerust, maar hem de gelukkige vatbaarheid geschonken om het verstand van anderen, zoo niet te begrijpen, althans te bewonderen. „En stel mij insgelijks aan jufvrouw Bunion voor. Ik heb gehoord, dat die ook heel knap is. Zij ziet er zeker wel wat wonderlijk uit, maar dat doet er niet toe. Wat drommel; ik beschouw mij zelven als een letterkundige en wensch daarom alle menschen van talent te kennen.” Aldus hadden de heeren Popjoy en Shandon het genoegen kennis met elkaar te maken. En thans werden de deuren der belendende eetzaal opengeworpen, waar de gasten binnentraden en hunne plaatsen aan tafel innamen. Pen had aan den éénen kant jufvrouw Bunion, en Wagg aan den anderen kant, want Wagg was met schrik de ledige plaats naast de dichteres ontvlucht, zoodat Pen zich genoodzaakt zag die te bezetten.