Part 5
Mijnheer Foker gedroeg zich geheel anders. Hij informeerde naar den welstand van Rincer en hoe het met de koude in zijn hoofd ging, gaf aan jufvrouw Rincer een raadsel op, vroeg aan de jonge jufvrouw Rincer wanneer zij hem het jawoord zou geven, en zeide eenige vleierijen aan jufvrouw Brett, het meisje, dat het buffet bediende, en dit alles binnen den tijd van eene minuut en met eene levendigheid en eene grappigheid, die al deze dames aan het giggelen bracht; en hij klokte met zijne tong, ten bewijze van zijne groote voldoening, toen hij het drankje naar binnen goot, dat de jonge jufvrouw Rincer klaargemaakt en hem toegereikt had.
„Ook een slokje hebben?” vroeg hij aan Pen. „Het is mij door den dokter aanbevolen als eene – hoe heet zoo’n ding ook? – eene maagversterking, ouwe jongen. Geef dien jongen heer ook een glas, Rincer, en schrijf het maar op rekening van uw toegenegen Foker.”
De arme Pen nam een glas, en ieder moest lachen over het gezicht, waarmee hij het weer neerzette; – jenever, bitter en nog een ander vocht waren de bestanddeelen van den drank, waarmee mijnheer Foker zoo hoog liep, dat hij dien met den naam van Fokersbitter bestempelde. Toen Pen zich verslikte en proestte en akelige gezichten trok, nam Foker de gelegenheid waar om aan Rincer mee te deelen, dat de jongen nog groen, heel groen was, maar dat hij hem wel spoedig klaar zou krijgen. Daarop gingen zij over tot het bestellen van het diner, hetgeen Foker bepaalde, dat uit schildpadsoep en wild moest bestaan, terwijl hij de kasteleines bezwoer te zorgen, dat de wijn toch vooral goed geijsd zou zijn.
Vervolgens drentelden de heeren Foker en Pen de High Street op, de eerste met eene sigaar in den mond, die hij uit een koker, bijna zoo dik als een valies, te voorschijn had gehaald. Hij liet dien weer vullen in den winkel van Lewis, praatte een poosje met dien heer, en zat onderwijl op de toonbank. Daarna wipte hij even binnen bij den Fruitverkooper, om het mooie meisje daar te zien, waaraan hij gelijksoortige complimentjes verkocht als hij aan het buffet in den George had uitgedeeld. Eindelijk gingen zij voorbij het redactiebureau van de graafschapscourant, waarvoor Pen een pakje op zak had, gericht Aan Thirsa, doch dat de arme jongen niet in de brievenbus durfde steken, terwijl hij met zulk een voornaam persoon als mijnheer Foker wandelde. Zij ontmoetten officieren van het regiment zware dragonders, dat te Chatteries in garnizoen lag, en bleven staan en praatten over de bals te Baymouth, en wat een lief meisje die jufvrouw Brown en wat een drommels mooi wijf die mevrouw Jones was. Tevergeefs riep Pen zich voor den geest wat een ezel die Foker op school placht te zijn, die nauwelijks goed kon lezen, tamelijk slordig op zijn persoon was en voor zijne bokken en domheid bekend stond. Foker had ook thans niet méér van een gentleman dan in zijn schooltijd, en toch gevoelde Pen een heimelijken trots, dat hij door de High Street kuierde met een mensch, die rijtuig hield, met officieren sprak en schildpadsoep en wild voor zijn diner bestelde. Hij luisterde, en wel met eerbied, naar mijnheer Foker’s verslag van hetgeen de studenten deden aan de universiteit, van welke die zelfde heer Foker een sieraad was, en doorstond eene lange reeks van verhalen betreffende roeitochtjes, vechtpartijen, uitspanningen op de grasperken der academie en punch, zoodat hij begon te wenschen ook aan de academie te zijn, om zulke manhaftige genoegens en uitspanningen te kunnen genieten. Toen Gurnett de boer, die dient bij Fairoaks woont, juist op dit oogenblik voorbijreed en den hoed voor Pen afnam, hield deze hem staande en gaf hem de boodschap aan zijne moeder mee, dat hij een oud schoolkameraad ontmoet had en dus te Chatteries zou blijven eten.
De beide jonge heeren zetten hunne wandeling voort en gingen het kerkplein om, waar zij de muziek der middagkerk hoorden (eene muziek, die altijd den diepsten indruk, de innigste aandoening bij Pen teweegbracht), doch waar mijnheer Foker alleen heenging, om een oogje te laten weiden over de kindermeiden, die daar altijd door de olmenlaan slenteren en te Chatteries bijzonder mooi zijn, en daar bleven zij ronddwalen tot de kleine gemeente met eene krachtige finale naar buiten gespeeld werd.
De oude dominé Portman behoorde onder de weinigen, die de eerwaardige poort uittraden. Toen zijn oog op Pen viel, kwam hij naar hem toe en schudde hem de hand, terwijl hij te gelijker tijd vol verwondering Pen’s vriend bezag, uit wiens mond en sigaar geurige wolken opstegen, die rondom dominé’s eerzaam gelaat en breedgeranden hoed omhoogkronkelden.
„Een oud schoolkameraad van mij, – mijnheer Foker,” zeide Pen. Dominé zeide: „Hm!” en keek met een zuur gezicht naar de sigaar. Tegen eene pijp op zijne studeerkamer had de waardige man niets, maar eene sigaar was hem een gruwel.
„Ik had hier zaken voor den bisschop te verrichten,” zeide de dominé. „Als gij het goedvindt, Arthur, rijden wij samen naar huis.”
„Ik – ik heb mijn woord gegeven aan mijn vriend hier,” antwoordde Pen.
„Gij zoudt beter doen, met mij naar huis te gaan,” hernam de predikant.
„Zijne moeder weet, dat hij uitblijft, mijnheer,” merkte Foker aan; „niet waar, Pendennis?”
„Maar dat is geen bewijs, dat hij niet beter zou doen, met mij naar huis te gaan,” bromde de dominé en stapte met groote deftigheid weg.
„Die ouwe jongen heeft het land aan eene sigaar, geloof ik,” zeide Foker. „Hé! wie komt daar? – daar hebt ge den Generaal, en Bingley, den regisseur! Hoe gaat het, Cos? Hoe vaart ge, Bingley?
„Hoe vaart mijn geachte en dappere jonge vriend Foker?” vroeg de heer, die Generaal genoemd werd, en een kalen militairen mantel met een versleten kraag, en een zeer schuin opgezetten hoed droeg.
„Ik hoop, dat gij in vollen welstand zijt, mijn allerwaardste heer, zeide de ander, „en dat gij den Koninklijken Schouwburg heden avond met uwe tegenwoordigheid zult vereeren. Wij geven Menschenhaat en berouw, waarin uw onderdanige dienaar....”
„In eene spanbroek en ruiterstevels kan ik u niet uitstaan, Bingley,” zeide de jonge heer Foker, waarop de Generaal met een Iersch accent aanmerkte: „Doch ik geloof, dat mejufvrouw Fotheringay als Mevrouw Haller u wel bevallen zal, of ik heet niet Jack Costigan.”
Pen beschouwde deze heeren met de grootste belangstelling. Hij had nooit van te voren een acteur gezien, en, over den schouder van den Generaal heen, zag hij nog het roode gelaat van dominé Portman, die blijkbaar heel misnoegd over de kennissen, in wier handen Pen gevallen was, het kerkplein verliet.
Misschien zou het veel beter voor hem geweest zijn, indien hij den raad van den predikant gevolgd had en met hem naar huis gekeerd ware. Doch wie onzer kent zijn lot?
VIERDE HOOFDSTUK.
MEVROUW HALLER.
In den George teruggekomen, zetten mijnheer Foker en zijn gast zich tot een fijnen maaltijd in de koffiekamer neer, waar Rincer den eersten schotel met eene zoo diepe buiging opbracht, alsof hij den lord-stadhouder van het graafschap bediende. Mijnheer Foker viel op de schildpadsoep en het wild met dezelfde graagte aan, die hij het jaar te voren aan den dag had gelegd, toen hij feest vierde met gemberbier en binnengesmokkelde taartjes. Pen moest wel ontzag voor hem als kenner krijgen, toen hij den champagne voor afgekeurden bessenwijn uitmaakte, maar bij den portwijn knipoogde. Dezen laatsten verklaarde hij voor echt, terwijl hij aan de knechts verzekerde, dat men hèm niet „beet” kon nemen. Hij kende al die gedienstige geesten bij hunne vóórnamen, en legde voor hunne huisgezinnen eene groote belangstelling aan den dag; en toen de Londensche diligences voorkwamen, welke in die dagen van den George afreden, wierp Foker het venster der koffiekamer open, riep de conducteurs en koetsiers ook bij hunne vóórnamen aan, vroeg evenzeer naar hunne respectieve familiën, en bootste met groote levendigheid en juistheid het hoorngetoet na, toen Jaap de stalknecht de dekkleeden van de paarden afwipte, en de diligences lustig wegreden.
„Eene flesch sherry, eene flesch champagne, eene flesch port en een kop koffie, – dat is nog al zoo kwaad niet, niet waar, Pen?” zeide Foker, en verklaarde, nadat al die lekkere dingen en een aantal noten en vruchten verbruikt waren, dat het tijd was om uit te rukken. Pen sprong met fonkelende oogen en een gloeiend gezicht van zijn stoel op, en beiden begaven zich naar den schouwburg, waar zij hun geld neerpasten bij de aamechtige oude jufvrouw, die in het hokje van den kassier zat te sluimeren. „Mevrouw Dropsicum, Bingley’s schoonmoeder, maak effect als Lady Macbeth,” zeide Foker tot opheldering aan zijn metgezel. Foker kende haar ook al.
Zij konden bijna overal gaan zitten waar zij wilden in de loges van den schouwburg, die niet beter bezet was dan de schouwburgen in de provinciën doorgaans zijn, in weerwil van het „buitengewone succes en den ontzaglijken toeloop,” waarvan Bingley in de tooneel-affiches gewaagde. De banken van het parterre waren met een paar dozijn menschen bezet, op de galerijen stonden nog eenigen te stampen en te fluiten, en een dozijn anderen, die vrijkaartjes hadden gekregen, bevonden zich in de loges, waar onze jonge heeren zaten. De eerste luitenants Rodgers en Podgers en de tweede luitenant Tidmus, allen van de dragonders, hadden eene afgehuurde loge. De acteurs speelden genoegzaam alleen met het oog op deze heeren, die als het ware gesprekken met hen voerden als zij niet in hunne rol behoefden te spreken, en hen bij het applaudisseeren luidkeels met name noemden.
Bingley, de regisseur, die zich met al de groote tragische en comische rollen belastte, behalve wanneer hij bescheiden terugweek voor de beroemde acteurs uit Londen, die eene enkele maal naar Chatteries kwamen, was groot in de rol van den Vreemdeling. Hij droeg dan de nauwsluitende broek en de ruiterstevels, welke die miskende man volgens de tooneeloverlevering dragen moet, met een wijden mantel en een breedgeranden hoed en eene melancholische pluim, die over zijn oud en gerimpeld gelaat neergolfde en slechts ten deele zijne bruine krulpruik bedekte. Hij had dan de tooneeljuweelen ook aan, waaruit hij de grootste en flonkerendste ringen koos; en nu en dan kwam uit zijn mantel zijn pink te voorschijn met een valschen juweelen ring aan het eerste lid, dien hij in de oogen der toeschouwers in den bak liet flikkeren. Bingley rekende het de jongere leden van het tooneelgezelschap als eene gunst aan, dat zij in vroolijke blijspelrollen met dien ring mochten pronken. Het vleide hem als zij naar de geschiedenis van dat kleinood vroegen. Het tooneel heeft evengoed als de kroon en de aanzienlijke geslachten zijne erfjuweelen. Deze ring had aan George Frederik Cooke behoord, die hem van Quin had, die hem – misschien voor een shilling had gekocht. Bingley verbeeldde zich, dat de wereld betooverd werd door den luister van het gesteente.
Hij las uit het tooneelboek voor – dat verbazende tooneelboek, dat ingebonden is gelijk geen ander boek ter wereld, maar geblanket en opgeschikt gelijk de held of de heldin, die het vasthoudt, en wel op eene wijze zooals nooit iemand een boek vasthoudt; en die dan met zijn vinger op een regel wijst, en vervolgens oog en vinger naar de zoldering opheft en zich houdt alsof hij innigen troost put uit het werk, dat in eene zoo nauwe betrekking staat tot den hemel. Ieder, die ooit onzen grooten comiek X., in eene chitsen kamerjapon zooals nooit iemand droeg, gezien heeft, wanneer hij zich voordoet als een jong ongetrouwd edelman, die zijn tijd met een roman verdrijft tot zijn vriend Sir Harry zal verschijnen, of zijn vader beneden zal komen om te ontbijten, – ieder, zeg ik, die den grooten X. met een boek zonder letters heeft gezien, heeft waarlijk een uitstekend genoegen gesmaakt en zich eene duurzame bron van overdenking zien openen.
Zoodra de Vreemdeling de jonge heeren in het oog kreeg, speelde hij om hunne aandacht te trekken, en zag plechtig over zijn verguld boek heen, terwijl hij daar op de tooneel-zodenbank lag en zijne hand, zijn ring en zijne ruiterstevels liet zien. Hij berekende welken indruk elk dezer versierselen op zijne slachtoffers zou maken; hij had besloten hen te betooveren, want hij wist, dat zij hun entrée betaald hadden, en in den geest zag hij hunne familiën van buiten komen en op de matten stoelen in zijne loges plaats nemen.
Terwijl hij op de bank lag te lezen, maakte Frans, zijn knecht, opmerkingen over zijn meester.
„Alweêr lezen,” zeide Frans: „zoo gaat het maar door, van den morgen tot den avond. Voor hem bezit de natuur geene schoonheid, het leven geene bekoorlijkheid. In drie jaren heb ik hem niet zien glimlachen” (de sombere uitdrukking, die Bingley’s gelaat bij deze opmerking van zijn trouwen dienaar aannam, was vreeselijk te aanschouwen). „Niets schenkt hem afleiding. O, hechtte hij zich maar aan eenig levend wezen, al ware het een dier – want iets moet de mensch lief hebben.”
Tobias (Goll), uit de hut komende, „O, hoe verkwikkelijk, na zeven lange weken deze warme zonnestralen weder te genieten. Dank, algoede hemel, voor het genot, dat ik smaak.” Hij neemt zijne muts af, houdt ze gedrukt tusschen beide handen, slaat het oog omhoog en bidt. De Vreemdeling ziet hem oplettend aan.
Frans, tot den Vreemdeling. „Deze oude man kan slechts een luttel deel van aardsch geluk bezitten; en zie toch hoe dankbaar hij is.”
Bingley. „Omdat hij, ofschoon reeds oud, slechts een kind is aan den leiband der hoop.” (Hij ziet strak naar Foker, die echter koeltjes aan den knop van zijn rotting blijft zuigen.)
Frans. „De hoop is de voedster des levens.”
Bingley. „En hare wieg – is het graf.”
De Vreemdeling sprak dit met het klagend geluid van een fagot, die op sterven ligt, en vestigde de oogen zoo onafgewend op Pendennis, dat de arme jongen geheel van zijn stuk geraakte. Hij dacht, dat al de aanwezigen hem zouden aanstaren, en sloeg de oogen neer. Zoo dikwijls hij ze echter opsloeg, ontmoette hij weer die van Bingley. Het geheele tooneel door speelde de regisseur voor hèm. Toen Bingley op het punt stond eene weldaad te bewijzen, en Frans met het boek wegzond, opdat die knecht geen getuige zou zijn van de edele daad, welke hij beraamde, legde hij er zorgvuldig eene vouw bij, zoodat hij de lecture, des verkiezende, zou kunnen voortzetten, zoodra hij van het tooneel af was. Maar dit alles werd rechtstreeks ten aanschouwe van Pendennis gedaan, dien de regisseur zich had voorgenomen onverbrekelijk aan zich te boeien. Wat viel den jongen een pak van het hart, toen dit tooneel was afgeloopen en Foker, met zijn rotting stampende, uitriep: „Bravo, Bingley!”
„Help eens een handje, Pendennis,” zeide Foker, „ge weet, iedereen heeft wel eens hulp noodig,” en de goedhartige jonge heer en de lachende Pendennis en de dragonders in de loge aan de overzijde begonnen met alle macht in de handen te klappen.
Eene kamer in het slot Wintersen onttrok Tobias’ hut en den Vreemdeling en diens ruiterlaarzen aan het oog, en er verschenen bedienden, die het druk hadden met stoelen en tafels aan te brengen. „Dat is Hicks en Jufvrouw Thackthwaite,” fluisterde Foker, „Eene aardige meid, vindt je niet, Pendennis? Maar wacht – hoera! – bravo! daar is de Fotheringay.”
Het parterre daverde en stampte met zijne paraplu’s; eene volle laag applaudissementen werd van de galerij afgevuurd; de dragonder-officieren en Foker klapten als razenden in de handen, en hunne toejuichingen waren zoo luidruchtig, dat men gedacht zou hebben, dat den zaal stampvol was. Tusschen de coulissen zag men het roode gezicht en den haveloozen baard van mijnheer Costigan uitgluren. Pen spalkte de oogen wijd open, toen mevrouw Haller met een neergeslagen blik binnenkwam, vervolgens, door het gedruis der toejuichingen tot bezinning komende, met een erkentelijken oogopslag de zaal rondzag en, de handen voor hare borst kruisende, eene prachtige nijging maakte. Meer applaudissement, meer paraplu’s: Pen, door wijn en geestdrift opgewonden, klapte harder in de handen en riep luider „bravo” dan iemand anders. Mevrouw Haller zag hem en iedereen; en de oude Bows, de kleine eerste viool van het orkest (dezen avond, door welwillende vergunning van kolonel Swallowtail, versterkt met een detachement van het muziekkorps der dragonders) keek van den lessenaar, waar hij zijnen plaats had, met zijne kruk naast hem, op en glimlachte over de verrukking van den knaap.
Zij, die jufvrouw Fotheringay eerst in later dagen, na haar huwelijk en hare introductie in de Londensche kringen, gezien hebben, kunnen zich bezwaarlijk voorstellen welk een prachtstuk van eene vrouw zij was, toen onze vriend Pen voor het eerst zijn oog op haar liet vallen. Zij was eene der rijzigste vrouwen en verkeerde op haar toenmaligen leeftijd van zes en twintig jaar – want zij was zesentwintig, ofschoon zij beweerde slechts negentien te tellen – in den bloei en de volheid van bare schoonheid. Haar voorhoofd was breed, het zwarte haar golfde er overheen met eene natuurlijke rimpeling (welke de dames in den laatsten tijd hebben trachten na te bootsen met behulp van friseerijzers) en was in glinsterende en dikke vlechten opgenomen langs een hals, gelijk men er een ziet op de schouders van de Venus in de Louvre – die aanbiddenswaardige, voor goden en menschen. Wanneer zij de oogen ophief om den blik op u te slaan, straalde, eer zij de purperen oogleden met de lange wimpers weer liet dalen, er eene onpeilbare teederheid en geheimzinnigheid uit. De Liefde en het Genie schenen daaruit te stralen en zich dan schuchter terug te trekken, als beschaamd, dat zij aan het venster gezien waren. Wie anders dan eene vrouw van grooten geest kon zulk een indrukwekkend voorhoofd bezitten? Nooit lachte zij (want hare tanden waren niet mooi), maar er speelde een onbeschrijfelijk teeder en zoet glimlachje om hare schoone lippen en in de kuiltjes van hare wangen en van haar snoeperig kinnetje. Haar neus tartte in die dagen alle beschrijving. Hare ooren waren als twee kleine paarlemoerschelpern, welke de oorringen, die zij droeg (ofschoon de fraaiste onder de tooneeljuweelen), slechts ontsierden. Zij was gedost in een lang en golvend zwart kleed, dat zij met verwonderlijke gratie heen en weer liet wapperen, en uit welks plooien men slechts nu en dan hare sandalen te voorschijn zag komen; zij waren niet al te klein, maar Pen vond ze betooverend als de muiltjes van Asschepoetster. Doch hand en arm waren de hoofdsieraden van dit heerlijke schepsel, en hoe het ook ging, men kon haar nooit zien dan daartusschen door. Zij omringden haar. Wanneer zij ze met gelatenheid over hare borst kruiste; wanneer zij ze in stomme smart liet neerhangen, of ze met eene trotsche, bevelende beweging ophief; wanneer zij in speelsche dartelheid de handen voor zich liet fladderen en huppelen als – wat zullen wij zeggen? – als de sneeuwwitte duiven voor de zegekar van Venus, – dan was het met die armen en handen, dat zij hare bewonderaars wenkte, terugwees, smeekte, omarmde – niet één enkelen bewonderaar, want zij was gewapend met hare eigene deugd en met haar vaders dapperheid, wiens zwaard uit de scheede zou gevlogen zijn wanneer zijn kind de minste beleediging ware aangedaan, – maar de geheele zaal, die, gelijk men dat noemt, niet tot bedaren te brengen was als zij nijgde, en boog en het publiek verrukte.
Aldus stond zij een oogenblik, onberispelijk en schoon, terwijl Pen haar aanstaarde. „Nu, Pen, is zij geen juweel?” vroeg mijnheer Foker.
„Stil!” zeide Pen. „Zij gaat spreken.”
Zij begon hare rol met eene diepe liefelijke stem. Ieder, die Menschenhaat en berouw kent, weet, dat de opmerkingen der daarin optredende personen zich niet door veel verstand, nieuwheid of dichterlijkheid onderscheiden, ja, zoo men beweerde, dat het een onbeduidend stuk is, zou men niet ver bezijden de waarheid zijn. Nooit heeft iemand zóó gesproken. Indien wij in het dagelijksche leven dwazen ontmoeten, – hetgeen wel eens gebeuren kan, – is het een groot geluk, dat zij niet zulke onzinnig hoogdravende woorden gebruiken. De taal van den Vreemdeling is onecht, gelijk het boek, dat hij leest, en het haar, dat hij draagt, en de bank, waarop hij zit, en de diamanten ring, waarmee hij speelt, – doch door dat gebazel heen loopt dat echte gevoel voor liefde, voor kinderen, voor schuldvergiffenis, waarnaar men zal luisteren waar het ook verkondigd worde en dat de deelneming van iedereen eischt.
Met welk eene gesmoorde smart, met welke treffende aandoening zeide mevrouw Haller hare rol op! Aanvankelijk, toen zij als graaf Wintersen’s huishoudster alles moest gereedmaken voor de komst van Zijne Excellentie en bevelen moest geven om het bed en het huisraad, den maaltijd enz. in orde te brengen, deed zij dit met de stomme radeloosheid der wanhoop. Maar toen zij van de botte bedienden ontslagen was en hare aandoeningen aan het parterre en de geheele zaal kon ontboezemen, stortte zij zich voor ieder toeschouwer uit alsof hij alleen haar vertrouwde was en zij hare smart aan zijn schouder uitweende: de kleine violist in het orkest (op wien zij niet scheen te letten, doch die onafgewend het oog op haar hield) schoof en draaide en knikte en wees, en toen zij kwam aan de beroemde woorden: „Ook ik heb een Willem, indien hij nog leeft – ach ja, indien hij nog leeft! En zijne kleine zuster ook! Waarom, o verbeelding, kwelt gij mij aldus? Waarom schildert gij mij mijne kinderen, wegkwijnende op het ziekbed, en roepende om – om – hunne moe – moe – oeder!” – toen zij aan die woorden kwam, begroef de kleine Bows zijn gelaat in zijn blaaw katoenen zakdoek, na eerst nog: „Bravo!” geroepen te hebben.
Het gansche gezelschap was aangedaan. Foker haalde een grooten geel zijden zakdoek te voorschijn en huilde als een kind. Pen, van zijn kant, was daarvoor te ver weg. Hij volgde die vrouw overal waar zij ging; was zij niet op het tooneel, dan waren tooneel en zaal ledig voor hem; de lichten en de roode officieren draaiden hem voor de oogen. Hij begluurde haar wanneer zij tusschen de coulissen op hare beurt stond te wachten om op het tooneel te komen en haar vader den shawl van hare schouders nam: toen de verzoening plaats had, en zij zich aan den hals van mijnheer Bingley wierp, terwijl de kinderen zich aan hunne knieën vastklemden, en de gravin (mevrouw Bingley) en baron Steinforth (met groote levendigheid en veel vuur door Garbetts voorgesteld) – kortom terwijl de overige personen eene groep rondom hen vormden, zagen Pen’s gloeiende blikken alleen Fotheringay. Fotheringay. Het scherm viel als een lijkkleed voor hem neder. Hij hoorde geen woord van Bingley, die opkwam om het stuk voor den volgenden avond aan te kondigen en, als naar gewoonte, de daverende toejuichingen op zijne eigene rekening stelde. Pen begreep zelfs niet duidelijk, dat de toeschouwers mejufvrouw Fotheringay terugriepen, en evenmin scheen de regisseur te vatten, dat iemand anders dan hij de oorzaak was van den opgang van het stuk. Eindelijk echter begreep hij het; hij trad met een grijns terug, en verscheen onmiddellijk daarna met mevrouw Haller aan zijn arm. Wat was zij schoon! Haar haar golfde los neder, de officieren wierpen haar bloemen toe. Zij drukte die aan haar hart. Zij schoof het haar achterwaarts en keek met een glimlach rond. Hare oogen ontmoetten die van Pen. Andermaal viel het scherm en zij was weg. Hij hoorde geen noot van de ouverture, welke de blaasinstrumenten der dragonders speelden – altijd met welwillende vergunning van kolonel Swallowtail.
„Dat is een dooddoener, vindt ge niet?” vroeg Foker aan zijn metgezel.
Pen wist niet recht wat Foker zeide en antwoordde maar met een enkel woord. Hij kon den ander niet zeggen wat hij gevoelde; hij had op dat oogenblik tegen geen sterfelijk wezen kunnen spreken. Bovendien wist Pendennis niet juist wat hij vooralsnog gevoelde: het was iets overstelpends, verbijsterends, overheerlijks, een koortsachtig gevoel van woeste blijdschap en onbestemd smachten.