Part 74
„Neen, dat doe ik niet,” zeide Laura en nu kwam de hand vastberaden te voorschijn en legde zich in die van Warrington. Uit enkele vroegere gezegden, die hij zich had laten ontvallen, en uit de eerste woorden waarmee hij begonnen was, had zij zijne geschiedenis geraden.
„Zij was de dochter van een landman uit den omtrek,” zeide Warrington met eene vrij onvaste stem, „en ik verbeeldde mij – wat alle jongelieden zich verbeelden. Haar ouders wisten wie mijn vader was en lokten mij met allerlei lompe kunstgrepen en verraderlijke vleierijen, die ik thans doorzie, naar hun huis. Om haar recht te laten weervaren, moet ik bekennen, dat zij geen zier om mij gaf, maar door de bedreigingen en den aandrang van hare familie gedreven werd tot hetgeen er gebeurde. Gave God, dat ik niet misleid ware! maar in dergelijke zaken worden wij misleid, omdat wij dit zelf wenschen, en ik dacht dat ik het arme meisje beminde.
„Wat moesten de gevolgen van een dergelijk huwelijk zijn? Het duurde niet lang, of ik werd gewaar, dat ik met eene boerin getrouwd was. Zij kon geen enkele zaak vatten, die mij belang inboezemde. Hare domheid versufte mij en boezemde mij eindelijk walging in. En nadat deze rampzalige en heimelijke verbintenis eenigen tijd geduurd had – want ik wil u alles verhalen – vond ik ergens brieven (en wat voor brieven!) die mij het bewijs leverden, dat haar hart, voor zoover zij een hart had, nooit het mijne was geweest, maar altijd aan een persoon van haar eigen stand had toebehoord.
„Bij mijn vaders dood betaalde ik de schulden, die ik tijdens mijn verblijf aan de academie gemaakt had, en zette ik al wat mij overbleef vast, tot een jaargeld voor – voor degenen, die mijn naam droegen, onder voorwaarde, dat zij zich verborgen zouden houden, zonder dien naam te voeren. Zij zijn die voorwaarde nagekomen, gelijk zij haar voor meer geld zouden verbreken. Indien ik naam of roem verworven had, zou die vrouw gekomen zijn om er haar deel van te eischen; indien ik voor mij zelven een naam had gemaakt, zouden zij, die er geen aanspraak op hadden, dien gedragen hebben; en zoo trad ik, God zij mij genadig, op mijn twintigste jaar zonder hoop en geheel geruïneerd het leven in! Ik was als knaap het slachtoffer van gemeene bedriegers, en eerst onlangs heb ik gevoeld hoe moeielijk het valt – o zoo moeielijk! – hun te vergeven. Reeds vroeger had ik u de moraal verteld, Pen; thans heb ik u de fabel meegedeeld. Zorg toch bovenal, dat gij niet buiten uw eigen stand trouwt. Ik geloof, dat ik voor een beter lot in de wieg was gelegd; maar God heeft mij het tegenwoordige toegewezen, – en aldus, ziet ge, is het mijne bestemming om toe te kijken en met een hart, zoo min mogelijk verbitterd, anderen voorspoedig en gelukkig te zien.”
„Wel drommel, mijnheer,” riep de majoor allervroolijkst uit, „ik had u aan jufvrouw Laura hier willen uithuwen.”
„En te drommel, meester Shallow, ik ben u duizend pond schuldig,” zeide Warrington.
„Wat spreekt gij van duizend pond? het zijn er maar vijf en twintig, mijnheer,” antwoordde de majoor onnoozel, hetgeen den ander in lachen deed uitbarsten.
Wat Helena betreft, zij was zoo opgetogen, dat zij opsprong met den uitroep: „God zegen’ u, mijnheer Warrington, God zegen’ u voor eeuwig!” zijne beide handen kuste, naar Pen toeliep en zich in zijn armen wierp.
„Ja beste moeder,” zeide hij, terwijl hij haar aan zijn hart drukte en haar vol teederheid en ontroering omhelsde en vergiffenis schonk. „Ik ben onschuldig, en mijne lieve, lieve moeder heeft mij verongelijkt.
„Ja, kind, ik heb u verongelijkt, – Goddank, ik heb u verongelijkt!” fluisterde Helena. „Kom mee, Arthur, – niet hier, –ik wil mijn kind en – en – mijn God om vergiffenis smeeken, en u zegenen en liefkoozen, mijn zoon.”
Hij leidde haar met wankelende schreden hare kamer binnen en sloot de deur, hetgeen de drie ontroerde toeschouwers van deze verzoening met genoegen en in stilte aanzagen. Voor altijd, voor altijd herinnerde de jonkman zich den teederen toon van die zwakke stem, die zacht zijn oor trof – den blik van die vrome oogen, die hem met onuitsprekelijke liefde tegenstraalden, – de trilling dier tot een smartelijken glimlach vertrokken lippen. En in zijne gelukkigste oogenblikken, en in zijn uren van beproeving en smart, en in zijne tijdperken van voorspoed en fortuin, zag het gelaat zijner moeder op hem neer en zegende het hem met dien innigen en reinen blik, zooals hij haar op dien avond zag, toen zij nog bij hem vertoefde, en toen zij, eer zij hem voorgoed verliet, een engel scheen, door de liefde herschapen en verheerlijkt. Laten wij knielen en onzen Vader danken voor die liefde, als voor de grootste gave, het grootste wonder van Gods zorg voor ons!
Ondertusschen was de maan opgegaan, en Arthur herinnerde zich later levendig, hoe zij het zachtzinnige en bleeke gelaat zijner moeder bescheen. Hun spreken – of liever het zijne, want zij kon ternauwernood een woord uiten – was teerder en vertrouwelijker dan het sinds jaren geweest was. Hij was weer de ronde en edelgezinde knaap van hare vroegere dagen en hare vroegere liefde. Hij verhaalde haar de geschiedenis, welker verkeerde opvatting haar zooveel verdriet berokkend had, – zijn strijd om de verzoeking te ontvlieden, en zijne dankbaarheid, dat hij die had kunnen overwinnen. Hij zou het meisje nooit leed berokkenen, nooit, – noch zijn eigen eer benadeelen, of het reine hart zijner moeder grieven. Hij had de bedreiging, dat hij tot het meisje zou terugkeeren, in een oogenblik van verbittering geuit en nu berouwde het hem. Hij zou haar nooit weerzien. Maar zijne moeder zeide, dat hij dit wel moest doen; dat zij het was, die trotsch en schuldig was geweest, zoodat zij aan Fanny Bolton gaarne iets zou geven. Zij vroeg haar lieven zoon vergiffenis, dat zij den brief had geopend, – en zij zou aan het jonge meisje schrijven, indien – indien zij er den tijd toe had. Arme vrouw! was het niet natuurlijk, dat zij haar Arthur liefhad? En andermaal kuste en zegende zij hem.
Terwijl zij zoo spraken, sloeg de klok negen uur en herinnerde Helena hem, hoe zij, toen hij nog een kleine jongen was, op dat uur naar zijne slaapkamer placht te gaan, om hem het Onze Vader te laten opzeggen. En wederom – ach ja, wederom – viel de jonkman aan zijn moeders heilige knieën neer en stamelde snikkend het gebed, dat de Goddelijke Genade ons heeft voorgezegd, en dat sinds twintig eeuwen door millioenen zondige en verslagen menschen als een echo wordt herhaald. En toen de knaap de laatste woorden dezer smeekbede uitsprak, liet de moeder haar hoofd tegen het zijne zinken, haar armen omstrengelden hem en gezamenlijk herhaalden zij de woorden „in eeuwigheid, Amen.”
Eene korte poos, misschien een kwartieruurs later, hoorde Laura de stem van Arthur, die daar binnen riep: „Laura Laura!!” Zij ijlde er dadelijk heen en vond den jonkman nog altijd op zijne knieën liggen, met zijn moeders hand in de zijne. Helena’s hoofd was achterovergezonken en scheen in het maanlicht zoo wit als linnen. Vol ontzetting zag Pen rond. „Hulp, Laura, hulp!” zeide hij: „zij ligt in flauwte, – zij is –”
Laura gilde en zonk aan Helena’s zijde neer. Die kreet bracht Warrington, majoor Pendennis en de dienstboden in de kamer. De vrome vrouw was ontslapen. De laatste gewaarwording harer ziel hier op aarde was vreugde, die voortaan ongestoord en eindeloos wezen zou. Dat teedere hart klopte niet meer; het zou geen kwellingen, geen onzekerheden, geen smarten en beproevingen meer te verduren hebben. Zijn laatste aderslag getuigde van liefde, en Helena’s laatste ademtocht was eene zegenbede.
Het treurende gezelschap keerde spoedig huiswaarts, en Helena werd aan de zijde van haar echtgenoot in de oude kerk te Clavering, waar zij zoo dikwijls gebeden had, ter aarde besteld. Laura ging eenigen tijd bij doctor Portman logeeren, die, onder het snikken en de tranen der kleine vergadering rondom Helena’s graf, den lijkdienst voor zijne lieve afgestorvene zuster las. Er waren er niet velen, die zich om haar bekommerden of die, na haar verscheiden, nog over haar spraken. De menschen in het algemeen wisten van de vrome en zachtmoedige vrouw weinig meer dan van een non in het klooster. Eenige woorden onder de hutbewoners, die hare milddadigheid ondersteund had, eenige praatjes in de verschillende huizen te Clavering, waar de eene dame verhaalde dat hare buurvrouw aan eene hartziekte overleden was, en de andere narekende hoeveel de weduwe wel nagelaten had, en de derde benieuwd was, of Arthur Fairoaks zou verhuren of zelf betrekken, en daarbij voorspelde, dat het niet lang duren zou eer hij de erfenis had doorgebracht, – dit was alles, en met uitzondering van een paar personen, die de goede ziel hadden liefgehad, was zij den volgenden marktdag reeds vergeten. Zoudt gij begeeren, dat de smart over uw verscheiden eenige weken langer duurde? en schijnt het „namaals” u minder eenzaam toe, wanneer onze namen, als wij tot de ruste zijn ingegaan, nog eene korte poos aan deze zijde des grafs blijven weerklinken en menschenstemmen nog altijd voor ons spreken? Die reine ziel, slechts door twee of drietal menschen bemind en gekend, was van hier gegaan.
De grootste leegte, die zij naliet, bestond in het hart van Laura, voor wie hare liefde alles geweest was en die nu alleen hare nagedachtenis had om te vereeren. „Ik ben verblijd, dat zij mij vóór haar verscheiden haar zegen gegeven heeft,” zeide Warrington tegen Pen; en wat Arthur betreft, met ootmoed erkende en bewonderde hij hare groote liefde en ternauwernood durfde hij den hemel bidden hem die waardig te maken, ofschoon hij gevoelde, dat eene heilige daar zijne voorspraak was.
Men vond al de zaken der overledene dame in volmaakte orde; hare kleine bezittingen waren gereed om overgedragen te worden aan haar zoon, voor wien zij die in bewaring had gehouden. Uit de papieren, die men in haar lessenaar vond, bleek, dat zij sinds lang kennis had gedragen van de kwaal, die haar ondermijnde, eene hartkwaal, die zij wist dat haar plotseling zou wegrukken; en men vond een geschreven gebed van hare hand, waarin zij de hoop uitdrukte, dat haar einde in de armen van haar zoon mocht zijn, gelijk dan ook geschied was.
Laura en Arthur riepen elkander hare woorden voor den geest, die het meisje zich alle met hartelijkheid herinnerde, wel eenigszins tot beschaming van den jonkman, wien het duidelijk was hoeveel grooter liefde zij Helena had toegedragen dan hij zelf. Hij verliet zich geheel op Laura ten aanzien van hetgeen Helena gewenscht zou hebben dat gedaan wierd, voor de armen die zij zou hebben willen ondersteunen en voor de legaten, of gedachtenissen, die zij zou gewenscht hebben uit te reiken. Zij pakten de vaas in, welke Helena in hare dankbaarheid aan Dr. Goodenough had toegedacht, en zonden die naar behooren aan den vriendelijken dokter; eene zilveren koffiekan, die zij gewoon was geweest te gebruiken, werd aan Portman aangeboden, en een diamanten ring met haar haar werd met een hartelijk woord aan Warrington geschonken.
Het moet een droevige dag voor de arme Laura geweest zijn, toen zij voor het eerst weer op Fairoaks kwam, en het kamertje betrad, dat zij bewoond had en hetgeen nu het hare niet meer was, en de ledige kamer der weduwe zelve, waar beiden zoo vele genoeglijke uren hadden doorgebracht. Daar hingen natuurlijk de kleederen nog in de kast, daar lag het kussen, waarop zij knielde om te bidden, daar hing de spiegel, die haar geliefd en weemoedig gelaat niet meer zou weerkaatsen. Toen zij daar eene poos vertoefd had, klopte Pen aan en leidde haar de trap weer af naar de voorkamer, waar hij haar een teugje wijn deed drinken. „God zegen’ u,” sprak hij, toen zij het glas aanraakte. „Er zal in uwe kamer niets veranderd worden,” liet hij er op volgen; „het is voor altijd uwe kamer – het is altijd de kamer mijner zuster. Mag dit niet zoo wezen, Laura?” en Laura zeide: „Ja!”
Onder de papieren der weduwe vond men een pakje, waarop zij geschreven had: Brieven van Laura’s vader, en dat Arthur aan Laura overhandigde. Het waren de brieven, die neef en nicht in vroegere dagen, eer een van beiden getrouwd was, met elkander gewisseld hadden. De inkt, waarmee zij geschreven waren, was verbleekt; de tranen, die beiden er wellicht over gestort hadden, waren opgedroogd; de smart, welker bitterheid daar geboekstaafd stond, was nu gestild; de vrienden, wier scheiding op aarde aan beiden zooveel bitter verdriet had berokkend, waren nu ongetwijfeld vereenigd. En Laura leerde thans eerst ten volle den band kennen, die haar zoo teeder aan Helena hechtte; zij vernam eerst nu hoe trouw degene, die voor haar meer dan eene moeder was geweest, de nagedachtenis haars vaders in eere had gehouden, hoe waarachtig zij hem had liefgehad, hoe onderworpen zij afstand van hem had gedaan.
Pen herinnerde zich een legaat van zijne moeder, waarvan Laura geen kennis kon dragen, namelijk Helena’s wensch om Fanny Bolton een geschenk aan te bieden. Pen schreef haar dus en deed dien brief in een enveloppe aan Bows, met verzoek aan dien heer, om dat schrijven te lezen alvorens hij het aan Fanny gaf. „Waarde Fanny,” schreef Pen, „ik moet u de ontvangst van twee brieven van uwe hand berichten, van welke de eene gedurende mijne ziekte was zoek geraakt,” (Pen vond den eersten brief na het overlijden zijner moeder in haar lessenaar, en een zonderling gevoel beklemde hem toen hij dien las), „en daarbij moet ik u, lieve oppasster en vriendin, danken, dat gij mij gedurende mijn koortslijden zoo teeder verpleegd hebt. Ik moet er bijvoegen, dat de laatste woorden mijner lieve moeder, die niet meer tot de levenden behoort, getuigden van hare genegenheid en dankbaarheid jegens u, dat gij mij hebt opgepast. Zij zeide, dat zij u zou geschreven hebben, indien zij daartoe den tijd had gehad, dat zij u vergiffenis had willen vragen, indien zij u hard had behandeld, en dat zij u verzoeken wilde uwe vergevensgezindheid te toonen door een bewijs van vriendschap en achting van haar aan te nemen.” Pen eindigde met te zeggen, „dat eene kleine som onder het beheer gesteld was van zijn vriend den weledelgeboren heer George Warrington, van Lamb Court in den Temple, waarvan de interest haar zou uitbetaald worden tot zij meerderjarig werd of een anderen naam aannam in plaats van den haren, die altijd in toegenegene herinnering zou blijven bij haar dankbaren vriend A. Pendennis.” De som was werkelijk slechts gering, doch voldoende om Fanny Bolton tot eene erfdochter in het klein te maken; hare ouders werden er door tevreden gesteld, en haar vader verklaarde, dat mijnheer P. zich als een volmaakt gentleman gedroeg, – ofschoon Bows gromde, dat het gemakkelijk was sympathie te toonen door een bankbiljet bij wijze van pleister op een gewond hart te leggen, en de arme Fanny gevoelde maar al te duidelijk, dat Pen’s brief een afscheidsbrief was.
„Het zenden van bankbiljetten van honderd pond aan portiersdochters is drommels aardig,” zeide de oude majoor Pendennis tegen zijn neef (dien hij nu als eigenaar van Fairoaks en hoofd der familie met blijkbaar ontzag en beleefdheid behandelde), „en daar er wat geld in de bank stond en uw arme moeder het begeerde, kan het misschien ook geen kwaad. Doch houd altijd voor oogen, beste jongen, dat gij niet meer dan vijfhonderd pond ’s jaars bezit, ofschoon de wereld, hetgeen gij aan mij te danken hebt, gelooft, dat gij verduiveld veel rijker zijt, en nu smeek ik u, op mijne knieën, mijn jongen: spreek uw kapitaal niet aan. Zorg dat het bij elkander blijft, speculeer er niet mee, houd uw land goed bijeen en neem er geen hypotheek op. Tatham zegt mij, dat de Chatteries-zijtak van den spoorweg misschien, ja bijna zeker, door Chatteries zal loopen, en zoo men dien aan deze zijde van den Brawl kan krijgen, neefje, en door uwe landerijen heen, dan zullen die een heelen schep geld waard worden, en zullen uwe vijfhonderd ’s jaars, met één slag tot acht- of negenhonderd stijgen. Maar hoeveel het ook zij, bezweer ik u het bijeen te houden. En mij dunkt, Pen, dat gij die slordige kamers in den Temple moest verlaten en omzien naar eene fatsoenlijke woning. Als ik u was, neef, zou ik een knecht nemen, om mij te bedienen; en een paar paarden voor stadsgebruik, als het Londensche seizoen aan den gang is. Dit alles zal echter nagenoeg uw gansche inkomen vereischen en ik weet dus, dat gij zuinig moet leven. Maar herinner u, dat gij eene zekere plaats in de maatschappij bekleedt en dus niet al te schraal voor den dag moogt komen. Wat zult gij in den wintertijd doen? Gij zijt toch zeker niet voornemens dan hier te blijven, of voort te gaan met schrijven voor dat – wat is het ook? – dat blad?”
„Ik ga met Warrington nog een poosje buitenslands, oom, en dan zullen wij zien wat er gedaan moet worden,” gaf Arthur ten antwoord.
„En Fairoaks zult gij natuurlijk verhuren? Er is eene goede school in den omtrek, het is eene goedkoope streek, en het is dus een drommels aardig plekje voor Indische kolonels, of familiën die stil willen leven. Ik zal er in de club eens over spreken; er zijn vele menschen in de club, die naar zulk een plaatsje uitzien.”
„Ik hoop, dat Laura er den winter zal doorbrengen en het als haar eigen huis zal beschouwen,” hernam Arthur; waarop de majoor begon te snuiven en te brieschen en uitriep, dat er voor den drommel kloosters voor Engelsche dames behoorden te wezen, en de hoop te kennen gaf, dat jufvrouw Bell zich niet met de beschikking der familie-aangelegenheden ingelaten had en dat zij zich in de eenzaamheid van die woning zou dood niezen.
Het zou dan ook inderdaad een zeer somber verblijf zijn geweest voor de arme Laura, die zich ook niet bijzonder gelukkig gevoelde in het huisgezin van doctor Portman, noch in de stad, waar maar al te veel omstandigheden haar aan de dierbare moeder herinnerden, die zij verloren had. Maar zoodra de oude Lady Rockminster, die met hare jonge vriendin Laura dweepte, uit de bladen het verlies vernam, door het meisje geleden, en tevens zag dat zij zich op het platteland bevond, kwam de oude dame haastig van Baymouth over, waar zij zich ophield, en drong er op aan, dat Laura zes maanden, twaalf maanden, haar leven lang bij haar zou blijven; en Martha van Fairoaks ging als kamenier met hare jonge meesteres naar de woning der lady mee.
Pen en Warrington zagen haar vertrekken. Men had moeielijk kunnen zeggen, wie van beiden haar het teerst scheen aan te zien. „Uw neef is verwaand en vrij onbeschaafd, liefje, maar hij schijnt een goed hart te bezitten,” zeide de kleine Lady Rockminster, die haar gevoelen over iedereen onbewimpeld te kennen gaf; „doch Blauwbaard bevalt mij het best. Zeg eens, is hij touché au coeur?”
„Mijnheer Warrington is sedert lang – geëngageerd geweest,” zeide Laura en sloeg de oogen neer.
„Onzin, kind! En goede hemel, liefje, wat een mooi diamanten kruis! Waarom draagt gij dat bij uw ochtendgewaad?”
„Arthur – mijn broeder heeft het mij pas gegeven. Het was – het was –” zij was niet bij machte, den zin te voltooien. Het rijtuig rolde over de brug en door de lieve, lieve poort van Fairoaks – dat voor haar geen thuis meer zou zijn.
NEGEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
OUDE VRIENDEN.
Het geval wilde, dat een aantal personen, die wij in den loop van dit verhaal hebben leeren kennen, bij gelegenheid van groote Engelsche feesten, waarvoor geheel Londen een vrijen dag neemt en zich naar Epsom begeeft, vergaderd waren om de Derby-wedrennen te zien. In een gemakkelijk open rijtuig, door twee paarden naar de algemeene verzamelplaats getrokken, kon men mevrouw Bungay van Paternoster Row zien, evenals Salomo in al zijne heerlijkheid, met de stille mevrouw Shandon naast haar, voor wie de vrouw van den uitgever, sedert beider kennismaking, eene standvastige vriendschap was blijven koesteren. Bungay, die zich met een rijkelijk ontbijt had gesterkt, liep als een dolleman rond onder de spellen en in de nabijheid, tot hem het zweet van de kale kruin droop. Shandon drentelde tusschen de ververschingstenten en de heidenen rond, en Finucane stond onvermoeid de beide dames ten dienste, aan wie de heeren van hare kennis, die met de uitgevers-firma in betrekking stonden, hunne opwachting kwamen maken.
Onder anderen maakte Archer haar zijn compliment en verhaalde aan mevrouw Bungay wie er al zoo aanwezig waren. Die daar ginds was de eerste minister; zijne lordschap had hem zoo even geraden op Borax te wedden, maar Archer beschouwde Muffineer als het beste paard. Hij wees der verrukte mevrouw Bungay ontelbare hertogen en groote heeren aan. „Zie eens, ginds in de groote tribune,” zeide hij; „daar zit de Chineesche ambassadeur, met de mandarijnen van zijn gevolg. Fou-choo-foo kwam bij mij met introductiebrieven van mijn boezemvriend, den gouverneur-generaal van Indië, zoodat ik hem een tijdlang zeer vriendelijk bejegende, en zijn eetstokjes altijd op mijne tafel lagen voor het geval dat hij bij mij opliep tegen etenstijd. Maar hij bracht zijn eigen kok mee, en – zoudt ge het wel willen gelooven mevrouw Bungay? – op zekeren dag toen ik uit was en de gezant met mijne vrouw in den tuin aalbessen zat te eten, waar de Chineezen dol op zijn, maakte zijn schelm van een kok, die het lieve schoothondje van mijne vrouw zag (wij hadden het van den hertog van Marlborough zelven gekregen, wiens stamvader in den slag van Malplaquet zijn leven te danken had aan mevrouw Archer’s oud-overgrootvader), zich van het arme diertje meester, sneed het den hals af, vilde het en diende het met vulsel voor, bij den second service.”
„Heere mijn tijd!” zeide mevrouw Bungay.
„Gij kunt u de wanhoop mijner vrouw verbeelden, toen zij vernam wat er gebeurd was! De keukenmeid kwam gillende naar boven, om ons, juist toen wij allen van het gerecht gegeten hadden, te vertellen dat zij het vel van den armen Fido op de plaats gevonden had! Mijne vrouw wilde geen woord meer tegen den ambassadeur spreken, neen, nooit, en hij is dan ook niet meer bij ons te dineeren geweest. De lord-mayor, die mij de eer had bewezen mijn gast te zijn, vond het gerecht zeer lekker, en, met doperwten gegeten, heeft het ook zeer veel van eendvogel.”
„Och kom, dat meent ge niet!” riep de verbaasde uitgeversvrouw uit.
„Wezenlijk, op mijn woord! Ziet ge die dame in het blauw, die bij den ambassadeur zit! Dat is Lady Flamingo, die, naar men zegt, met hem gaat trouwen en met zijn excellentie naar Pekin zal terugkeeren. Zij laat zich daarom hare voeten nu reeds in elkander persen. Maar zij zal zich alleen kreupel maken, zonder ooit een Chineeschen voet te krijgen; dat is zeker! Mijne vrouw heeft den kleinsten voet in gansch Engeland en draagt schoenen van een kind van zes jaar; maar wat is dat in vergelijking met den voet eener Chineesche dame, mevrouw Bungay?”
„Van wie is dat rijtuig, waarbij mijnheer Pendennis staat, mijnheer Archer?” vroeg mevrouw Bungay na een oogenblik. „Straks is hij met mijnheer Warrington hier geweest. Hij is trotsch in zijne manieren, die mijnheer Pendennis, maar dat mag ook wel, want naar men mij gezegd heeft, gaat hij altijd met de groote lui om. Heeft hij een groot vermogen geërfd, mijnheer Archer? Ik zie, dat hij nog in den rouw is.”
„Achttienhonderd pond ’s jaars in land, en twee en twintig duizend vijfhonderd in de drie en een half percents; dat is het zoo ongeveer,” antwoordde mijnheer Archer.
„Heere mijn tijd! Gij weet toch alles, mijnheer Archer,” riep de dame van Paternoster Row uit.