Chapter 78 of 85 · 3715 words · ~19 min read

Part 78

Er werd menig diner op de kamers gegeven, waaraan Sir Francis Clavering zich aanhoudend verwaardigde deel te nemen. Zijn eigen huis was gesloten; de opvolger van Mirobolant, die zijne rekeningen zoo voorbarig had ingezonden, was door de verontwaardigde Lady Clavering weggezonden; de weelde in huis werd zeer besnoeid en verminderd. Een der groote lakeien was ontslagen, waarop de andere zijn dienst had opgezegd, daar hij niet verkoos te blijven zonder zijn kameraad, of in eene familie waar slechts één knecht werd gehouden. De begum had algemeene en strenge bezuinigingen in hare huishouding ingevoerd, ten gevolge van de buitensporigheden, waaraan haar nietswaardige echtgenoot zich had schuldig gemaakt. Deze hervormingen werden vlug en met vaste hand doorgezet door den majoor, als raadsman van mylady, door Strong uit naam van den armen Clavering, door den zaakwaarnemer der lady, en door de eerzame begum zelve. Na de schulden van den baronet betaald te hebben, wier regeling heel wat opspraak onder het publiek verwekte en den baronet nog dieper in de schatting der wereld deed dalen dan reeds te voren het geval was geweest, vertrok Lady Clavering in grooten toorn van Londen naar Tunbridge-Wells, zonder haar snooden gemaal te willen zien, met wien niemand medelijden had. Clavering, die volstrekt geen lust had om zijne te recht verontwaardigde vrouw onder de oogen te komen, bleef bedaard in Londen, en sloop het Lagerhuis in en uit, van waar hij met kapitein Raff en den heer Marker ging biljarten en sigaren rooken; hij verscheen in de huizen waar boksers, liefhebbers van jacht of wedrennen enz. bijeenkwamen, of men zag hem nabij Lincoln’s Inn en het kantoor zijner procureurs drentelen, waar de patroons hem uren lieten wachten en de klerken elkander knipoogjes gaven terwijl hij op het kantoor zat. Geen wonder dat hij met genoegen de diners in Shepherd’s Inn bijwoonde, en daaronder zeer gelaten was; wat zeg ik, – gelaten? hij was nergens zoo gelukkig als daar; hij gevoelde zich ongelukkig onder zijne gelijken, die hem verachtten, maar hier was hij de hoofdpersoon aan tafel, waar men aanhoudend „Ja, Sir Francis”, en „Neen, Sir Francis” tegen hem zeide, en waar hij zijne flauwe grappen vertelde en met bevende stem zijn eentonige Fransche liedjes zong, nadat Strong zijne vroolijke refreinen opgedreund en de brave Costigan zijn Iersche balladen voorgedragen had. Zoo’n gezellig huishouden als dat van Strong, met Grady’s Iersche schotels en de door den chevalier aangemaakte punch na het diner, zou een genoegen zijn geweest voor menig beter man dan Clavering, die bang was voor de eenzaamheid van zijn groot huis, waar hij alleen bediend werd door de oude vrouw, die het bewaarde, en door zijn kamerdienaar, die hem bespotte.

„Ja, voor den duivel,” zeide hij tegen zijne vrienden in Shepherd’s Inn; „ik zou mijn knecht wegjagen, als ik hem niet twee jaar loon schuldig was, dien schavuit, en ik kan er mijne vrouw niet om vragen. Hij brengt mij des morgens mijne thee koud, met een verd– tinnen lepeltje, want hij zegt, dat mijne vrouw al het zilver naar den bankier gezonden heeft, omdat het bij mij niet veilig was. Is het niet hard, dat zij mij zelfs geen theelepeltje toevertrouwt? is dat niet onbetamelijk, Altamont? Ge weet, mijne vrouw is van lagen stand dat wil zeggen – ik vraag verschooning – hm – dat wil zeggen, het is barbaarsch van haar, dat zij mij zoo weinig vertrouwen schenkt. Zelfs de bedienden beginnen te lachen – die verwenschte schavuiten! Ik zal hun de beenderen in hunne groote luie lichamen stuk slaan; ik mag verd– wezen als ik het niet doe! Zij komen niet als ik schel; en – en mijn knecht was gisterenavond in den Vauxhall met een van mijne fijne overhemden en mijn fluweelen vest aan – ik weet dat het van mij was, – die verwenschte onbeschaamde schelm – en hij bleef dansen in mijn bijzijn! Hij zal nog eens aan de galg komen – hij verdient opgehangen te worden, en dat verdienen al die helsche schavuiten van knechts.”

Hij was tegenwoordig zeer voorkomend jegens Altamont; hij luisterde naar de pochende verhalen van den kolonel, wanneer Altamont beschreef hoe, toen hij eens van Nieuw Zeeland (waar hij op de walvischvangst was geweest) en naar het vaderland wilde terugkeeren, hij genoodzaakt was geweest met zijne kameraden bij nacht naar boord te sluipen, om, voor den drommel, aan hunne vrouwen te ontsnappen, – en hoe die arme schepsels, toen zij zagen dat het schip onder zeil ging, zich in hare kanoe’s wierpen en het als bezetenen naroeiden; hoe hij eenmaal drie maanden lang in de wildernissen van Nieuw-Zuid-Wallis verdwaald was geweest, toen hij zich voor handelszaken in dat land bevond; hoe hij Bonaparte op St Helena had gezien, en met de overige officieren van den Oostindievaarder, waarop hij stuurman was, aan hem was voorgesteld. Al deze verhalen (en onder het drinken vertelde Altamont veel, waarbij hij, wij moeten het bekennen, heel wat loog en zwetste) hoorde Sir Francis thans met groote oplettendheid aan, terwijl hij steeds aan tafel met Altamont klonk en hem met de meeste onderscheiding behandelde.

„Laat hem maar begaan, ik weet waar hij heen wil,” zeide Altamont lachend tegen Strong, die hem raad wilde geven, „en laat mij ook maar begaan; ik weet zeer goed wat ik zeg. Ik was officier aan boord van een Oostindievaarder, dat was ik; ik heb handel gedreven op Nieuw-Zuid-Wallis, dat heb ik gedaan, met een schip, dat mijn eigendom was, maar hetwelk ik verloren heb. Ik ben officier van den nabob geworden, dat ben ik; doch ik heb met mijn vorstelijken meester oneenigheid gehad, Strong, dat is waar! Wie wint of verliest iets bij hetgeen ik vertel? of wie weet wat van mij? Die andere knaap is dood; hij is in de wildernis doodgeschoten en te Sydney heeft men zijn lijk herkend. Als ik vooronderstelde dat iemand zou klappen, geloof ik, dat ik hem den hals zou omdraaien. Ik heb dat wel meer gedaan, Strong; –ik heb u verteld hoe ik met den opzichter heb afgerekend, voordat ik mij uit de voeten maakte – doch in een eerlijk gevecht, bedoel ik – in een eerlijk gevecht; of liever, hij was er het best aan toe. Hij had zijn geweer en bajonet, en ik slechts eene bijl. Er waren er wel vijftig die het aanzagen, – ja, en zij juichten mij toe, toen ik het deed, – en ik zou het andermaal doen, daar kunt gij staat op maken. Ik ben voor niemand bang; en het zou den man, die iets van mij verklapte, het leven kosten. Dat is mijn stelregel; geef mij nu de cognac nog eens aan. Gij zoudt toch de man niet zijn, om iemand te verraden? Ik ken u. Gij zit een brave kerel, en zult een vriend bijstaan, en gij hebt al den dood onder de oogen gezien, als een man. Maar wat dien bangen gluiper betreft, – dien akeligen leugenaar, dien bedrieger, dien kruipenden hond van een Clavering, – die in mijne schoenen staat – in mijne schoenen – laat hij naar den duivel loopen! Ik zal hem noodzaken mijne laarzen uit te trekken en ze te poetsen, dat zal ik. Ha, ha!” Bij deze woorden barstte hij in een woesten lach uit, waarop Strong opstond en de flesch wegzette. De ander bleef voortlachen, maar nu op eene vroolijke wijze. „Gij hebt gelijk, ouwejongen,” zeide hij; „gij houdt altijd uwe hersens bij elkander, dat is waar – en als ik te veel zou gaan praten – ik bedoel als ik zou gaan klappen, dan geef ik u verlof, ja verzoek en gelast ik u, de flesch weg te zetten.”

„Neem een raad van mij aan, Altamont,” zeide Strong ernstig, „en zie wel toe hoe gij met dien man omgaat. Zorg, dat hij er niet te veel belang bij krijge, u uit den weg te ruimen, want wie weet waartoe hij in staat is?”

Zeer spoedig deed zich het geval voor, waarnaar Altamont met een cyniek genot reeds had uitgezien. Op zekeren dag, toen Strong eene boodschap voor zijn patroon was gaan doen, kwam Sir Francis op de kamers en vond daar den afgezant van den nabob alleen. Hij verwenschte de wereld in het algemeen, omdat zij hardvochtig en onvriendelijk jegens hem was; hij verwenschte zijne vrouw, omdat zij hem niet genoeg geld gaf; hij verwenschte Strong, omdat hij ondankbaar was – honderden ponden had hij Strong gegeven; hij was zijn boezemvriend geweest en had hem, bij den hemel, uit de gevangenis verlost, – en nu trok de kapitein partij voor mylady tegen hem en steunde haar in hare vervloekt onaangename handelwijze jegens hem. „Zij hebben samengespannen om mij zonder een duit te laten zitten, Altamont,” zeide de baronet; „zij geven mij niet zooveel zakgeld al Frans op school heeft.”

„Waarom gaat gij niet naar Richmond om wat van hem te leenen, Clavering?” viel Altamont hier met een woesten lach in. „Hij zou het toch niet kunnen aanzien, dat zijn arme oude bedelaar van een vader zonder zakgeld liep, niet waar?”

„Ik verzeker u, dat ik genoodzaakt ben geweest mij jammerlijk te vernederen,” ging Clavering voort. „Zie eens, mijnheer; kijk deze beleenbriefjes eens aan! Verbeeld u een lid van het parlement en een oud-Engelsch baronet, voor den drommel, verplicht om eene pendule en een ingelegden inktkoker in den lommerd te brengen, en een pressepapier met een gouden eendekop, die mijne vrouw zeker vijf pond gekost heeft, en waarvoor men mij niet meer dan vijftien en een halven shilling wilde geven! O mijnheer, armoede is voor iemand van mijne levenswijze iets heel vernederends; ik heb er tranen om gestort, mijnheer, tranen; en die verwenschte knecht van mij – ik wou dat ik hem zag hangen! – had de verd– onbeschaamdheid mij te dreigen, dat hij het aan mylady zou vertellen; alsof de voorwerpen in mijn eigen huis, niet mijn eigendom waren, die ik kan verkoopen of behouden, of het venster uitwerpen als ik het verkies, – die verwenschte schavuit!”

„Huil maar een beetje; geneer je voor mij niet; het zal je goeddoen, Clavering,” zeide de ander. „Wel, ouwe jongen, wat hield ik je eenmaal voor een gelukkigen kerel, en wat zijt ge in wezenlijkheid een ongelukkig sujet.”

„Het is schande, dat zij mij zoo behandelen, niet waar?” vervolgde Clavering, want ofschoon de baronet gewoonlijk stilzwijgend en lusteloos was, kon hij over zijn eigen ongelukken een uur achtereen jammeren. „En – en, bij den hemel, mijnheer, ik heb niet eens geld genoeg om zelfs de vigilante te betalen, die aan de deur op mij staat te wachten; jufvrouw Bolton, de portierster, heeft mij reeds drie shillings geleend, en ik zou haar niet gaarne om meer vragen; ik heb er dien verd– ouden Costigan, dien verwenschten ouden kalen Ierschen schelm om gevraagd, en die bedelaar was geen shilling rijk; en Campion is uit de stad, anders zou hij wel een wisseltje van mij aannemen.”

„Ik dacht, dat gij op uw woord van eer aan uwe vrouw beloofd hadt, dat gij uw naam niet meer onder wissels zoudt zetten,” zeide Altamont, aan zijne sigaar trekkende.

„Waarom laat zij mij dan zonder zakgeld? Voor den duivel, ik moet geld hebben!” riep de baronet uit. „O Am– O Altamont, ik ben de beklagenswaardigste bedelaar die er loopt.”

„Gij zoudt zeker wel gaarne willen, dat iemand u een bankje van twintig pond leende?” vroeg de ander.

„Ik zou u voor eeuwig dankbaar zijn als gij dat wildet doen, – voor eeuwig dierbaarste vriend,” riep Clavering uit.

„Hoeveel zoudt ge er voor geven? Zoudt ge een wissel op zes maanden voor vijftig pond willen teekenen, wanneer ge de helft in geld en de andere helft in zilverwerk ontvingt?” vroeg Altamont.

„Ja, dat zou ik, zoo waarlijk helpe mij –, en stipt op den dag betalen,” kreet Clavering. „Ik zal den wissel betaalbaar stellen bij mijn bankier. Ik zal alles doen wat gij verkiest.”

„Nu, ik wilde u maar wat plagen. Ik zal u twintig pond geven.”

„Gij hebt vijf en twintig gezegd,” viel Clavering hem in de rede; „beste vriend, gij hebt vijf en twintig gezegd, en ik zal u eeuwig verplicht zijn. Ik wil het niet present hebben, – enkel maar ter leen, en ik zal het u over zes maanden terugbetalen. Ik zweer u, dat ik dat doen zal.”

„Nu, nu, daar is het geld, Sir Francis Clavering. Ik ben geen kwade kerel. Als ik geld op zak heb, voor den drommel, dan verteer ik het als een heer. Daar zijn vijf en twintig pond voor u. Verlies ze nu niet in de speelhellen. Ga naar Clavering Park, dan kunt ge er ik weet niet hoelang van leven. Gij hebt geen vleesch van den slachter noodig; er zullen op uw landgoed zeker wel varkens zijn; en gij kunt elken dag, tot het wild zich vertoont, konijnen schieten voor uw diner. Bovendien zullen de buren u van tijd tot tijd ten eten vragen, want gij zijt toch een wezenlijke baronet, al kost het u ook moeite uit de handen der justitie te blijven. En gij hebt den troost, dat ik voor langen tijd u van den hals zal zijn – misschien wel voor een paar jaar – als ik niet speel, en ik ben ook voornemens dat verwenschte rouge et noir niet meer aan te raken. Tegen dien tijd zal mylady – in mijn tijd placht ik Jimmy tegen haar te zeggen – wel weer bijgedraaid zijn; en dan zult gij zeker mij wel te hulp komen en u mild betoonen jegens uw boezemvriend.”

Op dit oogenblik kwam Strong terug en de baronet stelde, nu hij het geld was machtig geworden, niet veel belang in de voortzetting van het gesprek. Hij verliet dus Shepherd’s Inn, keerde naar huis terug, en veegde zijn knecht op eene zoo ongemeen heftige en brutale wijze den mantel uit, dat de man er uit opmaakte, dat zijn meester nog meer van het meubilair verpand had, of in ieder geval in het bezit van wat gereed geld was gekomen.

„En echter heb ik in huis rondgekeken, Morgan, zonder te kunnen ontdekken, dat hij iets meer weggenomen heeft,” zeide Sir Francis’ knecht tegen den kamerdienaar van majoor Pendennis, toen zij elkander kort daarna in hunne club spraken. „Mylady heeft vóór haar vertrek bijna al de buffetten afgesloten; de schilderijen en spiegels kon hij niet in eene vigilante wegvoeren, en de haardstellen zou hij toch niet verpanden – zoo gemeen is hij nog niet. Maar hij heeft op de een of andere wijze geld weten te bekomen, want hij is verduiveld onbeschoft zoodra hij bij kas is. Eenige avonden geleden zag ik hem in den Vauxhall, waar ik met de meisjes van Lady Hemly Babewood polkeerde (het is daar een heel pleizierig huis en het zijn er alle buitengewoon aardige meisjes, behalve de huishoudster, en die behoort tot de methodisten) – ik was dan aan het polkeeren – gij zijt een veel te ouwe vogel om te polkeeren, mijnheer Morgan – en dit gaat op uwe gezondheid – en ik had bij toeval wat van Clavering’s kleeren aan, en dat zag hij ook, maar hij durfde er geen woord van zeggen.”

„Hoe staat het met het huis in St. John’s Wood?” vroeg mijnheer Morgan.

„Daar is gerechtelijke verkooping. Alles wordt verkocht: de paarden, de piano, het rijtuig, in één woord alles. Mevrouw Montague Rivers is weg naar Boulogne. Zij is weg, Morgan. Ik voor mij geloof, dat zij zelve den gerechtelijken verkoop uitgelokt heeft en van hem af wilde zijn.”

„Speelt hij veel?” vroeg Morgan.

„Niet sedert de boel in duigen is gevallen. Toen uw ouwe en de procureurs en mylady die geweldige ruzie met hem hadden, viel hij op de knieën (zooals mylady aan jufvrouw Bonner heeft verteld, die het mij weer heeft overgebracht) en zwoer dat hij nooit meer eene kaart of een dobbelsteen zou aanraken, noch zijn naam op een stuk papier zou zetten, en mylady stond op het punt om hem de banknoten te geven om de schuld, die hij bij de wedrennen gemaakt had, af te doen; maar uw ouwe zeide (dat wil zeggen hij schreef het op een papiertje en schoof dit over de tafel naar de procureurs en mylady), dat het beter was, dat iemand anders de uitbetaling deed, want dat hij wat van het geld zou achterhouden. Het is een leepe ouwe vogel, jou ouwe!”

Die uitdrukking van „ouwe vogel”, door den jongen heer zou lichtvaardig op hem zelven en zijn meester toegepast, mishaagde mijnheer Morgan in de hoogste mate. Toen mijnheer Lightfoot die ergerlijke woorden voor de eerste maal gebruikte, bleek de boosheid van zijn kameraad slechts uit een zwijgend wenkbrauwfronsen; maar bij de tweede overtreding nam Morgan, die op sierlijke wijze eene sigaar rookte, welke hij op de punt van zijn pennemes gestoken had, die sigaar uit zijn mond en begon zijn jongen vriend te berispen.

„Wees zoo goed, Lightfoot, majoor Pendennis geen ouwe vogel te noemen, en mij evenmin dien naam te geven. Dergelijke woorden worden in fatsoenlijk gezelschap niet gebruikt, en wij hebben zoowel hier als in het buitenland in de eerste kringen verkeerd. Wij hebben met de eerste staatslieden van Europa op den vertrouwelijksten voet gestaan. Als wij buitenslands zijn, dineeren wij altijd bij prins Metternich en Louis Philippe. Wij komen hier in de eerste huizen, de allereerste, dat verzeker ik u. Wij gaan uit rijden met Lord John Russell en met burggraaf Palmerston, die aan het hoofd van het departement van buitenlandsche zaken staat. Wij dineeren bij den graaf van Burgrave en worden door den markies van Steyne over alles geraadpleegd. Wij behooren dus wel het een en ander te weten, mijnheer Lightfoot. Gij zijt een jongmensch, ik ben een ouwe vogel, zooals gij het noemt. Wij hebben beiden de wereld gezien, en wij weten beiden, dat alles niet afhangt van geld, noch van een baronetstitel, noch van een huis in de stad en een landgoed, noch van een miserabele vijf of zes duizend pond ’s jaars.”

„Het zijn er tien, mijnheer Morgan!” riep mijnheer Lightfoot met groote levendigheid uit.

„Die kunnen er geweest zijn, mijnheer,” antwoordde Morgan met kalme gestrengheid; „die kunnen er geweest zijn, mijnheer Lightfoot; maar thans zijn er geen zes meer, mijnheer, en misschien geen vijf. Er is drommels diep in het kapitaal gehakt, mijnheer, door de verwenschte verkwisting van uw meester met zijn dobbelen en zijne schuldbekentenissen en zijn huisje in Regents Park en zijne vele euveldaden. Het is een slecht mensch, mijnheer Lightfoot, – een slecht mensch, mijnheer, gelijk gij ook wel weet. En het is het geld niet, mijnheer – in elk geval zulk geld niet, dat van een Calcuttaasch procureur komt en zeker wel aan de arme hongerlijdende zwarten afgeperst is – dat aan een persoon aanzien in de maatschappij verschaft, zooals gij zeer goed weet. Wij hebben geen geld, maar wij komen overal; er is geene huishoudsterskamer van eenig belang in deze stad, mijnheer, waar James Morgan niet welkom is. En ik ben het geweest, Lightfoot, die u den toegang tot deze club heb verschaft, gelijk u bekend is, al ben ik maar een ouwe kraai, en zonder mijne ondersteuning zouden zij u gedeballoteerd hebben, zoo waar ik leef!”

„Ik weet het best, mijnheer Morgan,” zeide de ander met de meeste onderdanigheid.

„Welnu, mijnheer, noem mij dan niet meer ouwe kraai. Het staat niet fatsoenlijk, Frederik Lightfoot; ik heb u gekend toen gij als jongen den kost verdiendet met de portieren der vigilantes te openen en toen uw vader in moeielijkheden zat, en ik was het, die u de betrekking bezorgde toen die Franschman heenging. En al zijt gij voornemens met jufvrouw Bonner te trouwen, die wel een paar duizend pond kan hebben overgespaard (dat zal zij wel in de vijf en twintig jaar, dat zij de vertrouwde kamenier van Lady Clavering is geweest), zoo moet gij echter altijd in gedachte houden, mijnheer, wie u dien dienst bezorgd heeft, en wie het is, die weet wat gij te voren waart, mijnheer; en dus past het u niet, Frederik Lightfoot, mij een ouwe kraai te noemen.”

„Ik vraag u vergiffenis, mijnheer Morgan – ik kan toch niet méér doen dan schuld bekennen. Mag ik u een glaasje aanbieden en op uwe gezondheid drinken, mijnheer?”

„Gij weet, dat ik geen sterken drank gebruik, Lightfoot,” gaf Morgan bevredigd ten antwoord. „En dus gaat gij met jufvrouw Bonner trouwen, inderdaad?”

„Zij is oud, maar twee duizend pond is geen onbelangrijke som – begrijpt ge, mijnheer Morgan? Wij kunnen het Wapen van Clavering voor eene kleinigheid krijgen, en dat zal geen slechte speculatie zijn wanneer de spoorweg door Clavering loopt. En als wij er gevestigd zijn, hopen wij, mijnheer Morgan, dat gij er ons eens zult komen opzoeken.”

„Het is eene doodsche plaats, zonder goed gezelschap,” zeide mijnheer Morgan. „Ik ken ze zeer goed. In den tijd van mevrouw Pendennis plachten wij geregeld daarheen te gaan, en de buitenlucht frischte mij geheel op na de vermoeienissen van het Londensche leven.”

„De spoorweg zal mijnheer Arthur’s eigendommen in waarde doen stijgen,” merkte Lightfoot aan. „Hoeveel zoudt gij wel denken, mijnheer, dat zij jaarlijks opbrengen?”

„Iets minder dan vijftienhonderd pond, mijnheer,” gaf Morgan ten antwoord, waarop de ander, die de uitgebreidheid der landerijen van den armen Arthur kende, zijne tong tegen de wang duwde, maar wijselijk het stilzwijgen bewaarde.

„Is zijn knecht een aardig mensch, mijnheer Morgan?” hervatte Lightfoot.

„Pidgeon is nog niet aan goed gezelschap gewend; maar hij is nog jong, hij bezit goeden aanleg en heeft vrij veel gelezen, en ik geloof, dat hij zeer goed zal voldoen,” gaf Morgan ten antwoord. „Hij zou voor onze betrekkingen niet passen, Lightfoot, – hij heeft de wereld nog niet gezien.”

Toen de halve flesch sherry, die mijnheer Lightfoot, na mijnheer Morgan’s verklaring dat hij geen sterken drank gebruikte, besteld had, door de beide heeren gedronken was, waarbij zij den wijn tegen het licht hielden en met hunne lippen smakten en er knipoogjes tegen maakten, en den kastelein over de qualiteit plaagden, op de wijze van doorknede kenners, was Morgan’s gestoorde kalmte geheel hersteld en geraakte hij in eene stemming om zijn jongen vriend met de meeste welwillendheid te behandelen.

„Wat denkt gij van jufvrouw Amory, Lightfoot – vertel het mij eens in vertrouwen. Zoudt gij gelooven, dat wij verstandig zouden handelen – ge begrijpt mij wel – indien wij jufvrouw A. tot mevrouw A. P. maakten, comprenez vous?”