Chapter 37 of 85 · 3922 words · ~20 min read

Part 37

Daar zulke gedachten Pen bezig hielden, viel hij niet in slaap voordat de kille dageraad van den October-morgen aanbrak; en toen de diligence op de oude pleisterplaats B. stilhield, waar hij sinds zijn jongenstijd menig vroolijk maal gebruikt had op zijn weg van en naar de school en de academie, ontwaakte hij merkelijk verfrischt. Toen men van daar weer vertrok, brak de zon helder door; de paarden liepen snel, de trompet liet zich hooren, de mijlpalen vlogen voorbij, en Pen rookte en schertste met den conducteur, de passagiers en de voorbijgangers op den welbekenden weg; elk oogenblik werd het voller en levendiger; het laatste span paarden kwam te H. voor den wagen en daarop reed die Londen binnen. Welk jonkman heeft niet zekere ontroering gevoeld toen hij die groote stad binnenkwam. Honderden andere rijtuigen, met hunne duizenden passagiers, snelden daar ook heen. „Hier is mijne plaats,” dacht Pen; „hier begint de strijd, waarin ik moet vechten en overwinnen, of sterven. Tot nog toe ben ik een kwajongen en een luiaard geweest. O, ik smacht om te toonen, dat ik een man kan zijn!” En van zijne plaats boven op den wagen zag de vurige jongeling op de stad neer, met dat soort van verlangen, hetwelk jonge krijgslieden ondervinden, wanneer zij op het punt staan een veldtocht te beginnen.

Onderweg had Pen kennis gemaakt met een vroolijken mede-passagier in een kalen mantel, die heel veel over de letterkundigen sprak, die hij kende, en zelf de correspondent van een Londensch nieuwsblad was, voor hetwelk hij eene groote bokspartij in het westen van Engeland was gaan bijwonen. Deze heer scheen al de voorname letterkundigen van zijn tijd familiaar te kennen en sprak over Tom Campbell, Tom Hood, Sydney Smith, kortom over iedereen, alsof hij tot hunne boezemvrienden behoorde. Toen men Brompton voorbijreed, maakte hij onzen vriend Pen opmerkzaam op mijnheer Hurtle, den recensent, die daar met zijne paraplu onder den arm wandelde. Pen boog zich voorover, om den grooten Hurtle goed op te nemen, en zeide, dat deze in het Bonifacius Collegie gestudeerd had, waarop mijnheer Doolan, van het dagblad de Ster (gelijk zijn naam en adres luidde op het kaartje, dat hij Pen overhandigde) ten antwoord gaf, dat dit ook inderdaad zoo was „en dat hij hem heel goed kende.” Pen beschouwde het als eene eer, den grooten Hurtle gezien te hebben, wiens werken hij bewonderde. Tot nog toe geloofde hij oprecht aan schrijvers, recensenten en redacteurs; zelfs Wagg, wiens boeken hem niet als meesterstukken van vernuft voorkwamen, vereerde hij heimelijk als een gevierd schrijver. Hij zeide, dat hij Wagg buiten ontmoet had, waarop Doolan hem verzekerde, dat die vermaarde auteur driehonderd pond per deel voor elk zijner romans ontving, en dadelijk begon Pen te berekenen, of hij zelf op die wijze niet vijf duizend pond ’s jaars zou kunnen verdienen.

De eerste bekende, dien Arthur in het oog kreeg toen de diligence voor het Gloster koffiehuis stilhield, was zijn oude vriend Henry Foker, die met witte handschoenen en witte leidsels achter een reusachtig paard Arlington Street in een open rijtuigje kwam afrennen. De natuur had hem thans met een belangrijken haarbos aan zijne kin versierd. Achter op Foker’s rijtuig zwaaide een klein knechtje heen en weer, met kromme knieën en in de nauwst mogelijke lederen broek, welk ventje den eervol ontslagen Domkop was opgevolgd. Foker keek naar het bestoven rijtuig en de dampende paarden der Alacrity, waarmee hij in vroeger tijd ook gereisd had. „Dag, Foker!” riep Pendennis uit, – „Hola, Pen! ouwe Jongen!” antwoordde de ander en wuifde tot vriendschapsteeken en groet met zijne zweep naar Arthur, die zeer verheugd was het kluchtige gezicht van zijn ouden kennis weer te zien. Mijnheer Doolan vatte grooten eerbied voor Pen op, die een bekende had, die zulk een prachtig rijtuig bezat, terwijl Pen zeer opgewonden en blij was, dat hij zich in vrijheid te Londen bevond. Hij noodigde Doolan uit, met hem te dineeren in het Covent Garden koffiehuis, waar hij zijn intrek zou nemen, en met groote opgewektheid riep hij eene vigilante en rolde derwaarts. Met genoegen zag hij den drukken knecht en den beleefd buigenden kastelein weer. Hij vroeg naar de vrouw van den kastelein, betuigde zijne spijt, dat de oude laarzenpoetser weg was, en zou wel iedereen de hand geschud hebben. Hij had honderd pond op zak. Hij kleedde zich zoo sierlijk mogelijk, dineerde in de koffiekamer met een bescheiden pintje sherry (want hij had besloten zeer zuinig te zijn) en begaf zich daarop naar den naburigen schouwburg.

Het licht en de muziek, de menschenmenigte en de levendigheid verrukten Pen en stemden hem vroolijk, een invloed, dien zulke tooneelen doorgaans op jongelieden uitoefenen, die van de academie of van het platteland komen, en voor wie ze tamelijk nieuw zijn. Hij lachte om de aardigheden en applaudisseerde de liedjes, tot vermaak van eenige der oude lustelooze habitués der loges, die sinds lang niet de minste opwekking meer vonden op die plaats, waar zij des avonds gewoon waren te verschijnen, zoodat zij met genoegen iemand zagen, die nog zoo groen was en zich zoo amuseerde. Na het voorstuk drentelde hij door de gangen van den schouwburg, alsof hij zich op eene allervoornaamste plaats bevond. Zou er wel één afgemat Londensch straatslijper zijn, die dergelijke jeugdige illusiën niet gekoesterd heeft en ze niet gaarne zou terugroepen? Daar was de jonge Foker weer, gelijk van zulk een vurig najager des vermaaks te verwachten was. Hij wandelde op en neer met Granby Tiptoff van de garde, Lord Tiptoff’s broeder, en Lord Colchicum, den oom van kapitein Tiptoff, een eerwaardig pair, die sedert de eerste Fransche omwenteling een man van de wereld was geweest. Foker liep met drift naar Pen en liet niet af, voordat deze was meegegaan naar zijne eigen loge, waar eene dame met de langste krullen en de blankste schouders, die men zich kan voorstellen, gezeten was. Dit was jufvrouw Blenkinsop, de talentvolle actrice. Achter in de loge zat de oude Blenkinsop, haar papa, onder eene pruik te dutten. Op de tooneelprogramma’s werd hij beschreven als „de veteraan Blenkinsop,” – „de onmisbare Blenkinsop,” – „de lieveling van het publiek, Blenkinsop.” Gewoonlijk vervulde deze veteraan op het tooneel de rollen van père noble, en werkelijk speelde hij zoowel in het openbare als in het bijzondere leven altijd de rol van tooneelvader.

Op dit oogenblik – het was omstreeks elf ure – lag mevrouw Pendennis op Fairoaks, te bed, vol nieuwsgierigheid of haar lieveling, Arthur, nu ook van zijne reis uitrustte. Ook Laura lag wakker. En op dit zelfde uur gisterenavond deed Pen, terwijl de diligence over den stillen weg voortrolde, langs de verlichte vensters van boerenwoningen en langs donkere bosschages, onder den helderen hemel, waar de sterren fonkelden, de gelofte, dat hij zich zou beteren en aan de verzoeking het hoofd bieden, want zijn hart was nog thuis..... Inmiddels werd het nastuk zeer vroolijk afgespeeld, en betooverde mevrouw Leary, in een huzarenwambuis en eene gegalonneerde broek, de toeschouwers met haar schalksch spel, hare bekoorlijke gestalte en hare overheerlijke liedjes.

Daar Pen een nieuweling in Londen was, zou hij gaarne naar mevrouw Leary geluisterd hebben; maar de anderen in de loge gaven niet om hare liederen, of hare pantalon, en zaten aanhoudend te praten. Tiptoff wist waar hare maillots vandaan kwamen. Colchicum had haar in 1814 voor het eerst zien optreden. Jufvrouw Blenkinsop zeide, dat zij heel valsch zong, tot ergernis en verbazing van Pen, voor wien zij zoo schoon was als een engel en zoo zoet als een nachtegaal kweelde; en toen Hoppus, als Sir Harcourt Featherby, den jeune premier, optrad, verklaarden de heeren in de loge, dat hij te oud werd, terwijl Tiptoff jufvrouw Blenkinsop’s bouquet aan Hoppus wilde toewerpen.

„Om alles ter wereld niet!” riep de dochter van den veteraan Blenkinsop; „ik heb het van Lord Colchicum gekregen.”

Pen herinnerde zich den naam van dien edelman, en zeide buigend en blozend, dat hij meende Lord Colchicum te moeten bedanken voor zijne goedheid, dat hij hem op verzoek van zijn oom, majoor Pendennis, tot lid van de Megatherium-club voorgehangen had.

„Zoo, zijt gij de neef van Pruikenburg, wezenlijk?” zeide de pair. „Ik vraag u verschooning; – onder ons noemen wij hem altijd Pruikenburg.” Pen werd rood, toen hij zijn achtbaren oom met zulk een spotnaam hoorde bestempelen. „Wij hebben u verleden week geballoteerd, geloof ik; ja, het was verleden Woensdagavond. Uw oom was er niet bij.”

Dat was een heerlijk nieuws voor Pen! Hij betuigde zijn innigen dank aan Lord Colchicum, in eene sierlijke toespraak, die de ander met zijn tooneelkijker voor de oogen aanhoorde. Pen was boven de wolken bij de gedachte, dat hij lid van die voorname club was.

„Kijk niet altijd naar die loge, ondeugd!” riep jufvrouw Blenkinsop den lord toe.

„Het is een duivelsch mooie vrouw, die Mirabel,” zeide Tiptoff, „ofschoon Mirabel een verd– gek was, dat hij haar trouwde.”

„Een ouwe stommerik!” zeide de pair.

„Mirabel!” riep Pendennis uit.

„Ja, ja,” zeide Henry Foker lachende, „Wij hebben al vroeger van haar gehoord, niet waar, Pen?”

Het was Pen’s eerste liefde: het was niemand anders dan jufvrouw Fotheringay. Een jaar geleden was zij naar het huwelijksaltaar geleid door Sir Charles Mirabel, grootkruis van de Bath-orde en oud-gezant aan het hof van Pompernikkel, die zulk een belangrijk aandeel had genomen in de onderhandelingen op het congres te Zwammerdam en namens hare Britsche Majesteit den vrede van Pultusk had geteekend.

„Emily is altijd zoo dom als eene eend geweest,” merkte jufvrouw Blenkinsop aan.

„Eh! eh! pas si bête,” antwoordde de oude pair.

„O foei!” zeide de actrice, die er geen woord van verstond.

En Pen keek nog eens en zag zijne eerste liefde weer – en was verwonderd, dat hij haar ooit had kunnen beminnen.

Op die wijze zag mijnheer Arthur Pendennis, den allereersten avond van zijn verblijf te Londen, zich ingelijfd in eene club en in aanraking gebracht met eene actrice, een père noble van het tooneel, en een levendig gezelschap van oude en jonge vroolijke losbollen; want Lord Colchicum, ofschoon gebogen onder den last der jaren, kaal van hoofd en verzwakt van gestel, was nog altijd onvermoeid in het najagen van het vermaak, en de achtbare burggraaf beroemde zich, dat hij nog evenveel wijn kon drinken als het jongste lid van den kring, waarin hij verkeerde. Hij ging met de jongelui der stad om, gaf hun diners te Richmond en te Greenwich; onthaalde, als verlicht beschermer van het tooneel in alle talen, en van de kunst van Terpsichore, de dramatische kunstenaars van alle natiën op zijne partijen – Engelschen van de schouwburgen in Covent Garden en het Strand, Italianen van dien in de Haymarket, Franschen van hun eigen lief tooneeltje, of van de planken der Opera, waar zij dansten. En op zijne villa aan den Theems gaf deze steunpilaar van den Staat prachtige partijen aan dozijnen voorname jonge heeren, die zich zeer minzaam aansloten bij de heeren en dames van het tooneel – vooral bij de laatste; want de burggraaf Colchicum verkoos haar gezelschap boven dat harer broederen, daar hij het beschaafder en vroolijker vond.

Pen ging reeds den volgenden dag zijne entrée in de club betalen, welke operatie precies een derde gedeelte van zijne honderd pond verslond, waarna hij bezit nam van het gebouw en er met een onbeschrijfelijk welbehagen ontbeet. Hij begroef zich in de leeskamer in eene voltaire, en trachtte al de tijdschriften door te lezen. Hij was nieuwsgierig of de leden ook naar hem keken en verwonderde zich, dat zij in zulke prachtige vertrekken den hoed durfden ophouden. Hij ging op papier van de club een brief naar Fairoaks schrijven waarin hij uitweidde over de verpoozing, die deze plaats hem zou schenken, als zijn dagwerk was afgeloopen. Vervolgens begaf hij zich niet zonder angst naar de kamers van zijn oom in Bury Street, omdat het de stellige wensch zijner moeder was geweest, dat hij dadelijk een bezoek bij majoor Pendennis zou afleggen; en het nam hem een pak van het hart, toen hij hoorde, dat zijn oom nog niet van zijne reis terug was. Ooms vertrekken zagen er verlaten uit: de schrijftafel was met grijs linnen overtrokken, en op den schoorsteenmantel lagen brieven en rekeningen kalm op den geadresseerden te wachten. De majoor was, zooals zijne jufvrouw zeide, met den markies van Steyne op het vasteland te „Badnbadn.” Pen legde zijn kaartje, waarop nog Fairoaks stond, bij de overige op den schoorsteenmantel.

Toen de majoor te Londen terugkwam, hetgeen nog tijdig genoeg geschiedde om de November-misten te genieten, waarna hij zich voorstelde den Kersttijd bij eenige vrienden op het land te gaan doorbrengen, vond hij een tweede kaartje van Arthur, waarop Lamb Court, Temple, gegraveerd was, met een briefje van dien jongen heer en van zijne moeder, inhoudende, dat hij naar Londen gekomen was, zich in den Upper Temple had laten inschrijven en nu vlijtig in de rechten studeerde.

Lamb Court, Temple: – waar was dat? Majoor Pendennis herinnerde zich wel eens van voorname dames gehoord te hebben, dat zij met mijnheer Ayliffe, den advocaat, gedineerd hadden, die in „de wereld” kwam en in King’s Bench woonde, van welke gevangenis zich vermoedelijk eene afdeeling in den Temple bevond, waarvan Ayliffe dus, denkelijk, een beambte was. Mijnheer Deuceace, de zoon van Lord Crabs, had daar ook gewoond, naar hij zich te binnen bracht. Hij zond dus Morgan af, om uit te vorschen waar Lamb Court was, en verslag te doen over de soort van woning, die mijnheer Arthur gekozen had. Die snuggere afgevaardigde had weinig moeite, om Pen’s verblijf te ontdekken. De stille Morgan had in zijn tijd wel personen uitgevonden, die vrij wat moeielijker te ontdekken waren dan Arthur.

„Wat soort van plaats is het, Morgan?” vroeg de majoor den volgenden morgen van achter zijne bedgordijnen in Bury Street, toen de knecht te midden van den dikken, gelen Londenschen mist de toiletbenoodigdheden rangschikte.

„De plaats is een beetje raar,” antwoordde Morgan. „Er wonen daar procureurs en advocaten en hunne namen staan op de deur. Mijnheer Arthur woont op de derde verdieping, mijnheer. Mijnheer Warrington woont daar ook, mijnheer.”

„Van de Warrington’s uit Suffolk, denkelijk! Eene heel goede familie,” dacht de majoor; „de jongere zonen van vele onzer voorname familiën kiezen de rechtsgeleerdheid tot hun beroep. Zijn het mooie kamers, hé?”

„Ik heb alleen de deur van buiten gezien, mijnheer, met den naam van mijnheer Warrington en dien van mijnheer Arthur er op geschilderd, terwijl op een stuk papier geschreven stond: „Ten zes uur weer thuis.” Maar ik heb geen bediende kunnen vinden, mijnheer.”

„Dat is in ieder geval goedkoop,” zeide de majoor.

„Ja wel, mijnheer. Drie verdiepingen, mijnheer. Zoo’n vuile, donkere trap heb ik nog nooit gezien. Het verwondert mij, hoe een gentleman op zulk eene plaats kan wonen.”

„Zeg eens, wie heeft u geleerd waar gentlemen al of niet moeten wonen, Morgan? Mijnheer Arthur, vriendje, gaat studeeren voor advocaat, begrijpt ge?” zeide de majoor met groote deftigheid, maakte een einde aan het gesprek en begon zich onder den gelen mist te kleeden.

„Jongelui blijven jongelui,” overlegde de verteederde oom bij zich zelven. „Hij heeft mij een drommels aardigen brief geschreven. Colchicum zegt, dat hij hem te dineeren heeft gehad en vindt, dat hij zich als gentleman voordoet. Zijne moeder is het beste vrouwtje ter wereld. Als hij uitgeraasd heeft en zich op zijne zaken wil toeleggen, kan er nog iets van hem komen. Dat Charley Mirabel, die ouwe gek, dat vroegere liefje van hem, die Fotheringay, getrouwd heeft! Hij wil liefst niet hier komen voordat ik hem daartoe verlof geef en zet dat op eene echt fatsoenlijke en kiesche wijze uiteen. Ik was verduiveld boos op hem na zijne dwaasheden te Oxbridge en liet het hem ook gevoelen toen hij de laatste maal hier was. Wel, ik zal hem eens gaan bezoeken, – voor den drommel, dat zal ik doen!”

En na van Morgan vernomen te hebben, dat hij zonder veel moeite in den Temple kon komen en dat een der omnibussen hem daar aan de poort zou afzetten, stapte de majoor op zekeren dag, na in zijne club ontbeten te hebben – niet de Polyanthus, waar mijnheer Pen juist tot lid aangenomen was, maar eene andere, want de majoor was veel te slim om een neef tot bestendig bezoeker eener societeit te willen hebben, waar hij gewoon was zelf zijn tijd door te brengen – stapte de majoor, zeggen wij, op zekeren dag in een omnibus, en verzocht den conducteur hem aan de poort van den Upper Temple te laten uitstappen.

Toen de majoor die sombere poorten bereikte, was het ongeveer twaalf uren op den middag. Een beleefd persoon, aan zijne kleeding een bode, geleidde hem door eenige donkere gangen en verschillende sombere gewelven over pleinen, waarvan het eene nog donkerder was dan het andere, tot hij eindelijk Lamb Court bereikte. Indien het donker was in Pall Mall, wat was het dan wel in Lamb Court? Er brandden daar kaarsen in vele van de vertrekken – op het kantoor van den heer Hodgeman, den voornamen advocaat, waar zes leerlingen bij het kaarslicht zaten te schrijven; in de kamer van den klerk van Sir Hokey Walker, waar de klerk, verreweg deftiger en innemender van voorkomen dan de beroemde rechtsgeleerde zijn meester, aan de deur met veel deftigheid stond te praten met den eersten klerk van een procureur; en in den winkel van Curling den pruikmaker, alwaar, bij het flauwe schemerlicht van een paar kaarsen, groote advocaten- en rechters-pruiken somber neerhingen, terwijl de pruikebollen naar den lantarenpaal op het binnenplein schenen te kijken. Twee kleine klerkjes speelden kruis en munt onder het schijnsel van die gaspit. In eene der deuren ging eene schoonmaakster op klompen binnen: uit eene andere kwam een courantenjongen te voorschijn. Een kruier, wiens wit voorschoot slechts flauwtjes zichtbaar was, liep op en neer. Men kon zich onmogelijk eene somberder plaats voorstellen, en de majoor sidderde bij de gedachte, dat iemand daar zijn verblijf kon vestigen. „Goede Hemel!” zeide hij, „hier moet de arme jongen niet blijven wonen!”

De flauwe en smerige olielampen, waarmee de trappen in den Upper Temple des avonds verlicht worden, brandden natuurlijk niet over dag, en nadat majoor Pendennis met moeite den naam van zijn neef onder dien van mijnheer Warrington, op den muur van nº. 6 gelezen had, kostte het hem nog meer moeite om de afschuwelijke donkere trap te beklimmen, langs wier leuningen, die hare kille vochtigheid aan zijne handschoenen mededeelden, hij al tastende den weg zocht, tot hij op de derde verdieping aankwam. In den gang van een der twee reeksen kamers brandde eene kaars; de deuren stonden open, en de namen van Warrington en A. Pendennis waren voor den majoor zeer duidelijk leesbaar toen hij binnenging. Eene Iersche werkvrouw, met emmer en bezem toegerust, deed de deur voor den majoor open.

„Is daar het bier?” riep eene zware stem uit. „Geef het gauw hier!”

De heer, die dit zeide, zat met ongeschoren gezicht op eene tafel, een kort pijpje te rooken, en iets verder zat Pen op een stoel, met eene sigaar in den mond en de beenen bij het vuur. Een kleine jongen, die het ambt van klerk bij deze heeren waarnam, grinnikte in het gezicht van den majoor over het denkbeeld, dat men hem voor het „bier” had gehouden. Hier op de derde verdieping waren de vertrekken iets lichter, zoodat de majoor zien kon waar hij zich bevond.

„Pen, mijn jongen, ik ben het, – het is – het is uw oom,” zeide deze, half gestikt door den rook. Doch daar de meeste jongelui van aanzien ook, sigaren gebruikten, vergaf hij die praktijk gaarne.

Warrington sprong van de tafel af en Pen, vrij onthutst, van zijn stoel op. „Ik vraag verschooning, dat ik mij zoo straks in u vergiste,” zeide Warrington op openhartigen en luiden toon. „Mag ik u eene sigaar presenteeren, mijnheer? Ruim die dingen daar van den stoel weg, Pidgeon, en zet hem bij het vuur.”

Pen wierp zijne sigaar in den haard en was verheugd, dat zijn oom hem met zooveel hartelijkheid de hand drukte. Zoodra de majoor den invloed van het trappenklimmen en den rook te boven gekomen was en spreken kon, begon hij met veel vriendelijkheid Pen te ondervragen over zijn eigen toestand en dien zijner moeder; want het bloed doet zich toch altijd gelden en het verschafte hem genoegen den knaap weer te zien.

Pen gaf de gevraagde inlichtingen en stelde daarop aan zijn oom mijnheer Warrington voor – oud-student van het Bonifacius-Collegie – met wien hij deze kamers bewoonde.

De majoor was volkomen voldaan, toen hij hoorde, dat mijnheer Warrington een jongere zoon was van Sir Miles Warrington in Suffolk. Hij had, jaren geleden, met een oom van hem in Indië en Nieuw Zuid-Wallis gediend.

„Die is daar schapen gaan houden en heeft fortuin gemaakt, mijnheer, – dat was een beter baantje dan advocaat of soldaat,” zeide Warrington. „Ik geloof, dat ik ook maar daarheen zal gaan.” En toen, op dit oogenblik, het bier in eene kan met een glazen bodem binnenkwam, zeide Warrington lachend, dat de majoor daar zeker niet van gediend zou zijn, waarop hij er zelf eene lange teug uitnam en vervolgens zijn baard met de vuist afveegde, met de meeste voldoening. De jonkman was volkomen op zijn gemak en volstrekt niet verlegen. Hij droeg een oud, versleten jachtbuis en had een borsteligen, blauwen baard; hij dronk bier als een zakkendrager, en toch herkende men dadelijk in hem den fatsoenlijken man.

Na nog een paar minuten gezeten te hebben, ging hij heen en liet de kamer aan Pen en diens oom over, opdat zij hunne familiezaken zouden kunnen bespreken, als zij er roeping toe gevoelden.

„Uw kameraad schijnt een vrij ongegeneerd heer te zijn,” sprak de majoor, „van eenigszins anderen stempel dan uwe dandyachtige vrienden te Oxbridge.”

„Het zijn nu andere tijden,” zeide Arthur en werd rood. „Warrington is pas kortelings advocaat geworden en heeft nog niets omhanden; maar hij is vrij goed op de hoogte in de rechten, en zoolang ik niet in de leer kan komen bij een advocaat met drukke praktijk, gebruik ik zijne boeken en laat mij door hem voorlichten.”

„Is dat één van die boeken?” vroeg de majoor met een glimlach, want naast den poot van Pens stoel lag een Fransche roman.

„Dit is geen werkdag, oom,” zeide de knaap. „Wij waren gisterenavond zeer laat op eene partij gebleven – bij Lady Whiston,” voegde hij er bij, daar hij zijn ooms zwak kende. „Wij zagen daar alle voorname lui, die in de stad waren, behalve u; graven, ambassadeurs, Turken, ridders van den Kouseband, ik weet al niet wie – zij staan allen in de courant – en mijn naam ook,” liet Pen er met groote opgetogenheid op volgen. „Ik heb daar nog een oud liefje van mij ontmoet, oom,” zeide hij met een lach. „Gij weet wel wie ik meen, oom, – Lady Mirabel, – aan wie ik opnieuw werd voorgesteld. Zij gaf mij de hand en was zeer vriendelijk. Ik heb u nog altijd te danken, dat gij mij uit dien valstrik gered hebt. Zij stelde mij ook aan haar man voor – een ouden kwast met eene ridderorde en eene blonde pruik, en die niet hoog schijnt te timmeren. Zij heeft mij uitgenoodigd, haar een bezoek te brengen, oom, en ik kan er nu heen gaan, zonder de minste vrees van mijn hart te verliezen.”

„Hoe, hebben wij nieuwe minnarijen aan de hand gehad?” vroeg de majoor uiterst vroolijk.

„Een stuk of twee drie,” gaf Pen lachend ten antwoord. „Doch ik vat het thans niet meer doodernstig op; dat gaat er na de eerste liefdesgeschiedenis af.”