Chapter 35 of 85 · 3963 words · ~20 min read

Part 35

Ook mijnheer Pynsent had de eer gehad in een gesprek met den dienaar van den Indischen potentaat te geraken. Het was Pynsent’s belang met iedereen te spreken (hetgeen hij, om hem recht te laten weervaren, op de meest linksche wijze deed), en hij had den heer met de zwarte pruik voor een kiezer, een zeekapitein, of een ander bewoner van het plaatsje, die veel reisde, gehouden. Toen Pynsent met eene dame, de vrouw van een kiezer, aan zijn arm deze ververschingszaal binnentrad, vroeg de kolonel, of hij hem met een glas champagne dienen kon? Pynsent nam het met veel deftigheid aan, maakte eene buiging, dronk eens van den wijn, verklaarde, dat die uitmuntend was, en blies met de uiterste beleefdheid den aftocht voor kolonel Altamont. Die deftigheid en wellevendheid bracht den kolonel meer van zijn stuk dan eenige andere handelwijze waarschijnlijk zou gedaan hebben; hij keek Pynsent verward na en verklaarde over het buffet heen aan den kastelein, dat dat een „rare vent” was. Mijnheer Rincer bloosde en wist niet recht wat hij zeggen moest. Mijnheer Pymsent was de kleinzoon van een graaf uit die streek, en zou zich candidaat voor het parlement stellen; en aan den anderen kant droeg kolonel Altamont ridderorden en diamanten, liet onophoudelijk de goudstukken in zijn zak klinken en betaalde royaal. Rincer wist dus eigenlijk niet wat hij antwoorden moest en maakte er zich af met te zeggen: „Ja, kolonel – ja, mevrouw, heeft UE. niet thee gevraagd? Kop thee voor mevrouw Jones, vrouw!” In dier voege onttrok hij zich aan het gesprek over den heer Pynsent, dat de officier van den Nizam scheen te willen aanknoopen.

Om de waarheid te zeggen, had mijnheer Altamont, die den ganschen avond bij het buffet gebleven was en daar niet stil had gezeten, zich zeer opgewonden, en hij zat nog altijd door te drinken, toen Strong met jufvrouw Amory binnentrad.

Toen de chevalier op het hooren van het gedruis naar de danszaal wegvloog, stond de kolonel, wiens kleine roode oogen als kooltjes gloeiden, van zijn stoel op en begaf zich eenigezins waggelend naar Blanche, die haar glaasje ijs zat te gebruiken. Zij was geheel verdiept in die bezigheid, daar het ijs bijzonder frisch en smakelijk was, of zij was niet nieuwsgierig naar hetgeen er in de zaal voorviel, ofschoon de knechts dat wèl waren, want zij liepen den chevalier Strong na. Toen zij dus opzag, bemerkte zij, hoe die zonderlinge man haar met zijne kleine roode oogen aanstaarde. Wie kon dat zijn? Het begon zeer interessant te worden.

„En dus zijt gij Betsy Amory,” zeide hij, na haar aangekeken te hebben. „Betsy Amory, zoo waar ik leef!”

„Wie – wie zijt gij?” vroeg Betsy, anders genaamd Blanche.

Maar het geweld in de balzaal wordt nu werkelijk zoo hevig, dat wij óók daarheen moeten snellen, om te zien wat de reden van die opschudding is.

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

TWISTZIEK EN SENTIMENTEEL.

Er woedde een burgeroorlog, er vielen hooge woorden, de menschen stieten en verdrongen elkander op eene onfatsoenlijke wijze nabij een venster in den hoek der balzaal, dicht bij de deur, door welke de chevalier Strong zich een weg baande. Dat venster stond open, zoodat men de spottende aanmerkingen van het publiek op straat kon hooren, zooals: „Sla maar toe!” „Daar komen de dienders!” en meer van dien aard. Aan den éénen kant stond een kring van personen, onder welke madame Fribsby vooral in het oog viel, rondom monsieur Alcide Mirobolant geschaard, terwijl onze vriend Arthur Pendennis aan den anderen kant door verscheidene heeren en dames omringd was. Strong baande zich naar dit laatste groepje een weg, voorbij madame Fribsby, die zich over de verschijning van den chevalier verheugde en hem op angstigen en ontroerden toon toeriep: „Red hem, red hem!”

De verontwaardigde kleine chef van Sir Francis Clavering’s keukendepartement bleek deze opschudding veroorzaakt te hebben. Kort na dat Strong de zaal verlaten had en terwijl mijnheer Pen, ten hoogste verbolgen over zijn val bij het walsen, die hem belachelijk had gemaakt in de oogen van het publiek, en over jufvrouw Amory’s gedrag ten zijnen aanzien, dat hem nog verder in zijne eer had getast, zijn lichaam en ziel weer wat tot bedaren poogde te brengen door uit het venster naar de zee te staren, die in de verte glinsterde en met de grootste kalmte voortkabbelde, – terwijl hij, zeg ik, werkelijk tot rust trachtte te komen en zich zelven misschien bekende, dat hij dien avond zeer dwaas en onheusch was geweest, voelde hij eene hand op zijn schouder en zag hij, omkijkende, tot zijne onbeschrijfelijke verbazing en afgrijzen, dat die hand aan monsieur Mirobolant toebehoorde, wiens oogen uit zijn bleek gelaat en tusschen zijne haarlokken mijnheer Pen tegenglinsterden. Dat een Fransche kok hem op den schouder durfde tikken was een staaltje van familiariteit, dat het bloed der Pendennis’en in de aderen van hun afstammeling deed koken, en hem bijna nog meer verstomd dan verontwaardigd deed staan over zulk eene brutaliteit.

„Spreekt gij Fransch?” vroeg Mirobolant in zijne eigen taal aan Pen.

„Wat gaat u dat aan?” antwoordde Pen in het Engelsch.

„In ieder geval verstaat gij het,” vervolgde de ander met eene buiging.

„Ja, mijnheer,” hernam Pen, met zijn voet stampende; „ik versta u heel wel.”

„Vous me comprendrez alors, monsieur Pendennis,” zeide de ander en liet zijne r’s met Gasconsche kracht rollen, „quand je vous dis que vous êtes un lâche, Monsieur Pendennis – un lâche, entendez-vous?”

„Wat?” vroeg Pen, zich snel naar hem omkeerende.

„Verstaat gij de beteekenis van dat woord en de gevolgen, die het onder mannen van eer heeft?” ging de artiste voort, terwijl hij zijne hand op zijne heup plaatste en Pen strak aankeek.

„De gevolgen zijn, dat ik u uit het venster zal werpen, – onbeschaamde schurk!” bulderde mijnheer Pen, die op den Franschman toesprong en waarschijnlijk zijne bedreiging verwezenlijkt zou hebben, want het venster was dicht bij de hand en de artiste was geenszins tegen den jongen heer opgewassen, indien niet kapitein Broadfoot en een ander officier van de zware dragonders zich tusschen de twistenden hadden geworpen, indien de dames niet waren begonnen te gillen, indien de muzikanten niet hadden opgehouden met spelen, indien niet al de aanwezigen waren komen toesnellen, indien niet Laura met een heel verschrikt gelaat over de hoofden had heengekeken en verzocht had in ’s hemels naam te mogen weten wat er gaande was, indien niet Strong, die altijd bij de hand was als men hem noodig had, uit de ververschingszaal te voorschijn ware gekomen, die onzen vriend Alcide, tandenknarsend en in Gasconsch-Fransch vloekende, aantrof, terwijl Pen eene verbazend wraakzuchtige houding had aangenomen, ofschoon hij, toen de dames en de gasten kwamen aansnellen, er heel bedaard poogde uit te zien.

„Wat is er gebeurd?” vroeg Strong in het Spaansch aan den chef.

„Ik ben chevalier de Juillet,” antwoordde deze, terwijl hij op zijne borst sloeg, „en hij heeft mij beleedigd.”

„Wat heeft hij tegen u gezegd?” ging Strong voort.

„Hij heeft mij – cuisinier genoemd!” bracht de kleine Franschman sissend uit.

Strong kon met moeite zijn lachlust bedwingen en zeide:

„Ga met mij mee, arme chevalier! Wij moeten in tegenwoordigheid der dames niet twisten. Ga mee; ik zal uwe uitdaging aan mijnheer Pendennis overbrengen. – De arme man is niet wèl bij zijn hoofd,” fluisterde hij aan een paar omstanders toe, terwijl andere personen, onder welke men Laura’s beangst gelaat ontdekte, Pen omringden en hem naar de oorzaak der opschudding vroegen.

Pen zeide, dat hij het niet wist, maar voegde er bij: „Die man stond op het punt zijn arm aan eene jonge dame te geven, waarop ik zeide, dat hij een kok was, en toen noemde hij mij een lafaard en daagde mij uit. Ik moet bekennen, dat ik zóó verbaasd en verontwaardigd was, dat ik, indien gij, heeren, mij niet hadt tegengehouden, hem uit het venster geworpen zou hebben.”

„En dat zou hij ook verdiend hebben, die verwenschte, onbeschaamde gek,” zeiden de heeren.

„Het zou mij echter spijten, indien ik zijn gevoel gekwetst had,” liet Pen er op volgen, en het deed Laura goed hem dit te hooren zeggen; maar sommige jonge kwasten riepen uit: „Neen, laat de kerel naar den drommel loopen; weg met die brutale buitenlanders, een pak slagen zou hem goeddoen!”

„Gij zult hem toch de hand geven eer gij ter rust gaat, niet waar, Pen?” vroeg Laura, zich bij hem voegende. „Vreemdelingen zijn misschien gevoeliger dan wij en hebben andere gewoonten. Als gij het eergevoel van den armen man gekwetst hebt, ben ik zeker, dat gij de eerste zult zijn om hem vergiffenis te vragen. Gij doet het immers, Pen-lief?”

Terwijl zij dit zeide, scheen zij enkel vergevensgezindheid en lieftalligheid, – een engel gelijk, – waarop Pen hare beide handen vatte, haar in het vriendelijk gelaat zag en beloofde, dat hij het waarlijk doen zou.

„Wat houdt dat meisje toch veel van mij!” dacht hij, terwijl zij hem in de oogen zag. „Zou ik het haar nu niet zeggen? Neen, nu niet! Eerst moet die gekke geschiedenis met den Franschman uit den weg geruimd zijn.”

Laura vroeg of hij niet wilde blijven om met haar te dansen; want zij was even verlangend om hem in de zaal te houden, als hij om er uit te komen. „Blijf hier, en doe eene wals met mij, Pen! Ik ben niet bang, om met u te walsen.”

Deze woorden getuigden voor hare liefderijkheid, maar waren ongelukkig gekozen. Pen zag zich in gedachte op den vloer liggen, na over jufvrouw Roundle en den dragonder gestruikeld te zijn en Blanche tegen den muur te hebben gesmeten, – hij zag zich, zeg ik, op den grond liggende en door al de toeschouwers, waaronder ook Laura en Pynsent, uitlachen.

„Ik zal nooit weer dansen,” gaf hij met een somber en vast besloten gelaat ten antwoord, „Nooit weer! Het verwondert mij, dat gij het mij vraagt.”

„Misschien, omdat gij Blanche niet tot dame kunt krijgen?” vroeg Laura met ondeugende, maar ongelukkige spijtigheid.

„Neen, maar omdat ik geen mal figuur wil maken, om door anderen te worden uitgelachen,” antwoordde Pen, – „om door u uitgelachen te worden. Ik zag het van u en Pynsent. Bij den hemel, niemand zal mij uitlachen!”

„Pen, Pen, wees zoo ondeugend niet!” riep het arme meisje uit, pijnlijk getroffen door Pen’s akelige stijfhoofdigheid en verregaande ijdelheid. Hij gluurde in de richting, waar Pynsent was, op eene manier alsof hij dien heer bij den kraag wilde vatten, zooals hij den kok gedaan had. „Wie zou het u euvel duiden, dat gij bij het walsen gestruikeld zijt? Zoo Blanche het deed, wij doen het niet. Waarom zijt gij zoo lichtgeraakt en kwalijknemend?”

Het ongeluk wilde weer, dat mijnheer Pynsent op dit oogenblik bij Laura kwam en zeide: „Lady Rockminster heeft mij opgedragen u te vragen, of ik u naar het souper mag geleiden?”

„Ik – ik zou met mijn neef gaan,” antwoordde Laura.

„Neen, toch niet!” zeide Pen. „Gij zijt in zulke goede handen, dat ik niet beter kan doen dan u te verlaten. Ik ga naar huis.”

„Goeden avond, mijnheer Pendennis,” zeide Pynsent droogjes, hetgeen eigenlijk beteekende: „Loop naar den drommel, onbeleefde, jaloersche, brutale aap, dien ik de ooren wel eens zou willen wasschen!” Mijnheer Pendennis verwaardigde zich tot geen ander antwoord dan eene buiging en ging, in weerwil van Laura’s smeekende blikken, de zaal uit.

„Wat is het daar buiten prachtig helder en kalm,” zeide Pynsent, „en wat bruist de zee! Het zou aan het strand aangenamer wandelen zijn dan in deze benauwde zaal.”

„Ja zeker,” gaf Laura ten antwoord.

„Wat is het hier eene zonderlinge mengeling van menschen,” ging Pynsent voort. „Ik ben genoodzaakt geweest bij allen een praatje aan te knoopen en mij aangenaam te maken, – bij de dochters van den procureur, bij de vrouw van den apotheker, ik weet waarlijk niet bij wie al. In de ververschingszaal was een man, die mij volstrekt op champagne wilde onthalen – het scheen wel een zeeman – hij was heel opzichtig gekleed en waarschijnlijk half dronken. Als men het staatkundig gebied wil betreden, is men genoodzaakt met al die menschen op goeden voet te komen, maar het is eene zware taak, vooral indien men zoo gaarne ergens anders zou willen zijn,” en bij die woorden bloosde hij een weinigje.

„Ik vraag verschooning,” zeide Laura, „ik – ik hoorde u niet heel goed. Om de waarheid te zeggen, ik ben zoo verschrikt over die woordenwisseling tusschen mijn neef en dien – dien – Franschman.”

„Uw neef is van avond niet gelukkig geweest,” antwoordde Pynsent. „Er zijn verscheidene personen, wien hij niet behaagd heeft, zooals kapitein Broadwood, of hoe heet hij ook? – dien officier, – en die jonge dame in het rood, waarmee hij danste, – en jufvrouw Blanche, – en dien armen chef, – en ik geloof, dat ik hem ook niet bijzonder beviel.”

„Heeft hij mij dan niet aan uwe zorg overgelaten?” vroeg Laura, terwijl zij hare oogen naar Pynsent’s gelaat ophief, maar ze dadelijk, als eene kleine coquette, die hem wat op de mouw wilde spelden, doch betrapt werd, weer neersloeg.

„Ja, daarom kan ik hem dan ook veel vergeven,” gaf Pynsent met blijde haast ten antwoord, waarop zij zijn arm nam en hij zijn buit naar de eetzaal geleidde.

Zij had niet veel smaak in het souper, ofschoon het met Rincer’s bekend talent was aangericht, gelijk de courant van het graafschap zeide in het verslag, dat later van de partij gegeven werd. Laura was ongemeen afgetrokken en met zorg vervuld over Pen. Hij was vitzuchtig en twistziek, jaloersch en zelfzuchtig, wispelturig en driftig en onrechtvaardig, als de toorn hem het hoofd op hol bracht; en hoe kon hare moeder nu van haar vergen (hetgeen Helena toch door duizenderlei woorden en zinspelingen gedaan had), dat zij haar hart aan zulk een man zou schenken? en, indien zij dit deed, zou het hem dan toch wel gelukkig maken?

Maar eindelijk kreeg zij eenige verlichting, toen een knecht na een half uur (dat haar eindeloos was toegeschenen) haar een kort briefje in potlood van Pen bracht, luidende: „Ik vond den kok beneden, die met mij wilde vechten; maar ik heb hem verschooning gevraagd en ben er blij om. Ik had u heden avond willen spreken, maar zal nu wat ik te zeggen had, bewaren tot gij thuis komt. God zegen u! Dans maar den ganschen nacht door met Pynsent, en geniet zooveel mogelijk, Pen.” – Laura was innig dankbaar, dat zij dit briefje ontvangen had, en dat er toch nog een goed hart en vergevensgezindheid bij den zoon harer moeder gevonden werden.

Pen ging de trap af, terwijl zijn hart hem zijn dwaas gedrag jegens Laura verweet, wier lieftallige en smeekende blikken hem volgden en folterden; en nauwelijks was hij buiten de deur, of hij gevoelde eene opwelling om terug te keeren en haar vergiffenis te vragen. Maar nu schoot het hem te binnen, dat hij haar met dien verwenschten Pynsent had achtergelaten. In diens tegenwoordigheid kon hij zich niet jegens haar verontschuldigen. Hij zou geduld oefenen, zijne ergernis vergeten, en vrede sluiten met den Franschman.

De chevalier wandelde het voorhuis van het logement op en neer toen Pen uit de balzaal kwam, en hij trad dezen te gemoet met een gezicht, dat in de hoogste mate koddig en ondeugend stond.

„Ik heb hem daar in de gelagkamer met een paar pistolen en eene kaars,” zeide hij. „Of geeft gij misschien de voorkeur aan een duel met degens, op het strand? Mirobolant is een eerste meester op de punt en heeft op de Juli-barricaden met eigen hand vier gardes-du-corps doorstoken.”

„Voor den duivel!” riep Pen verbolgen uit: „ik kan toch met geen kok duelleeren!”

„Het is een chevalier de Juillet,” antwoordde Strong. „In zijn land presenteeren de schildwachten het geweer voor hem.”

„En zoudt gij, kapitein Strong, van mij vergen, dat ik met een bediende duelleerde?” vroeg Pen driftig; „ik zal een diender halen voor hem; maar – maar –”

„Wilt gij mij ook te lijf?” vroeg Strong lachend. „Maar het zal niet gebeuren; ik schertste slechts. Ik ben hier gekomen om geschillen bij te leggen, – niet om te vechten. Ik heb Mirobolant wat neergezet en hem verteld, dat met het woord „kok” niets beleedigends bedoeld was, maar dat het met alle gebruiken van dit land strijdig is, dat een bezoldigd beambte in eene familie, zooals ik het noemde, zijn arm aan de dochter des huizes geeft!” En daarop vertelde hij aan Pen het groote geheim, dat hij van madame Fribsby vernomen had, van de doodelijke verliefdheid, waaraan de arme artiste ter prooi was.

Toen Arthur dit verhaal hoorde, barstte hij in een hartelijken lach uit, waarmee Strong instemde, en was zijne verbittering tegen den armen kok in eens vergeten. Hij was zelf den ganschen avond belachelijk jaloersch geweest en had eene gelegenheid gezocht om Pynsent te beleedigen. Hij herinnerde zich nog, hoe naijverig hij tijdens zijne eerste liefdesgeschiedenis op Oaks was geweest, zoodat hij volkomen bereid was alles te vergeven aan een man, die onder de heerschappij van zulk een hartstocht stond. Hij trad dus de koffiekamer, waar Mirobolant zat te wachten, met eene uitgestrekte hand binnen en hield eene toespraak tot hem in het Fransch, waarin hij verklaarde te zijn „sincèrement faché d’avoir usé une expression qui avait pu blesser monsieur Mirobolant, et qu’il donnait sa parole comme un gentilhomme, qu’il ne avait jamais, jamais – bedoelé,” zeide Pen in zijne pogingen om een Fransch woord voor „bedoeld” te vinden – terwijl hij heimelijk zeer voldaan was over zijn vlot en zuiver Fransch.

„Bravo, bravo!” riep Strong, die evenveel pleizier had in Pen’s redevoering als in diens goedhartigheid. De chevalier Mirobolant trok natuurlijk zijne uitdaging in, en verklaarde, dat de uitdrukkingen, die hij gebezigd had, hem oprecht leed deden.

„Monsieur Pendennis heeft zelf mijne woorden gelogenstraft,” zeide Alcide met de grootste wellevendheid; „hij heeft getoond, dat hij een galant homme is.”

Zij gaven elkander dus de hand en gingen uiteen, terwijl Pen zijn briefje aan Laura schreef, eer hij zich door Strong huiswaarts liet rijden.

Onderweg maakte Strong aan Pen zijn compliment, zoowel over diens gedrag als over zijne bedrevenheid in het Fransch. „Ge zijt een goede kerel, Pendennis, en, op mijn woord, ge spreekt Fransch als Châteaubriand.”

„Ik ben er van jongs af aan gewoon geweest,” antwoordde Pen, en Strong had de barmhartigheid om vijf minuten lang zijn lach in te houden, maar toen schaterde hij het meer dan eens uit, waarvan Pen misschien tot den huidigen dag de reden niet begrepen heeft.

De dag brak aan toen zij aan den Brawl kwamen, waar zij van elkander gingen. Op dat oogenblik was het bal te Baymouth ook afgeloopen. Madame Fribsby en Mirobolant waren met de huurkoets van Clavering op weg naar huis; Laura lag met een gerust hart te slapen ten huize van Lady Rockminster, en de Clavering’s rustten uit in het logement te Baymouth, waar zij kamers genomen hadden. Weinige oogenblikken na den twist tusschen Pen en den chef was Blanche, zoo bleek als de dood, uit de ververschingszaal gekomen. Daar zij geen andere vertrouwde bij de hand had, vertelde zij aan hare kamenier, dat zij het meest romantische avontuur gehad, den meest zonderlingen man ontmoet had, – iemand, die den oorsprong haars levens gekend had – haar vervolgden, rampzaligen, heldhaftigen, vermoorden vader, en eer zij zich te bed begaf, begon zij een sonnet aan zijne schim te schrijven.

Pen was dus met zijn vriend den chevalier naar Fairoaks teruggekeerd, zonder een woord van de boodschap te reppen, die hij zoo gaarne aan Laura te Baymouth zou hebben overgebracht. Hij kon echter wachten tot hare terugkomst, die den volgenden dag zou plaats hebben. Hij was niet erg jaloersch op de vorderingen, die mijnheer Pynsent in hare gunst kon gemaakt hebben, en hield zich volkomen overtuigd, dat hij, gelijk bij alle andere huiselijke beschikkingen, het maar voor het vragen zou hebben, en dat Laura, evenmin als zijne moeder, hem niets zou kunnen weigeren.

Toen de nieuwsgierige blikken van Helena hem vroegen wat er te Baymouth gebeurd was, en of haar geliefkoosd plan was verwezenlijkt, vertelde Pen haar op vroolijken toon welke ramp hem getroffen had en voegde er lachend bij, dat geen mensch bij zulk een ongeval aan eene declaratie kon denken. Hij stapte, kortom, luchtig over de zaak heen. „Er zal, als Laura terugkomt, ruimschoots tijd zijn om aan ons hart lucht te geven, moedertje-lief,” zeide hij, en hij keek met het air van een overwinnaar in den spiegel, waarop zijne moeder hem het haar van het voorhoofd wegstreek, terwijl zij hem kuste, en zich natuurlijk overtuigd hield, dat geen vrouw hem weerstaan kon; in één woord, zij was dien dag boven de wolken.

In de oogenblikken, dat Pen niet in haar gezelschap was, hield hij zich bezig met het inpakken van boeken, het vullen van valiezen, het verbranden en ordenen van papieren, en het schoonmaken van zijn geweer, dat hij in het kistje borg: hij maakte, om de waarheid te zeggen, toebereidselen tot vertrek, want ofschoon de jonge heer bereid was om te trouwen, was hij ook zeer begeerig naar Londen te gaan; zeer te recht oordeelde hij, dat het op zijn drie en twintigste jaar hoog tijd werd de ernstige taak des levens te beginnen en zoo spoedig mogelijk fortuin te maken.

Hij had de middelen, om dat doel te bereiken, reeds bij zich zelven overlegd. „Ik zal mij bij een der Inns of Court laten inschrijven en daar kamers nemen,” sprak hij. „Met een paar honderd pond zal ik het eerste jaar wel rondkomen, en daarna twijfel ik niet, of ik zal mijn bestaan wel met mijne pen vinden, evengoed als verscheidene oud-studenten van Oxbridge, die thans te Londen zijn. Ik heb een treurspel, een blijspel en een roman, alle nagenoeg voltooid, in portefeuille, waarvoor ik zeker geld zal krijgen. Ik zal dus, zonder van mijne moeder te veel te vergen, vrij wel kunnen rondkomen, tot ik naam zal gemaakt hebben als advocaat. En dan zal ik op een fraaien dag terugkomen en haar verblijden door Laura te trouwen Het is een meisje met zoo’n goed hart en humeur als men maar wenschen kan; daarbij ziet zij er waarlijk zeer lief uit, en het engagement zal mij tot rust brengen, niet waar, Ponto?” Onder het rooken van zijne pijp en het praten tegen zijn hond, terwijl hij te midden der bloembedden en boschjes van het kleine domein van Fairoaks ronddrentelde, bouwde de jonge droomer aldus zijne luchtkasteelen. „Ja, het zal mij tot rust brengen, niet waar? En gij zult mij wel missen als ik weg ben, ouwe jongen, niet waar?” Op die vragen begon Ponto te kwispelstaarten en wrong zijn bruinen neus in de hand van zijn meester. Het dier likte Pens hand en laars, zooals allen in dat huis deden, en mijnheer Pen liet zich aller hulde welgevallen, gelijk anderen ook doen, als zij gevleid worden.

Laura kwam vrij laat op den avond van den tweeden dag terug, en het ongeluk wilde, dat mijnheer Pynsent haar met het rijtuig uit Clavering thuis bracht. Het arme meisje kon zijn aanbod niet van de hand wijzen, maar zijne verschijning deed Arthur Pendennis de wenkbrauwen fronsen. Laura zag dit en het griefde haar; doch de opgewonden weduwe merkte niets en maakte zich, kort na Laura’s thuiskomst, gereed om naar bed te gaan, daar zij zeker verlangde, dat de gewichtige vraag ten spoedigste gedaan zou worden; zij stond dus van de sofa op, waar zij tegenwoordig meestal rustte en naast welke Laura bij haar kwam zitten werken of lezen. Maar toen Helena oprees, zeide Laura blozende en met eene eenigszins benauwde stem, dat zij ook zeer vermoeid was en zich gaarne te bed zou begeven; zoodat de weduwe althans voor dezen avond in haar plan te leur gesteld en mijnheer Pen nog één dag in onzekerheid omtrent zijn lot gelaten werd.