Part 59
Mylord Steyne, met zijn Kouseband en het lint dier orde, met een kaal hoofd, glinsterende oogen, en een krans van roode bakkebaarden rondom zijn gelaat, zag er bij plechtige gelegenheden altijd zeer deftig uit en maakte diepen indruk op Lady Clavering, toen hij zich op verzoek van den dienstvaardigen majoor Pendennis aan haar voorstelde. Met zijn eigen blanke en vorstelijke hand bracht hij mylady een glas wijn, zeide, dat hij van hare bekoorlijke dochter gehoord had, aan wie hij verzocht voorgesteld te mogen worden, en op dit zelfde oogenblik kwam juist mijnheer Arthur Pendennis met die jonge dame aan zijn arm bij het gezelschap.
De pair maakte eene diepe buiging en Blanche van haar kant de diepste nijging, die men ooit had gezien. Zijne lordschap reikte aan mijnheer Arthur Pendennis de hand, zeide, dat hij zijn boek gelezen had, hetwelk zeer talentvol maar ondeugend was, en vroeg aan jufvrouw Blanche of zij het gelezen had, waarbij Pen bloosde en niet op zijn gemak was, want, – Blanche was eene der heldinnen van den roman. Blanche met zwarte lokken en een weinig veranderd, was de Neæra van Walter Lorraine.
Blanche had het boek gelezen, en de taal der oogen gaf te kennen hoezeer het haar met bewondering en verrukking vervuld had. Nadat deze kleine vertooning was afgespeeld, maakte de markies van Steyne weer twee diepe buigingen voor Lady Clavering er hare dochter, en begaf zich naar andere gasten op zijne prachtige partij.
Mama en hare dochter waren onuitputtelijk in haar lof van den edelen markies, zoodra hij haar den breeden rug had toegekeerd. „Hij zeide, dat zij een heel aardig paartje zouden zijn,” fluisterde de majoor aan Lady Clavering toe. – Heeft hij dat wezenlijk gezegd? Mama geloofde ook, dat zij het zijn zouden; mama was zoo opgetogen over de eer, die haar pas weervaren was, en over andere verblijdende gebeurtenissen van dezen avond, dat haar opgeruimdheid geen grenzen kende. Zij lachte en wenkte en knikte Pen veelbeteekenend toe; zij tikte hem en Blanche en den majoor met den waaier op den arm; haar genoegen was buitensporig en hare manier om hare blijdschap aan den dag te leggen was zeer luidruchtig.
Toen het gezelschap de groote trap van Gaunt House afging, was het morgenlicht reeds helder en duidelijk boven de donkerkleurige boomen van het plein opgegaan; de hemel was met een purpergloed getint en de wangen van eenige bezoekers van het bal – o, wat zagen die er spookachtig uit! Vooral die bewonderenswaardige en trouwe majoor, die zich uren lang aan Lady Clavering’s zijde opgehouden, die haar bediend en hare maag gevuld had met al wat lekker was en haar oor met al wat zoet en vleiend klonk, – o, wat zag hij er uit! De kringen rondom zijn oogen hadden de kleur van de straatsteenen; die oogen zelve geleken op de kievitseieren, welke Lady Clavering en Blanche gegeten hadden; de rimpels van zijn verouderd gelaat waren diepe voren geworden; en zilverkleurige stoppels glinsterden als een onfrissche morgendauw aan zijne kin en naast zijne geverfde bakkebaarden, die thans slap neerhingen en uit de krul waren.
Daar stond hij als een toonbeeld van lijdzaamheid, onderworpen en zonder eene klacht te uiten, in stomme zielesmart; bewust, dat de menschen zien konden in welken toestand zijn gezicht verkeerde (want hij zag het immers zelf aan anderen van zijn eigen leeftijd, zoo mannen als vrouwen?) sinds uren smachtende om zich ter ruste te begeven; overtuigd, dat het avondeten hem bezwaarde, en toch een weinig mee gegeten hebbende, om zijne vriendin, Lady Clavering, te behagen; daar stond hij met nepen van de rheumatiek in zijn rug en zijne knieën, met afgematte voeten, die in zijne verlakte laarzen gloeiden, – zoo vermoeid, o zoo vermoeid en naar bed verlangende! Indien een man die met tegenspoed te kampen heeft en dezen moedig overwint, een schouwspel is, de goden waardig, dan moet de Macht, in wier tempels de oude majoor een trouw aanbidder was, met welgevallen op de standvastigheid waarmee Pendennis zijn martelaarschap verduurde, hebben neergezien. Er lijden er voor die zaak, gelijk voor zoo menig andere; de negers, die aan Mumbo Jumbo hunne hulde brengen, tatoueeren zich en pijnigen zich met gloeiende braadspitten, en leggen daarbij de grootste zielskracht aan den dag; en zoo lezen wij, dat de priesters van den Baälsdienst zich zelven onversaagd verwondden en hun bloed lieten stroomen. Gij die in staat zijt de afgoden te verbrijzelen, doet het met onversaagden moed; maar valt de afgodendienaars niet te hard, want zij bewijzen eer aan het hoogste wezen, dat zij kennen.
De beide Pendennis’en, de oude en de jonge, hielden Lady Clavering en hare dochter gezelschap tot haar rijtuig afgeroepen werd, en toen nam de marteling van den oude een einde, want de goedhartige begum wilde hem tot aan zijn huis in Bury Street brengen. Wellevend tot het einde toe en vast besloten zijn plicht te vervullen, nam hij na een paar flauwe buigingen en behoorlijke dankbetuiging eene plaats op de achterbank in. De begum wuifde met haar dik handje een afscheid aan Arthur en Foker toe, en Blanche vereerde de jonge heeren met een kwijnend lachje, en vroeg zich intusschen af, of zij er niet zeer bleek en groen onder hare rozenkleurige kap uitzag en of zij alleen in de spiegels van Gaunt House dan wel door de vermoeienis en het branden van haar oogen zulk een bleek voorkomen had.
Arthur zag waarschijnlijk zeer goed, dat Blanche zoo geel was, maar schreef die ongewone tint niet aan de spiegels noch aan een gebrek in zijn eigen oogen of de hare toe. Onze jeugdige man van de wereld kon zeer scherp kijken en zag dus Blanche’s gelaat vrij wel zoo als de natuur het gemaakt had. Maar voor den armen Foker bezat het een luister, die hem verbijsterde en verblindde; hij kon er evenmin gebreken in bespeuren als in de zon, die nu boven de toppen der huizen begon te schitteren.
De zedemeester zal bemerken, dat Pen, onder andere slechte Londensche gewoonten, die hij had aangenomen, ook begonnen was zich te gewennen aan laat opblijven, en zeer dikwijls te bed ging op een uur, waarop eerzame landbewoners zich gereedmaakten om op te staan. Men kan zich evengoed aan het een als aan het ander uur gewennen. Dagbladredacteurs, bezoekers van de Covent Garden markt, koetsiers en houdsters van koffiestalletjes, schoorsteenvegers en voorname heeren en dames, die op bals gaan, zijn dikwijls ten drie of vier ure des morgens, als gewone stervelingen liggen te snorken, de levendigheid zelve. In ons vorig hoofdstuk hebben wij doen zien, dat Pen op dien tijd nog wakker van geest was, en gaarne op zijn gemak eene sigaar rookte en zijn hart ontlastte.
Foker en Pen verlieten dus Gaunt House onder het genot van de beide genoemde vermaken, of liever Pen sprak, en Foker zag er uit alsof hij iets wilde zeggen. Pen hing den spotter en den dandy uit, als hij in het gezelschap van voorname lui was geweest; onwillekeurig bootste hij hunne eigenaardigheden en manieren na, en daar hij eene zeer levendige verbeeldingskracht bezat, hield hij zich zeer licht, hoewel ten onrechte, voor een persoon van gewicht Zoo snaterde hij voort en haalde nu dezen, dan genen over den hekel; hij smaalde op Lady John Turnbull’s slecht Fransch, waarmee die dame alle gesprekken doorspekte in weerwil van ieders spotlach, op de opzichtige kleeding en de valsche juweelen van mevrouw Slack Roper; op de oude en de jonge dandy’s, – kortom, wie was er, om wien hij niet spotte en lachte?
„Gij gaat iedereen te lijf, Pen; – men zou bang van u worden,” zeide Foker. „Gij hebt nu Blandel’s gele pruik en Colchicum’s zwarte pruik beetgehad; waarom slaat gij de hand niet eens aan eene bruine? ge weet wel wiens pruik ik meen. Zij heeft in Lady Clavering’s rijtuig plaats genomen.”
„Onder mijn ooms hoed? Mijn oom is een martelaar, Foker, beste jongen. Hij heeft den ganschen avond pijnlijke plichten vervuld. Hij gaat gaarne vroeg naar bed. Als hij laat opblijft en een souper gebruikt, krijgt hij vreeselijke hoofdpijn. Hij heeft altijd een aanval van de jicht te wachten als hij op een bal veel loopt of staat. Nu is hij laat opgebleven en heeft lang gestaan en gesoupeerd. Thuis wacht hem nu de jicht en de hoofdpijn, en dat om mijnentwil. Zou ik dan met den ouden heer den draak steken? Neen, om geen geld ter wereld!”
„Hoe bedoelt gij, dat hij dit om uwentwil gedaan heeft?” vroeg Foker, eenigszins met een onthutst gelaat.
„Vriendje, kunt gij een geheim bewaren als ik er u deelgenoot van maak?” riep Pen zeer opgewonden. „Zijt gij bescheiden? Wilt gij zweren? Zult gij zwijgen, of wèl klappen? Wilt gij zwijgen en hooren, of spreken en sterven?” En met die woorden nam hij een overdreven theatrale houding aan, tot verwondering der huurkoetsiers in Piccadilly, die over de vreemde manieren der beide jonge heeren grijnsden.
„Waar wilt gij voor den drommel naar toe?” vroeg Foker en begon er zeer ongerust uit te zien.
Pen bemerkte echter niet veel van zijn ontroering, maar ging op dezelfde luchtige en opgewonden wijze voort. „Henry, vriend mijner jeugd en getuige mijner vroegere dwaasheden,” riep hij uit, „ofschoon gij suf waart bij uwe boeken, ontbreekt het u echter niet geheel aan gezond verstand, – neen, bloos niet, Henrico, gij bezit een goed deel daarvan, en van moed en welwillendheid ook, om uwe vrienden van dienst te zijn. Als ik in armoede zat, zou ik de toevlucht nemen tot mijn Foker’s beurs. Leed ik onder droefenis, ik zou mijne smart ontlasten in zijn meewarigen boezem –”
„Allemaal gekheid, Pen, – ter zake!” riep Foker.
„Ik zou die ontlasten, Henrico, op uwe hemdsknoopjes en op dat linnen, dat door schoone handen gewerkt is, om uwe dappere borst te versieren! Weet, dan, vriend mijner kindsche dagen, dat Arthur Pendennis, van den Upper Temple, student in de rechten, gevoelt dat hij eenzaam begint te worden en dat de grijze Zorg zijne slapen doorploegt en de Kaalheid zijne kruin bezoekt. Willen wij even een kopje koffie aan dit stalletje gebruiken? ze ziet er warm en lekker uit. Kijk eens hoe die koetsier in zijn schoteltje blaast. Wilt gij niet? Dan ga ik weer met mijn verhaal voort, aristocraat! Ik begin op den levensweg te vorderen; ik bezit drommels weinig geld en heb wat noodig. Ik ben dus voornemens mij daarvan wat te verschaffen en een huishouden op te richten. Daar denk ik ernstig over. Ik denk aan trouwen, ouwe jongen! Ik wil een deftig man worden, zoo’n man van port en sherry, geacht in mijne wijk en met een stil huishoudentje van twee meiden en een knecht, en nu en dan eens een rijtuigje om met mevrouw Pendennis uit rijden te gaan, en een huis in de nabijheid der Parken, ten gemakke van de kinderen. Wat zegt gij daarvan? Geef antwoord aan uw vriend, gij eerzaam zoon des biers! Spreek! ik bezweer u bij al uwe vaten!”
„Maar gij hebt geen geld, Pen,” zeide de ander, nog altijd met een ongerusten blik.
„Neen, dat is waar; maar zij heeft het. Ik zeg u, dat mij goud beschoren is – niet wat gij geld noemt, gij die in den schoot der weelde zijt groot gebracht en gewiegd in het graan, en die uit duizend brouwketels schatten inslurpt. Wat weet gij van geld! Wat voor u armoede zou zijn, is rijkdom voor den geharden zoon van den geringen apotheker. Gij kunt niet leven zonder een huishouden op grooten voet en uwe huizen buiten en in de stad. Een lief huisje ergens in den omtrek van Belgravia, een rijtuigje voor mijne vrouw, eene fatsoenlijke keukenmeid en soms eene fijne flesch voor mijne vrienden, – ziedaar de kleine behoeften, waarmee ik mij tevreden stel, Foker.” En nu begon Pendennis ernstiger te zien, en zonder verdere grappen te maken, vervolgde hij: „Ik denk er bepaald over, mij te vestigen en te trouwen. Niemand kan in de wereld vooruitkomen, zonder wat geld tot ruggesteun. Men moet een zekeren inzet bezitten om mee te beginnen, eer men aan het groote spel deel kan nemen. Wie weet, wat ik nog onderneem, ouwe jongen! Slechter menschen dan ik ben hebben bij dat spel gewonnen. En daar ik niet genoeg geld van mijne vaderen geërfd heb, moet ik wat door mijne vrouw zien te krijgen, – ziedaar de zaak.”
Terwijl zij spraken, of liever terwijl het Pen was, die in de zelfzuchtige volheid van zijn hart sprak, stapten zij Grosvenor Street door, en Pen moet het te druk met zijn eigen zaken hebben gehad, om den angst en de ontroering van zijn metgezel op te merken, want hij vervolgde: „Wij beiden zijn geen kinderen meer, Henry Bah! onze romaneske tijd is voorbij. Wij trouwen niet uit liefde, maar uit voorzorg en om ons te vestigen. Waarom neemt gij uwe nicht? Omdat zij een aardig meisje en de dochter van een graaf is, en de oude lui het gaarne zien en zoo meer.
„En gij, Pendennis,” vroeg Foker, „houdt gij niet heel veel van het meisje – dat gij gaat trouwen?”
„Comme ça,” zeide Pen, de schouders ophalende; „ik houd vrij veel van haar. Zij is mooi genoeg en knap genoeg. Ik geloof, dat ik met haar tevreden mag zijn. En zij heeft ook geld genoeg – dat is het voornaamste. Kom, gij weet wel wie het is, niet waar? Op zekeren avond toen wij bij hare mama dineerden dacht ik, dat gij zelf een goed oogje op haar hadt. Het is de kleine Amory.”
„Dat – dat dacht ik wel,” zeide Foker; „en heeft zij uwe hand aangenomen?”
„Nog niet bepaald,” gaf Arthur ten antwoord met een lachje van zelfbehagen, hetgeen scheen te beteekenen: ik heb haar maar voor het vragen, en dan valt zij mij dadelijk in de armen.
„Beste Fo! wat deert u? Zijt ge niet wel?” riep Pen met ernstige ongerustheid uit.
„Gij denkt, dat het van de champagne op Gaunt House is, niet waar?” zeide Foker. „Maar dat is het niet. Kom binnen en hoor mij een oogenblik aan, dan zal ik het u vertellen. Voor den duivel, ik moet mijn hart aan iemand uitstorten!”
Op dit oogenblik waren zij aan mijnheer Foker’s deur. Henry opende die en trad met zijn vriend zijne vertrekken binnen, die in het achtergedeelte van het huis lagen, achter de eetzaal, waar de oude Foker, omringd van de portretten van hem zelven, zijne vrouw, zijn zoon als kind, op een ezel, en den vorigen graaf van Gravesend in zijn pairscostuum, gewoon was zijne gasten te ontvangen. Foker en Pen gingen deze zaal voorbij, die thans door hare gesloten luiken een doodsch voorkomen had, en betraden het eigen vertrek van den jongen man. In die kamer speelden de eerste zonnestralen en verlichtten de galerij van dansende meisjes en opera-nimfen met flikkerenden glans.
„Hoor eens, Pen! Ik moet het u vertellen,” sprak hij. „Juist sedert den avond toen wij daar gedineerd hebben, ben ik zoo verliefd op dat meisje, dat ik geloof het te zullen besterven als ik haar niet krijg. Soms is het mij, alsof ik er krankzinnig van zal worden. Ik kan u niet zoo over haar hooren spreken, en wel op dit oogenblik, dat gij haar trouwen wilt, alleen omdat zij geld heeft. Ach, Pen! dat is de vraag niet bij het trouwen; daarop verwed ik alles wat gij wilt. Van geld te spreken wanneer het zulk een meisje betreft – dat is – dat is – hoe zal ik het uitdrukken – gij weet wel wat ik zeggen wil – ik ben niet knap in het spreken – dáár dan: heiligschennis! Als zij mij hebben wilde zou ik straatveger willen worden, dat zou ik.”
„Arme Fo! ik geloof niet, dat dit haar zou aanlachen,” zeide Pen, die zijn vriend met oprechte belangstelling en medelijden aanzag. „Dit is geen meisje voor liefde in een hutje van klei.”
„Zij moest eene hertogin zijn, dat weet ik zeer goed, en ik weet ook wel, dat zij mij niet zou willen hebben indien ik haar geen aanzienlijke positie in de wereld kon verschaffen – want ik zelf heb niet veel te beteekenen – ik ben niet knap of iets van dien aard,” zeide Foker neerslachtig. „Indien ik al de diamanten bezat, welke al die hertoginnen en markiezinnen heden avond droegen, ik zou ze in haar schoot werpen. Maar wat baat het, er over te spreken? Ik kan den anderen dans niet ontspringen. Dat doet mij den dood aan, Pen. Ik kan er mij niet aan onttrekken, al wilde ik er mijn leven voor laten. En ofschoon mijne nicht een lief meisje is en ik wel van haar houd, had ik deze nog niet gezien, toen onze oude heeren de zaak beklonken. En toen gij zoo even zeidet, dat gij met haar tevreden kondt zijn en dat zij geld genoeg voor u beiden bezat, toen dacht ik bij mij zelven: dat een meisje geld heeft, of dat men haar eenvoudig mag lijden, moest niet genoeg zijn om te trouwen. Als iemand op die wijze gehuwd is, zal hij misschien ontdekken dat hij van een ander meisje méér houdt, en dan kan al het geld van de wereld hem niet gelukkig maken. Zie maar eens hoe het mij gaat; ik heb geld in overvloed, of ik zal het uit de brouwketels krijgen, zooals gij ze noemt. Mijn oude heer dacht eens goed voor mij te zorgen, door mijn huwelijk met mijne nicht vast te stellen. Maar ik verzeker u, dat het verkeerd zal uitkomen; en als Lady Anna haar man gekregen heeft, zal geen van ons beiden gelukkig wezen, en zij zal opgescheept zijn met den ellendigsten stumpert in Londen.”
„Arme jongen!” zeide Pen met een edelmoedigheid, die hem weinig kostte. „Ik wenschte, dat ik u kon helpen. Ik had nooit kunnen denken, dat gij zoo dol verliefd waart op dat meisje. Denkt gij, dat zij u zou willen hebben zonder uw geld? Neen. Denkt gij, dat uw vader zou willen toestemmen in het verbreken van uw engagement met uwe nicht? Daarvoor kent gij hem te goed; hij zou u eer onterven dan dat te doen.”
De rampzalige Foker antwoordde alleen met een gekerm en wierp zich, met het hoofd tusschen de handen geklemd, voorover op de sofa.
„Wat mijne belangen aangaat,” vervolgde Pen, „indien ik had kunnen denken, beste jongen, dat het met u zoo bedenkelijk stond, zou ik u ten minste geen verdriet gedaan hebben door u tot mijn vertrouwde te kiezen. En voor het oogenblik althans is de zaak met mij nog niet uitgemaakt. Ik heb daarover nog geen woord tegen jufvrouw Amory gesproken. Hoogst waarschijnlijk zou zij mij niet willen hebben, als ik haar vroeg. Maar ik heb er zeer veel met mijn oom over gehandeld, die zegt, dat dit huwelijk mij zeer voordeelig zou zijn. Ik tracht naar hooger en ik ben arm. En het schijnt, dat Lady Clavering haar een aanzienlijke som zal meegeven, en Sir Francis zou men kunnen bewegen om – nu dat doet er niet toe. Er is nog niets beslist, Henry. Zij gaan binnen kort uit de stad en ik beloof u, dat ik haar vóór dien tijd niet zal vragen. Er is geen haast bij; wij hebben allen den tijd. Maar indien gij haar kondt krijgen, Foker, herinner u dan, wat ge zoo even gezegd hebt over het huwelijk, en over de ellende van een man, die onverschillig is ten aanzien van zijne vrouw; maar welke soort van vrouw zou het zijn, die niet om haar man gaf?”
„Maar zij zou om mij geven,” riep Foker van zijne sofa, „dat wil zeggen, ik geloof, dat zij, het zou doen. Nog pas heden avond onder het dansen zeide zij –”
„Wat zeide zij?” riep Pen uit, verbolgen opstuivende. Maar wat hem aandreef, zag hij duidelijker in dan Foker het deed, en hij brak lachend af. „Nu, het komt er niet op aan, wat zij zeide. Jufvrouw Amory is een levendig meisje en zegt een aantal vleiende dingen – tegen u – tegen mij ook wel eens – en de drommel weet tegen wien nog meer! Er is nog niets bepaald, ouwe jongen. Mijn hart zal er ten minste niet van breken als ik haar niet krijg. Tracht haar te krijgen als gij kunt en ik wensch er u veel heil mee! Vaarwel! Denk maar niet langer over hetgeen ik u verteld heb. Ik was wat opgewonden; ik ben in die heete zalen verduiveld dorstig geweest en heb waarschijnlijk niet genoeg mineraalwater in de champagne gedaan. Goedennacht! Ik zal ook van u niet spreken. Wij moeten beiden den mond houden; „laat er eerlijk gevochten worden en de knapste man den prijs behalen,” zooals Peter Crawley zegt.”
Met die woorden wierp mijnheer Arthur Pendennis een veelbeteekenenden en vrij verdachten blik op zijn vriend en schudde hem de hand met eene soort van hartelijkheid, die met zijne pas gemaakte vergelijking van eene bokspartij strookte, gelijk mijnheer Bendigo de hand van mijnheer Caunt schudt, alvorens zij met elkander gaan boksen om den kampioensgordel en nog tweehonderd pond van weerszijden. Foker beantwoordde den afscheidsgroet van zijn vriend met een smeekenden blik en een klaaglijken handdruk, waarna hij weer in zijne kussens neerzonk, terwijl Pen den hoed opzette en naar buiten stapte, waarbij het niet veel scheelde, of hij struikelde over de werkmeid, die reeds zoo vroeg op was en het bordes dweilde.
„En dus zou hij haar ook willen hebben? Ei, ei!” dacht Pen onder het gaan, terwijl hij met eene weinig prijzenswaardige scherpzinnigheid en een bijna duivelsch leedvermaak waarnam, dat de smart en foltering, die Foker’s argeloos hart vervulden, juist iets aangenaams en pikants aan zijn eigen oogmerken ten opzichte van Blanche bijzette, indien men den naam van oogmerken mocht geven aan hetgeen tot nog toe louter spel en tijdkorting was geweest. „Zij zeide iets tegen hem? Zóó! Misschien heeft zij hem de weerga van dit bloempje gegeven?” en daarbij nam hij een arm verdord en gekneusd rozeknopje, dat door de warmte en den lichtgloed van dien avond verwelkt en zwart was geworden, uit zijn knoopsgat en liet het tusschen vinger en duim draaien. „Ik zou wel eens willen weten aan hoeveel anderen zij die onschuldige bewijzen van hare genegenheid gegeven heeft, – die kleine coquette! –” en daarop wierp hij den rozeknop in de goot, waar het water hem misschien verfrischt en een liefhebber van rozeknoppen hem wellicht opgeraapt heeft. En daarop, bedenkende dat het reeds helder dag was en dat de voorbijgangers hem om zijn ongeschoren kin en zijne witte das zouden kunnen aanzien, nam onze zedige jonge heer eene vigilante en reed naar den Temple.
Ach, is dit de knaap, die slechts weinige jaren geleden aan zijn moeders knie lag te bidden en voor wien zij waarschijnlijk op dit morgenuur hare gebeden omhoog zendt? Is deze afgematte en zelfzuchtige wereldling dezelfde jonkman, die nog zoo kort geleden bereid was, al wat hij op de wereld bezat, zijn eerzucht, zijne vooruitzichten in het leven, om den wille zijner liefde op te offeren? Dit is de man, op wien gij trotsch zijt, oude Pendennis! Gij beroemt u, dat gij hem gevormd en hem die malle en romaneske grillen en dwaasheden uit het hoofd gepraat hebt, en terwijl gij in uw bed onder uwe pijnen en rheumatiek ligt te kreunen, troost gij u met de gedachte, dat die knaap eindelijk iets zal doen om het een eind ver te brengen, en dat de Pendennis’en een aanzienlijke plaats in de wereld zullen innemen. Is hij de eenige, die op zijne reis door dit somber leven opzettelijk of toevallig van den weg afdwaalt, terwijl de aangeboren waarheidsliefde en hartelijkheid, die hem zouden moeten besturen, door de vergiftige lucht ontaarden en hem niet meer tot leidsterren kunnen strekken?