Chapter 13 of 85 · 3983 words · ~20 min read

Part 13

„Wel, zie je, mijnheer, – het is gedeeltelijk mijne schuld. Hij ging op zekeren avond naar den schouwburg – want, weet je, ik ben in deze streek gekomen om mij gedurende de groote vacantie nog wat op mijne promotie voor te bereiden, maar ik kom tamelijk druk met mijn rijtuig van Baymouth over. Nu dan, mijnheer, wij gingen het stuk zien, en dadelijk was Pen smoorlijk op jufvrouw Fotheringay – eigenlijk heet zij Costigan, en het is inderdaad eene prachtige meid. Den volgenden morgen stelde ik hem aan den Generaal voor, zooals wij haar vader noemen – een echte ouwe schavuit, die grog met emmers drinken kan; en daar is hij nu huisvriend geworden. Hij is op haar verliefd geraakt, en ik zou mijn hoofd durven verwedden, dat hij haar gevraagd heeft,” zeide Foker en sloeg met de hand zoo hard op tafel, dat het dessertservies er van rammelde.

„Hoe? weet gij dat ook al?” vroeg de majoor.

„Of ik dat weet? Nog vrij wat meer bovendien. Wij spraken er gisteren aan de officierstafel over en namen een loopje met Derby Oaks, totdat hij zoo razend werd als een stier. Kent gij Sir Derby Oaks? Wij hebben heden middag samen gedineerd en daarop ging hij naar den schouwburg; ik herinner mij, dat wij aan de deur stonden te rooken, toen gij binnenkwaamt om te dineeren”

„Ik heb zijn vader, Sir Thomas Oaks, gekend eer hij nog ridder en baronet was. Hij woonde in de Cavendish Square en was lijfarts van koningin Charlotte.”

„Ik kan u verzekeren, dat de jonge het geld weder onder de menschen brengt,” zeide mijnheer Foker.

„En is Sir Derby Oaks ook een soupirant?” vroeg de majoor in groote opgetogenheid en spanning.

„Een wat?” vroeg mijnheer Foker van zijn kant.

„Ook een bewonderaar van jufvrouw Fotheringay?” verduidelijkte de majoor.

„Dat zou ik denken! Wij noemen hem Maandag. Woensdag en Vrijdag, en Pen Dinsdag, Donderdag en Zaterdag. Maar alles in eer en deugd. Neen, neen! jufvrouw F. houdt veel te goed de oogen open, majoor! Zij houdt den eenen door den anderen in bedwang. Twee snaren op hare viool, zooals men wel eens zegt.”

„Mij dunkt, dat gij de oogen ook vrij goed open hebt, mijnheer Foker,” merkte Pendennis lachend aan.

„Ja, vrij wel, dank u, mijnheer – hoe vaart gij?” antwoordde Foker met de meeste koelbloedigheid. „Ik ben misschien niet knap, maar ik geloof, dat ik tamelijk slim ben, en welwillende vrienden zeggen, dat ik nog al goed weet waar Abraham de mosterd haalt. Kan ik u ook in eenig opzicht van dienst zijn?”

„Op mijn woord,” hernam de majoor, ten hoogste verheugd, „ik geloof, dat gij mij een zeer grooten dienst zoudt kunnen bewijzen. Gij zijt een jong heer, die de wereld gezien heeft, en daarmee ga ik gaarne om. Als zoodanig behoef ik u niet te verzekeren, dat onze familie volstrekt niet ingenomen is met die dwaze zaak, waarin Arthur zich gewikkeld heeft.”

„Neen, dat kan ik wel denken,” zeide mijnheer Foker. „Geen aanbevelenswaardige familie. Te veel bier in huis gedronken. Liefst niet gediend van Ieren. Dat is waarschijnlijk uwe bedoeling?”

De majoor verklaarde, dat dit juist was wat hij meende, ofschoon hij Foker niet in alle deelen begreep; en daarop hoorde hij zijn nieuwen bekende uit over de lieve familie, waarin zijn neef wenschte te komen, en vernam weldra van dien rondborstigen getuige een aantal bijzonderheden, betreffende de familie Costigan.

Wij moeten mijnheer Foker het recht laten weervaren, dat hij zich zeer gunstig over het zedelijk gedrag van mijnheer en jufvrouw Costigan uitliet. „Weet je,” zeide hij, „de Generaal is verzot op een gezellig glaasje, en als ik heel zeker van mijn geld wilde zijn, zou ik het niet in zijn zak bergen; maar hij heeft altijd over zijne dochter gewaakt en hij noch zij zullen iets gedoogen, dat niet fatsoenlijk is. Pen’s beleefdheden jegens haar zijn het onderwerp der gesprekken van het heele tooneelgezelschap, en ik hoor er alles van door eene jonge dame, die vroeger zeer intiem met haar was en bij wier familie ik wel eens een vriendschappelijk kopje thee ga drinken. Jufvrouw Rouncy zegt, dat Sir Derby Oaks, sinds het eerste oogenblik dat zijn regiment hier gekomen is, op jufvrouw Fotheringay een oogje gehad heeft; doch Pen is gekomen en heeft hem ten slotte verdrongen, hetgeen den baronet zoodanig geërgerd heeft, dat hij op het punt heeft gestaan haar ook te vragen. Ik wou, dat hij het deed; dan zoudt gij eens zien naar wien van beiden jufvrouw Fotheringay zou toevliegen.”

„Dat dacht ik ook wel,” zeide de majoor. „Gij hebt mij veel genoegen gedaan, mijnheer Foker. Ik wenschte, dat ik u reeds vroeger gesproken had.”

„Ik wilde er den neus niet in steken,” antwoordde de ander. „Ik spreek niet voordat men mij vraagt, en dan, wanneer er niets is wat het verbiedt, zeg ik tamelijk onbewimpeld mijn gevoelen. Ik vernam, dat uw knecht den mijnen uitgehoord had, – ik wist zelf niet wat er gaande was, totdat jufvrouw Fotheringay en jufvrouw Rouncy die ruzie over de struisveeren kregen, en toen vertelde jufvrouw R. mij alles, van A tot Z.”

„Jufvrouw Rouncy, komt mij voor, is de vertrouwelinge van de andere!”

„Vertrouwelinge? Het mocht wat! Zij is een vrij wat knapper meisje dan jufvrouw Fotheringay; zij heeft verstand van letterkunde, en zoo meer, terwijl jufvrouw Foth nauwelijks lezen kan.”

„En schrijven,” zeide de majoor, die aan Pen’s borstzak dacht.

Foker barstte het uit met een spottend: „Hi! hi!” „Rouncy schrijft hare brieven,” zeide hij; „al hare brieven, zonder uitzondering; en nadat zij die ruzie gehad hebben, weet zij niet hoe zij zich redden moet. Jufvrouw Rouncy schrijft eene heel mooie hand, terwijl de andere ellendig schrijft en spelt, als Bows er niet bij is. Rouncy heeft in den laatsten tijd hare brieven geschreven – zij heeft eene mooie hand, dat heeft Rouncy.”

„Ik geloof, dat gij dit best weet,” zeide de majoor schalksch, waarop Foker van zijn kant tegen hem knipoogde.

„Ik zou heel wat willen geven om een staaltje van haar schrift te hebben,” ging majoor Pendennis voort. „Zoudt gij mij er niet aan kunnen helpen?”

„Neen, neen, dat zou gemeen zijn,” gaf Foker ten antwoord. „Misschien had ik zooveel niet moeten zeggen als ik gedaan heb. Het schrift van jufvrouw F, houd ik niet voor zoo heel slecht; maar zij had jufvrouw R. den eersten brief laten schrijven, en daarom is zij er mee voortgegaan. Let echter eens op, dat er geen brieven meer komen zullen, tot zij weer goede vrienden zijn.”

„Ik hoop, dat zij het nooit weer zullen bijleggen,” zeide de majoor uit den grond van zijn hart; „en ik kan u niet zeggen hoezeer ik mij verheug over het geluk, dat ik kennis met u heb mogen maken. Als man van de wereld, mijnheer, zult gij begrijpen hoe noodlottig deze stap, dien mijn neef wil doen, voor zijne vooruitzichten moet wezen, en hoezeer wij ons dus beijveren moeten om hem van dit dwaze engagement te bevrijden.”

„Het schijnt hem volle ernst te zijn,” merkte mijnheer Foker op; „ik heb zijne verzen gezien; Rouncy heeft ze gekopieerd. Toen ik ze zag, zeide ik bij mij zelve: „Zij zullen mij niet betrappen, dat ik verzen op eene vrouw maak” – anders niets.”

„Hij heeft zich als een dwaas aangesteld, gelijk menige goede jongen vóór hem. Maar hoe kunnen wij hem zijne dwaasheid doen inzien en hem er van genezen? Gij zult ons zeker wel alle hulp willen verleenen om een jongmensch, voor wien men hart moet hebben, te redden uit de handen van zulk een paar intriganten als die vader en dochter schijnen te zijn. Liefde is aan den kant der dame zeker niet in het spel.”

„Liefde!” riep Foker uit. „Als Pen, zoodra hij meerderjarig wordt, geen twee duizend pond ’s jaars had –”

„Als Pen wat niet had?” schreeuwde de majoor, buiten zich zelven van verbazing.

„Twee duizend pond ’s jaars. Heeft hij dan geen twee duizend pond ’s jaars? De Generaal zeide het toch.”

„Beste vriend,” riep de majoor met een vuur, dat hij zelden aan den dag legde: „ik dank u! ik dank u! Er gaat mij een licht op! Twee duizend pond ’s jaars! Zijne moeder bezit geen cent meer dan vijf honderd pond ’s jaars. Zij kan licht tachtig jaar oud worden, en Arthur bezit geen stuiver buiten hetgeen zij hem geven kan.”

„Hoe? Is hij dan niet rijk?” vroeg Foker.

„Op mijn woord van eer, hij bezit niets meer dan wat ik zeg.”

„En zult gij hem niets nalaten?”

De majoor had elken shilling, dien hij kon bijeenschrapen, besteed om eene lijfrente te koopen, zoodat hij Pen natuurlijk niets zou nalaten; maar dit vertelde hij aan Foker niet. „Denkt gij, dat een gepensioneerd majoor iets kan overleggen?” vroeg hij. „Indien die menschen hem als eene goede partij hebben beschouwd, vergissen zij zich geweldig – en – en gij hebt mij tot den gelukkigsten mensch ter wereld gemaakt.”

„Zeer tot uw dienst, mijnheer,” zeide Foker beleefd, en toen zij scheidden, schudden zij elkander met de grootste hartelijkheid de hand, terwijl de jonge heer aan den ouden beloofde Chatteries niet te zullen verlaten eer zij elkander des morgens weer gesproken hadden. Toen de majoor naar zijne kamer ging en mijnheer Foker nog eene sigaar in de deur van den George stond te rooken, lag Pen waarschijnlijk, op tien mijlen afstands, in bed den brief van zijne Emily te kussen.

Eer mijnheer Foker den volgenden morgen met zijn rijtuig wegreed, had de slimme majoor werkelijk een brief van jufvrouw Rouncy in zijn eigen zakboekje. Laat dit eene les voor vrouwen zijn, hoe zij schrijven. In groote opgetogenheid begaf majoor Pendennis zich naar doctor Portman, ten huize van den deken, en verhaalde hem welke verblijdende ontdekkingen hij den vorigen avond gedaan had. Terwijl zij aldus in de met eikenhout beschoten ontbijtkamer van den deken in vertrouwelijk gesprek zaten, konden zij over het grasperk heen kapitein Costigan’s venster zien, waar de arme Pen drie weken te voren maar al te zichtbaar was geweest. De doctor was woedend over de onoprechtheid der hospita, jufvrouw Creed, die de aanhoudende bezoeken van Sir Derby Oaks bij hare inwoners verborgen had, en dreigde haar uit de groote kerk te bannen. Maar de scherpzinnige majoor meende, dat alles juist naar wensch geloopen was; en, na zich dien nacht rijpelijk beraden te hebben, achtte hij zich sterk genoeg om naar kapitein Costigan te gaan en hem onder de oogen te zien.

„Ik ga den draak bevechten,” zeide hij lachend tegen doctor Portman.

„Ik geef u absolutie, mijnheer, en hoop, dat het geluk uwe onderneming zal bekronen,” antwoorde de doctor.

Het kan wel zijn, dat hij en mevrouw Portman en jufvrouw Myra, terwijl zij bij hunne vriendin, de vrouw van den deken, in de gezelschapskamer zaten, meer dan eens naar het venster van den vijand heenzagen, om te ontdekken of zij ook eenig teeken van den strijd konden waarnemen.

De majoor ging, volgens de inlichtingen, die hij bekomen had, om de kerk heen, en stond spoedig voor het deurtje van jufvrouw Creed. Hij ging binnen en kon, toen hij de trap naar het vertrek van kapitein Costigan opklom, duidelijk het stampen van voeten en het schreeuwen van: „Ha! ha!” daar binnen hooren.

„Dat is Sir Derby Oaks, die schermles neemt,” zeide het kind, dat den majoor tot gids diende. „Hij neemt les op Maandag, Woensdag en Vrijdag.”

De majoor klopte aan en eindelijk kwam een lang heer, met een degen en een masker in de eene en een schermhandschoen in de andere hand, te voorschijn.

Pendennis maakte eene eerbiedige buiging tegen hem en zeide: „Ik geloof, dat ik de eer heb kapitein Costigan te spreken – ik ben majoor Pendennis.”

De kapitein salueerde met zijn wapen en antwoordde: „Majoor, de eer is aan mij; het doet mij genoegen u te zien.”

ELFDE HOOFDSTUK.

DE ONDERHANDELING.

De majoor en de kapitein waren oude krijgers en gewoon den vijand onder de oogen te zien, zoodat wij mogen aannemen, dat beiden hunne tegenwoordigheid van geest volkomen behielden; doch het overige gezelschap in de zitkamer van Cos was wel een beetje ontsteld over de verschijning van Pendennis. Het koele hart van jufvrouw Fotheringay begon voorzeker sneller te kloppen, want er kwam een sterke en gezonde blos op hare wang, terwijl luitenant Sir Derby Oaks haar met een zuur gezicht aankeek. Het kromme, oude mannetje in de vensterbank, die het schermen der beide heeren aangezien had (wier stampen en springen zoo geweldig was geweest, dat hij alle pogingen had moeten staken om de tooneelmuziek te blijven kopieeren, waaraan hij bezig was geweest), zag nieuwsgierig naar den nieuw aangekomene op, toen de majoor met de mooi gepoetste laarzen de kamer binnentrad en rechts en links de bevalligste buigingen tegen de aanwezigen maakte.

„Mijne dochter – mijn vriend mijnheer Bows – mijn dappere jonge leerling en vriend, mag ik wel zeggen, Sir Derby Oaks,” zeide Costigan met vorstelijke beleefdheid, terwijl hij de aandacht van den majoor op elk van die personen vestigde. „Binnen een oogenblik, majoor, ben ik geheel tot uw dienst;” en met die woorden een belendend vertrekje, waar zijne slaapplaats was, binnen te vliegen, om met zijn haarborstel (een antiek en verwonderlijk voorwerp) zijn sluik haar op te strijken, zijne oude stropdas af te rukken en eene nieuwe om te doen, die Emily voor hem gemaakt had, een schoon boordje op te zetten en den nieuwen rok aan te trekken, dien hij bij gelegenheid van jufvrouw Fotheringay’s benefice had besteld, was voor den nog altijd vluggen Costigan het werk van een oogenblik.

Sir Derby volgde hem en kwam ook spoedig uit dat kamertje te voorschijn, waar hij zich in zijn uniformrokje gedost had, dat om zijne zware ledematen zeer eng sloot, en hetgeen hij en jufvrouw Fotheringay, en misschien ook de arme Pen, ten hoogste bewonderden.

Intusschen was er een gesprek tusschen de actrice en den bezoeker begonnen en waren de gebruikelijke opmerkingen over het weer gewisseld, toen Costigan in zijn nieuw pak binnentrad.

„Ik behoef mij tegen u niet te verontschuldigen, majoor,” zeide hij op zijne deftigste maar beleefdste manier, „dat ik u in mijne hemdsmouwen ontving.”

„Een oud soldaat kan zich niet nuttiger bezig houden dan met een jong krijgsman het gebruik van zijn zwaard te leeren,” antwoordde de majoor met wellevendheid, „Ik herinner mij wel in den ouden tijd gehoord te hebben, kapitein Costigan, dat gij het uwe zeer goed kondt hanteeren.”

„Hoe! hebt gij ooit van Jack Costigan gehoord, majoor?” vroeg de ander opgetogen.

Dat had de majoor inderdaad gedaan. Hij had zijn neef aangaande alles wat betrof zijn nieuwen vriend, den Ierschen officier, uitgehoord. Of hij niets anders van den kapitein wist dan hetgeen hij op die wijze had vernomen, dan wel of hij zich in waarheid zijner herinnerde, kunnen wij niet zeggen. Maar majoor Pendennis was een man van eer en onkreukbare waarheidsliefde en beweerde zich zeer goed te herinneren, dat hij mijnheer Costigan ontmoet had aan de tafel van Sir Richard Strachan, op Walcheren, waar hij hem had hooren zingen.

Bij den kalmen en hartelijken toon, waarop dit verkondigd werd, zag Bows geheel verbijsterd op. „Maar wij zullen daar later nog wel eens over spreken,” zeide de majoor, die zich misschien niet vast wilde praten; „aan jufvrouw Fotheringay is het, dat ik heden mijne opwachting kom maken, en daarbij vereerde hij haar met eene zoo hoffelijke en bevallige buiging, dat hij zich jegens eene hertogin niet eerbiediger had kunnen gedragen.

„Ik hoorde van uw spel door mijn neef, mejufvrouw,” zeide de majoor; „die dweept met u, zooals ik geloof, dat gij best weet. Doch Arthur is maar een knaap, een opgewonden jonge kerel, wiens gezegden men niet letterlijk moet opnemen, en dus beken ik, dat ik gaarne zelf wilde oordeelen. Vergun mij u thans te zeggen, dat uw spel mij verrukte en verbaasde. Ik heb onze beste actrices gezien en geloof, op mijn woord, dat gij die alle overtreft. Ge zijt zoo vorstelijk als mevrouw Siddons.”

„Waarachtig, dat heb ik ook altijd gezegd,” riep Costigan uit, met een knipoogje tegen zijne dochter. „Ga zitten, majoor.” Milly stond bij dien wenk op, nam een losgetornd satijnen kleedje van den eenigen ledigen stoel en bracht dien met eene van hare bevalligste nijgingen aan majoor Pendennis.

„Gij zijt zoo roerend als jufvrouw O’Neill,” ging hij voort na eene buiging en nam plaats. „Uw gezang herinnerde mij aan mevrouw Jordan in haar besten tijd, toen wij nog jonge heeren waren, kapitein Costigan, en uwe manieren brachten mij Mars voor den geest. Hebt gij Mars ooit gezien, jufvrouw Fotheringay?”

„Er waren twee Maher’s in den schouwburg van Crow Street,” antwoordde jufvrouw Emily; „met Fanny ging het nog al, maar Biddy was niet veel bijzonders.”

„De majoor meent zeker den god des oorlogs, beste Milly,” kwam de vader tusschen beiden.

„Dien Mars meende ik eigenlijk niet, ofschoon het Venus zeker niet euvel te duiden is, dat zij aan hem denkt,” antwoordde de majoor met een lachje rechtstreeks aan het adres van Sir Derby Oaks, die nu in zijne uniform weer binnenkwam; doch de dame begreep de woorden niet, die de majoor bezigde, en het compliment bracht Sir Derby niet in goed humeur, die het waarschijnlijk evenmin vatte en het in ieder geval zeer stuursch en stijf opnam, terwijl hij ongerust naar jufvrouw Fotheringay gluurde, met een gezicht alsof hij vragen wilde: „wat drommel doet die vent hier?”

Majoor Pendennis liet zich door de kwade luim van dien heer volstrekt niet van zijn stuk brengen. Hij vermaakte er zich integendeel mede. „Zoo,” dacht hij, „er is een mededinger in het veld,” en heimelijk uitte hij den wensch, dat Sir Derby niet alleen de mededinger, maar de overwinnaar mocht zijn in den kampstrijd tusschen hem en Pen.

„Ik vrees, dat ik uwe schermles gestoord heb, maar ik kan slechts kort te Chatteries vertoeven, en ik brandde van verlangen om met mijn ouden wapenbroeder kapitein Costigan kennis te maken en om eene dame, die mij op het tooneel zoozeer geboeid had, meer van nabij te zien. Ik was gisterenavond niet de eenige, die opgetogen was, jufvrouw Fotheringay (indien ik u zoo moet noemen, ofschoon uw eigen familienaam zeer oud en edel is). Een geestelijk heer van mijne kennis ging verrukt over Ophelia naar huis, en ik zag Sir Derby Oaks een ruiker werpen, die nooit door eenige actrice beter verdiend werd. Ik zou er zelfs een meegebracht hebben, indien ik had kunnen vermoeden wat ik zien zou. Zijn dat niet dezelfde bloemen, die ik ginds op den schoorsteenmantel in een glas water zie staan?”

„Ik houd dol veel van bloemen,” zeide jufvrouw Fotheringay, met een smachtend lonkje naar Sir Derby Oaks, – maar de baronet bleef nog altijd een zuur gezicht zetten.

„Schoon bij schoon – luidt het zoo niet in het stuk?” vroeg mijnheer Pendennis, die zoo innemend mogelijk wilde zijn.

„Waarlijk, dat weet ik niet. Waarschijnlijk wel. Ik doe niet veel aan de letterkunde,” antwoordde Sir Derby.

„Is dat mogelijk?” hernam de majoor, met voorgewende verwondering. „Hebt gij dus uw vaders liefde voor de letteren niet geërfd, Sir Derby? Het was een degelijk geleerde, en ik had de eer hem zeer goed te kennen.”

„Zoo!” zeide de ander en schudde gemelijk het hoofd.

„Hij redde mij het leven,” vervolgde Pendennis.

„Wezenlijk?” riep jufvrouw Fotheringay uit en liet hare oogen eerst verwonderd op den majoor en vervolgens met erkentelijkheid op Sir Derby rusten. Maar deze laatste was tegen die lonken bestand, en wel verre van verheugd te schijnen, dat zijn vader, de apotheker, het leven van majoor Pendennis had gered, zag de jonkman er veeleer uit, alsof hij wenschte, dat de zaak een geheel anderen loop had genomen.

„Mijn vader was een zeer bekwaam dokter, geloof ik,” zeide de baronet bij wijze van antwoord. „Ik zelf behoor niet tot dat vak. Ik wensch u goedenmorgen, mijnheer. Ik heb eene afspraak – adieu, Cos – jufvrouw Fotheringay, goedenmorgen.” En ondanks de smeekende blikken en verlokkende lachjes der jonge dame, verliet de dragonder de kamer met eene stroeve buiging. Men hoorde het kletteren van zijne sabel terwijl hij de krakende trap afdaalde, en de toornige stem, waarmee hij tegen den kleinen Tom Creed vloekte, die in den gang speelde en wiens tol Sir Derby met eene verwensching de straat op schopte.

Op het gelaat van den majoor kwam geen zweem van een glimlach, ofschoon hij alle reden had om te lachen. „Een verbazend knap jonkman – zoo’n fiksch soldaat als ik ooit gezien heb,” zeide hij tegen Costigan.

„Een sieraad van het leger en van het gansche menschelijke geslacht,” antwoordde Costigan. „Een jongmensch van beschaafde manieren, wellevend en minzaam in den omgang en met een vorstelijk vermogen. Hij houdt eene rijke tafel; bij het regiment draagt men hem op de handen, en hij weegt meer dan honderd kilo’s.”

„Het is volmaakt een ridder uit den ouden tijd,” zeide de majoor lachend. „Ik houd mij overtuigd, dat al de jonge dames hem bewonderen.”

„In weerwil van zijne zwaarte, is hij niet onbevallig nu hij nog jong is,” merkte Milly aan, „maar er zit niets bij.”

„Hij is het best te paard,” zeide Bows, waarop Milly meedeelde, dat hij bij den wedren de derde was geweest met zijn Brard Tearaway, en de majoor begon te begrijpen, dat er bij de jonge dame zelve niet heel veel zat, en zich te verwonderen hoe zij zoo onbeduidend kon zijn en toch zoo goed kon spelen.

Met Iersche gastvrijheid drong Costigan natuurlijk er op aan, dat zijn gast iets gebruiken zou; en de majoor, die even weinig honger had als gij zoudt hebben na een diner bij den lord-mayor, verklaarde, dat hij aan een beschuitje en een glas wijn de voorkeur gaf boven iets anders, daar hij flauw was van het lange vasten – want hij wist, dat de gevers zich zeer gestreeld vinden wanneer men kleine bewijzen van welwillendheid van hen aanneemt en dat de menschen u onvermijdelijk genegen moeten worden wanneer zij u gastvrijheid mogen betoonen.

„Wat van dien ouden madera, Milly, mijn liefje,” zeide Costigan met een wenk tegen zijne dochter, waarop die dame, zich met een blik van verstandhouding tot haar vader keerende, de kamer verliet en naar beneden ging, waar zij haar kleinen boodschaplooper, den jongen heer Tommy Creed, stilletjes riep, en hem een stuk geld gaf met last om in den Druiventros een half fleschje madera en bij den bakker een zakje beschuitjes te gaan halen, waarvoor hij, als hij in een ommezien terug was, twee beschuitjes tot belooning zou hebben.

Terwijl Tommy Creed daarop uit was, zat jufvrouw Costigan beneden bij jufvrouw Creed en vertelde aan hare hospita, dat de oom van mijnheer Arthur Pendennis, de majoor, boven was, een aardig, beleefd oud heer, de zachtzinnigheid zelf, en dat Sir Derby razend jaloersch weggeloopen was, zoodat zij niet wist hoe zij den vrede tusschen beiden moest herstellen.

„Zij heeft de sleutels van den kelder onder hare bewaring, majoor,” zeide mijnheer Costigan, toen het meisje de kamer verliet.

„Op mijn woord van eer, gij houdt er een juweel van een keldermeester op na,” antwoordde Pendennis galant, „en het verwondert mij niet, dat de jongelui dol op haar zijn. Toen wij in hunne jaren waren, kapitein Costigan, geloof ik, dat wij ons met minder mooie vrouwen zouden tevreden gesteld hebben.”

„Dat moogt gij wel zeggen, mijnheer – en gelukkig de man, die haar krijgt. Vraag hier mijn vriend, Bob Bows, maar eens, of jufvrouw Fotheringay niet nog schooner van ziel dan van lichaam is, en of zij niet een beschaafden geest, een fijn verstand en een lief humeur bezit?”

„O, natuurlijk,” zeide mijnheer Bows, vrij droogjes. „Daar komt Hebe blozende uit den kelder. Zoudt gij niet denken, dat het tijd wordt voor de repetitie, jufvrouw Hebe? Gij valt in de boete als gij te laat komt,” en daarbij wierp hij een blik op de jonge dame, die zeggen wilde, dat het beter was, dat zij heenging en de beide oude heeren alleen liet.