Chapter 66 of 85 · 3845 words · ~19 min read

Part 66

„Gij vergeet uw arme moeder, Fanny, en zult mij het hart breken als gij op die wijze voortgaat,” zeide jufvrouw Bolton. „Misschien zult gij hem nog wel zien; ik ben er zeker van. Ik ben overtuigd, dat hij nog heden komen zal. Als ik ooit iemand verliefd gezien heb, dan is hij het. Toen Emily Budd’s vrijer in het eerst om haar kwam, werd hij door den ouden Budd weggezonden, die een heel fatsoenlijk man was, die in het orkest van Sadler’s Wells de violoncel speelde; en zijn eigen familie wilde er ook niet van hooren. Maar hij kwam terug, en wij wisten allen wel, dat hij het doen zou. Emily zeide het altijd, en hij trouwde haar; en deze mijnheer zal ook terugkomen. Onthoud de woorden van uwe moeder maar, en let eens op, of hij het niet doen zal, liefje.”

Bij dit punt van het gesprek kwam mijnheer Bolton de portiersloge binnen, om zijn avondmaaltijd te gebruiken. Bij vaders verschijning werd het onderhoud tusschen moeder en dochter dadelijk gestaakt. Jufvrouw Bolton vleide den norschen doodgravers-adjudant en zeide: „Heere! Bolton, wie zou gedacht hebben, dat gij op een Zaterdagavond uit de herberg zoudt blijven! Fanny, mijn liefje, zet wat eten klaar voor uw vader. Wat wilt ge hebben, Bolton? Het arme meisje heeft eene zinking op het oog gekregen, of iets er in – ik keek er juist naar bij uw binnenkomen.” En daarbij kneep zij hare dochter in de hand, tot teeken om voorzichtig en stil te wezen. Fanny’s tranen droogden op; alle sporen van ontroering verdwenen door de beoefening van die verwonderlijke kunst van veinzen en vermomming, waarvan de vrouwen zich weten te bedienen en die de natuur haar als wapenen van verdediging geschonken heeft; en zij zette zich in een hoek aan haar werk, zoo kalm en stil, dat haar weinig oplettende vader niet het minste vermoeden kreeg, dat haar iets deerde.

Alsof het lot dus besloten had de ziekelijke aandoening en den hartstocht van het arme kind aan te vuren en te vermeerderen, spanden alle omstandigheden en alle personen, die haar omringden, te zamen om daaraan voedsel te verschaffen. Hare moeder moedigde hare liefde aan en keurde die goed, en zelfs de woorden, waarmee Bows hare liefdevlam had trachten uit te dooven, verhoogden die rampzalige koortsvlaag. Pen was geen booswicht, geen verleider; hij legde grootheid van ziel aan den dag, toen hij het besluit nam haar te vermijden. Pen, die brave en voorname, die schitterende jongeling met zijne gouden kettingen en zijn geparfumeerd bruin haar, had haar lief! Ja, dat had hij ook, – of misschien zou hij haar vijf jaar geleden aldus hebben liefgehad, voordat de wereld den vurigen en onnadenkenden knaap verstaald had, – voordat hij zich over eene dwaze en onvoorzichtige liefde schaamde en ze smoorde gelijk arme vrouwen haar onwettige kinderen doen, niet om den misstap, maar om de schande, en uit vrees dat de wereld haar met den vinger zal aanwijzen.

Welk fatsoenlijk mensch zal tegenspreken, dat hij volmaakt gelijk had een huwelijk met een slechtopgevoed meisje van geringen stand te vermijden, wier manieren in haar nieuwen stand niet zouden passen? – en welk wijsgeer zou hem niet verzekeren, dat het beste wat men kan doen met die kleine hartstochtjes, zoodra zij ontkiemen, is zich er van te bevrijden, ze voorbij te laten gaan en te genezen; dat geen man om eene vrouw sterft, en vice versa; en de een of de andere, na in dit bijzondere geval de mogelijkheid te hebben ingezien om zijn of haar wensch te vervullen, de zaak ten beste moet opnemen en den andere vergeten, elders uitzien en eene nieuwe keuze doen? En echter zou er misschien voor het tegenovergestelde gevoelen ook wel wat aan te voeren zijn. Wellicht had Bows gelijk, dat hij dien hartstocht van Pen, hoe onredelijk en onvoorzichtig ook, bewonderde, die hem bereid deed zijn alles voor zijne liefde op het spel te zetten; het kon ook wel wezen, dat, ofschoon zelfverloochening eene prijzenswaardige deugd is, de zelfverloochening uit louter wereldsche beweegredenen niet veel lof verdient. In het kort, laat dit een punt blijven ter beslissing van iederen zedemeester, die het gelieft te behandelen.

Zooveel is zeker, dat mijnheer Pen, met de wereldkennis die hij nu bezat, het denkbeeld om een doodarm meisje uit de keuken te trouwen verworpen en bespot zou hebben. En daar dit nu eenmaal bij hem vaststond, handelde hij niet anders dan als fatsoenlijk man door alle ongelukkige genegenheid, die hij voor de arme kleine Fanny mocht koesteren, te onderdrukken.

Zij wachtte dus van het eene oogenblik op het andere, dat Arthur zou komen. Zij wachtte eene gansche week, en eerst aan het einde van dien tijd vernam het arme schepseltje van Costigan, dat Arthur doodziek lag.

Het toeval wilde, dat, denzelfden avond nadat Costigan zijn bezoek bij Pen had afgelegd, Arthur’s oom, de achtenswaardige majoor, van Buxton, waarheen hij was gegaan tot herstel van gezondheid, te Londen terugkwam en zijn kamerdienaar Morgan afzond om naar den welstand van Arthur te vernemen en dien heertegen den volgenden morgen bij den majoor op het ontbijt te vragen. De majoor trok slechts door Londen, op weg naar Stillbrook, de buitenplaats van Lord Steyne, waar hij op de jacht genoodigd was.

Morgan kwam met een zeer neerslachtig gezicht bij zijn meester terug. Hij had mijnheer Arthur gezien, maar mijnheer was er zeer slecht aan toe, want mijnheer lag met de koorts te bed. Er moest noodzakelijk om een dokter gezonden worden, want Morgan hield het voor een zeer bedenkelijk geval.

Mijn hemel! dat mocht wel een treurig nieuws heeten. Hij had gehoopt, dat Arthur zou meegaan naar Stillbrook; hij had dat reeds overlegd en van Lord Steyne een uitnoodiging voor zijn neef weten te krijgen. Hij zelf moest gaan; hij kon Lord Steyne niet te leur stellen; de koorts kon besmettelijk wezen; het kon de mazelen zijn; hij had die nooit gehad, en op zijn leeftijd konden die zeer gevaarlijk wezen. Was er iemand bij mijnheer Arthur?

Morgan antwoordde, dat er niemand was, die mijnheer Arthur oppaste.

Daarop vroeg de majoor, of zijn neef geneeskundige hulp had, en Morgan antwoordde, dat hij dit ook gevraagd had, maar vernomen had, dat er bij mijnheer Pendennis geen dokter kwam.

Morgan’s meester was oprecht getroffen, toen hij van Arthur’s ziekte hoorde. Hij had wel naar hem toe willen gaan; maar wat kon het Arthur baten, dat de majoor ook de koorts kreeg? Zijn eigene kwalen maakten het hem onmogelijk iemand anders dan zich zelven op te passen. Doch de jongen moest hulp hebben, de beste hulp, en Morgan werd door majoor Pendennis onmiddellijk met een briefje naar dokter Goodenough gezonden, die gelukkig in Londen en thuis was en dadelijk van zijn diner opstond, zoodat zijn rijtuig zich binnen een half uur in Upper Temple Lane, in de nabijheid van Pen’s kamers, vertoonde.

De majoor had den vriendelijken geneesheer verzocht hem eenige tijding van zijn neef te brengen in de club, waar hij zelf dineerde, en in den loop van den avond verscheen de dokter daar ook. Het was een zeer ernstig geval; de patiënt had zware koortsen; hij had Pen dadelijk doen aderlaten, en zou hem den volgenden morgen heel vroeg gaan bezoeken. De majoor ging met dit onzalige nieuws geheel verslagen te bed. Toen Goodenough hem den volgenden dag, overeenkomstig zijne belofte, kwam bezoeken, moest de dokter een kwartier lang luisteren naar een verslag van des majoors eigene kwalen, alvorens deze gelegenheid had iets betrekkelijk Arthur aan te hooren.

Hij had een zeer slechten nacht gehad, zeide zijn – oppasster; eens was hij aan het ijlen geweest. Het kon slecht afloopen, en daarom was het wenschelijk, dat zijne moeder dadelijk ontboden wierd. De majoor schreef den brief aan mevrouw Pendennis met de grootste vlugheid en te gelijk met de fijnste voorzorgen. Wat een bezoek van hem zelven bij den knaap betrof, dat was in zijn toestand onmogelijk. „Kan ik hem van eenig nut zijn, waarde dokter?” vroeg hij.

„Neen,” antwoordde de dokter met een fijn lachje; hij geloofde niet dat de majoor van eenig nut kon wezen; zijn eigene kostbare gezondheid eischte de meeste zorg. Het best wat hij kon doen, was zich naar buiten te begeven en daar te blijven. De dokter zelf zou den patiënt tweemaal daags bezoeken en alles voor hem doen wat hij vermocht.

De majoor verklaarde op zijn eer, dat hij dadelijk naar Pen’s kamer zou snellen, als hij eenige hulp kon aanbrengen. Zooals de zaken nu stonden, moest Morgan er maar heengaan, om te zorgen dat alles behoorlijk gedaan werd. De dokter moest met elke post naar Stillbrook schrijven. Het was maar veertig mijlen van Londen, en als er iets gebeurde, zou hij overkomen, wat het ook kostte.

Majoor Pendennis oefende zijne liefdadigheid per zaakwaarnemer en per post uit. „Wat kon hij anders doen?” gelijk hij zeide. „Ge weet, in zulke gevallen is niets beter dan den patiënt met rust te laten. Indien het met zoo’n armen kerel een slechten loop neemt, weet men, dat er niets meer aan te doen is. Maar om beter te worden (en ik ben zeker, waarde dokter, dat gij het op dit punt met mij eens zult zijn), is het beste hem stil te houden, volmaakt stil!”

Dit was de wijze, waarop de oude heer zijn geweten trachtte te sussen. Hij sloeg dien dag per spoortrein den weg naar Stillbrook in (want in den loop van dit verhaal zijn de spoorwegen ontstaan, ofschoon zij in Pen’s graafschap nog niet tot de alledaagsche zaken behooren) en verscheen in zijne gewone nette kleeding en gekrulde pruik aan de tafel van den markies van Steyne. Maar wij moeten den majoor het recht laten weervaren van te verklaren, dat hij zeer verdrietig en afgetrokken was. Wagg en Wenham staken den draak met zijne neerslachtigheid, vroegen hem of hij een blauwtje geloopen had, en vermaakten zich op velerlei wijze ten zijnen koste. Aan de whisttafel, na het diner, verloor hij zijn geld en troefde zelfs de hoogste schoppen van zijn maat. De gedachte aan den lijdenden knaap, op wien hij trotsch was en dien hij op zijn eigene manier liefhad, hield den ouden heer den halven nacht wakker en maakte hem koortsig en ongerust.

Des morgens ontving hij een briefje van eene hand, die hij niet kende. Het was die van mijnheer Bows, die berichtte, dat mijnheer Pendennis een tamelijk rustigen nacht had doorgebracht, en dat hij, Bows, dit bericht per spoor zond, omdat dokter Goodenough had gezegd, dat de majoor op de hoogte van den toestand van zijn neef wenschte gehouden te worden.

Den volgenden dag was hij op het punt met eenige der heeren, die ten huize van Lord Steyne logeerden, op de jacht te gaan, en het gezelschap stond op het terras voor het huis op de rijtuigen te wachten, toen een huurrijtuig van het naburige station kwam aanrijden, waaruit een grijs oud heertje, van een vrij kaal voorkomen sprong, en naar majoor Pendennis vroeg. Het was mijnheer Bows. Hij nam den majoor ter zijde en sprak met hem, en de meeste der aanwezige heeren zagen aan het ontstelde gelaat van den majoor, dat er iets gewichtigs gebeurd was.

„Het is een deurwaarder, die den majoor komt pakken,” zeide Wagg, maar niemand lachte om de aardigheid.

„Hola! Wat is er gaande, Pendennis?” riep Lord Steyne op zijn snijdenden toon; „is er een ongeluk gebeurd?”

„Mijn – mijn – arme jongen is dood,” antwoordde de majoor en barstte in tranen uit, want de oude man was geheel verpletterd.

„Nog niet dood, mylord,” zeide mijnheer Bows op zachten toon, „maar op het uiterste toen ik Londen verliet.”

Op dit oogenblik, toen de drie mannen stonden te spreken, kwam er een rijtuig voor. De pair zag op zijn horloge. „Gij hebt nog twintig minuten om den sneltrein te halen. Spring er in, Pendennis, en rijd alsof de duivel u op de hielen zat! Verstaat gij mij niet, mijnheer?”

Het rijtuig reed snel met Pendennis en zijn bezoeker weg, en wij hopen, dat de vloek van den markies van Steyne vergeven zal worden.

De majoor reed even snel van het station naar den Temple, en bevond dat eene reiskoets hem daar reeds vóór was en de nauwe Temple Lane versperde. Er stapten twee dames uit, die aan de kruiers den weg vroegen. Toevallig keek de majoor naar het portier van het rijtuig en herkende het uitgesleten helmteeken van den adelaar, die naar de zon opziet, met het motto: Nec tenui pennâ daaronder geschilderd. Het was het oude rijtuig zijns broeders, vele, vele jaren geleden gemaakt, en het waren Helena en Laura, die den weg naar de kamer van den armen Pen vroegen.

Hij liep naar haar toe, nam zijne zuster haastig bij den arm en kuste hare hand, waarop het drietal Lamb Court binnentrad en de hooge en donkere trap beklom.

Zachtkens klopten zij aan de deur, op welke Arthur’s naam stond en die door Fanny Bolton geopend werd.

DRIE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN KRITIEK HOOFDSTUK.

Toen Fanny de beide dames zag en het ontstelde gelaat der oudste waarnam, die haar met een onbeschrijfelijk ontroerden en verschrikten blik aanzag, begreep het jonge meisje dadelijk, dat het Pen’s moeder was, die voor haar stond; er was gelijkenis tusschen de angstige blikken der weduwe en die van Arthur, terwijl hij in bed onder de aanvallen der koorts lag te woelen. Fanny zag bedeesd mevrouw Pendennis en vervolgens Laura aan; het gelaat dezer laatste was zoo strak als dat van een marmeren beeld. Het gelaat der pas aangekomen vrouwen drukte hardvochtigheid en somberheid uit, en geen van beide betoonde den flauwsten zweem van barmhartigheid of sympathie met Fanny. Wanhopig wendde zij haar blik van de dames op den majoor, die achter beiden stond. De oude Pendennis sloeg de oogen neer, doch keek tersluiks even naar de arme kleine oppasster van Pendennis op.

„Ik – ik heb u gisteren geschreven, mevrouw,” zeide Fanny, van het hoofd tot de voeten bevende, en zoo bleek als Laura, wier droefgeestig en dreigend gelaat over den schouder van mevrouw Pendennis heenkeek.

„Zoo, jufvrouw?” zeide mevrouw Pendennis. „Ik zal u zeker nu wel mogen ontslaan van de moeite om mijn zoon op te passen? Ik ben zijne moeder, – begrijpt ge?”

„Ja, mevrouw. Ik – dit is de weg naar zijne – O, wacht even,” riep Fanny uit. „Ik moet u voorbereiden op zijn –”

De weduwe, wier gelaat hopeloos wreed en onbarmhartig had gestaan, deinsde op deze woorden snikkend en met een kleinen gil, dien zij dadelijk onderdrukte, achteruit.

„Zóó heeft hij sedert gisteren gelegen,” zeide Fanny, hevig sidderende, terwijl hare tanden klapperden.

Uit Pen’s kamer, welker deur openstond, klonk een ijzingwekkende lach, en na verscheiden akelige kreten begon de beklagenswaardige jongen een studentenlied te zingen en daarop „hoezee” te roepen en te juichen, alsof hij zich op eene drinkpartij bevond, en met zijne vuist tegen het beschot te slaan. Hij was aan het ijlen.

„Hij kent mij niet, mevrouw,” zeide Fanny.

„Wezenlijk? Misschien zal hij zijne moeder wèl kennen; laat mij, als het u belieft, voorbij, om bij hem te komen.” En haastig schoof de weduwe voorbij Fanny, en ging den donkeren gang in, die naar Pen’s zitkamer leidde. Ook Laura stoof Fanny voorbij, zonder een woord te spreken, en majoor Pendennis volgde. Fanny zette zich weenend op eene bank in den gang, en bad, zoo goed als zij het vermocht. Zij zou voor hem hebben willen sterven, en deze menschen haatten haar. Die voorname dames hadden geen woord van bemoediging of dank voor haar over. Zij zat daar – zij wist niet hoelang – in den gang. Niemand kwam naar buiten om met haar te spreken. Zij zat daar nog toen dokter Goodenough zijne tweede visite dien dag kwam maken, en hij vond het arme schepseltje voor de deur.

„Wel oppasster? Hoe gaat het met uw patiënt?” vroeg de goedhartige dokter. „Is hij rustig geweest?”

„Vraag het die anderen maar; zij zijn daar binnen,” gaf Fanny ten antwoord.

„Wie? zijne moeder?”

Fanny knikte, maar sprak niet.

„Gij moet zelve naar bed, arm kind,” zeide de dokter; „anders zult gij ook ziek worden.”

„Och, mag ik hem niet eens zien, – mag ik hem niet eens zien! Ik – ik heb hem zoo lief!” zeide het meisje, viel bij die woorden op hare knieën en greep met zooveel wanhoop des dokters hand, dat het hart van den vriendelijken geneesheer week werd toen hij haar zoo zag en er een nevel voor zijn bril kwam.

„Bah! bah! Gekheid! Heeft hij zijn drankje ingenomen? Heeft hij gerust? Natuurlijk moet gij hem zien, en ik ook.”

„Zij zullen mij hier toch wel laten zitten, niet waar, mijnheer? Ik zal volstrekt geen leven maken. Als ik hier maar blijven mag!” zeide Fanny, waarop de dokter haar eene kleine malloot noemde, haar op de bank neerdrukte, waar de loopjongen van Pen’s blad zoo dikwijls had gezeten, met den vinger haar op de bleeke wang tikte en daarop de achterkamer binnentrad.

Bleek en statig zat mevrouw Pendennis in een armstoel naast Pen’s bed. Haar horloge lag op het bedtafeltje naast Pen’s medicijnen. Op haar schoot had zij den bijbel, dien zij altijd op reis meenam. Nadat zij haar zoon gezien had, was haar eerste werk geweest Fanny’s hoed en shawl, die op zijne ladetafel lag, uit de slaapkamer te brengen en op zijne schrijftafel neer te leggen. Daarop had zij de deur voor den neus van majoor Pendennis en ook van Laura gesloten en bezit genomen van haar zoon.

Zij had in groote spanning en vrees verkeerd, dat Arthur haar niet zou kennen; maar die smart werd haar ten minste ten deele bespaard. Pen herkende zijne moeder en lachte vertrouwelijk tegen haar, terwijl hij haar toeknikte. Toen zij binnentrad, verbeeldde hij zich dadelijk, dat zij zich thuis te Fairoaks bevonden, en begon hij op eene verwarde en woeste wijze te praten, te keuvelen en te lachen. Laura kon hem daar buiten hooren. Zijne lachbuien drongen haar als vergiftigde pijlen in het hart. Het was dus waar; hij was schuldig geweest – en met dat schepsel! eene minnarij met eene dienstmeid; en zij had hem bemind – en nu lag hij waarschijnlijk te sterven – ijlend en onbekeerd! Nu en dan deed de majoor op zachten toon eene opmerking, of sprak hij een woord van troost, dat Laura ternauwernood hoorde. Voor allen was het een pijnlijk samenzijn, en toen Goodenough kwam, was het alsof er een engel in de kamer verscheen.

Niet enkel voor den zieke, maar ook voor de vrienden van den zieke is het, dat de dokter komt. Zijne tegenwoordigheid is dikwijls even nuttig voor hen als voor den patiënt en zij zien zijne komst met nog meer verlangen te gemoet. Wat hebben wij allen op hem zitten wachten! wat heeft het rollen van zijn rijtuig op straat en eindelijk het stilhouden voor de deur ons ontroerd! wat hangen wij aan zijne lippen, en hoeveel troost putten wij niet uit een paar glimlachjes van hem, als hij aanleiding vindt om onze duisternis met dien zonnestraal op te helderen! Wie heeft niet de moeder met angst zijn gelaat zien bespieden, om na te gaan, of er nog hoop is voor het zieke kind, dat niet spreken kan en welks kleine lichaampje ginds met de koorts ligt te worstelen? Ach, wat kijkt zij hem naar de oogen! Hoeveel dankbaarheid als daar hoop uit spreekt; hoeveel zielesmart en ellende als hij ze neerslaat en niet durft zeggen: „Heb goeden moed!” Of als het de man des huizes is, die daar neerligt, met hoeveel ontzetting ziet de vrouw dan niet toe, wanneer de geneesheer den patiënt den pols voelt, terwijl zij hare radeloosheid tracht te verbergen en de kinderen last krijgen niet zoo luidruchtig te spelen of te praten. Tegenover den lijder in de koortshitte, de vrouw in afwachting, de kinderen die nog nergens van weten, staat de dokter alsof hij het Noodlot, de beschikker over leven en dood, ware. Ach, hij moet ditmaal den patiënt nog in het land der levenden laten; de vrouw bidt zoo vurig om uitstel! Men kan zich voorstellen, hoe geducht de verantwoordelijkheid moet zijn voor een rechtschapen man, hoe vreeselijk het bewustzijn, dat hij een verkeerd middel heeft gegeven, of dat er een beter te bedenken ware geweest, hoe pijnlijk de sympathie met de overblijvenden, indien de ziekte ongunstig afloopt, hoe onbeschrijfelijk de vreugde der overwinning!

Na eene haastige buiging en kennismaking met de nieuwaangekomenen, wier aankomst hem door de kleine oppasster, die met een verslagen hart buiten zat, was medegedeeld, onderzocht de dokter den zieke, omtrent wiens hevigen koortstoestand niemand zich vergissen kon, zoodat hij het noodig achtte de sterkste ontstekingwerende middelen, die hij kende, aan te wenden. Hij troostte de verslagen moeder zoo goed mogelijk, en gaf haar de meest geruststellende verzekeringen, die hij durfde wagen, namelijk, dat er nog geen reden bestond om te wanhopen, dat men nog alles van de jeugd en een sterk gestel kon hopen, en meer van dien aard; en na aldus zijn uiterste best te hebben gedaan om de schrikbeelden der ontzette matrone te verdrijven, nam hij den ouden Pendennis in de ledige kamer (Warrington’s slaapkamer) ter zijde, om een klein consult met hem te houden.

Het was een zeer kritiek geval. Als de koorts niet gestuit kon worden moest en zou de jongeling bezwijken, hij moest dadelijk adergelaten worden, en zijne moeder moest van die noodzakelijkheid worden onderricht. Waarom had zij die jonge dame meegebracht? Die was in eene ziekenkamer niet op hare plaats.

„En daar is, voor den d–, nog een andere vrouw,” zeide de majoor, „dat – dat meisje, dat de deur opendeed.” Zijne schoonzuster had den hoed en den shawl van het arme schaap naar buiten gebracht en op de schrijftafel neergesmeten. Wist Goodenough iets van dat – dat meisje? „Ik keek haar eventjes aan, toen wij hier binnengingen,” zeide de majoor, „en zij zag er drommels goed uit.” De dokter zette een raar gezicht en glimlachte; in de ernstigste oogenblikken, als er sprake is van leven en dood, komen zulke zonderlinge contrasten en aardigheden voor, en vertoonen zich dergelijke lachjes, als het ware om de somberheid te bespotten en haar nog somberder te maken.

„Ik weet er al wat op,” zeide hij eindelijk, de studeerkamer weer binnentredende, waar hij ijlings een paar briefjes schreef en een daarvan verzegelde. Daarop den hoed en den shawl van de arme Fanny en de beide briefjes meenemende, begaf hij zich in den gang naar het arme meisje. „Rep u, oppasster!” zeide hij. „Breng dit briefje naar den chirurgijn en verzoek hem dadelijk te komen; en ga dan naar mijn huis, vraag naar mijn bediende Harbottle en zeg, hem, dat hij dit recept moet klaarmaken, en wacht dan tot – tot het gereed is. Het zal misschien wel een poosje duren eer het klaar is.”

De arme Fanny vloog weg met hare beide briefjes. Zij vond den apotheker thuis, die dichtbij in het Strand woonde en, met het lancet op zak, dadelijk kwam aandraven, om zijn patiënt te behandelen, en vervolgens begaf zij zich naar het huis van den dokter op Hanover Square.