Chapter 79 of 85 · 3975 words · ~20 min read

Part 79

„Zij ligt altijd met hare mama overhoop,” zeide mijnheer Lightfoot. „Bonner is meer dan opgewassen tegen de oude dame, en behandelt Sir Francis als – als dit overschotje, dat ik in den aschbak werp. Maar zij durft geen woord tegen jufvrouw Amory zeggen, en dat durft niemand van ons. Wanneer er een bezoeker komt, dan lacht zij en kijkt zij zoo smachtend, dat men haar zijn zondagsgeld te bewaren zou geven; en nauwelijks heeft hij zijne hielen gelicht, of zij gaat als eene kleine duivelin te werk en zegt dingen, die een mensch dol maken. Als mijnheer Arthur komt, dan is het: „Och, laten wij dat heerlijke liedje nog eens zingen!” of: „Kom, schrijf die lieve versjes eens in mijn album,” ofschoon zij pas een oogenblik te voren hare moeder geplaagd, of hare kamenier speldeprikken gegeven heeft. Zij steekt haar werkelijk met spelden en knijpt haar. Marie Ann liet mij zien, dat een harer armen bont en blauw was, en ik herinner mij nog, dat jufvrouw Bonner, die zoo jaloersch op mij is als een oude kat, haar een oorveeg gaf, omdat zij mij haar arm toonde. En dan moest ge het juffertje eens aan de ontbijttafel zien, als er geen vreemden bij zijn! Zij zou de menschen wel willen wijs maken, dat zij nooit eet; maar o, ge moest het eens zien! Marie Ann moet haar poddingen en crêmes op hare slaapkamer brengen, en de kok is de eenige man in huis, dien zij beleefd behandelt. Bonner zegt, dat, toen zij het tweede seizoen in Londen waren, mijnheer Soppington hare hand wilde vragen en ook werkelijk op zekeren dag kwam om het te doen, maar hij zag haar een boek in het vuur werpen en hare moeder zoo erg uitschelden, dat hij ongemerkt de deur weer uitging, zooals hij gekomen was; en heel spoedig daarop vernamen wij, dat hij jufvrouw Rider getrouwd had. O, het is een echte feeks, die kleine Blanche, dat is mijn opienje over haar, mijnheer Morgan.”

„Ompinie, niet opienje, Lightfoot, beste jongen,” zeide mijnheer Morgan met vaderlijke goedheid, en vroeg toen zich zelven met een zucht af, waarom ter wereld zijn ouwe toch begeerde, dat mijnheer Arthur zulk een meisje zou huwen? Het vertrouwelijk gesprek der beide heeren werd daarop gestoord door het binnenkomen van andere heeren, die leden der club waren; de nieuwtjes uit de voorname wereld, de politiek, het smousjassen en andere vermaken kwamen nu te berde en het onderhoud werd algemeen.

De Gentleman’s Club vergaderde in eene vrije kamer der herberg the Wheel of Fortune, in een gezellig zijstraatje van de groote straten van Mayfair, en werd door eenige der meest voorname „heeren” bezocht. Hunner meesters zaken, schulden, intrigues en avonturen, de goede en slechte hoedanigheden hunner meesteressen en hare geschillen met haar echtgenooten, kortom alle familiegeheimen werden hier met volkomen vrijmoedigheid en vertrouwelijkheid besproken; en wanneer een „heer.” in een nieuwen dienst zou gaan, kon hij hier alle vereischte inlichtingen krijgen over de familie, waarvan hij lid zou worden. Men kan wel begrijpen, dat er in dezen fijnen kring geene livreien werden toegelaten; en de gepoeierde hoofden der langste Londensche lakeien zouden zich tevergeefs gebogen hebben, om toegang tot de Gentleman’s Club te verzoeken. Deze uitgebannen reuzen in livrei gebruikten hun bier in een andere kamer van the Wheel of Fortune en konden evenmin lid van deze club worden, als een winkelier uit de Pall Mall, of een procureur uit Lincoln’s Inn, lid der clubs van Bays of Spratt. Alleen dan ook omdat het gesprek, hetwelk wij hebben mogen afluisteren, een zeker licht over de personen en de gebeurtenissen van ons verhaal verspreidt, hebben wij het gewaagd den lezer in zulk voornaam gezelschap binnen te leiden.

TWEE EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

ZOOALS HET IN DE WERELD GAAT.

Korten tijd na het bijzondere geluk, hetwelk kolonel Altamont te Epsom weervaren was, ondernam die heer zijne voorgenomen buitenlandsche reis, en de dagblad-correspondent, die het nieuws uit de groote wereld opzamelt en zich naar de London Bridge begeeft om van de voorname lui, die dit land verlaten, afscheid te nemen, meldde, dat onder de passagiers, die verleden Zaterdag met de stoomboot Soho naar Antwerpen vertrokken waren, zich bevonden hadden „Sir Robert Hodge met zijne gemalin en zijne dochters, de beroemde advocaat Kews met echtgenoote en dochter, kolonel Altamont, majoor Coddy, enz.” De kolonel reisde met de staatsie, die een gentleman betaamt, vertoonde zich in een opzichtig reiscostuum, dronk gedurende den overtocht eene groote hoeveelheid grog, en was niet zeeziek, gelijk verscheiden andere passagiers. Hij werd bediend door zijn lijfknecht, den trouwen Ierschen soldaat, die reeds sinds eenigen tijd hem zelven en kapitein Strong op hunne kamers in Shepherd’s Inn gediend had.

De chevalier gebruikte een lekker afscheidsdiner te Blackwall met zijn vriend den kolonel en een paar anderen, die vele toasten op Altamont instelden, op kosten van dien vrijgevigen heer. „Strong, ouwe jongen,” zeide des chevaliers waardige kameraad, „als ge wat geld noodig hebt, dan moet ge er nu bij zijn. Ik ben uw man. Gij zijt een goede kerel en hebt mij goed behandeld en een bankje van twintig pond meer of minder kan mij niet schelen.” Doch Strong gaf ten antwoord, dat hij geen geld noodig had; hij had geld genoeg, – „dat wil zeggen, niet genoeg, Altamont, om u terug te betalen wat gij mij onlangs geleend hebt, maar genoeg om het nog eenigen tijd uit te houden,” – en in dier voege scheidden zij van elkander op vrij hartelijke wijze. Had het bezit van geld Altamont wezenlijk eerlijker en beminnelijker gemaakt dan hij tot nog toe geweest was, of was hij alleen daardoor beminnelijk in Strong’s oogen geworden? Het is wel mogelijk, dat hij wezenlijk verbeterd was en dat het geld hem beter had gemaakt. Misschien was het de schoonheid van den rijkdom, die Strong in de oogen blonk en hem ontzag inboezemde, maar in ieder geval dacht hij bij zich zelven: „Die arme drommel, die ongelukkige teruggekeerde gedeporteerde, is een tienmaal betere kerel dan mijn vriend, de baronet, Sir Francis Clavering. Op zijne manier, is hij moedig en eerlijk. Hij zal een vriend getrouw blijven en een vijand onder de oogen durven zien. Clavering heeft nooit voor het eene noch het andere moed gehad. En wat is nu de misdaad, die zoo zwaar op den armen drommel drukt? Hij is een beetje onbesuisd geweest en heeft den naam van zijn schoonvader nagemaakt. Menigeen heeft veel erger dingen gedaan; maar is er desniettemin goed afgekomen, en houdt zijn hoofd fier omhoog. Dat is het geval met Clavering. Maar neen, die houdt het hoofd niet omhoog; dat heeft hij zelfs in zijne beste dagen niet gedaan.” En het berouwde Strong misschien wel, dat hij gelogen en den milden kolonel verzekerd had geen geld noodig te hebben; maar dat was dan toch eene leugen aan den eerlijken kant, en de chevalier kon zich niet vermannen om nu voor de tweede maal iets van zijn gebannen vriend te leenen. Bovendien, hij kon rondkomen. Clavering had hem wat geld beloofd; diens beloften waren wel niet veel te vertrouwen, doch de chevalier was altijd vol hoop en rekende op menige kans om zijn patroon aan zijn woord te houden en zich eenige van de remises en toevoeren toe te eigenen, die het zijn voornaamste werk was voor zijn principaal op te loopen.

Hij had er over gebromd, dat Altamont de kamers in Shepherd’s Inn met hem moest bewonen; maar hij vond die vertrekken thans somberder zonder zijn kameraad dan toen deze er nog was De eenzaamheid strookte niet met zijn gezelligen aard, en bovendien had hij kostbare en weelderige gewoonten aangenomen, daar hij een knecht ter beschikking had gehad om zijne boodschappen te doen, zijne kleeren in orde te houden en zijn maaltijd te bereiden. Het was thans een grootsch en aandoenlijk tooneel, dezen statigen en voornamen heer zijn eigen laarzen te zien poetsen, zijn eigen lamscôtelet te zien braden. Wij hebben reeds vroeger vermeld, dat de chevalier eene vrouw had; eene Spaansche dame uit Vittoria, die weer naar hare familie was teruggekeerd na eene echtverbintenis van weinige maanden met den kapitein, dien zij met een schotel een gat in zijn hoofd had gegooid. De chevalier werd na het vertrek van zijn vriend den kolonel melancholisch, of was, om zijn eigen beeldspraak te bezigen, „landerig.” Dergelijke oogenblikken van neerslachtigheid en tijden van tegenspoed komen aanhoudend in het leven van helden voor, getuige Marius te Minturnae, Charles Edward in de Schotsche Hooglanden en Napoleon vóór Elba. Welk groot man is niet genoodzaakt geweest aan kwade kansen het hoofd te bieden?

Van Clavering was een tijdlang geen ondersteuning te wachten. De vijf en twintig pond, die de voorbeeldige baronet van mijnheer Altamont ontvangen had, waren even snel door zijne vingers gedropen als alle vroegere gelden. Hij was de rivier afgezakt met een uitgezocht gezelschap van liefhebbers der edele bokskunst, die de politie misleidden en in het graafschap Essex aan wal stapten, waar zij Billy Bluck lieten vechten tegen Dick den koetsier, op wien de baronet wedde en die ook de overhand behield dertien achtereenvolgende malen dat de bokspartij hernieuwd werd, totdat Billy hem, door een ongelukkigen slag op de keel, dood ter aarde velde. „Het loopt mij altijd tegen, Strong,” zeide Sir Francis; „de weddenschappen stonden drie tegen één voor den koetsier, en ik achtte mij zoo zeker van dertig pond, alsof ik ze reeds op het zak had. En nu ben ik, voor den duivel, veertien pond aan mijn knecht Lightfoot schuldig, die hij mij geleend en voor mij betaald heeft; en hij maant mij er om, die verwenschte, onbeschaamde rekel; en ik wenschte dat ik maar middel wist om een wisseltje te disconteeren of mijne vrouw over de brug te doen komen! Ik zal u de helft geven, Ned; bij mijn ziel en mijn eer, ik zal u de helft geven als gij een wisseltje van vijftig pond kunt plaatsen.”

Maar Ned antwoordde stuursch, dat hij zijn woord als gentleman aan Lady Clavering gegeven had, dat hij zich niet meer leenen zou tot verdere wisselzaken van haar man (die daartoe ook zijn woord van eer gegeven had), en de chevalier verklaarde, dat hij althans woord zou houden en liever zijn gansche leven zijn eigen laarzen zou poetsen dan zijne belofte ontrouw worden. En wat meer is, hij dreigde dat hij bij het eerste blijk, dat Sir Francis het aan mylady gegeven woord wilde breken, haar daarvan zou verwittigen.

Op die mededeeling begon Sir Francis Clavering volgens zijne gewoonte hevig te tieren en te vloeken. Hij zeide, dat de dood zijn eenige uitkomst was. Hij bezwoer en smeekte zijn lieven Strong, zijn besten vriend, zijn goeden ouden Ned, hem niet te verloochenen; doch toen hij zijn liefsten Ned verlaten had en de trap van Shepherd’s Inn afging, vloekte en schold hij hem als den gemeensten schurk, verrader, deugniet en lafaard onder de zon; hij wenschte Ned in het graf en in eene nog erger plaats, maar aan den anderen kant verlangde hij, dat die gemeene schelm in het leven zou blijven, totdat Frans Clavering zich op hem had kunnen wreken.

Op de kamer van Strong ontmoette de baronet een heer, die tegenwoordig, gelijk wij reeds hebben aangestipt, zeer drukke bezoeken in Shepherd’s Inn aflegde, namelijk mijnheer Samuel Huxter, van Clavering. Die jonge heer, die in zijne jeugd in Clavering Park okkernoten gekaapt had en den baronet met vier paarden door de straten van het landstadje had zien rijden en met steigerende paarden en gepoeierde lakeien voor de kerk stilhouden, koesterde een onbeschrijfelijken eerbied voor het parlementslid zijner stad en was verbazend opgetogen, dat hij kennis met hem mocht maken. Hij stelde zich zelven, erg blozende en bevende, aan hem voor als een inboorling van Clavering, – den zoon van mijnheer Huxter op de markt, – zijn vader had den boschwachter van Sir Francis, met name Coxwood, behandeld, toen deze door het springen van zijn geweer drie vingers had verloren; hij was bijzonder vereerd, kennis met Sir Francis te mogen maken. Deze geheele eigen voorstelling liet Sir Francis zich zeer minzaam welgevallen. De eerzame Huxter had vervolgens tegen zijne kameraden in het Bartholomeus-hospitaal den mond vol over Sir Francis en verzekerde aan Fanny, in de portiersloge, dat er toch niets boven zoo’n voornaam heer, zoo’n echt oud-Engelsch gentleman uit den ouden tijd ging! Fanny antwoordde daarop echter, dat zij Sir Francis een akeligen vent vond, – zij wist niet waarom, – maar zij kon hem niet uitstaan; zij hield zich overtuigd, dat hij slecht, gemeen en laag was, zij gevoelde dat hij dit was; en toen Sam daarop hernam, dat Sir Francis zeer vriendelijk was en op de minzaamste wijze een halven sovereign van hem geleend had, barstte Fanny in het lachen uit, trok Sam bij zijn lang haar (dat nog niet van onberispelijke zindelijkheid was), tikte hem op de kin, noemde hem een malloot, een ouwe malloot, en zeide, dat Sir Francis altijd geld van iedereen leende, dat ma het hem tweemaal had geweigerd en dat zij drie maanden had moeten wachten om zeven shillings terug te krijgen, die hij van ’aar had geleend.

„Gij moet niet zeggen van ’aar, maar van haar,” zeide Huxter, niet om aanmerking te maken op haar betoog, maar om eene taalfout te verbeteren.

„Nu dan: van haar, ouwe malloot,” hernam het meisje, en de leerlinge zette zulk een aardig gezichtje, dat de taalmeester dadelijk tevreden was gesteld, en met genoegen op staanden voet nog honderd lessen zou hebben gegeven tegen den prijs, dien hij voor die ééne nam.

Natuurlijk was jufvrouw Bolton er bij, en ik denk dat Fanny en mijnheer Sam toen op een zeer gemeenzamen en vertrouwelijken voet stonden, en dat de tijd voor de eerstgenoemde troost had opgeleverd en zekere smarten gelenigd, die op het oogenblik, wanneer zij zich doen gevoelen, drommels bitter, maar, evenmin als kiespijn, of eenig ander leed, eeuwigdurend zijn.

Als ge u neerzet, omringd door eerbied en genegenheid; in uw ouden dag gelukkig, geëerd en gevleid; als men geduld heeft met uwe zwakheden, uwe laatste woorden welwillend ter harte neemt, uwe vervelende oude verhalen voor de honderdste maal met plichtmatig geduld en nimmer uitblijvende geveinsde lachjes aanhoort; als de vrouwen des huizes onvermoeid zijn in hare vleierijen, de jonge mannen stil en aandachtig zoodra gij begint te spreken, de dienstboden vol ontzag; wanneer de pachters, met de pet in de hand, gereed staan de plaats van mijnheers paarden in te nemen, als uwe genade verkiest te gaan rijden, – dan heeft het dikwijls bij u moeten opkomen, o nadenkende Rijkaard! dat al die eerbied, al dat eerbetoon voor het grootste gedeelte met het bezit van uw geld wordt overgedragen op uw opvolger, – dat de dienstboden uw zoon zullen bedienen en uwe pachters hem zullen toejuichen evenals u; dat de hofmeester hem den (door het liggen verbeterden) wijn zal brengen, die zich nu in uw kelder bevindt; en dat de zon van voorspoed en vleierij (even zeker als de morgen na en zonder u aanbreekt) op uw erfgenaam zal schijnen, wanneer uw nacht gekomen en het licht des levens voor u uitgebluscht is. De menschen komen zich koesteren in den gloed der effecten en landerijen, die allerwege van hem uitstraalt; de eerbied gaat te gelijk met het landgoed over, waarvan hij op zijne beurt de levenslange huurder wordt met al de voordeelen, de genoegens, de vereering en de klandizie. Hoe lang wenscht of verwacht gij, dat de menschen u zullen betreuren? Hoeveel tijd besteedt een mensch aan de droefenis, eer hij tot het genot overgaat? Een groot man moest zijn erfgenaam eene plaats bij zijne feesten geven als een levend memento mori. Indien hij zeer veel aan het leven hecht, moet de aanwezigheid van den ander hem een aanhoudende prikkel en vermaning zijn. „Maak u gereed om heen te gaan,” zegt de opvolger tegen uwe genade; „ik wacht; en ik kan het evengoed besturen als gij.”

Wat heeft deze toespraak tot een denkbeeldigen lezer met de personen uit deze geschiedenis te maken? Zouden wij het willen vergoelijken, dat Pen een witten hoed draagt en dat de rouw over zijne moeder lichter is geworden? De loop der jaren, de wisseling van het fortuin, de gebeurtenissen des levens, hoe sterk zij hem mogen bewegen of hoe krachtig ze hem opwinden, kunnen dat heilige beeld nimmer uit zijn hart verdrijven, noch die gewijde liefde uit haar heiligdom verbannen. Indien hij voor het kwade bezwijkt, zullen die dierbare oogen droevig op hem staren; indien hij goed doet, smart lijdt of de verzoeking overwint, zal die altijd tegenwoordige liefde, gelijk hij weet, hem goedkeuring schenken of met hem lijden; als hij valt, zal zij voor hem pleiten, als hij treurt, hem opbeuren; zij zal bij hem zijn en hem vergezellen totdat de dood voorbij is en smart en zonde niet meer bestaan. Zijn dit droomerijen, of zijn het nuttelooze zedepreeken van een luien romanschrijver? Mag ook niet de man van de wereld wel eens ernstig en nadenkend zijn? Vraag het aan uw eigen hart en uw eigen herinnering, broeder en zuster, of wij niet in de dooden leven, en (met eerbied gezegd) het bestaan van God bewijzen uit de liefde?

Pen en Warrington spraken over deze onderwerpen in latere dagen in menig plechtig en vriendschappelijk onderhoud, en Pen vereerde zijne moeder in de herinnering en aanbad haar bijna, gelijk zulk eene heilige verdiende. Gelukkig degeen, die in zijn leven eenige weinige vrouwen van dien stempel leert kennen! Het was eene vriendelijke beschikking van den hemel, dat Hij er ons zoodanige toegezonden, en ons dat aandoenlijke en indrukwekkende tafereel van onschuld, liefde en schoonheid te bewonderen gegeven heeft.

Maar daar het zeker is, dat Arthur en Warrington, indien een vreemde, bij voorbeeld majoor Pendennis, in den loop dezer sentimenteele gesprekken Pen’s kamer ware binnengekomen, hun onderhoud gestaakt en een ander onderwerp gekozen zouden hebben, om te spreken over de opera, of de laatste debatten in het parlement, of het huwelijk van jufvrouw Jones met kapitein Smith, en zoo meer, – zoo zullen wij ons voorstellen, dat het publiek op dit oogenblik binnentreedt, aan het vertrouwelijk onderhoud tusschen den schrijver en den lezer een einde maakt, en ons verzoekt voort te gaan met onze opmerkingen over deze wereld, met welke wij beiden voorzeker beter bekend zijn dan met die andere, waarin wij zoo even een blik hebben geslagen.

In den eersten tijd toen Arthur Pendennis in het bezit van zijn erfdeel was gekomen, gedroeg hij zich zoo ingetogen en bedaard, dat zijn vriend Warrington hem prees, ofschoon Arthur’s oom zich eenigszins ergerde, dat zijn neef de kleingeestigheid had om geen grooter staat te voeren en geen meer vertoon te maken, nu hij in de heerschappij over zijn koninkrijk was opgevolgd. Hij had gewenscht, dat Arthur fraaie kamers zou nemen, en dagelijks met schoone paarden in het park of in een sierlijk rijtuig door de stad rijden. „Ik ben te onoplettend om zelf te mennen door Londen.” gaf Arthur lachend ten antwoord; „de omnibussen zouden mij overrijden, of ik zou met den kop van mijn paard de glazen der rijtuigen, waarin de dames zaten, verbrijzelen; en gij zoudt toch niet verlangen, oom, dat ik door mijn knecht gereden werd, gelijk een apotheker?” Neen, majoor Pendennis wilde, om geen geld ter wereld, dat zijn neef een apotheker zou schijnen; zoo diep moest de doorluchtige vertegenwoordiger van het huis Pendennis zich niet vernederen. En toen Arthur schertsende voortging: „En toch geloof ik, oom, dat vader heel blij was toen hij voor het eerst een sjeesje kon houden,” kuchte de oude majoor, en er kwam een blos op zijn gerimpeld gelaat toen hij antwoordde: „Herinner u, neef, dat Bonaparte zeide: il faut laver son linge sale en famille. Gij behoeft er niet op te pochen, dat uw vader een – een geneesheer was. Hij stamde uit een overoud hoewel verachterd geslacht, en was verplicht het fortuin der familie weer op te richten, zooals menig man van goede familie vóór hem heeft gedaan. Gij zijt gelijk aan dien man van wien Sterne spreekt, neef, – den markies, die zijn degen kwam terugvragen. Uw vader heeft den uwen voor u teruggekregen. Gij zijt, voor den drommel, een grondbezitter en een gentleman, neef, – vergeet nooit, dat gij gentleman zijt!”

Maar daarop keerde Arthur het argument, dat hij den ouden heer dikwijls ten opzichte van hem zelven had hooren bezigen, zeer behendig tegen zijn oom. „Wie bekommert zich, in de kringen, die ik ten gevolge van uwe introductie de eer heb te bezoeken, om mijn onbeduidende middelen of mijn gering aanzien, oom?” vroeg hij. „Het zou dwaas van mij zijn met de groote lui te willen wedijveren, en al wat zij van ons kunnen vergen, is, dat wij fatsoenlijk praten en goede manieren hebben.”

„Maar desniettemin, mijnheer, zou ik zorgen lid te worden van een paar betere clubs,” hernam zijn oom; „ik zou nu en dan eens een diner geven en mijne vrienden met zorg kiezen; en ik zou van dien akeligen zolder in den Temple af komen, mijnheer.” Daarop gaf Arthur van zijn kant wat toe, door naar de tweede verdieping in Lamb Court af te dalen, ofschoon Warrington zijn oude vertrekken bleef bewonen, en de beiden vrienden vast besloten waren niet van elkander te scheiden. Houd die vriendschapsbanden uwer jeugd zorgvuldig in stand, waarde lezer; het is alleen in dien edelaardigen leeftijd, dat zij aangeknoopt worden. Hoe geheel anders is de vriendschap van latere jaren! en wat is de druk van uw eigen hand minder krachtig nadat zij gedurende twintig jaren omgangs met de wereld geschud is en duizend even onverschillige handen heeft gedrukt en losgelaten! Evenals gij, na uw twintigste jaar, er zelden in zult slagen uw mond een andere taal te leeren spreken, zoo begint het hart zeer spoedig te weigeren eene nieuwe vriendschap te sluiten: het wordt te hard, om indruk op zich te laten maken.

Pen dan bezat vele kennissen, en daar hij van vroolijken en inschikkelijken aard was, kreeg hij er nog dagelijks nieuwe bij; maar hij vond geen vriend meer gelijk Warrington: en beiden waren bijna even veel in elkanders gezelschap als de Tempelridders; zij reden op een zelfde paard (want dat van Pen stond ter beschikking van Warrington) en hadden hunne kamers en hun bediende gemeen.

Mijnheer Warrington had kennis gemaakt met Pen’s vrienden in Grosvenor Place gedurende hun laatste rampspoedige seizoen in Londen, en was even weinig als het groote publiek over Sir Francis Clavering en de dochter van mylady gesticht. „Ten aanzien van die menschen heeft de wereld gelijk,” zeide George. „De jonge heeren lachen en spreken bij en over die dames met de meeste vrijmoedigheid. Dat meisje gaat om met menschen, die zij niet moest kennen, en spreekt met mannen, met welke geen meisje zich behoorde op te houden. Hebt gij die twee losbollen, die onlangs in het park over Lady Clavering’s rijtuig heen leunden, wel onder jufvrouw Blanche’s hoed zien gluren? Geen goede moeder zou veroorloven dat hare dochter die twee mannen kende, noch hen in haar huis toelaten.”

„De begum is de onschuldigste en goedhartigste ziel die er leeft,” viel Pen hem in de rede. „Zij heeft nooit iets kwaads van kapitein Blackball gehoord en het verslag van dat proces, waarin Charley Lovelace eene rol gespeeld heeft, nooit gelezen. Denkt gij, dat fatsoenlijke dames de chronique scandaleuse zoo goed lezen en zich herinneren als gij, oude knorrepot?”

„Zoudt gij goedvinden, dat Laura Bell die kerels kende?” vroeg Warrington, terwijl hij een weinigje bloosde. „Zoudt gij dulden, dat de vrouw, die gij liefhadt, door hun gezelschap beleedigd wierd? Ik twijfel er niet aan, dat die arme begum onkundig is van hunne levensgeschiedenis; ik geloof dat zij nog zeer vele betere dingen ook niet weet. Het komt mij voor, Pen, dat uw eerzame begum geen lady is. Het is buiten twijfel hare schuld niet, dat zij de opvoeding eener dame niet gehad en de fijne beschaving eener dame niet geleerd heeft.”