Part 17
„Het geheim is ontdekt,” zeide mijnheer Wenham, „er is eene vrouw in het spel.”
„Wel verd –, Wenham, hij is van uw leeftijd!” zeide de heer achter de gordijn.
„Pour les âmes bien nées, l’amour ne compte pas le nombre des années,” antwoordde mijnheer Wenham heel galant. „Ik hoop, wat mij betreft, er een slachtoffer van te blijven tot aan mijn dood en mijn hart geregeld eens in het jaar te breken.” Hetgeen eigenlijk met andere woorden zeggen wilde: „Mylord, daar moest gij niet van spreken; ik ben drie jaar jonger dan gij, en tweemaal zoo goed geconserveerd.”
„Wenham, gij roert mij,” zeide de groote man met een zijner gebruikelijke vloeken. „Bij den –, dat doet gij! Ik mag het wel, dat iemand al de illusiën der jeugd tot op uw leeftijd behoudt, en dat zijn hart zoo warm blijft als het uwe. Wel voor den –, mijnheer, het is mij een genoegen zulk een edelaardig, onschuldig schepsel aan te treffen. – Wie is die meid daar in de tweede rij, met de blauwe linten, de derde van het tooneel – mooie meid! Ja, gij en ik, wij zijn sentimenteele kerels. Wagg, geloof ik, geeft er niet veel om – gij geeft meer om uwe maag dan om uw hart, Wagg, – niet waar, mijn jongen?”
„Ik houd van alles wat lekker is,” antwoordde Wagg onbewimpeld. „Belles en Bourgogne, Venus en vogels. Ik zal niet zeggen, dat de tortelduiven van Genus te verachten zijn, omdat men ze in de London Tavern niet gebraden kan krijgen; maar – maar vertel ons eens alles van den ouden Pendennis, mijnheer Wenham,” eindigde hij plotseling, – want zijne aardigheid viel in het water, daar hij zag, dat zijn beschermheer niet luisterde. Steyne had zijn kijker voor de oogen en keek naar iets op het tooneel.
„Ja wel, ik heb die aardigheid over de tortelduiven van Venusen en de London Tavern al meer gehoord – gij begint af te takelen, arme Wagg. Als gij niet oppast zal ik een anderen hofnar moeten zoeken,” zeide Lord Steyne, terwijl hij zijn kijker neerlegde, „Ga voort, Wenham, met hetgeen den ouden Pendennis betreft.”
„Waarde Wenham,” – zoo begint hij, las mijnheer Wenham, – „daar mijn goede naam sinds de drie laatste weken in uwe handen overgeleverd is geweest en gij mij ongetwijfeld volgens uwe gewoonte naar hartelust over den hekel hebt gehaald, zoudt gij tot afwisseling wel eens hulpvaardig kunnen zijn en mij een dienst bewijzen. Het betreft eene kiesche zaak, – entre nous, une affaire de coeur. Een jong vriend van mij is dol verliefd geraakt op zekere jufvrouw Fotheringay, eene actrice van den schouwburg alhier, die, ik beken het, eene zoo schoone vrouw is als men ergens zien kan en die, naar mijn oordeel, zoo goed speelt als de beste actrice, die zich ooit blankette. Zij speelt Ophelia, Lady Teazle, Mevrouw Haller en zulke rollen. Zij doet zich, op mijn woord, zoo goed voor als Georges in haar besten tijd, en munt, voor zooveel ik het beoordeelen kan, verre uit boven alles wat wij op ons tooneel hebben. Ik zou een engagement te Londen voor haar wenschen. Kunt gij uw vriend Dolphin niet bewegen haar eens te komen zien, – haar te engageeren, – haar van hier weg te halen? Een enkel woord van een voornaam vriend van ons (gij weet wel wien ik meen) zou alles afdoen, en indien gij den heer van Gaunt House op mijne hand kondt krijgen, zou ik tot elken wederdienst bereid zijn, want gij zoudt mij den grootsten dienst bewijzen, die mogelijk is. Kom, bewijs me, dat gij een best mensch zijt, zooals ik altijd gezegd heb, en beschik wederkeerig over uw toegenegen
A. Pendennis.”
„Die zaak is heel duidelijk,” zeide mijnheer Wenham, toen hij den brief uitgelezen had; „de oude Pendennis is verliefd.”
„En wil die vrouw te Londen hebben – dat is zoo klaar als de zon,” merkte mijnheer Wagg aan.
„Ik wou Pendennis, met zijne rheumatiek, wel eens op de knieën zien liggen,” hernam mijnheer Wenham.
„Of hem het voorwerp zijner liefde eene lok van zijn haar zien vereeren,” vervolgde Wagg.
„Gekheid,” zeide de groote man. „Heeft hij niet familie op het land? Hij heeft ons gesproken van een neef, die veel invloed kon uitoefenen op de verkiezing van een parlementslid. Let er eens op: het zal iets met dien neef zijn. Die jongen zit in ongelegenheid. Het is mij ook overkomen – ik zat te Eton in de vijfde klasse – dochter van een groenteboer – en zwoer, dat ik haar trouwen zou. Ik was smoorlijk op haar verliefd – arme Polly!” Hier hield hij op, en misschien rees het verledene Lord Steyne voor den geest en was George Gaunt weer een knaap en nog niet geheel verloren. „Het moet, naar het verslag van Pendennis, eene mooie vrouw zijn. Roep Dolphin eens, en laten wij hooren of hij iets van haar weet.”
Op die woorden vloog Wenham de loge uit, snelde den bediende voorbij, die aan de deur, welke met het tooneel gemeenschap had, op wacht stond en mijnheer Wenham met den diepsten eerbied groette, en had weinig moeite, daar hij op die plaats gemeenzaam bekend was, om den directeur te vinden, die bezig was, gelijk wel meer gebeurde, tegen de dames van het corps de ballet te razen en te vloeken, omdat zij haar plicht niet gedaan hadden.
De vloeken verstierven op Dolphin’s lippen, zoodra hij Wenham zag, en hij trok de vuist terug, waarmede hij eene der nalatige koristen dreigde, om de hand van den nieuwaangekomene te drukken. „Hoe vaart ge, mijnheer Wenham? Hoe gaat het heden avond met mylord? Hij ziet er bijzonder goed uit,” zeide de directeur met een lachje, alsof hij nooit uit zijn humeur was geweest, waarop hij met het grootste genoegen Lord Steyne’s ambassadeur volgde, om zijne opwachting bij den grooten man te maken.
De tocht naar Chatteries was het gevolg van dat gesprek, en mijnheer Dolphin schreef uit de stad aan mylord, dat hij zich de eer gaf den markies van Steyne te verwittigen, dat hij de dame gezien had, van wie mylord had gesproken, dat hij evenzeer door hare talenten als door haar voorkomen getroffen was, en dat hij een engagement met jufvrouw Fotheringay had gesloten, die weldra de eer zou hebben voor het Londensche publiek en voor zijn edelen en verlichten beschermer, den markies van Steyne, op te treden.
Pen las het bericht van jufvrouw Fotheringay’s nieuw engagement in het blad van Chatteries, waarin hij zoo dikwijls hare bekoorlijkheden bezongen had. De redacteur sprak met lof van haar talent en hare schoonheid en voorspelde haar eene schitterende toekomst in de hoofdstad. Bingley, de regisseur, begon te adverteeren: „De laatste avond van jufvrouw Fotheringay’s engagement.” De arme Pen en Sir Derby Oaks waren trouwe bezoekers van den schouwburg, – Sir Derby in de tooneelloge, waaruit hij ruikers wierp en waarin hij lonkjes ontving, en Pen in de bijna ledige loges, verbijsterd, rampzalig en eenzaam. Buiten die twee bekommerde niemand er zich om, of jufvrouw Fotheringay ging of bleef – of wèl misschien nog iemand, te weten, mijnheer Bows in het orkest.
Bows verliet op zekeren avond die plaats en begaf zich naar de loge, waar Pen zat, dien hij de hand toereikte en verzocht naar buiten te komen en met hem mee te wandelen. Zij liepen al pratende de straat op, en gingen in het maanlicht op de brug van Chatteries zitten en spraken over haar. „Wij mogen wel op dezelfde brug zitten,” sprak Bows, „want wij hebben lang in dezelfde schuit gevaren. Gij zijt niet de eenige man, wiens hoofd door die vrouw op hol is gebracht. En ik ben minder te verontschuldigen dan gij, omdat ik ouder ben en haar beter ken. Zij heeft evenmin een hart als de steen, waartegen gij leunt; en die steen, of gij, of ik, zou in het water kunnen vallen en nooit weer boven kunnen komen, zonder dat zij er zich over bekommerde. Ja toch – zij zou zich om mij bekommeren, omdat zij mij voor haar onderricht noodig heeft; en zij zal zonder mij zich niet kunnen redden en genoodzaakt zijn uit Londen om mij te schrijven. Maar zij zou het niet doen, indien zij mij niet noodig had. Zij heeft geen hart en geen hoofd, geen begrip, geen gevoel, geen verdriet en geen zorg; – niets hoegenaamd! Ik had bijna gezegd, dat zij geen genoegen ook had – maar zij houdt van eten en het streelt haar als de menschen haar bewonderen.”
„En dat doet gij ook?” zeide Pen, zich zelven vergetende en verwonderd over het mismaakte, eenvoudige oude mannetje.
„Dat is eene gewoonte, evenals snuiven of borrels drinken,” gaf hij ten antwoord. „Ik bewonder haar sinds vijf jaar uit gewoonte en kan haar niet meer missen. Ik ben het, die haar gemaakt hebt tot hetgeen zij is. Als zij mij niet laat roepen, zal ik haar volgen; maar ik weet, dat zij mij ontbieden zal. Zij heeft mij noodig. Eenmaal zal zij trouwen en mij wegwerpen, zooals ik dit eindje sigaar doe!”
Het gloeiende vonkje viel in het water daar beneden en verdween, en toen Pen dien avond naar huis reed, dacht hij werkelijk nog aan iemand anders dan aan zich zelven.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
HET GELUKKIGE DORP.
Zoolang de vijand niet geheel uit het gezicht der vesting teruggetrokken was, had majoor Pendennis besloten te Fairoaks garnizoen te blijven houden. Hij scheen Pen’s gedrag niet te bespieden, noch eenigen dwang op zijne handelingen uit te oefenen; maar desniettemin wist hij den knaap voortdurend onder zijn eigen oog, of dat zijner handlangers te houden, en alle gangen van den jongen Arthur waren diens waakzamen voogd ten volle bekend.
Vermoedelijk is er geen mensch, onder al degenen, die dezen of een anderen roman lezen, die niet vroeger of later door het lot, de omstandigheden, de valschheid eener vrouw, of eigen schuld, in zijne liefde gedwarsboomd is. Laat zoo iemand zich dan zijne eigen gemoedsstemming in dat geval voor den geest roepen en zich daardoor Pen’s zielesmart voorstellen. O, wat treurige nachten en koortsige uren! O, wat dolzinnige begeerten, die tegen de rots der onmogelijkheid of der onverschilligheid opgolfden en van het onwrikbare graniet afstuitten! Indien wij dezen zelfden nacht eene lijst konden opmaken van de jammerkreten en gedachten en verwenschingen van rusteloos ronddwalende minnaars te Londen, wat een catalogus zou dat niet zijn! Ik zou wel eens willen weten, hoeveel percent van de mannelijke bevolking des morgens ten twee of drie ure wakker liggen, de trage uren tellen, en zich onrustig, smachtend en wanhopig van de rechter- op de linkerzijde wentelen. Wat is het eene vlijmende smart! Wel heb ik nooit gehoord, dat een man bepaald van verliefdheid gestorven is, maar ik heb wel een man van 150 pond onder den druk eener ongelukkige liefde tot 110 pond zien inkrimpen, zoodat men kan zeggen, dat ongeveer een vierde gedeelte van hem verloren was gegaan, – wat inderdaad geen kleinigheid mag heeten. Later heeft hij echter zijne vroegere zwaarte herkregen; misschien is hij thans dikker dan ooit; zeer waarschijnlijk heeft eene nieuwe genegenheid zijn hart en zijne ribben omvat en deze op hun gemak gebracht, en de jonge Pen is een man, die zich, gelijk anderen, troosten zal. Wij zeggen dit, opdat de dames hem niet te voorbarig beklagen, noch zich ernstig ongerust maken over zijne ziekte. Zijne moeder was dat wèl, maar wat bestaat er, dat de moederliefde niet zou vreezen of zich inbeelden? „Wees zeker, mijne waardste,” zeide majoor Pendennis op galante wijze tegen haar, „dat de jongen er van zal opkomen. Zoodra wij haar weg hebben, zullen wij hem wel ergens heen brengen en hem een beetje van het leven laten zien. Wees intusschen gerust. De helft der smart, die men ondervindt wanneer men eene vrouw verliest, is eer een gevolg van ijdelheid dan van liefde. Door eene vrouw verlaten te zijn, is zeker verschrikkelijk; maar let eens op, hoe gemakkelijk wij haar verlaten.”
Mevrouw Pendennis wist niets daarvan. Deze soort van kennis was niet binnen den kring van de ondervinding dezer eenvoudige dame gevallen. Zij hield dan ook niet van dit onderwerp en sprak er liefst niet over; haar hart had zijne eigene kleine ramp gehad, had er zich boven verheven en was genezen; en misschien had zij niet veel medelijden met de verliefdheid van anderen, – natuurlijk die van Arthur uitgezonderd, met wiens lijden zij zich vereenzelvigde, – zoodat zij zeer waarschijnlijk bij de vele ongesteldheden en smarten van den knaap aanmerkelijk meer dan Pen zelf leed. In zijne tegenwoordige droefenis hield zij met ijverzuchtige en stille meewarigheid het oog op hem, ofschoon hij, gelijk wij reeds vermeld hebben, niet met haar sprak over zijn rampzaligen toestand.
Het verdient gezegd te worden, dat de majoor niet weinig talent en lijdzaamheid, en eene allerloffelijkste belangstelling voor zijne familie aan den dag legde. Het leven op Fairoaks moest onuitstaanbaar vervelend zijn voor een man, die tot de helft der huizen van Londen toegang had en gewoon was zich elken avond op drie of vier partijen te vertoonen. Nu en dan een diner met doctor Portman, of een landjonker uit den omtrek, en een lusteloos spelletje triktrak met de weduwe, – die alles in het werk stelde om hem aangenaam bezig te houden, – dit behoorde tot zijne voornaamste uitspanningen. Hij zag reikhalzend naar de komst van den brievenzak uit en las het avondblad van den eersten regel tot den laatsten. Vlijtig nam hij allerlei gezondheidsmaatregelen in acht, want hij meende, dat een stil leventje, gedurende eenigen tijd, hem nuttig zou zijn na de Londensche feestdagen. Elken morgen en middag kleedde hij zich met zorg, en nam hij geregelde beweging, door het terras op en neer te wandelen. Deze waardige en wereldsche wijsgeer vrijwaarde zich aldus met zijn wandelstok, zijn toilet, zijn medicijnkistje, zijn triktrakbord en zijn nieuwsblad tegen de verveling; en zoo majoor Pendennis niet, gelijk de bijen tegen den tuinmuur der weduwe, van elk zonnig uur partij trok, bracht hij uur op uur door, zooals hij het best vermocht, waardoor hij zich zijne ballingschap eventjes draaglijk maakte. Het trok de aandacht, dat hij na dit tijdperk zijns levens gaarne het gesprek op den Amerikaanschen oorlog, den moord van Wyoming en de schitterende bedrijven van Saint-Lucie bracht, waarvan de geheime oorzaak was, dat hij een paar deelen der Britsche Jaarboeken op zijne slaapkamer gevonden en vlijtig doorgelezen had. Aldus weet een man van geregelde levenswijze zich naar de omstandigheden te schikken en zich met een kalm gelaat boven het lot verheven te toonen.
Pen ging soms des avonds aan het triktrakbord zitten, of luisterde des zomeravonds naar de eenvoudige muziek, die zijne moeder maakte, – maar hij was, in weerwil van dit alles, gejaagd en ellendig. Men zag hem zelfs vóór het aanbreken van den dag opstaan en naar een karpervijver in Clavering Park gaan, een somber water met ontelbare ruischende rietstengels en elzeboomen, waar eene melkmeid zich ten tijde van den grootvader van den baronet verdronken had en haar geest, naar men zeide, nog spookte. Maar Pen verdronk zich niet, waarvoor zijne moeder misschien bang was. Hij ging daar gaarne visschen en op zijn gemak peinzen, terwijl de dobber in de kleine kringetjes van den vijver op en neer danste en de visschen er rondom sprongen. Als hij beet kreeg, was hij zeer opgetogen, en op die wijze bracht hij meer dan eens karpers, zeelten en palingen thuis, die de majoor op de wijze, gelijk op het vasteland gebruikelijk was, toebereidde.
Bij dien vijver, en onder een boom, die zijn geliefkoosd toevluchtsoord was, vervaardigde Pen een aantal verzen, op zijne omstandigheden toepasselijk – verzen, waarover hij in later tijd bloosde, daar hij zich verwonderen moest, dat hij ooit zulke wartaal voor den dag had kunnen brengen. En wat dien boom aangaat – wel, het is in eene holte van dien zelfden boom, waar hij zijn tinnen doosje met wormen en andere vischbehoeften neerzette, dat hij later – doch wij zijn voorbarig! Genoeg voor het oogenblik, dat hij verzen schreef en daarbij veel verlichting vond. Wanneer iemands verdriet of hartstocht van dien aard is, dan moge hij zijne smart luid ontboezemen, maar zij is niet erg. Wanneer een heer zijn brein foltert, om op hemel een ander rijmwoord te vinden dan gewemel en kemel, dan is zijn verdriet dichter bij het einde dan hij zelf weet. En zoo was het ook met Pen. Hij had zijne heete en koude koorts, zijne dagen van neerslachtigheid of knorrigheid en doffe gelatenheid of wanhoop, en tusschenbeide dolle vlagen van woede en verlangen, waarin hij Rebecca zadelde en als een dolleman over de velden of naar Chatteries galoppeerde, waarbij hij den rug van het paard met de armen zat te molenwieken, en roerlieden en tolgaarders verwonderd deed opzien, door in het voorbijrijden den naam der ongetrouwe schoone luidkeels uit te galmen.
Mijnheer Foker legde in dezen tijd talrijke en welkome bezoeken op Fairoaks af, waar zijne opgeruimdheid en zijne grappen den majoor en Arthur niet weinig vermaakten en daarentegen de weduwe en de kleine Laura verbaasden. Zijn wagentje veroorzaakte groote opschudding op de markt te Clavering, waar hij een stalletje omverreed, den poedel van jufvrouw Pybus over het kaalgeschoren lichaam reed en een glaasje bitter in het Wapen van Clavering dronk. Het gansche plaatsje vernam wie hij was en zocht in het Jaarboek der pairs zijn naam onder de aanverwanten van den adel op. Maar hij was nog zóó jong en hunne uitgaven van het Jaarboek waren zóó oud, dat zijn naam in vele dier jaargangen niet voorkwam; en zijne mama, thans eene vrij bejaarde dame, stond er, onder de kinderen van den graaf van Rosherville, nog vermeld als Lady Agnes Milton. Doch zijn naam, rijkdom en deftige af komst waren spoedig in Clavering bekend, waar men zeker kan zijn, dat de kleine liefdesgeschiedenis van Pen met de actrice te Chatteries ook zeer vrijmoedig besproken werd.
Wanneer men van den weg naar Londen, die langs de portierswoning van Fairoaks loopt, den blik op het oude stadje Clavering St. Mary slaat en den snelvlietenden en blinkenden Brawl van de stad af langs de bosschages van Clavering Park ziet kronkelen en den ouden kerktoren en de puntige daken der huizen ziet uitsteken tusschen boomen en oude muren, achter welke zich een achtergrond van zonnige heuvelen verheft, die westwaarts van Clavering naar zee loopen, – dan schijnt het plaatsje zoo vroolijk en gezellig, dat menig reiziger van den top der diligence een smachtend verlangen daarnaar moet ondervonden en de gedachte gekoesterd hebben, dat het toch wel aangenaam zou zijn, aan het einde van den strijd des levens in zulk een kalm en vriendelijk hoekje een toevluchtsoord te vinden. Tom Smith, de koetsier der diligence Alacrity, wees dikwijls een boom bij de rivier aan, van waar men een fraai gezicht op de kerk en de stad had, en verhaalde dan aan zijn reisgezel op den bok, dat schilders van daar de kerk uitteekenden, die vroeger eene abdij was geweest, – en inderdaad was het een mooi gezicht, dat ik aan de schilders Stanfield en Roberts op hun eerstvolgend reisje aanbeveel
Gelijk Konstantinopel, van den Bosphorus gezien, gelijk mevrouw Rougemont, wanneer men van de overzijde der zaal haar in hare loge ziet zitten, gelijk menig voorwerp dat wij in het leven najagen en bewonderen zoolang wij het niet bezitten, is Clavering liefelijker op een afstand dan bij nadere kennismaking. De stad, die op eenige ellen afstands zoo vroolijk schijnt, ziet er zeer doodsch en vervelend uit. Men ziet niemand op straat dan op marktdagen. Het gekletter van een paar klompen klinkt de halve stad door, en men kan het kraken van het oude verroeste uithangbord van het Wapen van Clavering hooren, zonder dat men door eenig ander geluid afgeleid wordt. Er is in de societeit geen bal geweest sedert de partij, die de vrijwilligers van Clavering aan hun kolonel, den ouden Sir Francis Clavering, gaven; en de stallen, die eenmaal de paarden van dat prachtige, maar uitgestorven regiment bevatten, zijn thans somber en leeg, behalve Donderdags, wanneer de boeren daar uitspannen en hunne huifkarren en chaisen een flauwen schijn van levendigheid aan het plaatsje bijzetten, of wanneer op de rechtsdagen de rechterlijke ambtenaren vergadering houden in de kamer, die vroeger aan het kaartspel gewijd was.
Aan de zuidzijde der markt staat de kerk met hare groote grijze torens, welker fijn beeldhouwwerk in het zonnelicht schittert, hetwelk de schaduwen der zware steenen beren donker kleurt en de schitterende vensters en vlammende weerhanen verguldt. Eeuwen geleden werd het beeld van de beschermheilige der kerk boven het voorportaal weggebroken; de heiligenbeelden, welke in dien tijd van vrome vernielzucht binnen het bereik van steenen of hamers stonden, zijn hoofdeloos en verminkt, en van die, welke er ongeschonden afkwamen, kent alleen doctor Portman de namen en de geschiedenis, want zijn hulpprediker Smirke bemoeit zich niet veel met de oudheidkunde en mijnheer Simcoe (de gemaal eener „freule,” die thans mevrouw Simcoe is) beschouwt, als predikant en oprichter van de Kapel der Ruste in het lagere gedeelte der stad, die beelden als iets verfoeilijks.
De pastorie is een hecht, breed gebouw van baksteen, uit den tijd van koningin Anna. Zij komt met verschillende uitgangen in de kerk en op de markt uit, en staat aan den ingang van Yew-Tree-Lane, waar zich de school van den eerwaarden Wapshot, Yew-Tree-Cottage van jufvrouw Flather, het slachthuis van den vleeschhouwer, eene oude schuur of brouwerij uit de dagen der abdij, en de jongejufvrouwen-kostschool der dames Finucane bevinden. De zitplaatsen van de leerlingen der beide scholen waren op de galerij aan beide zijden van het orgel, totdat de doctor – toen de abdijkerk tamelijk leeg werd door het wegblijven van vele leden der gemeente, die zich naar de kettersche kapel in het lagere gedeelte der stad lieten lokken – de dames Finucane bewoog haar lieve kuddeke naar beneden te laten komen, waar de hoedjes der jonge dames aan de vrij leege banken eenig leven bijzetten. In de groote bank der familie Clavering ziet men niets dan de beeltenissen der overledene baronets en hunne vrouwen; daar is Sir Poyntz Clavering, ridder en baronet, met een baard van vierkante snede, geknield tegenover zijne vrouw met een ontzaglijken halskraag; eene zeer dikke dame, Rebecca Clavering, in haut-relief, wordt hemelwaarts gedragen door twee engeltjes, die er eene zware vracht aan schijnen te hebben – en meer van dien aard. Wat herinnerde Pen zich in latere jaren die beelden duidelijk, en wat zat hij ze in zijne jeugd nauwkeurig te bekijken als de doctor zijne leerrede van den preekstoel opdreunde en Smirke’s zachtmoedig gezicht met de ééne krul op zijn voorhoofd over het groote gebedenboek aan den lezenaar heenkeek!
De bewoners van Fairoaks gingen trouw naar de oude kerk; hunne bedienden hadden er eene bank, evenals die van Wapshot en van de dames Finucane, drie meiden en een knap jonkman in livrei. De familie Wapshot was talrijk en geloovig. Glanders en zijne kinderen kwamen geregeld ter kerk, en een der apothekers ook. Jufvrouw Pybus ging om beurten naar de kerk in de stad en naar de abdijkerk. De leerlingen der armenschool en hunne bloedverwanten kwamen natuurlijk. Wapshot’s jongens maakten een luid en hartverkwikkend gedruis, door met de voeten te schuifelen wanneer zij de kerk binnenmarcheerden en de trap naar de galerij opliepen, en hunne neuzen zeer dikwijls onder den dienst snoten. Om kort te gaan, de gemeente zag er zoo ordelijk uit als men in dezen slechten tijd verwachten mocht. De abdij kerk bezat een prachtig koorhek en vele wapens aan de muren en op de grafzerken. De doctor besteedde een groot gedeelte van zijn inkomen om zijne geliefde kerk op te knappen, en had haar met een heerlijk geschilderd glasvenster, dat in de zuidelijke Nederlanden gekocht was, en een orgel, groot genoeg voor eene hoofdkerk, begiftigd.