Part 6
Thans traden Rowkins en jufvrouw Thackthwaite op, om de geliefkoosde dubbele horlepijp te dansen, en Foker gaf zich met evenveel geestdrift aan de genoegens van dit ballet, als eenige minuten vroeger aan de tranen van het treurspel over. Pen gaf er niet om, had zelfs geene aandacht voor den dans, dan om zich te herinneren, dat die vrouw met haar gespeeld had toen zij voor het eerst optrad. Toen de dans was afgeloopen, keek hij op zijn horloge, en zeide, dat het tijd voor hem was om heen te gaan.
„Wees niet mal!” zeide Foker; „ge moet de Bravo met de strijdbijl blijven zien; daarin is Bingley prachtig; hij draagt eene roode kniebroek en moet mevrouw Bingley over de Pijnboombrug van den Waterval dragen, maar zij is wat zwaar. Het is allergrappigst. Blijf maar!”
Pen keek de affiche in, met eene flauwe maar zoete hoop dat jufvrouw Fotheringay’s naam hier of daar in de lijst der personen van het nastuk zou schuilen; maar die naam was daar niet te vinden. Hij moest gaan. Hij had nog een langen weg naar huis te rijden. Hij drukte Foker’s hand. Hij wilde spreken, maar hij kon niet, de stem bleef in de keel. Hij verliet den schouwburg en liep, hij wist niet hoelang wel, de stad verbijsterd rond. Daarop steeg hij aan den George te paard en draafde naar huis, en de klok van Clavering sloeg één uur, toen hij het plein van Fairoaks opreed. De vrouw des huizes was misschien nog wakker, maar zij hoorde alleen van den gang buiten zijne kamer, hoe hij in bed vloog en de dekens over zijn hoofd haalde.
Pen was niet gewoon de nachten wakend door te brengen, en viel dus dadelijk in een gezonden slaap. Zelfs in latere dagen, wanneer zorgen en andere onderwerpen hem wakker houden, begint een mensch, door lange gewoonte of vermoeienis of wilskracht, met in te slapen als naar gewoonte, en doet een dutje eer de Bezorgdheid komt. Doch spoedig maakt zij hare opwachting bij hem en trekt hem bij de mouw, met de woorden: „Kom, mannetje, werp die dommeligheid van u af; word wakker, dan zullen wij eens wat praten.” En dan beginnen zij te zamen in het holle van den nacht. Maar wat den armen kleinen Pen later ook mocht weervaren, vooralsnog was hij zoo ver niet gekomen; hij verviel in een diepen slaap, werd niet wakker vóór het vroege morgenuur, toen de kraaien in het boschje voor het venster zijner slaapkamer begonnen te krassen, en – op dat eigen oogenblik en toen zijne oogen opensprongen, stond hem het geliefde beeld voor den geest. „Mijn beste jongen,” hoorde hij haar zeggen, „gij laagt in een gezonden slaap en ik wilde u niet storen; doch ik heb al dien tijd naast uw bed gestaan, en ik wil niet, dat gij mij zult verlaten. Ik ben de Liefde! Koorts en hartstocht, woest verlangen en razende begeerte, rusteloos smeeken en zoeken breng ik met mij. Reeds sinds lang heb ik mij door u hooren roepen; en zie, hier ben ik nu!”
Was Pen door die woorden verschrikt? Gansch niet. Hij wist niet wat er komen zou; het was tot nog toe alles woest vermaak en genot. Drie jaar geleden, toen hij op school in de vijfde klasse werd geplaatst, had zijn vader hem een gouden horloge geschonken, dat de knaap als hij ontwaakte van onder zijn kussen te voorschijn haalde en bekeek; steeds zat hij het in het verborgen te poetsen en te polijsten en zonderde zich in stille hoekjes af, om naar het tikken te luisteren, zoozeer was hij met zijn nieuwen schat ingenomen; hij voelde in zijn vestzak, om zich te overtuigen, dat het daar veilig zat, wond het des avonds op, en drukte het, zoodra hij wakker werd, aan zijne borst en bezag het. – In het voorbijgaan zij gezegd, dat Pen’s eerste horloge een opzichtig, slecht bewerkt stuk was; van den beginne af ging het reeds niet goed en aanhoudend geraakte het van streek. En na het in eene lade weggeborgen en een tijdlang vergeten te hebben, verruilde hij het eindelijk tegen een uurwerk, dat meer nut deed.
Pen gevoelde zich vele jaren ouder sinds gisteren. Er was nu geene vergissing mogelijk. Hij was zoo echt verliefd als de beste held van den besten roman, dien hij ooit gelezen had. Met het grootste zelfvertrouwen verzocht hij Jan, hem zijn scheerwater te brengen. Hij trok dezen morgen eenige zijner beste kleederen aan en kwam met eene houding van gewicht aan de ontbijttafel. Hij nam een toon van bescherming tegen zijne moeder aan en tegen de kleine Laura, die reeds sinds uren hare muziekles zat op te dreunen, en hem, nadat hij het gebed gelezen had (waarvan hij geen woord verstond), met verwondering over zijn deftig uitzicht, verzocht haar eens te vertellen waar het stuk op neerkwam.
Pen weigerde dit lachend, en eigenlijk was het maar beter, dat zij het niet wist. Daarop vroeg zij hem, waarom hij zijne mooie speld en dat nette nieuwe vest had aangedaan.
Pen bloosde en deelde aan zijne moeder mede, dat de oude schoolkameraad, met wien hij te Chatteries gedineerd had, onder toezicht van een gouverneur, een zeer geleerd man, te Baymouth studeerde; en daar hij zelf naar de academie zou gaan en verscheidene jongelieden hunne studiën te Baymouth onderhielden, wilde hij wel eens daarheen rijden, om – te zien hoe zij hun werk inrichtten.
Laura zette een lang gezicht. Helena Pendennis zag haar zoon scherp aan, daar zij meer dan ooit beklemd werd door die onzekerheid en vrees, die haar niet verlaten hadden sedert den vorigen avond, toen Gurnett, de boer, haar de boodschap had gebracht, dat Pen niet thuis zou komen eten. Arthur’s oog doorstond haar blik. Zij trachtte zich te troosten en haar angst te verdrijven. De jongen had haar nooit eene onwaarheid verteld. Pen gedroeg zich onder het ontbijt zeer verwaand en uit de hoogte, en, nadat hij afscheid van de oude en de jonge dame genomen had, hoorde men hem een oogenblik later het stalplein afrijden. In den beginne ging hij langzaam aan, doch, zoodra hij meende buiten het gehoor te zijn, begon hij als een razende te galoppeeren.
Smirke, die over zijne eigen zaken nadacht en zachtkens, met de teenen naar buiten, kwam aanrijden om Pen zijne drie uren les te geven op Fairoaks, ontmoette zijn leerling, die hem als een wervelwind voorbijvloog. Smirke’s hit werd schichtig, toen de ander als een bliksemstraal langs hem heen schoot, en de zachtzinnige hulpprediker tuimelde hals over kop tusschen de brandnetels bij de heg. Pen lachte toen zij elkander ontmoetten, wees op den weg naar Baymouth en was reeds eene halve mijl ver in die richting, eer de arme Smirke weer op de been kwam.
Pen had besloten, dat hij Foker dien morgen moest zien: hij moest van haar hooren spreken, alles omtrent haar vernemen, met iemand omgaan, die haar kende; en de eerzame Smirke overwoog van zijn kant met een spijtig gevoel, terwijl hij daar tusschen de brandnetels zat en zijn hit bedaard het groen van de heg afknabbelde, of hij zich wel naar Fairoaks behoorde te begeven, nu zijn leerling blijkbaar voor den ganschen dag was uitgegaan. Hij kwam echter tot de overtuiging, dat het hem vergund was. Hij mocht mevrouw Pendennis wel gaan vragen, wanneer Arthur zou terugkomen, terwijl hij de jonge juffer Laura dan iets uit Watts’ Catechismus kon overhooren. Hij klom weder op zijn kleinen hit – beiden waren aan zijn afglijden gewoon – en richtte zich naar het huis, waaruit zijn leerling zoo even als in een stormwind was weggevlogen.
Zoo maakt de liefde ons allen, groot en klein, tot dwazen; de hulpprediker was hals over kop geduikeld, terwijl hij haar najoeg, en Pen was uitgevlogen in het eerste vuur van de dollemansvaart.
VIJFDE HOOFDSTUK.
MEVROUW HALLER THUIS.
Zonder haar gang te vertragen was de merrie Rebekka tot Baymouth voortgegaloppeerd, waar Pen haar in den stal van het logement bracht, en vervolgens recht naar Foker’s kamers ging, die hij kende uit de inlichtingen, welke die heer hem den vorigen dag had verstrekt. Toen Pen op die kamers kwam, boven den winkel van een drogist, wiens voorraad van sigaren en sodawater snel van de hand ging door de klandizie van zijne jonge inwoners, vond hij alleen mijnheer Spavin, Foker’s vriend en medeëigenaar van het rijtuig, waarmede laatstgenoemde Chatteries was binnengereden, die zat te rooken en een kleinen hond, die bij hem in de gunst stond, kunstjes leerde met een stukje beschuit.
Pen’s gezond gelaat, verhit door den rit, stak zonderling af bij de waskleurige, ziekelijke kleine gelaatstrekken van Foker’s kameraad. Dezen viel dit in het oog. „Wie is die kerel?” dacht hij. „Hij ziet er uit als melk en bloed. ’k Wed vijf tegen één, dat zijne hand ’s morgens niet beeft.”
Foker was in het geheel niet thuis gekomen. Dat was eene teleurstelling! Spavin kon niet zeggen, wanneer zijn vriend zou terugkomen. Soms bleef hij een dag, soms eene week weg. Tot welke academie behoorde Pen? Zou hij iets gebruiken? Daar stond een goed glas ale. Spavin leerde Pendennis’ naam kennen, door het kaartje, dat Pen uithaalde en neerlegde (het kan wel zijn, dat Pen in die dagen nog al trotsch was, dat hij een kaartje had) – en aldus namen de jonge lieden afscheid van elkander.
Daarop ging Pen langs de rotsen, drentelde rond op het zand, en beet op zijne nagels aan het strand der luid ruischende zee, die zich helder en onmetelijk voor hem uitstrekte. De blauwe wateren kwamen schuimend en met een heesch gebrul de baai inrollen; Pen beschouwde ze met een afgetrokken blik en zag ze nauwelijks. Welk een getij overstroomde op dat oogenblik het gemoed van den jonkman zelven, en hoe weinig kracht bezat hij om het te stuiten! Pen wierp steenen in de zee, maar nog altijd rolde zij aan. Hij was verwoed dat hij Foker niet zag. Hij had behoefte om Foker te spreken; hij moest hem spreken. „Mij dunkt ik moest den weg van Chatteries opgaan, om te zien of ik hem ontmoeten kan,” dacht Pen. Een half uur later was Rebekka gezadeld en galoppeerde zij over het gras den weg naar Chatteries op. Omtrent vier mijlen van Baymouth begint, gelijk ieder weet, de weg paar Clavering, en de merrie was natuurlijk voornemens dien in te slaan, maar Pen gaf haar een slag met de karwats over de schouder, liet dien weg links en reed tot aan den slagboom door, zonder een zweem van de zwarte chais met de roode wielen te zien.
Nu hij toch aan den slagboom was, kon hij evengoed doorijden; dat was duidelijk. Dus reed Pen naar den George en vernam van den stalknecht, dat Foker werkelijk daar was en den vorigen avond een schrikkelijk „standje” gemaakt had met drinken en zingen, en dat hij met Tom den postiljon had willen vechten, „waarvan hij, geloof ik,” zeide de man met een grijns, „slecht zou afgekomen zijn.” – „Hebt gij uw meesters scheerwater al boven gebracht?” liet hij er op zeer satirieken toon tegen Foker’s knecht op volgen, die op dit oogenblik met de kleederen van zijn meester, heerlijk geborsteld en in orde gebracht, op het plein kwam. „Wijs mijnheer Pendennis den weg eens,” en Pen volgde den knecht ten slotte naar de kamer, waar mijnheer Harry Foker midden in een onmetelijk bed lag te rusten.
Het veeren bed en de kussens zwollen geheel rondom mijnheer Foker op, zoodat men zijn klein bleek gezicht en zijne rood zijden nachtmuts ternauwernood zien kon.
„Hola!” zeide Pen.
„Wie daar, broeder? spreek op!” klonk de stem uit het bed. „Hoe! Pendennis terug? Weet uwe mama, dat gij uit zijt? Hebt gij gisterenavond met ons gesoupeerd? Neen – wacht – wie soupeerde gisterenavond met ons, Domkop?”
„Daar waren de drie officieren, mijnheer, en mijnheer Bingley, mijnheer, en mijnheer Costigan, mijnheer,” antwoordde de man, die mijnheer Foker’s toespraak met de grootste deftigheid aanhoorde.
„O ja: de beker ging rond, met scherts gekruid. Wij zongen, en ik herinner mij, dat ik met een postiljon heb willen vechten. Heb ik hem afgeranseld, Domkop?”
„Neen, mijnheer; het is tot geen vechten gekomen,” antwoordde Domkop, altijd met onverstoorbaren ernst. Hij bracht mijnheer Foker’s toiletdoos in orde, – zoo groot als een reiskoffer, een geschenk van eene liefhebbende moeder, zonder hetwelk de jonge kerel nooit reisde. De doos bevatte een verbazend talrijk stel in zilver: een zilveren zeepschotel, eene zilveren kan, zilveren doozen en flesschen voor allerlei soort van reukwerken, en eene keur van scheermessen tegen den tijd dat mijnheer Foker’s baard zou uitbotten.
„Ik zal het maar een andere keer doen,” zeide de jonkman geeuwend, en sloeg de magere armpjes boven zijn hoofd. „Neen, het is tot geen vechten gekomen; maar er is gezongen. Bingley zong, ik zong, de Generaal zong – Costigan, bedoel ik. Hebt gij hem ooit het Biggetje onder het bed hooren zingen, Pen?
„De man, dien wij gisteren ontmoetten?” vroeg Pen, geheel ontroerd, „de vader van – ”
„Van Fotheringay? – dezelfde. Is dat niet eene Venus, Pen?”
„Mijnheer, mijnheer Costigan is in de zitkamer, mijnheer, en zegt, mijnheer, dat gij hem op het ontbijt gevraagd hebt, mijnheer. Hij is er al vijfmaal geweest, mijnheer, maar wilde volstrekt niet, dat ik roepen zou, en is al hier sedert elf uur, mijnheer –”
„Hoe laat is het nu?”
„Eén uur Mijnheer.”
„Wat zou de beste der moeders zeggen,” riep de kleine luiaard uit, „indien zij mij op dit uur te bed zag? Zij heeft mij hierheen gezonden met een repetitor. Zij wenscht, dat ik mijn verwaarloosd genie zal beschaven. Hè, Pen, dat is wat anders dan de school ’s morgens om zeven uur, – niet waar, ouwe jongen?” en de jonge heer begon zoo uitgelaten als een schooljongen te lachen. Toen liet hij er op volgen: „Ga zoolang den Generaal gezelschap houden, terwijl ik mij kleed, Pendennis, en vraag hem het Biggetje onder het bed voor u te zingen, dat is iets prachtigs.” Pen ging in groote ontroering heen om mijnheer Costigan op te zoeken, en mijnheer Foker begon zijn toilet.
Van mijnheer Foker’s beide grootvaders was de een, van wien hij een fortuin erfde, een bierbrouwer; de andere was een graaf, die hem begiftigde met de inschikkelijkste moeder ter wereld. De Foker’s waren van vader tot zoon op de school gegaan, alwaar onze vriend (wiens naam men, over den muur der speelplaats heen, op het uithangbord eener herberg kon zien, waar „Fokersbier” geschilderd stond) vreeselijk geplaagd werd wegens zijn vaders beroep, zijn lomp voorkomen, zijn geringen aanleg voor geleerdheid of zindelijkheid, zijne gulzigheid en andere zwakke zijden. Doch als men weet hoe een gevoelige knaap onder de dwingelandij zijner schoolkameraden afgetrokken en gluiperig wordt, zal men begrijpen hoe hij zich binnen weinige maanden na zijne bevrijding uit de knechtschap zoodanig had ontwikkeld als nu het geval was, en hoe hij de luimige, sarcastische, schitterende Foker was geworden, met wien wij kennis hebben gemaakt. Wel is waar, bleef hij altijd een domkop, want men verwerft geene kennis door de school te verlaten en zich als student bij eene academie te laten inschrijven; maar hij was nu (op zijne wijze) een evengroot dandy als hij vroeger een sloddervos was geweest, en toen hij de zitkamer binnentrad, om zijne beide gasten op te zoeken, verscheen hij geparfumeerd en in fijn linnen gedost en oogverblindend van toilet.
Generaal of kapitein Costigan – want dezen laatsten titel scheen hij het liefst te voeren – zat in het venster, het nieuwsblad op armslengte van zich afhoudende. De oogen van den kapitein waren wat dof, en hij spelde de woorden met behulp van zijne lippen zoowel als van zijne roode oogen, zooals men dat wel meer ziet van heeren, voor wie het lezen eene zeldzame en moeielijke bezigheid is. Zijn hoed stond schuins op één oor, en daar hij één zijner voeten op de vensterbank gelegd had, kon iemand, die op zulke dingen lette, uit de gedaante en den versleten toestand der laarzen van den kapitein opmaken, dat het hem niet bijzonder voor den wind ging. De armoede schijnt eene bijzondere neiging te bezitten, om, alvorens zij zich geheel van iemand meester maakt, in de eerste plaats zijne uiterste ledematen aan te tasten; zijne hoofd-, hand- en voetbekleeding wordt hare eerste prooi. Al deze gedeelten van des kapiteins kleeding waren buitengemeen slordig en kaal. Zoodra hij Pen zag, verliet hij zijne zitplaats in de vensterbank en groette den binnengekomene, eerst op militaire wijze, door een paar vingers (bedekt met een gescheurden zwarten handschoen) aan zijn hoed te brengen en daarna dit sieraad geheel af te nemen. De kapitein had aanleg om kaal te worden, doch vlijde eene hoeveelheid lang ijzergrauw haar over zijne kruin, terwijl een paar lokken daarvan langs elke zijde van zijn gelaat neerhingen. Veel whisky had het teint bedorven, dat mijnheer Costigan in zijne jeugd misschien bezeten had. Zijn voormaals knap gelaat was nu koperkleurig. Hij droeg eene zeer hooge stropdas, met scheurtjes en vlekken op vele plaatsen, en een gekleeden rok, geheel toegeknoopt, behalve op de plaatsen waar de knoopen afscheid van het laken hadden genomen.
„De jonge heer, aan wien ik de eer had gisteren op het kerkplein voorgesteld te worden,” zeide de kapitein met eene allersierlijkste buiging en een zwaai van zijn hoed. „Ik hoop, dat gij wel zijt, mijnheer. Ik zag u gisterenavond in den schouwburg onder het spel van mijne dochter; maar toen ik terugkwam, vond ik u niet meer. Ik had haar maar even thuis gebracht, mijnheer, want Jack Costigan, ofschoon arm, is een gentleman; en toen ik weer in den schouwburg kwam om mijn compliment te maken aan mijn vroolijken jongen vriend, mijnheer Foker, waart gij reeds heengegaan. Wij hebben nog een genoeglijken avond doorgebracht, mijnheer; – mijnheer Foker, de drie jonge en dappere dragonders en uw onderdanige dienaar. Waarachtig, mijnheer, het deed mij weer denken aan sedert lang verloopen avonden, toen ik officier was bij het beroemde honderd en derde regiment.” En bij die woorden haalde hij eene oude snuifdoos uit den zak, en bood die met eene deftige houding zijn nieuwen bekende aan.
Arthur was verreweg te veel ontroerd om te spreken. Die kale en verloopen kwast was – was haar vader. De kapitein was geparfumeerd met den geur der sigaren van den vorigen avond, en krulde en trok het bosje haar aan zijne kin zoo kranig als een eerste jonge dandy.
„Ik hoop, dat mejufvrouw F–, mejufvrouw Costigan welvarend is, mijnheer,” zeide Pen, beginnende te blozen. „Zij – zij verschafte mij grooter genoegen, dan – dan ik – ik – ik ooit in de komedie genoten heb. Ik geloof, mijnheer – ik geloof, dat zij de knapste actrice ter wereld is,” bracht hij met stokkenden adem uit.
„Uwe hand, jonkman! want gij spreekt uit het hart,” riep de kapitein uit. „Ik dank u, mijnheer; een oud soldaat en een liefhebbend vader dankt u. Zij is de eerste actrice ter wereld. Ik heb mevrouw Siddons gezien, mijnheer, en mejufvrouw O’Nale – die waren groot, maar wat waren zij in vergelijking van jufvrouw Fotheringay? Ik wil niet, dat zij haar eigen naam drage, zoolang zij op het tooneel is. Mijne familie, mijnheer, draagt het hart hoog, en de Costigan’s van Costiganstown zouden denken, dat een eerlijk man, die officier geweest is bij het honderd en derde, zich vernederde door zijne dochter te veroorloven, het brood voor haar ouden vader te verdienen.”
„Er kan voorwaar geen eervoller plicht bestaan,” zeide Pen.
„Eervol! Voor den drommel, mijnheer, ik zou den man wel eens willen zien, die durfde zeggen, dat Jack Costigan zou bewilligen in iets, dat niet eervol was. Ik heb een hart, mijnheer, ofschoon ik arm ben; ik houd van menschen, die hart hebben. En daaronder behoort gij; dat lees ik in uw open gelaat en uw vasten blik. En zoudt gij wel willen gelooven,” liet hij er na een poosje op volgen, terwijl hij vol aandoening fluisterde, „dat die Bingley, die door mijn kind fortuin gemaakt heeft, haar slechts twee guinjes in de week geeft, waaruit zij hare kleeding bekostigt, en dit, met mijne eigene geringe middelen, ons geheele inkomen uitmaakt?”
Nu moet het gezegd worden, dat de middelen van den kapitein zoo uiterst gering waren, dat zij inderdaad onzichtbaar mochten heeten. Doch niemand weet hoe de wind verzacht wordt voor de geschoren Iersche lammeren, en op welke wonderlijke plaatsen zij weide vinden. Zoo kapitein Costigan, dien ik de eer had te kennen, zijne historie maar had willen vertellen, zou het een belangrijk verhaal, vol zedelessen geweest zijn. Maar hij zou die geschiedenis niet verteld hebben, indien hij het had kunnen doen, noch het hebben kunnen doen, indien hij gewild had; want de kapitein was niet alleen buiten machte om de waarheid te spreken, maar zelfs onbekwaam om de waarheid te denken, en waarheid en verdichting golfden in zijn droomerig en dronken brein door elkander heen.
Hij begon zijn leven onder schitterende vooruitzichten als vaandrig, met eene fraaie gestalte en fraaie beenen, en eene der schoonste stemmen ter wereld. Tot zijn laatsten dag zong hij met bewonderenswaardig gevoel en luim die merkwaardige Iersche balladen, die zoo opgeruimd en zoo weemoedig maken, en hij was altijd de eerste, die van aandoening daarover begon te schreien. Arme Cos! hij was te gelijk opgewekt en neerslachtig, geestig en dwaas, maar altijd goedhartig, en soms kon men hem bijna vertrouwen. Tot het laatste oogenblik zijns levens was hij bereid met iedereen te drinken en voor iedereen borg te blijven; en zijn einde was in de gijzeling, waar de deurwaarder, die hem had opgepakt, hart voor hem had gekregen.
In den korten morgenstond zijns levens, was Cos de ziel der officierstafels, en had de eer zijne drink- of sentimenteele liederen aan den disch der beroemdste generaals en opperbevelhebbers te zingen, gedurende welk tijdperk hij driemaal meer wijn dronk dan goed voor hem was en hij zijn gering erfdeel doorbracht. Wat er van hem werd nadat hij het leger verlaten had, gaat ons niet aan. Ik wil wedden, dat geen oningewijde weet hoe een Iersch gentleman zonder geld leeft, hoe hij het hoofd boven water weet te houden, welke ondernemingen hij, om wat te verdienen, met helden, die even ongelukkig zijn als hij zelf, op touw zet, door welke middelen hij de meeste dagen van de week zijne portie whisky met water weet te krijgen: dit zijn alle onoplosbare geheimen voor ons, doch genoeg, wanneer wij zeggen, dat Jack, onder alle stormen des levens, op de eene of andere wijze was blijven bovendrijven en zijn roode neus nooit bleek had behoeven te worden.
Eer hij en Pen een half uur met elkander gesproken hadden, was het hem gelukt den jongen heer een paar goudstukken af te persen voor biljetten, voor de benefice zijner dochter, die eerlang zou plaats hebben. Het was geene onderneming voor eigen rekening, gelijk verleden jaar, toen de arme jufvrouw Fotheringay er nog vijftien shillings bij had toegelegd, maar eene overeenkomst met den regisseur, volgens welke de dame een zeker aantal plaatsbriefjes verkoopen en een aanzienlijk gedeelte van den prijs voor zich zelve behouden kon.
Pen had slechts twee pond in zijne beurs en stelde die aan den kapitein ter hand voor de biljetten; hij zou niet meer hebben durven aanbieden, uit vrees van de kieschheid van den krijgsman te kwetsen. Costigan krabbelde spoedig een biljet voor eene loge neer, liet het geld luchtig in zijn vestzak glijden en sloeg met de hand op de plaats waar het nu lag. Het scheen zijne oude ribben te verwarmen.
„In vertrouwen, mijnheer,” sprak hij, „het duimkruid is tegenwoordig schaarscher bij mij dan het placht te zijn. Ik won er zeshonderd op een enkelen avond, mijnheer, toen mijn toegenegen vriend, zijne koninklijke hoogheid de hertog van Kent, te Gibraltar was.” En dadelijk begon hij Pen eene reeks van verhalen op te disschen hoeveel wijn er gedronken was, welke weddenschappen er waren aangegaan, welke wedrennen de officieren van het garnizoen gehouden hadden, en daarmede hield hij den jongen heer aangenaam bezig tot hun gastheer en het ontbijt binnenkwamen.