Chapter 22 of 85 · 3834 words · ~19 min read

Part 22

Pen schreef een potsierlijk verslag van zijne ervaringen te Londen, van den schouwburg, van zijn bezoek bij de Grauwebroeders, van de brouwerij en de partij bij den heer Foker, aan zijne „dierbaarste moeder,” die in het eenzame huis te Fairoaks, met een hart vol liefde en onuitsprekelijke teederheid voor den knaap, hare gebeden ten hemel zond. Zij en Laura herlazen dezen brief, en al die er op volgden, tallooze malen en peinsden er over zooals vrouwen dat doen. Het was Pen’s eerste stap in het leven. – Ach, wat is het eene gevaarlijke reis, waarop de onversaagdste struikelen en de sterkste bezwijken kan! Moogt gij, broeder en reisgenoot! een vriendelijken arm vinden om u op den weg te steunen, en zelf eene vriendenhand hebben, ter hulp bereid voor degenen, die naast u nederzinken. Moge de waarheid u leiden, de barmhartigheid u aan het einde vergiffenis schenken en de liefde u altijd vergezellen. Wat zou de reiziger zonder die lamp blind en de weg donker en vreugdeloos zijn!

De wagen hield stil voor het oude en welingerichte logement the Trencher in de Main Street te Oxbridge, en Pen zag met blijdschap en nieuwsgierigheid voor het eerst studenten in hunne tabbaarden voorbijgaan; hij hoorde de klokken van kapellen luiden (te Oxbridge luiden de klokken van den vroegen morgen tot den laten avond) en zag torens en spitsen kalm en statig boven de trapgevels en antieke daken der eenvoudige en bedrijvige stad uitsteken. Er had vooraf eene briefwisseling plaats gehad tusschen doctor Portman en den heer Buck, leeraar van het Bonifacius-Collegie, onder wien Pen komen zou; en zoodra majoor Pendennis zich genoeg had opgeknapt om een gunstigen indruk op Pen’s onderwijzer te maken, wandelde het paar de Main Street op, ging onder de groote poort en den klokkentoren van het St.-George-Collegie door en kwam zoo, gelijk men hun opgegeven had, aan St. Bonifacius, waar Pen’s hart weer begon te kloppen toen zij het deurtje van de eerwaardige en met klimop begroeide poort van het Collegie binnengingen. Daarboven verrijst een antieke koepel, die bijna geheel met slingerplanten bedekt en met de afbeelding van den heilige, aan wien de inrichting haar naam ontleent, en met vele wapens van hare vorstelijke en adellijke weldoeners versierd is.

De portier wees een vreemdsoortigen ouden toren in den hoek van het vierkant plein aan, door welken men in mijnheer Buck’s vertrekken moest komen, en de beide heeren staken dus dat plein over, welks omtrekken zich voor nu en altijd in Pen’s geheugen prentten. De fraaie fontein, die in het midden van de nette grasperken sprong; de hooge vensters en steenen beren der kapel, die zich aan de rechterhand verhief; het voorportaal met zijne hooge glazen lantaren en zijn rond venster; de speelkamer, waar de directeur van het Collegie op eene indrukwekkende wijze uitkwam, in ruischende zijden toga gekleed; de lijnen der omliggende gebouwen, bekoorlijk afgebroken door gebeeldhouwde schoorsteenen, grijze torentjes en vreemdsoortige puntgevels, – dit alles namen Pens oogen op met de gretigheid, eigen aan alle eerste indrukken, terwijl majoor Pendennis alles bekeek met eene kalmte, welke een heer betaamt, die zich om het schilderachtige niet bekommert en wiens oogen een weinig verduisterd zijn door de aanhoudende schittering van de straatsteenen in Pall Mall.

St. George is het aanzienlijkste Collegie der hoogeschool van Oxbridge, met zijne vier pleinen en zijne fraaie groote zaal en tuinen, en de Georgianen, zooals men de studenten van dat Collegie noemt, dragen tabbaarden van eene bijzondere snede en nemen een toon van meerderheid jegens al de andere jongelui aan. Het kleine Bonifacius is maar een nietig kluizenaarsverblijf in vergelijking met het reusachtige en voorname gebouw waarnaast het ligt Doch zijn omvang in aanmerking genomen, heeft het aan de hoogeschool altijd in een goeden naam gestaan. De toon is er zeer goed; de beste familiën uit zekere graafschappen hebben hare zonen sinds onheuglijken tijd naar St. Bonifacius gezonden; de predikantsplaatsen, die het Collegie te begeven heeft, zijn buitengemeen goed; de plichten der fellows zijn niet zwaar; de studenten van Bonifacius hebben altijd meer dan hun evenredig deel van de academieprijzen behaald; hunne boot was de derde bij de wedstrijden op de rivier; het koor hunner kapel staat niet achter bij dat van St. George zelf; en de Bonifacius-ale is de beste in Oxbridge. In de gezellige oude Collegiezaal, met hare eikenhouten beschotten, hangen in de nabijheid van het standbeeld van St. Bonifacius door Roubilliac (dat een zegen over de buitengewoon goede tafel der fellows schijnt uit te spreken) de portretten van vele der beroemdste Bonifacianen. Daar ziet men den geleerden Dr. Griddle, die onder de regeering van Hendrik VIII ter dood gebracht werd, en den aartsbisschop Bush, die hem liet verbranden, – den lord-opperrechter Hicks, – den hertog van St. David’s, ridder van den Kouseband, kanselier der hoogeschool en lid van dit Collegie, – Sprott den dichter, op wiens roem het Collegie met recht trotsch is, – doctor Blogg, den vorigen directeur van het Collegie en vriend van doctor Johnson, die hem in St. Bonifacius kwam bezoeken, – en andere advocaten, geleerden en theologanten, wier beeltenissen van de muren af rondzien, of wier wapens in smaragd en robijnkleur, in goud en azuur op de hooge vensters der eetzaal prijken. De achtbare kok van het Collegie is een der voornaamste artistes te Oxbridge (zijn zoon behaalde de hoogste graden aan de zusteracademie van Camford), en de wijn op de kamers der fellows is sinds lang beroemd om zijne qualiteit en zijn overvloed.

In dit zeker niet minst aangename priëel in de academische bosschages zocht Pen nu zijn weg aan den arm van zijn oom, en spoedig bereikten zij de vertrekken van mijnheer Buck en werden zij in de kamer van dien wellevenden heer binnengelaten.

Hij was vooraf door doctor Portman omtrent Pen ingelicht, over wiens afkomst, fortuin en aanleg de eerzame doctor met niet weinig geestdrift had uitgeweid. Portman had namelijk Pen aan den geleerde geschetst als „een jong heer met eenig vermogen, een landbezitter, uit eene der oudste familiën des rijks gesproten en die een karakter en genie bezat, welke hem, onder behoorlijke leiding, een sieraad van het collegie en de academie zouden doen worden.” Na zulk eene aanbeveling ontving de onderwijzer den nieuweling en zijn voogd natuurlijk zeer hartelijk, noodigde den laatste ter maaltijd in de eetzaal van het Collegie, waar hij het genoegen zou hebben zijn neef in zijn tabbaard voor het eerst met de andere studenten te zien dineeren, en verzocht beiden na het diner op een glas wijn ten zijnent. Hij zeide, dat het hem een genoegen zou zijn, na de hoogst gunstige getuigenis, die hij aangaande mijnheer Arthur Pendennis ontvangen had, hem de beste vertrekken van het Collegie te geven, die, ten gevolge van het vertrek van een gentleman-pensioner, juist beschikbaar waren. Zij namen nu afscheid van elkaar tot aan het diner, dat reeds dicht ophanden was, en majoor Pendennis verklaarde, dat mijnheer Buck wezenlijk buitengewoon beleefd was. Wanneer een hooggeplaatst academisch beambte zich de moeite wil geven om beleefd te zijn, dan kan niemand uitstekender hoffelijkheid aan den dag leggen. Deze achtbare mannen, onder hunne boeken bedolven en door het gewicht hunner bezigheden van de wereld afgescheiden, nemen dan eene complimenteuse deftigheid aan, waarin zij ruischen en zich uitzetten, gelijk in hunne ruime staatsiegewaden. Die zijde en brocaat trekken zij echter niet iederen dag voor den eersten den besten bezoeker aan.

Toen de beide heeren van den geleerde in zijne studeerkamer afscheid hadden genomen en door mijnheer Buck’s voor- of leeskamer terugkeerden, een zeer fraai vertrek met een smirnaasch tapijt belegd en versierd met uitstekende platen en schilderijen in rijke lijsten, stond daar de bediende reeds op hen te wachten, in gezelschap van een man met een zak vol baretten en een aantal tabbaarden, waaruit Pen eene baret en een tabbaard mocht kiezen, terwijl de bediende er ongetwijfeld een commissieloon van kreeg, geëvenredigd aan de diensten, die hij bewezen had. Mijnheer Pen tintelde van genoegen, toen de drukke kleermaker hem een tabbaard aanpaste en verklaarde, dat die hem als geschilderd stond, en hij vervolgens de elegante baret van dit Collegie tamelijk fatterig en een beetje op één oor opzette, zooals hij die door Fiddicombe, den jongsten meester bij de Grauwebroeders, had zien dragen. Hij beschouwde het geheele costuum met het grootste behagen in een der kolossale vergulde spiegels, die mijnheer Buck’s leeskamer versierden; want verscheidene van die geleerden stellen evenveel belang in spiegels als eene dame, en bekijken daarin hun gewaad en hun hoofddeksel even nauwlettend als eenig lid van het schoone geslacht. De majoor glimlachte toen hij den knaap zich zag bewonderen in den spiegel, want de oude heer was niet ontevreden over het voorkomen van den knappen jongen.

Vervolgens bracht Davis, de bediende, met de sleutels in de hand, hen over het plein (en op dien tocht bloosde Pen niet weinig in zijn nieuw academisch gewaad, dat hem toch zeer behaagde) naar de kamers, die voor den nieuweling bestemd en door het vertrek van mijnheer Spicer, den gentleman-pensioner, opengekomen waren; zij waren zeer gezellig, met groote kruisbalken, hooge lambriseeringen, kleine vensters en dikke muren. Mijnheer Spicer’s ameublement stond er nog, dat volgens taxatie kon overgenomen worden, en majoor Pendennis vond goed ten behoeve van zijn neef over te nemen wat nog bruikbaar was, maar bedankte lachend (hetgeen Pen overigens van zijn kant ook deed) voor zes prenten met jachten of wedrennen en vier groepjes operadanseressen met gazen kleedjes, die de kunstverzameling van den vorigen bewoner uitmaakten.

Daarop begaven zij zich naar de eetzaal, waar Pen zich bij de andere nieuwelingen voegde en hun maal deelde, terwijl de majoor aan de hooge tafel geplaatst werd bij de professoren en de vaders of voogden, die hunne zonen of pupillen te Oxbridge gebracht hadden. Na den maaltijd dronken zij een glas wijn bij mijnheer Buck en begaven zich vervolgens naar de kapel, waar de majoor met groote deftigheid in de hooge bank zat en een goed gezicht had op den directeur van het Collegie in zijne gebeeldhouwde bank onder de orgelgalerij, waar die heer, de geleerde doctor Donne, eene prachtige vertooning maakte en, met het groote gebedenboek voor hem, een toonbeeld van deftigheid en godsvrucht was. Al de nieuwelingen gedroegen zich zeer fatsoenlijk, maar Pen ergerde zich over dien onbeschaamden kleinen Foker, die zeer laat kwam, en over een half dozijn zijner kameraden in de banken der gentlemen-pensioners, die grinnikten en babbelden alsof zij in de stalles van de opera zaten. Doch men gelieve in het oog te houden, dat dit een aantal jaren geleden voorviel, toen Willem IV nog koning was. De jongelui gedragen zich tegenwoordig veel betamelijker en bovendien was St. Bonifacius een Collegie van pretmakers.

Pen kon dien nacht op zijne kamer in the Trencher den slaap nauwelijks vatten, zoo begeerig was hij om het academieleven aan te vangen en zijne eigene kamers te betrekken. Waaraan dacht hij, terwijl hij slapeloos lag rond te woelen? Aan zijne moeder thuis, wier vrome ziel zich met de zijne vereenzelvigd had? Ja, laten wij hopen, dat hij aan haar althans een weinigje dacht. Aan jufvrouw Fotheringay en zijne onuitbluschbare liefde, die den slaap zoovele nachten uit zijne oogen had gehouden en hem zooveel ellende en hartzeer berokkend had? Hij bloosde zeer licht, en als men zich in zijne kamer bevonden had en de kaars niet uitgedoofd ware geweest, had men het gezicht van den jonkman meer dan eens kunnen zien kleuren, terwijl hij in hartstochtelijke en onsamenhangende uitroepingen omtrent die noodlottige gebeurtenis in zijn leven losbrak. De lessen van zijn oom waren bij hem in een vruchtbaren bodem gevallen; de nevel van den hartstocht was thans van zijne oogen weggetrokken en hij zag haar zooals zij was. Te moeten bedenken, dat hij, Pendennis, door zulk eene vrouw gekluisterd en daarna door haar afgewezen was! dat hij zich zoo laag had neergebogen, om in het slijk vertrapt te worden! dat er een tijd in zijn leven was geweest – en dat nog maar zoo weinige maanden geleden – toen hij bereid was een Costigan tot zijn schoonvader te nemen!

„Die arme ouwe Smirke!” Pen schaterde het na een oogenblik uit. „Nu, ik zal hem eens schrijven en den armen jongen trachten te troosten. Hij zal aan zijne liefde niet sterven!” De majoor had, ware hij wakker geweest, reeksen van zulke uitroepen van Pen kunnen hooren, terwijl deze slapeloos en onrustig den eersten nacht van zijn verblijf te Oxbridge doorbracht.

Misschien zou het voor een jonkman, die den strijd des levens den volgenden morgen beginnen moest, beter zijn geweest, den voorgaanden avond met een ander soort van waken door te brengen; doch de wereld, onder de gedaante van zijn ouden zelfzuchtigen Mentor, had macht over hem verkregen; en ieder, die met belangstelling het karakter van Pen heeft nagegaan, moet reeds bespeurd hebben, dat hij zoowel zeer zwak als zeer hartstochtelijk, zoowel zeer ijdel als zeer oprecht was, en, zoo hij een edelmoedigen aanleg bezat, toch niet weinig egoïstisch bij zijne mildheid en te gelijk wispelturig was, gelijk allen, die slechts hun eigen genoegen raadplegen.

Die hartstocht van zes maanden had hem veel ouder gemaakt. Er lag eene onmetelijke klove tusschen Pen, het slachtoffer der liefde, en Pen, den onschuldigen knaap van achttien jaar, die naar liefde smachtte. Daardoor bezat Pendennis die ervaring en meerderheid boven de jongelui, waarmee hij nu zou omgaan, die later door zijne verwaandheid en aanmatiging nog versterkt werd.

Hij bracht met zijn oom den morgen zeer genoeglijk door met het doen van aankoopen tot betere inrichting van de kamers, die hij betrekken zou. Het porselein en glaswerk van mijnheer Spicer verkeerde in een zeer haveloozen toestand; zijne lampen waren onbruikbaar en zijne boekenkasten op verre na zoo ruim niet als noodig zou zijn, indien zij den inhoud der boekenkisten moesten opnemen, die in het voorhuis op Fairoaks gereed stonden en reeds, in de hand van de arme Helena, het adres van Arthur droegen.

Die kisten, welke zijne moeder met zooveel zorg gepakt had, kwamen binnen weinige dagen aan. Pen was geroerd toen hij de adressen in die welbekende hand zag en borg al de boeken, zijne oude vrienden, en al het linnen en het tafelgoed, dat Helena uit den familievoorraad had bijeen gezocht, en al de geleipotten, die de kleine Laura in stroo had gepakt, en al die honderden eenvoudige geschenkjes uit het ouderlijke huis, op de daarvoor bestemde plaatsen. Hij had nu eene andere Alma Mater. Doch niet al hare kinderen bejegenen haar met liefde.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

PENDENNIS VAN BONIFACIUS.

Onze vriend Pen had geen spijt toen zijn Mentor den tweeden dag na beider aankomst te Oxbridge afscheid van hem nam, en daarentegen kunnen wij ook zeker wezen, dat de majoor van zijn kant heel blij was, dat hij zijn plicht vervuld had en die taak nu achter den rug was. Meer dan drie maanden van zijn kostbaren tijd had die martelaar van een majoor aan zijn neef gewijd. Is ooit een grooter offer van een zelfzuchtig mensch gevorderd? Kent gij veel menschen of majoors, die er eveneens toe in staat zouden zijn? Het kan gebeuren, dat een man zijn hoofd op het blok legt, of zijn leven in gevaar stelt voor zijne eer; maar laten wij hem niet te licht vragen, om zijn gemak of de begeerte van zijn hart ten offer te brengen. Weinigen onder ons kunnen die beproeving doorstaan. Zeg eens, waardste lezer, – zoudt gij, indien gij bij geval een baard hadt, dien opofferen? Ik wil niet zeggen, dat vrouwen niet tot zulk eene verloochening in staat zouden zijn. Zij zijn er aan gewoon; wij dragen behoorlijk zorg, haar aan opofferingen te gewennen; maar de mate van zelfopoffering, waarde heer, die gij in den loop uws levens aan den dag hebt gelegd, zal, wanneer het elders op uwe rekening wordt geboekt, waarschijnlijk uw batig slot niet veel vergrooten. Maar het spreken over zulke onaangename onderwerpen dient tot niets, en gij zijt zeker te beleefd om mij het gemeene tu quoque toe te roepen. Ik wensch echter eens voor al te verklaren, dat ik den majoor ten hoogste bewonder voor zijn gedrag gedurende dit kwartaal, en dat ik geloof, dat hij alle recht op vacantie heeft. Foker en Pen brachten hem naar de diligence, waar het den eerstgenoemden heer behaagde den koetsier te verzoeken, om vooral goed op dien ouden heer daar binnen te passen. De oude Pendennis zag zijn neef gaarne in gezelschap van een jonkman, die hem zeker met de voornaamste studenten der academie in aanraking zou brengen. De majoor snelde naar Londen en van daar naar Cheltenham, om zich uit die badplaats naar eenige omliggende aanzienlijke huizen te begeven, wier bewoners niet op reis waren gegaan en waar men eene flinke jacht en goed gezelschap kon aantreffen.

Wij hebben thans een vierde van ons gansche werk aan het verslag van ééne gebeurtenis in Pen’s leven gewijd, en het is duidelijk, dat wij niet al zijne lotgevallen zóó uitvoerig kunnen beschrijven, tenzij een afstammeling van den schrijver bij diens dood de pen opvatte en het verhaal voor de nakomelingen van het tegenwoordige geslacht van lezers voortzette. Wij zullen de academische loopbaan van den jonkman op verre na niet zoo breedvoerig schetsen. Helaas! eigenlijk kan het leven van zulke knapen niet voegzaam in al zijne bijzonderheden verhaald worden. Ik wenschte, dat het mogelijk ware. Maar ik vraag u: zou dit met uw leven het geval zijn? Zeker is uwe ziel vrij gerust, zoolang datgeen, wat wij onze „eer” noemen, onbesmet is. De vrouwen zijn rein, maar niet de mannen. De vrouwen offeren zich op, maar de mannen niet. Ik zou van den armen Arthur Pendennis niet willen zeggen, dat hij slechter was dan zijne kameraden; maar slecht zijn die kameraden voor het meerendeel. Laten wij oprecht genoeg zijn, om dit ten minste te bekennen. Kunt gij onder al uwe bekenden tien onberispelijke mannen opnoemen? Mijne lijst van kennissen is vrij lang, maar ik kan er geen tien heiligen op vinden.

Gedurende den eersten termijn van het academieleven woonde mijnheer Pen de collegiën in de oude letteren en de wiskunde tamelijk trouw bij; maar toen hij na korten tijd weinig smaak of aanleg voor de wiskundige wetenschappen bij zich ontdekte en het hem misschien hinderde, dat een paar heel gemeene jongelui, die zelfs geen sous-pieds gebruikten om hunne verfoeielijk lompe schoenen en kousen te verbergen, hem op de collegiën voorbijstreefden, onttrok hij zich aan dien cursus en berichtte aan zijne liefhebbende moeder, dat hij zich uitsluitend aan de studie der Grieksche en Romeinsche letterkunde zou wijden.

Mevrouw Pendennis had er volkomen vrede mee, dat haar lieve jongen dat vak zou beoefenen, waarvoor hij den meesten lust gevoelde, en verzocht hem alleen maar, zijne gezondheid niet te ondermijnen door al te veel studeeren, want zij had de treurigste voorbeelden gehoord van studenten, die zich overwerkt en daardoor zich hersenkoortsen berokkend hadden en ontijdig, te midden van hunne academische loopbaan, weggerukt waren. En Pen, merkte zij te recht aan, die altijd eene zwakke gezondheid had gehad, moest meer voor die gezondheid dan voor ijdele eereprijzen zorgen. Ofschoon Pen niets wist van eenige verborgen kwaal, die zijn leven in gevaar bracht, beloofde hij echter gaarne aan zijne mama, dat hij des nachts niet te laat zou zitten studeeren; en hij hield woord te dien aanzien, veel beter dan in andere opzichten, waarin hij misschien wel wat nalatig was.

Spoedig begon hij in te zien, dat het bestudeeren der klassieke schrijvers hem van weinig nut was. Zijne medestudenten waren hem te dom, gelijk zij hem op het gebied der wiskunde te geleerd waren geweest. Buck, de onderwijzer, was niet geleerder dan menige jongen uit de vijfde klasse bij de Grauwebroeders; hij mocht eenige geringe kennis van het metrum en de taalkundige constructie van een regel uit Æschylus of Aristophanes hebben, maar hij had even weinig begrip van poëzie als jufvrouw Binge, die Pen’s bed opmaakte. Het verveelde Pen dus, de domme studenten en den dommen onderwijzer over eenige regels van een tooneelstuk te hooren sukkelen, die hij in een tiende gedeelte van den tijd, dien zij er aan besteedden, kon lezen. Alles bijeen genomen, was eigen studie, gelijk hij het begon te beschouwen, de eenige studie, die wezenlijke vruchten kon opleveren; en hij gaf dus aan zijne mama kennis, dat hij in zijne afzondering veel meer en op het openbaar collegie veel minder studeeren zou. De achtenswaardige vrouw wist even weinig van Homerus als van de algebra, maar zij was volkomen tevreden met Pen’s beschikkingen omtrent den verderen gang zijner studiën en hield zich innig overtuigd, dat haar lieveling de plaats zou veroveren, die hem toekwam.

Pen kwam eerst na Kerstmis thuis, eenigszins tot spijt van zijne liefhebbende moeder en van Laura, die van verlangen brandde om eene mooie sneeuwvesting voor hem te maken, zooals hij er drie winters geleden zelf eene gebouwd had. Maar hij was op Logwood genoodigd geweest bij Lady Agnes Foker, waar liefhebbers tooneelvoorstellingen gaven en een vroolijk en voornaam Kerstgezelschap vereenigd was, hetgeen majoor Pendennis voor geen geld ter wereld wilde, dat zijn neef verzuimen zou. Pen bracht echter voor het minst drie weken van de vacantie thuis door, en Laura zag met verbazing wat eene groote hoeveelheid nieuwe kleeren hij meebracht, terwijl zijne moeder zijn fikscher voorkomen en zijn manhaftigen en beslissenden toon bewonderde.

Met Paschen kwam hij niet thuis, maar toen hij met de groote vacantie overkwam, bracht hij nog meer fraaie kleeren mee. Des morgens vertoonde hij zich in schitterende jachtbuizen met verbazende knoopen, en des avonds in prachtige fluweelen vesten, rijk geborduurde dassen en allerfijnst linnengoed. Terwijl zij op zijne kamer rondsnuffelde, zag zij o zoo’n mooie toiletdoos met zilveren beslag en een aantal beeldjes van ringen en andere snuisterijen. Bovendien bezat hij een nieuw Fransch horloge met gouden ketting in plaats van den dikken ouden chronometer met de rinkelende cachetten, die uit den vestzak van John Pendennis gebengeld hadden. Bij den secondewijzer van dit uurwerk had de overleden dokter den pols van menig patiënt gevoeld. Het was nog maar weinige maanden geleden, dat Pen vurig naar dat horloge verlangd had, hetwelk in zijn oog het kostbaarste en achtbaarste uurwerk ter wereld was; en toen hij naar de academie zou gaan, had Helena het uit haar juweelkistje genomen (waar het sedert den dood van haar man onopgewonden had gelegen) en het aan Pen met eene kleine, maar plechtige en toepasselijke aanspraak betreffende zijn vaders deugden en het gepaste gebruik van den tijd overhandigd. Pen verklaarde dezen deftigen en kostbaren chronometer thans voor ouderwetsch en maakte zelfs zekere vergelijkingen tusschen dat kunstwerk en een knol, die Laura zeer oneerbiedig vond. Hij liet het horloge in eene lade liggen, in gezelschap van bevlekte paarsche handschoenen, dassen, die uit de mode waren, en dat andere horloge uit zijn schooltijd, hetwelk vroeger in dit verhaal vermeld is. Onze oude vriendin Rebecca was volgens Pen niet meer in staat hem te dragen, zoodat hij haar tegen een ander en sterker paard verruilde, waarop hij nog eene aanzienlijke som moest bijbetalen. Mevrouw Pendennis gaf den knaap het geld voor het nieuwe paard en Laura schreide toen Rebecca werd weggehaald.