Part 64
„Op mijn woord, mijnheer, gij zijt wel goed, mijne kennissen voor mij te kiezen,” zeide Arthur op hoogen toon, „en te verstaan te geven, dat mijn gezelschap niet zeer wenschelijk is. Ik herinner mij, mijnheer Bows, dat ik u erkentelijkheid verschuldigd ben voor uwe vriendelijkheid in lang vervlogen dagen; anders zou ik mij sterker uitlaten dan ik thans doe over de soort van vervolging, waaraan gij mij schijnt te willen onderwerpen. Gij hebt mij gisteren tot buiten de Inn gevolgd, alsof gij wildet oppassen, dat ik niets stal.” Maar zoodra Pen dit gezegd had, begon hij te stotteren en te blozen, want hij gevoelde, dat hij den ander hier een wapen in de hand had gegeven, hetwelk deze dan ook dadelijk aangreep.
„Ik geloof inderdaad, dat gij kwaamt om iets te stelen, zooals gij het uitdrukt, mijnheer,” zeide Bows. „Zoudt gij willen volhouden, dat gij een bezoek aan den armen ouden Bows, den speelman, of aan jufvrouw Bolton in de portiersloge kwaamt brengen? Och kom! Zulk een voornaam man als de weledelgeboren heer Arthur Pendennis verwaardigt zich niet naar mijn zolderkamertje te klimmen, of in de keuken van eene waschvrouw te gaan zitten, indien hij er geen bijzondere redenen toe heeft. En ik houd het voor zeker, dat gij kwaamt, om het hart van een lief meisje te stelen, om haar te gronde te richten en daarna te verstooten, mijnheer Arthur Pendennis! Dat is het, wat de wereld van u, jonge dandy’s, van u, voorname jongelui, maakt, van u, hooge en vermogende aristocraten, die het volk vertrapt. Het is voor u spel; maar wat denkt ge wel, dat het voor de armen is, voor de offers uwer genotzucht, waarmee gij speelt, om ze op straat te werpen, als gij er genoeg van hebt? Ik ken den stand, waartoe gij behoort, mijnheer. Ik ken uwe zelfzucht en uw aanmatiging en uw trots. Wat deert het mylord, dat de dochter van den armen man ongelukkig en hare familie met schande overladen wordt? Gij moet uw vermaak hebben en het volk moet het betalen. Waar zijn wij anders voor geschapen? Zoo zijt gij allen, mijnheer, allen!”
Bows had zich op een verkeerd terrein geplaatst en daarmee kon Pen zijn voordeel doen, hetgeen hem niet speet: het was hem niet onwelkom, dat hij het debat kon afleiden van het punt, waar zijne tegenpartij het aanvankelijk had begonnen. Arthur barstte dus in een lach uit, waarvoor hij Bows verschooning vroeg. „Ja, ik ben een aristocraat,” zeide hij, „in een paleis drie verdiepingen hoog, met een vloerkleed bijna zoo mooi als het uwe, mijnheer Bows! Ik breng mijn leven door met het verdrukken van het volk, niet waar? met het verleiden van meisjes en het bestelen van de arme lui? Beste heer, dit alles is heel aardig in een blijspel, waar Job Thornberry zich op de borst slaat en aan mylord vraagt, hoe hij een eerlijk man vertrappen en den haard van een Engelschman verwoesten durft; maar hoe kunt gij, mijnheer Bows, in het werkelijke leven, van aristocraten, die het volk verdrukken, spreken tegen iemand, die even hard voor zijn brood moet werken als gij? Heb ik u ooit kwaad gedaan? of mij eenige meerderheid over u aangematigd? Hebt gij mij niet vroeger genegenheid toegedragen – in een tijd toen wij beiden romaneske jongelui waren, mijnheer Bows. Kom, wees nu niet boos op mij, en laten wij even goede vrienden zijn als wij het vroeger waren.”
„Dat was een heel andere tijd,” gaf mijnheer Bows ten antwoord, „en mijnheer Pendennis was toen een eerlijk, hartstochtelijk jonkman, misschien wel wat zelfzuchtig en verwaand, maar toch eerlijk. En ik hield toen van u, omdat gij bereid waart u voor eene vrouw op te offeren.”
„En thans, mijnheer?” vroeg Arthur.
„Thans zijn de tijden veranderd en wenscht gij dat eene vrouw zich zal opofferen voor u,” antwoordde Bows. „Ik ken dit kind, mijnheer. Ik heb altijd gezegd, dat dit lot haar boven het hoofd hing. Zij heeft hare hersentjes zoo vol met romans, dat zij aan niets anders dan aan minnaars en minnaressen denkt en ternauwernood meer ziet, dat haar voet op een keukenvloer rust. Ik heb het schepseltje onderwezen. Zij bezit vele talenten en bekoorlijkheden, dat verzeker ik u. Ik houd innig veel van dat meisje, mijnheer. Ik ben een verlaten oud man; ik leid een leven, dat mij niet behaagt, onder kameraden, die mij bedroefd maken. Ik geef om niets anders dan om dat kind. Heb medelijden met mij en neem haar niet van mij weg, mijnheer Pendennis, – neem haar niet van mij weg!”
Onder het spreken bleef de stem den ouden man in de keel steken. Het aandoenlijke in zijn toon trof Pen veel meer dan de dreigende of sarcastische wijze, waarop Bows begonnen was.
„Gij beoordeelt mij inderdaad verkeerd,” zeide hij vriendelijk, „indien gij u verbeeldt, dat ik de arme kleine Fanny eenig leed zou willen aandoen. Jongstleden Vrijdagavond heb ik haar voor het eerst van mijn leven gezien. Op de toevalligste wijze bracht onze vriend Costigan haar mij te gemoet. Ik koester geen bedoelingen jegens haar – dat wil zeggen –”
„Dat wil zeggen, dat gij zeer goed weet, dat zij een dwaas meisje is en hare moeder eene dwaze vrouw – dat wil zeggen, dat gij haar in den tuin van den Temple ontmoet, natuurlijk zonder eenige afspraak, – dat wil zeggen, dat toen ik haar gisteren lezende vond in het boek, dat gij geschreven hebt, zij mij hare verachting deed gevoelen,” zeide Bows. „Waartoe dien ik, dan om uitgelachen te worden? een mismaakt oud schepsel gelijk ik ben, een oude vedelaar, die eene kale jas draagt en zijn brood verdient door deuntjes in eene herberg te spelen? Gij zijt een dandy! Gij hebt reukwater op uw zakdoek en een ring aan uw vinger. Gij gaat uit eten bij voorname lui. Wie geeft ooit eene korst brood aan den ouden Bows? En echter had ik evenveel kunnen beteekenen als de beste onder u. Ik had een man van genie kunnen zijn, als de omstandigheden mij gediend hadden, en met de eerste genieën des lands kunnen omgaan. Maar alles is mij tegengeloopen. Er was een tijd, dat mij de eerzucht bezielde en ik tooneelstukken, gedichten, muziek schreef, – maar niemand wilde mij aanhooren. Geen vrouw had ik ooit lief, of zij lachte mij uit, en hier sta ik nu in mijn ouderdom alleen, alleen! Ontneem mij dit meisje niet, mijnheer Pendennis, smeek ik nogmaals! Laat mij haar nog een korten tijd behouden. Tot op gisteren was zij een kind voor mij. Waarom kwaamt gij er tusschen, om mijne mismaaktheid door haar te doen bespotten?”
„Daaraan ben ik ten minste onschuldig,” antwoordde Arthur met een soort van zucht. „Op mijn woord van eer, ik wenschte dat ik het meisje nooit gezien had. Ik ben geen verleider van beroep, mijnheer Bows. Tot – tot heden avond had ik er geen gedachte van, dat ik op de arme Fanny indruk had gemaakt. En toen deed het mij leed, mijnheer, en toen ik u ontmoette, ontvlood ik juist de verzoeking. En,” voegde hij er met een gloed op het gelaat, die zijn bezoeker in de toenemende duisternis niet zien kon, en met eene merkbare trilling in zijne stem bij, „ik wil niet voor u verbergen, mijnheer, dat ik op dezen Sabbat-avond, toen de kerkklokken luidden, aan mijn eigen huis dacht, en aan de vrouwen, als engelen zoo rein en goed, die daar wonen, en dat ik, toen ik u tegenkwam, zoo snel hierheen liep, om het gevaar te ontwijken dat mij bedreigde, en van God Almachtig kracht te bidden om bij mijn plicht te blijven!”
Op deze woorden van Arthur volgden eenige oogenblikken van stilte, en zijn bezoeker sprak, toen hij het onderhoud hervatte, op een veel kalmer en vriendelijker toon. En toen Bows afscheid nam, verzocht hij Pen de hand te mogen drukken; van beide kanten was dit afscheid warm en hartelijk, en Bows vroeg verschooning, dat hij Arthur had miskend, en maakte hem eenige complimenten, die ten gevolge hadden, dat de jonkman de hand van zijn ouden vriend andermaal met innigheid drukte. Bij het vaarwel aan de deur zeide Arthur, dat hij eene gelofte gedaan had, en hoopte en vertrouwde, dat mijnheer Bows zich daarop zou verlaten.
„Amen op dat gebed!” zeide Bows en ging langzaam de trap af.
EEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
HET GELUKKIGE DORP ANDERMAAL.
In het eerste gedeelte van dit verhaal hebben wij de gelegenheid waargenomen om van het stadje Clavering, in welks nabuurschap Pen’s vaderlijk erfgoed, Fairoaks lag, en van sommige bewoners van dat plaatsje te spreken, en aangezien die kringen in geenerlei opzicht vermakelijk of aangenaam waren, hebben wij er niet zeer breedvoerig over uitgeweid. Mijnheer Samuel Huxter, de heer met wien wij onlangs in den Vauxhall kennis maakten, was een der uitverkorenen van het stadje wanneer hij het in zijne vacantiën kwam bezoeken, en verlevendigde aldaar de tafelvreugde zijner vrienden door aardigheden uit het St.-Bartholomeushospitaal en de praatjes der deftige Londensche kringen in welke hij verkeerde.
Mijnheer Hobnell, de jonge heer, die, ten gevolge van den twist over jufvrouw Fotheringay, door Pen was afgerost, was, toen hij nog te Clavering schoollag, dikwijls door jufvrouw Huxter, Samuel’s moeder, op thee genoodigd en had vrijen toegang tot de apotheek, waar hij den weg naar de tamarindepotten wist en zijn zakdoek met rozenwater mocht besproeien. In dit tijdperk zijns levens had Hobnell genegenheid voor de jonge jufvrouw Sophie Huxter opgevat, die hij, na het overlijden van zijn vader, huwde en naar zijn buiten The Warren, weinige mijlen afstands van Clavering, heenvoerde.
Zijne familie had daar vele jaren lang als eigenaars of pachters landerijen bezeten en bebouwd. Hobnell’s vader had de oude boerderij afgebroken en een blinkend nieuw gewit heerenhuis opgetrokken, met ruime stallen en eene piano in het salon; hij hield eenige koppels jachthonden en noemde zich „mijnheer”. Toen hij stierf en zijn zoon in zijne plaats regeerde, kon de familie beschouwd worden als voor vast gerangschikt onder de deftige geslachten van het graafschap, zoodat Sam Huxter te Londen niet veel overdreef als hij tegen zijne kameraden in het hospitaal, die hem met bewondering aanhoorden, over het landgoed, de paarden, de honden en de gastvrijheid van zijn schoonbroeder zwetste. Ieder jaar deed Hobnell een uitstapje naar Londen gewoonlijk, op den tijd wanneer mevrouw Hobnell, wegens de vermeerderde zorgen voor hare kinderkamer, niet van huis kon. Hij nam dan kamers in het Tavistock Hotel en ging met Sam de vermaken der stad genieten. Ascott, de schouwburgen, de Vauxhall en de prettige koffiehuizen in den vroolijken omtrek van Covent Garden waren de plaatsen, die de levendige landjonker dan met zijn geleerden broeder bezocht. Wanneer hij zich te Londen bevond, zeide hij, hield hij er van, te doen gelijk de Londenaars doen, en het er eens van te nemen, en als hij naar buiten terugkeerde, nam hij een nieuwen hoed en shawl voor mevrouw Hobnell mee en verwisselde de weelderige vermaken van het Londensche leven, voor de elf volgende maanden, tegen landelijke uitspanningen en bezigheden.
Sam Huxter stond steeds in briefwisseling met zijn schoonbroeder en hield hem op de hoogte van de nieuwtjes der hoofdstad, uit dankbaarheid voor de manden met hazen, patrijzen en den room, die de landjonker en diens goedhartige vrouw aan Sam zonden. Zij kenden geen geestiger en beschaafder jonkman dan Sam. Hij was het leven en de ziel van hun huis, als hij zich in zijne geboorteplaats vertoonde. Op The Warren schaterde men aanhoudend van het lachen over zijne liedjes en zetten en grappen. Hij had het leven van de oudste dochter gered door haar eene graat uit de keel te halen; kortom, hij was de ziel van hun huiselijken kring.
Het ongeluk wilde, dat Pen, drie dagen na het gebeurde in den Vauxhall, mijnheer Huxter alweer ontmoette. Getrouw aan zijne belofte, was hij de kleine Fanny niet gaan bezoeken. Hij trachtte haar door werken en andere inspanning van den geest uit zijn hart te verdrijven. Onophoudelijk, hoewel met niet veel vrucht, zat hij op zijne kamer te werken, en in zijne hoedanigheid van recensent voor de Pall Mall Gazette richtte hij eene bloedige slachting aan onder dichters en romanschrijvers, die voor zijn rechterstoel verschenen. Na dezen gebeuld te hebben, ging hij dineeren in de eenzame Polyanthus-Club, waar de leege zalen hem benauwd en somber stemden. Hij zocht uitspanning in een schouwburg. De gansche zaal daverde van het lachen en het applaudisseeren; maar hij zag slechts eene zoutelooze klucht, die hem ergerde. De komiek zou zijne vroolijkheid verloren hebben, indien hij Pen’s stuursch gelaat had gezien. Hij wist ternauwernood wat er gebeurde; alles ging als in een droom of in eene koorts hem voorbij. Daarop besloot hij naar de Achterkeuken te gaan, zijn geliefkoosd toevluchtsoord met Warrington, want hij gevoelde nog geen slaap. Den vorigen dag had hij, om tot rust te komen, twintig mijlen over de heide van Hampstead en door de lanen van Hendon gewandeld, en toch des nachts geen oog gesloten. Hij zou dus de Achterkeuken opzoeken. Het was hem een soort van troost, dat hij daar Bows zou zien. Bows was er ook en zat zeer kalm aan de oude piano. Er werden eenige verbazend comische liedjes gezongen en de zaal daverde van het lachen. Wat kwamen zij Pen vreemd voor! Hij zag niets dan Bows. Het was verwonderlijk, dat hij in een uitgebranden vulkaan, gelijk hij zijne borst noemde, zulk eene vlam kon gevoelen! Twee dagen van toegeven hadden haar doen ontbranden; – twee dagen van onthouding hadden haar tot een lichten laaien gloed aangeblazen. Hierover napeinzende en het eene glas na het ander drinkende, wilde het ongeluk dat Arthur’s oog op mijnheer Huxter viel, die, evenals hij, naar den schouwburg was geweest en nu met een paar kameraden de zaal binnentrad. Tot Pen’s groote ergernis fluisterde Huxter zijne buren iets toe, en Arthur gevoelde, dat de ander over hem sprak. Gevolgd door zijne vrienden, baande Huxter zich daarop een weg door de zaal, en zette zich tegenover Pen neder, dien hij gemeenzaam toeknikte en hem eene morsige hand toestak.
Pen reikte zijn stadgenoot de hand, en dacht dat hij dien avond in den Vauxhall al te opvliegend tegen hem was geweest. Huxter van zijn kant, die met zich zelven en de gansche wereld volkomen tevreden was, vermoedde in het minst niet, dat hij wien ook onaangenaam kon zijn, want dat kleine geschil – of „standje”, gelijk hij het noemde – in den Vauxhall was eene beuzeling, waaraan hij in het geheel geen gewicht hechtte.
Nadat de volgeling van Galenus vier glazen bier besteld had, waarmede hij en zijn gezelschap zich te goed deden, begon hij te overleggen wat wel het prettigste onderwerp van gesprek voor Pen zou zijn, en bepaalde zich juist tot dat, hetgeen onzen jongen heer het pijnlijkst was.
„Prettige avond in den Vauxhall, niet waar?” zeide hij, terwijl hij hem een veelbeteekenend knipoogje toewierp.
„Het doet mij pleizier dat gij er genoegen hebt gehad,” antwoordde de arme Pen, zijn verdriet verbergende.
„Ik was verduiveld aangeschoten – erg – had met eenige jongelui te Greenwich gegeten. Ge hadt daar een aardig lapje mousseline aan den arm wie was het?” vroeg de bekoorlijke student.
Die vraag was te veel voor Arthur. „Heb ik u naar uwe zaken gevraagd, mijnheer Huxter?” zeide hij.
„Ik heb u niets beleedigends willen zeggen – ik vraag verschooning – wat drommel, het is of gij me wilt opeten!” hernam de ander verbaasd.
„Herinnert ge u niet meer wat er dien avond tusschen ons is voorgevallen?” vroeg Pen met klimmenden toorn. „Zijt ge het vergeten? Dat is wel waarschijnlijk, want gij waart beschonken, gelijk ge zoo even zelf gezegd hebt, en zeer onbeschoft.”
„Voor den drommel, mijnheer, ik heb u reeds verschooning gevraagd,” zeide Huxter, rood wordende.
„Dat hebt gij, en ik heb het u van harte vergeven. Maar als ge het u herinneren kunt, heb ik u verzocht mij voortaan van de lijst uwer kennissen te schrappen en, wanneer wij elkander weer in het openbaar ontmoetten, de moeite niet te nemen van mij te herkennen. Wees zoo goed dit voor het vervolg te onthouden, en daar het zingen juist weder begint, zult ge me wel veroorloven u aan het ongestoorde genot der muziek over te laten.”
Daarop nam hij zijn hoed, maakte eene buiging voor den verbaasden Huxter en verliet de tafel, terwijl Huxter’s kameraden, na een oogenblik van verbazing, zoo hard om den jongen chirurgijn begonnen te lachen, dat de president der vergadering er zich mee moest bemoeien en uitriep: „Stilte, heeren! weest toch wat stil voor de Lijkendief!” want dat populaire lied werd juist aangeheven, toen Pen de Achterkeuken verliet. Hij vleide zich, dat hij zich volmaakt beheerscht had. Eigenlijk had hij gewenscht, dat Huxter zich strijdlustig zou betoond hebben, want hij had gaarne met hem of iemand anders willen vechten. Hij ging naar huis. Het werk van dien dag, de tooneelvertooning, de whiskygrog, het krakeel, – niets had medegewerkt om hem tot bedaren te brengen. Hij sliep niet beter dan den vorigen nacht.
Eenige dagen later schreef mijnheer Sam Huxter een brief aan mijnheer Hobnell ten platten lande, waarvan mijnheer Arthur Pendennis het hoofdonderwerp uitmaakte. Sam beschreef Arthur’s levenswijze te Londen en zijn verwenscht onbeschaamd gedrag jegens zijne vrienden van thuis. Hij was, zeide Huxter, een reddelooze schavuit, een eerste don Juan, een kerel die, wanneer hij op het land kwam, buiten fatsoenlijke huizen moest gesloten worden. Hij had hem in den Vauxhall zien dansen met een onschuldig meisje van de mindere klasse, dat hij tot zijn slachtoffer maakte. Van een Iersch heer (die vroeger bij het leger gediend had) en die ook eene club bezocht, waarvan Huxter lid was, had deze laatste vernomen wie het meisje was, op hetwelk deze verwaande kwast zijne helsche kunstgrepen aanwendde; hij dacht er over om haar vader te waarschuwen, enz., enz. Vervolgens liep de brief over het algemeene nieuws, drukte den dank van den schrijver voor de laatste bezending van huis en de konijnen uit, en gaf te verstaan, dat hij volgaarne bereid was verdere geschenken aan te nemen.
Gelijk wij gezegd hebben, was er gemiddeld ééns per jaar gelegenheid voor eene doopplechtigheid op The Warren, en het geval wilde, dat deze plechtigheid den dag nadat Hobnell den brief van zijn schoonbroeder te Londen had ontvangen, plaats had. Het kind (een dotje van een meisje) werd Myra Lucretia gedoopt, naar hare twee peetmoeders, jufvrouw Portman en jufvrouw Pybus van Clavering, en daar Hobnell natuurlijk Sam’s brief aan zijne vrouw had medegedeeld, maakte mevrouw Hobnell hare beide vriendinnen met den gruwelijken inhoud bekend. Het was eene mooie historie, die in den loop van den dag mooi door heel Clavering verteld werd!
Myra verhaalde het geval niet aan hare mama – daarvoor was zij er te veel van ontroerd, maar jufvrouw Pybus behoefde zich daardoor niet te laten weerhouden. Zij sprak over de zaak niet alleen met mevrouw Portman, maar met mijnheer Simcoe en zijne deftige vrouw, met mevrouw Glanders (wier dochters bijtijds de kamer werden uitgezonden), met madame Fribsby, kortom met iedereen, die iets beteekende te Clavering. Met een slinkschen blik op de afbeelding van den dragonder en een innerlijken blik in haar eigene droevige herinneringen, zeide madame Fribsby, dat mannen mannen bleven, en, zoolang zij mannen waren, verleiders zouden zijn; en daarop zeide zij mijmerend eenige regels uit Marmion op, waarin zij verzocht ingelicht te worden, waar minnaars, die bedriegers zijn, zouden moeten rusten? Jufvrouw Pybus kon haar haat, haar afschuw, hare verachting voor een schelm, die tot zulke laagheden in staat was, niet sterk genoeg uitdrukken. Dit waren de gevolgen van te veel toegeeflijkheid in de jeugd, van onbeschoftheid, van losbandigheid, van aristocratischen bluf (het was eene waarheid, dat Pen geweigerd had thee te gaan drinken bij jufvrouw Pybus), van het bijwonen dier schandelijke en afschuwelijke partijen in dat verschrikkelijke hedendaagsche Babylon! Mevrouw Portman moest, tot haar leedwezen, erkennen, dat de noodlottige ingenomenheid zijner moeder den jongen bedorven had; dat zijn voorspoed op de letterkundige loopbaan zijn hoofd op hol had gebracht, en dat zijne booze hartstochten hem de beginselen hadden doen vergeten, die doctor Portman hem in zijne jeugd had ingeprent. Toen Glanders, die snoode dragonderkapitein, door mevrouw Glanders van het voorgevallene onderricht werd, begon hij te fluiten en maakte hij aan het diner koddige toespelingen daarop, tot mevrouw hem een ongevoelig mensch noemde en de meisjes weer de kamer uitzond, daar de kapitein begon te schateren van het lachen. Mijnheer Simcoe vernam het nieuws met kalmte, ofschoon het hem niet onwelkom was; want het bevestigde de meening, die hij altijd van dien rampzaligen jonkman had gekoesterd. Niet dat hij iets bijzonders van hem wist, niet dat hij ooit een regel van zijne gevaarlijke en venijnige werken had gelezen, dat verhoede de hemel; maar wat kon men van zulk een jongeling en van zulk een verschrikkelijk, beklaaglijk, betreurenswaardig gemis van ernst verwachten? Pen leverde het onderwerp voor eene tweede preek in de Kapel der Ruste te Clavering, waarin de gevaren van Londen en het misdadige van het lezen of schrijven van romans, op zekeren Zondagavond voor eene talrijke en belangstellende gemeente werden uiteengezet. Zij wachtten niet af, of hij schuldig dan wel onschuldig zou bevonden worden. Zij namen zijne boosheid als bewezen aan, en onder deze uitstekende zedemeesters was het een wedstrijd, wie den eersten steen op den armen Pen zou werpen.
Onverzeld, en van aandoening en afmatting bezwijkende, wandelde of liever liep mevrouw Pendennis den volgenden dag naar de woning van doctor Portman, om den raad van den goeden man in te roepen. Zij had een naamloozen brief ontvangen; een of ander christen, of christin, had het van zijn of haar plicht geacht, de goede ziel, die nooit iemand leed had gedaan, een dolk in het hart te stooten, – een naamlooze brief vol bijbelteksten, waarin het lot van dergelijke zondaren werd omschreven, alles vergezeld van een uitvoerig verslag van Pen’s misdaden. Zij verkeerde in een staat van schrik en ontroering, jammerlijk om te aanschouwen. De twee of drie uren, dat zij deze foltering had doorstaan, hadden haar verouderd. In haar eerste oogenblikken van ontzetting had zij den brief laten vallen, welken Laura daarop gelezen had. Zij bloosde er over, en beefde over haar gansche lichaam, – maar van toorn. „Die lafaards!” riep zij uit. „Het is niet waar, – neen, moeder, het is niet waar!”
„Het is wel waar, en gij zijt er de oorzaak van, Laura!” antwoordde Helena driftig „Waarom hebt gij hem afgewezen, toen hij u vroeg? Waarom hebt gij mij het hart gebroken, door hem te bedanken? Gij zijt het, die hem tot misdaad gebracht hebt. Gij zijt het, die hem in de armen van die – die vrouw hebt geworpen. Spreek niet tegen mij! Geef mij geen antwoord! Ik zal het u nooit vergeven – nooit! Martha! breng mijn hoed en doek. Ik moet uit. Ik wil niet, dat gij met mij meegaat. Ga weg! Laat mij alleen, hardvochtig kind waarom hebt gij die schande over mijn hoofd gebracht?” En na hare dochter en hare dienstboden gelast te hebben haar ongemoeid te laten, liep zij den weg naar Clavering op.
Na den brief doorgezien te hebben, zeide doctor Portman, die natuurlijk met de tegen den armen Pen ingebrachte beschuldigingen reeds bekend was, dat hij het schrift meende te kennen. De waardige doctor trachtte wellicht in strijd met zijn overtuiging (want hij had, gelijk de meesten onzer, van nature een grooten aanleg om geruchten, die ongunstig voor zijne bekenden luidden, te gelooven), Helena te troosten; hij stelde in het licht, dat de lastertaal van iemand afkomstig was, die zijn naam niet durfde noemen, en dus het werk van een slecht mensch moest zijn; dat de beschuldiging wellicht – waarschijnlijk zelfs – ongegrond was en dat Pen minstens gehoord moest worden voordat hij veroordeeld werd; dat de zoon van zulk eene moeder niet licht zulk eene misdaad zou bedrijven, enz., enz.