Chapter 40 of 85 · 3848 words · ~19 min read

Part 40

„Ik denk, dat hij het heel wel maakt,” zeide de kapitein, met het geld in zijn zak rammelende en the little Doodeen neuriënde, een lied, waarmede hij in het Fielding’s Head grooten roem had verworven. „Mijn beste jongen – ik heb alweer uw naam vergeten – maar de mijne is Costigan, Jack Costigan, en gij zult mij pleizier doen, zooveel glazen punch voor mijne rekening te nemen als gij lust. Gij weet hoe ik heet; ik schaam mij niet over mijn naam.” En op deze en dergelijke wijze bleef de kapitein voortsnateren.

„Het is bij den generaal betaaldag,” zeide mijnheer Hodgen, de baszanger, met wien Warrington in druk gesprek gewikkeld was; „hij is al ver boven zijn theewater. Even voor dat ik Ring Death zong, heeft hij zijn Little Doodeen willen aanheffen, maar het bleef hem in de keel steken. Hebt ge mijn nieuw lied de Lijkendief gehoord, mijnheer Warrington? In de Saint Bartholomew-zaal heb ik het onlangs op vereerend verlangen tweemaal op één avond moeten zingen. Het is opzettelijk voor mij gecomponeerd. Misschien zoudt gij, of mijnheer uw vriend, wel een exemplaar van het lied willen hebben? John, wees zoo goed en geef eens een „Lijkendief” hier. Mijn portret staat op den omslag, mijnheer; – in het costuum van den Dief, zooals ik het zing – en het wordt als zeer welgelijkend beschouwd.”

„Ik dank je er voor,” zeide Warrington; „ik heb het al negenmaal gehoord en ken het van buiten, Hodgen.”

Op dit oogenblik begon de heer, die aan de piano zat, zijn instrument te bespelen, en toen Pen naar dien kant keek, zag hij mijnheer Bows in eigen persoon, naar wien hij zoo even gevraagd had, en dien Costigan tijdelijk geheel scheen vergeten te hebben. Het oude mannetje zat aan de afgerammelde piano (die haar gestel erg ondermijnd had door zooveel avonden op te blijven en nu slechts eene heesche en zwakke stem liet hooren) en accompagneerde de zangen, of speelde in de pauzen, tusschen de liederen met smaak en gevoel.

Bows had Pen, zoodra hij in de zaal kwam, gezien en herkend, en opgemerkt met hoeveel voorkomendheid en warmte de jonkman de kennis met Costigan hernieuwd had. Hij begon eene melodie te spelen, die Pen zich dadelijk herinnerde, dat door het koor der dorpelingen in Menschenhaat en berouw gezongen wordt, even voor dat Mevrouw Haller optreedt. Toen Pen dit hoorde, werd hij aangedaan. Het kwam hem weer voor den geest, hoe zijn hart klopte als dat air gespeeld werd voordat zijne goddelijke Emily verscheen. Niemand buiten Arthur gaf eenig acht op het spelen van den ouden Bows; men hoorde het nauwelijks te midden van het gekletter van vorken en messen, het geroep om eieren en nieren, en het geloop van gasten en knechts.

Pen ging naar Bows toen het stuk uit was en drukte hem hartelijk de hand, terwijl Bows hem van zijn kant met veel eerbied en gelijke hartelijkheid verwelkomde. „Zoo! gij hebt dus het oude wijsje niet vergeten, mijnheer Pendennis?” zeide hij; „ik dacht wel, dat gij het u herinneren zoudt. Ik geloof, dat het de eerste melodie van dien aard was, die gij ooit hadt hooren spelen, – niet waar, mijnheer? Gij waart toen nog zeer jong. De kapitein heeft het erg beet van avond, naar ik vrees. Hij gaat zich op betaaldag altijd te buiten; en ik zal heel wat moeite hebben, om hem naar huis te krijgen. Wij wonen bij elkander; want wij zijn nog altijd compagnons, mijnheer, ofschoon jufvrouw Em – Lady Mirabel uit de firma is getreden. En dus herinnert gij u den ouden tijd nog? Zij was toch eene eerste schoonheid, niet waar, mijnheer? Op uwe gezondheid;” – en bij die woorden nam hij eene teug uit de tinnen kan met porter, die naast hem stond.

Pen had later nog menige gelegenheid om zijne vroegere bekenden te zien en zijne betrekkingen met Costigan en den ouden muzikant te hernieuwen.

Terwijl zij dus in vriendschappelijk gesprek bijeen zaten, gingen bezoekers van allerlei soort en stand deze plaats van uitspanning in en uit, zoodat Pen het genoegen had zooveel verschillende exemplaren van zijn ras te zien als de ijverigste waarnemer kon wenschen. Boeren en handelaars van het platteland, wien de gezondheid op het gezicht geschilderd stond en die zich voor zaken te Londen bevonden, kwamen zich verkwikken aan de vroolijke liedjes en soupers in de Achterkeuken, – groepen leerlingen en winkelbedienden, over wier arbeid de luiken gesloten waren, kwamen herwaarts, zeker om een luchtje te scheppen, – winderige, vroolijke en rumoerige studenten in de medicijnen, opzichtig gekleed en toch (moeten wij het zeggen?) een beetje smerig, zaten hier te rooken en te drinken en juichten de liedjes daverend toe, – jonge studenten van de academie vond men hier ook, die zich kenbaar maakten door dien onbeschrijfelijk gemaakten toon, dien men alleen aan de knieën der Alma Mater leert, – en fatterige officieren van de garde en pretentieuse dandy’s uit de clubs in St. James Street, – ja, Engelsche en Iersche leden van het Lagerhuis, en zelfs leden van het Hoogerhuis.

De baszanger had ongeloofelijken opgang gemaakt met zijn lied de Lijkendief en de gansche stad liep er heen, om het te hooren. Er werd eene gordijn ter zijde geschoven, en nu zag men mijnheer Hodgen in de rol van den Dief, op eene doodkist gezeten, met eene flesch jenever vóór hem staande, en verder eene spade en eene kaars in een doodshoofd gestoken. Hij zong het lied inderdaad op bewonderenswaardige wijze en met huiveringwekkenden humor. De zanger liet zijne stem zoo diep dalen, dat zij als het ware door de ontzette ziel van den toehoorder heendaverde; en onder het koor stampte hij met zijne spade en liet hij een duivelsch: „Ha! ha!” hooren, dat de glazen op tafel als van schrik deed rammelen. Geen der andere zangers, zelfs Cutts niet, gelijk die groothartige man zelf erkende, kon zich met de Lijkendief meten, en doorgaans begaf hij zich ook naar de kamer van jufvrouw Cutts of in het buffet, voordat dit noodlottige lied hem de nederlaag toebracht. Little Doodeen, de ballade van den armen Cos, door Bows zoo lief op de piano geaccompagneerd, werd slechts voor eene handvol bewonderaars gezongen, die, na het vervaarlijke lied der lijkendieven, nog bleven hangen. Na dat muziekstuk liep de zaal meestal leeg en bleven er alleen eenige weinige volhardende najagers van het vermaak over.

Terwijl Pen en zijn vriend hier op zekeren avond, of liever morgen, bij elkander zaten, kwamen er twee habitués dezer plaats bijna te gelijk binnen. „Mijnheer Hoolan en mijnheer Doolan,” fluisterde Warrington aan Pen toe, terwijl hij die heeren groette, en in den laatsten herkende Pen zijn vriend van de diligence Alacrity, die, toen Pen hem uitnoodigde om mede te gaan dineeren, daaraan niet had kunnen voldoen, daar zijne beroepsbezigheden hem dit op Vrijdag beletten, gelijk hij met zijne complimenten aan mijnheer Pendennis had doen weten.

Doolan’s blad de Dageraad lag, erg met porter bevlekt, op tafel, rakelings bij Hoolan’s blad, dat wij de Dag zullen noemen; de Dageraad was liberaal en de Dag ultraconservatief. De staf van vele onzer bladen bestaat uit Iersche heeren, wier dappere brigade onder ons de pen voert, gelijk hunne voorouders in geheel Europa het zwaard voerden; zij verhuren zich onder allerlei vlag en zijn onderling goede vrienden zoodra de strijd voorbij is.

„Nieren, John, en een glas stout,” roept Hoolan. „Hoe gaat het, Morgan? hoe vaart mevrouw Doolan?”

„Dank je, heel wel, Mick, ouwe jongen – en bovendien zij is er aan gewoon,” zeide Doolan. „Hoe vaart de dame, die u in eigendom heeft? Misschien kom ik Zondag wel eens aanwippen om een glas punch te halen, op Kilburnsche manier.”

„Breng uw Patsey niet mee, Mick, want onze George heeft de mazelen,” zeide de welwillende Morgan, en dadelijk begonnen zij te spreken over zaken van hun beroep; de buitenlandsche posten, wie de correspondent te Parijs was en wie de brieven uit Madrid schreef; wat de koeriers wel aan het Morgenblad kostten, hoe groot de oplaag van de Avondster was, enz.

Lachend nam Warrington de Dageraad op, die vóór hem lag, en wees op een der hoofdartikelen van het blad, dat aldus begon:

„Gelijk de schurken in vroeger tijd, die een werk der duisternis in den zin hadden, zooals het uit den weg ruimen van een vijand, het in omloop brengen van valsch geld, het uitstrooien van een leugen, of het plegen van een moord, een meineedige of moordenaar van beroep gebruikten om het werk te doen, dat zij te bekend of te laf waren om zelven te verrichten, zoo bezigt onze beruchte zuster de Dag schavuiten buitensdeurs, om lastertaal tegen bijzondere personen te verspreiden, en roept bandieten te hulp, om den goeden naam dergenen, die haar hinderen, te bezwalken. Een schelm, die zijn gelaat met een zwart masker bedekt (maar dien wij zullen ontsluieren), en die onder den pseudoniem van Klaverblad schrijft, is op dit oogenblik een der voornaamste sluipmoordenaars op het bureau onzer zuster. Hij is de gesnedene, die de zijden koord overbrengt en op order van de Dag de slachtoffers worgt. Wij kunnen dezen lafhartigen slaaf beschamen en zullen dit ook doen. De beschuldiging, die hij heeft ingebracht tegen Lord Bangbanagher, omdat hij een liberaal Iersch pair is, en tegen de Commissie van verpleging van het armendistrict van Bangbanagher, is,” enz.

„Hoe vonden zij dit artikel op uw bureau, Mick?” vroeg Morgan; „als de kapitein er zich mee bemoeit, kan geen mensch het hem nadoen in de kunst om een moorddadig artikel te schrijven. Hij schreef het in twee uren – in de – ft! – gij weet wel waar, – terwijl de drukkersjongen zat te wachten.”

„Onze ouwe gelooft, dat het publiek geen pijp tabak geeft om al dat courantengekibbel,” antwoordde de ander. „Zij bespraken met hun beiden de zaak, op mijne kamer. De doctor had het nog wel willen voortzetten, want hij zegt, dat het zoo gemakkelijk van de hand gaat en men er niets voor behoeft na te zoeken en na te lezen, zooals voor de andere artikelen; maar de ouwe sneed hem den pas af.”

„De smaak voor de welsprekendheid sterft uit, Mick,” zeide Morgan.

„Ja, dat is zoo, Morgan,” zeide Mick. „Dat mocht eerst mooie stijl heeten, toen de doctor in de Phenix schreef, en hij en Condy Roony elkander dag op dag in de veeren zaten.”

„En evengoed met kruit en kogels als met papier,” zeide Morgan. „Ge weet, de doctor duelleerde tweemaal, en Condy Roony raakte hem in zijne vlerk.”

„Zij spreken over doctor Boyne en kapitein Shandon,” zeide Warrington, „de beide Iersche kemphanen van de Dageraad en de Dag; doctor Boyne is de kampioen der protestanten en kapitein Shandon de woordvoerder der liberalen. Ik geloof dat zij de beste vrienden ter wereld zijn, in weerwil van hunne gevechten in de nieuwsbladen; en ofschoon zij het uitschreeuwen, dat de Engelschen hun vaderland belasteren, durf ik verzekeren, dat zij zelve in één enkel artikel meer kwaad daarvan spreken, dan wij in een dozijn boekdeelen. Hoe vaar je, Doolan?”

„Dank je, heel wel, mijnheer Warrington. Het doet mij genoegen, mijnheer Pendennis, dat ik u weer mag zien. Die nachtreis boven op de Alacrity was een der aangenaamste, die ik van mijn leven gedaan heb, en het was uwe opgeruimdheid en wellevendheid, die dat tochtje zoo genoeglijk maakte. Ik heb nog dikwijls aan dien pleizierigen avond geacht, mijnheer, en met mijne vrouw er over gesproken. Uw eleganten jongen vriend, mijnheer Foker, heb ik ook dikwerf hier gezien. Hij komt tusschenbeide hier, waar men het ook inderdaad zeer goed heeft. Toen ik met u reisde, mijnheer Pendennis, was ik aan het Tom en Jerry Weekblad; thans heb ik de eer onderredacteur van de Dageraad te zijn, een der best geschreven bladen in het land,” – en hierbij maakte hij eene lichte buiging tegen mijnheer Warrington. Hij sprak zalvend en bescheiden en legde eene oostersche wellevendheid aan den dag, terwijl zijn toon, als hij met de beide Engelschen sprak, geheel verschillend was van dien, waarop hij zich met zijn makker onderhield.

„Te drommel! waarom maakt de kerel zooveel complimenten?” bromde Warrington op een spottenden toon, dien hij zich nauwelijks de moeite gaf te verbergen. „Zoo! wie komt daar aan? De gansche Parnassus schijnt van avond uit te zijn! Daar is Archer. Nu zullen wij pret hebben! Wel, Archer, is de parlementszitting gedaan?”

„Ik ben niet daar geweest. Ik was ergens,” zeide Archer met een zeer geheimzinnig gezicht, „van waar ik niet wegblijven kon. John, geef mij iets te eten – iets stevigs. Ik heb een hekel aan die voorname lui, waar men niets te eten krijgt. Als ik bij den hertog van Wellington, op Apsley House, was geweest, zou het een heel ander geval zijn. De hertog weet waarvan ik houd en zegt tegen zijn kamerdienaar: „Martijn, laat naar gewoonte wat koud vleesch, niet al te gaar, en eene flesch pale ale met wat sherry in mijn kabinet gereed zetten; Archer komt van avond.” De hertog zelf eet ’s avonds niet, maar hij ziet een mensch gaarne smakelijk eten en weet, dat ik vroeg dineer. Voor den drommel, men kan niet van de lucht leven!”

„Laat ik u mijn vriend, mijnheer Pendennis, voorstellen,” zeide Warrington met den grootsten ernst. „Pen, dit is mijnheer Archer, over wien gij mij hebt hooren spreken. Gij, mijnheer Archer, die iedereen kent, moet Pen’s oom, den majoor, kennen?”

„Ik heb eergisteren nog met hem op Gaunt House gedineerd,” zeide Archer. „Wij waren met ons vieren: de Fransche ambassadeur, Steyne, en wij beiden burgerlui.”

„Wel! mijn oom is in Schot–”, wilde Pen uitbarsten, maar Warrington trapte hem onder tafel op de teenen, tot teeken, dat hij zich moest stilhouden.

„Het was over dezelfde zaak, dat ik van avond op het paleis moest zijn,” ging Archer argeloos voort, „waar men mij vier uren in eene anti-chambre heeft laten wachten, met niets tot afleiding dan de Times van gisteren, die ik van buiten kende, daar ik zelf drie der hoofdartikelen geschreven had; en ofschoon de lord-kamerheer viermaal binnenkwam, eens zelfs met het theekopje en schoteltje voor den koning in zijne hand, zeide hij niet eens tegen mij: „Wilt ge een kop thee, Archer?”

„Wel, wat is er dan nu weer gaande?” vroeg Warrington, en vervolgde tegen Pen: „Gij weet zeker wel, dat, als men ten hove in de eene, of andere moeielijkheid verkeert, altijd de heer Archer ontboden wordt.”

„Er bestaat inderdaad eene moeielijkheid,” zeide mijnheer Archer, „en daar het toch over een paar dagen in de geheele stad bekend zal zijn, kan ik het wel vertellen. Toen ik, bij de laatste wedrennen te Chantilly, Brian Boru voor mijn ouden vriend, den hertog van Saint-Cloud, bereed, zeide de oude koning tegen mij: „Archer, ik maak mij ongerust over Saint-Cloud. Ik heb zijn huwelijk met prinses Marie Cunegonde in orde gebracht; de vrede van Europa hangt er van af, – want Rusland zal den oorlog verklaren, indien het huwelijk niet doorgaat, en de jonge gek is zoo dol op mevrouw Massena, dat hij tot het huwelijk niet wil toetreden.” Nu, mijnheer, ik heb er Saint-Cloud over onderhouden, en daar ik hem in goed humeur gebracht had, door den wedren en nog een aardig sommetje op den koop toe voor hem te winnen, zeide hij tegen mij: „Archer, zeg den ouwe maar, dat ik er nog eens over denken zal.”

„Hoe heet „ouwe” in het Fransch?” vroeg Pen, die zich niet weinig op zijne grondige kennis van die taal liet voorstaan.

„O, wij spreken Engelsch. Ik leerde het hem toen wij nog jongens waren en ik hem het leven te Twickenham redde, bij gelegenheid, dat hij uit een schuitje in het water viel,” zeide Archer, „Ik zal nooit den blik vergeten, dien de koningin op mij sloeg toen ik hem aan wal bracht. Zij schonk mij dezen diamanten ring en noemt mij tot den huidigen dag bij mijn vóórnaam, Charles.”

„Mevrouw Massena moet nu tamelijk oud zijn, Archer,” zeide Warrington.

„Verduiveld oud – oud genoeg om zijne grootmoeder te zijn, en dat heb ik hem ook gezegd, gaf Archer zonder aarzelen ten antwoord. „Maar die verliefdheden op oude vrouwen zijn drommelsche dingen! Dat gevoelt de koning ook en dat brengt de arme koningin evenzeer van stuk. Verleden Dinsdag hebben zij Parijs verlaten en op het oogenblik bevinden zij zich in het Hotel Jaunay.”

„Zijn zij in het geheim getrouwd, Archer?” vroeg Warrington.

„Daar weet ik niets van,” hernam Archer, „ik weet alleen, dat men mij op het paleis vier uren heeft laten wachten; dat ik nooit iemand zoo ontroerd heb gezien als den koning van België toen hij bij mij kwam, om mij te spreken, en dat ik een honger heb als een paard; maar daar komt mijn souper.”

„Hij is heden avond vrij wel op zijn praatstoel geweest, zeide Warrington toen hij met Pen naar huis ging; „maar ik heb hem vrij wat erger hooren doorslaan, zoodat men niet wist hoe men het met hem had. Als men die snoeverij buiten aanmerking laat, is Archer een knap en braaf man – een vlijtig arbeider, een uitmuntend vriend, en als echtgenoot, vader en zoon onberispelijk.”

„Om welke reden zwetst hij dan op zulk eene ongehoorde manier?”

„Dat is eene onschadelijke streep, die er doorheen loopt,” gaf Warrington ten antwoord. „Hij heeft door zijn praten nooit iemand benadeeld en van geen mensch ooit kwaad gesproken. In de politiek is hij daarenboven zeer standvastig en zou hij nooit iets schrijven of doen ten nadeele van zijne partij, gelijk velen van ons doen.”

„Van ons? Wie zijn dan wij?” vroeg Pen. „Wat is mijnheer Archer’s beroep?”

„Hij behoort tot het gilde der mannen van de pen – of van de pers, beste jongen, die de vierde macht in den staat is,” zeide Warrington.

„Behoort gij dan ook tot dat gilde?” vroeg Pendennis.

„Daarover zullen wij later nog wel eens spreken,” gaf de ander ten antwoord. Dus pratende, kwamen zij door het Strand en voorbij een dagblad-bureau, dat van boven tot onderen verlicht was en een schitterenden glans verspreidde. Berichtgevers kwamen de deur uit, of snelden in vigilantes aan; in de kamers der redacteurs stonden de lampen helder te branden, en op de bovenverdieping waren de zetters aan het werk; uit al de vensters van het gebouw straalde de gloed van gaslicht naar buiten.

„Zie dat eens aan, Pen,” zeide Warrington. „Daar hebt gij het vóór u – het groote werktuig, dat nooit rust. Het heeft zijne ambassadeurs in alle werelddeelen; zijne koeriers rennen op alle wegen. Zijne officieren trekken met alle legers uit, en zijne afgevaardigden treden de kabinetten der staatslieden binnen. Zij zijn alomtegenwoordig. Dat dagblad heeft een agent, die op het oogenblik te Madrid degenen omkoopt, die hij noodig heeft, en een anderen, die den prijs der aardappelen op de Covent Garden markt noteert. Kijk, daar komt de buitenlandsche expresse aan. Morgen zullen zij den minister van buitenlandsche zaken iets doen vernemen, dat hij nog niet weet. De effecten zullen daardoor rijzen of dalen; het winnen of verliezen van fortuinen zal er het gevolg van zijn; Lord B. zal in het Hoogerhuis met het dagblad in de hand opstaan en, als hij ziet, dat de minister aanwezig is, eene indrukwekkende rede houden. En mijnheer Doolan zal van zijn souper in de Achterkeuken worden weggeroepen, want hij is onderredacteur voor het buitenlandsche nieuws, en moet dit in de persrevisie nalezen eer hij naar bed gaat.”

Onder deze en dergelijke gesprekken traden de vrienden hunne woning binnen, op het oogenblik dat de dageraad begon aan te breken.

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN DE DRUKKERSJONGEN AAN DE DEUR KOMT.

Te midden van zijne uitspanningen en vermaken, die bescheiden genoeg en, zoo al niet fijn, ten minste goedkoop waren, zag Pen een vreeselijk zwaard boven zijn hoofd hangen, dat eerlang moest nederstorten en een einde aan zijne pret en feestgelagen zou maken. Zijn geld was bijna op. De contributie voor zijne club had er een derde van verslonden. Hij had de voornaamste meubelstukken moeten betalen, waarmee hij zijn slaapkamertje voorzien had. Kortom, hij was aan zijn laatste bankbriefje van vijf pond gekomen, en wist geen middel te bedenken om het aan een opvolger te helpen; want onze vriend was tot nog toe als een jonge prins behandeld, of liever als een kind in de lange kleeren, dat dadelijk van zijne moeder voedsel krijgt, zoodra het schreeuwt.

Warrington wist niet, over welke middelen zijn makker beschikken kon. Daar Pen een eenig kind was, met eene moeder, die op eene buitenplaats woonde, en een ouden dandy van een oom, die elken dag met een groot heer dineerde, kon de ander niet weten, dat Pen geene aanzienlijke inkomsten had. Hij bezat gouden kettingen en eene toiletdoos, waarvoor een lord zich niet had behoeven te schamen. Zijne manier van leven was aristocratisch; wel was hij niet verkwistend; want met de meeste opgeruimdheid dineerde hij met eene kan porter en eene portie vleesch uit eene restauratie, waarbij hij de grootste tevredenheid en een goeden eetlust aan den dag legde, maar hij kon er niet toe komen om het, zooals men zegt, uit te rekenen. Hij kon niet besluiten, om maar een dubbeltje aan den knecht te geven; hij kon niet nalaten eene vigilante te nemen als hij er lust toe had, of als het regende, en even zeker als hij de vigilante nam, betaalde hij den koetsier te veel. Hij had een afkeer van gewasschen handschoenen en dergelijke kleine bezuinigingen. Hij had bezwaarlijk milder kunnen zijn, als hij tien duizend pond ’s jaars te wachten had gehad; en zoodra een bedelaar met eene aandoenlijke geschiedenis, of een paar aardige kinderen met pruilende gezichtjes hem in den weg kwamen, kon hij de hand niet uit zijn zak houden. Het was bij hem misschien eene grootschheid van karakter, die zich niet verledigen kon om op geld te letten; eene aangeboren edelmoedigheid en goedgeefschheid; en misschien eene kleine ijdelheid, die zich door lof, al ware het maar de lof van koffieknechts en koetsiers, gestreeld gevoelde. Ik geloof, dat de meest wijzen onder ons niet weten wat onze eigen beweegredenen zijn, en dat sommige handelingen, waarop wij ons het meest verheffen, ons zullen verbazen als wij, gelijk eenmaal het geval zal zijn, tot de ware bron daarvan opklimmen.

Warrington kende dus de geldelijke omstandigheden van Pen niet, die deze ook niet had goedgevonden hem toe te vertrouwen. Dat Pen aan de academie vroolijk geleefd had en zeer spilziek was geweest, wist de ander; iedereen was daar spilziek en vroolijk; maar hoe groot de verteringen van den zoon en hoe klein de inkomsten der moeder waren, dit waren punten, die men nog niet ter kennis van mijnheer Warrington gebracht had.

Eindelijk brak de bom los, toen Pen met een zuur gezicht naar het geld keek, nadat hij zijn bankje gewisseld had, en dat naast Warrington’s bierkan op het schenkblad uit de herberg lag.

„Dat is de laatste roze,” zeide Pen; „hare gelijken zijn reeds lang verdwenen, en nu heeft ook zij hare bladeren afgeworpen.” En daarop verhaalde hij Warrington alles wat wij weten van het fortuin zijner moeder, zijne eigen dwaasheden en Laura’s edelmoedigheid, hetgeen, Warrington onder het rooken van zijne pijp aandachtig aanhoorde.