Part 85
Het groote huis in Clavering Park, waar het zoo melancholisch was geweest vóór het huwelijk van Sir Francis Clavering, toen de verarmde eigenaar nog genoodzaakt was in vreemde landen eene schuilplaats te zoeken, zag er niet veel vroolijker uit toen de baronet er kwam wonen. De meeste vertrekken waren afgesloten en de baronet nam slechts eenige kamers van de benedenverdieping in gebruik, waar de huishoudster en hare handlangster uit het portiershuisje bij het groote hek der buitenplaats, den rampspoedigen heer in zijne gedwongen afzondering bedienden en een gedeelte van het wild toebereidden, met welks jacht hij de vervelende morgens doorbracht. Zijn kamerdienaar Lightfoot was in mylady’s dienst overgegaan en had, gelijk Pen uit een brief van mijnheer Smirke vernam, die de plechtigheid had voltrokken, gevolg gegeven aan zijn verstandig besluit om mylady’s kamenier, jufvrouw Bonner, te trouwen, die in hare gevorderde jaren door de bekoorlijkheden van een jonkman betooverd was en hem met hare spaarpenningen en hare meer dan rijpe persone begiftigd had. Beider hoogste eerzucht was kastelein en kasteleines van het Wapen van Clavering te worden, en er was overeengekomen, dat zij tot het volgende kwartaal in dienst van Lady Clavering zouden blijven, om daarna bezit te nemen van hun hotel. Pen had welwillend beloofd dáár zijn verkiezingsdiner te zullen geven, als de baronet zijn lidmaatschap ten gunste van den jonkman neerlegde; en gelijk met zijn oom was afgesproken, aan wien de baronet niets scheen te kunnen weigeren, kwam Arthur in September ten bezoek op Clavering Park, welks eigenaar zeer verheugd was over een metgezel, die afwisseling in zijn eenzaamheid zou brengen en hem misschien wat klinkende specie leenen kon.
Pen voorzag, een paar dagen na zijne komst op Clavering, zijn gastheer van dien gewenschten toevoer; en nauwelijks had Sir Francis dit geringe bedrag op zak of hij herinnerde zich, dat hij te Chatteries en in de omliggende badplaatsen moest zijn, van welke het graafschap er vele telt. Hij ging daarheen voor zijne zaken, die, gelijk te verwachten was, op de renbanen en in de biljartkamers afgedaan werden. Arthur kon zich zeer wel alleen vermaken, daar hij vele uitwegen en genoegens op verstandelijk gebied kende, waarbij hij geen gezelschap van anderen noodig had; des morgens zwierf hij met den jager rond, en voor de avonden was er een overvloed van boeken en werk voor een letterkundig genie gelijk mijnheer Arthur, die niet meer dan eene sigaar en een paar vellen papier noodig had, om den avond aangenaam door te brengen. Om de waarheid te zeggen, hij vond Sir Francis Clavering’s gezelschap reeds in een paar dagen onuitstaanbaar, zoodat hij met ondeugende voorkomendheid aan Clavering den geringen geldelijken bijstand aanbood, dien deze, volgens zijne gewoonte, verzocht, en hem de middelen verschafte om zijn eigen huis te ontvluchten.
Bovendien moest onze slimme vriend de gunst der inwoners van Clavering en der kiezers van het district, dat hij wenschte te vertegenwoordigen, trachten te verwerven; en hij wijdde zich met te meer ernst aan die taak, daar hij zich herinnerde hoe impopulair hij vroeger in Clavering geweest was en zich voorgenomen had den afkeer te overwinnen, welken hij aan die eenvoudige lieden had ingeboezemd. Zijn gevoel voor humor deed hem behagen scheppen in die taak. Van nature teruggetrokken en stil, zoodra hij zich in het publiek bevond, werd hij plotseling zoo spraakzaam en handelbaar en prettig als kapitein Strong. Hij lachte met iedereen, die tegen hem wilde lachen, gaf handjes rechts en links, met hetgeen men eene behendige hartelijkheid had kunnen noemen, verscheen op de markt en aan de boerentafel, en gedroeg zich kortom als een volleerd schijnheilige en zooals heeren van de hoogste geboorte en de onberispelijkste braafheid zich gedragen wanneer zij zich bij hunne kiezers aangenaam willen maken, of het een of ander van de landbewoners wenschen te verkrijgen. Hoe komt het, dat wij ons door eene gladde tong, een gullen lach en ronde manieren zoo spoedig niet laten misleiden, maar innemen? Wij weten meerendeels, dat het valsche munt is, en desniettemin nemen wij die aan; wij weten, dat het vleierijen zijn, die niets kosten, al deelt men ze aan iedereen uit, en evenwel willen wij die liever ontvangen dan missen. Onze vriend Pen gaf zich op zijne wandelingen door Clavering alle moeite om zich heel natuurlijk voor te doen en met alles ingenomen te zijn, en was een geheel ander