Part 14
Op deze aanmaning nam jufvrouw Hebe hoed en doek, en zag er buitengemeen bekoorlijk, opgeruimd en lachend uit; en Bows rolde zijne papieren op en strompelde de kamer door om zijn hoed en stok te halen.
„Moet gij al gaan?” vroeg de majoor. „Kunt gij ons niet nog eenige minuten schenken, jufvrouw Fotheringay? Vergun een oud man, eer gij ons verlaat, u de hand te drukken, en geloof mij, dat ik trotsch ben op de eer uwer kennismaking en dat ik oprecht zou wenschen uw vriend te zijn.”
Op deze galante toespraak maakte jufvrouw Fotheringay eene diepe nijging en de majoor volgde haar tot aan de deur, waar hij hare hand op de vriendelijkste en vaderlijkste wijze drukte. Bows stond verbaasd over dit vertoon van hartelijkheid. „De familie van den knaap kan toch zeker niet wenschen, dat hij haar trouwt,” dacht hij – en aldus vertrokken zij.
„Nu gaat het er op los,” dacht majoor Pendennis. Costigan maakte dadelijk van de afwezigheid zijner dochter gebruik om het overschot van den wijn uit te drinken en zond het eene glas na het andere van den madera uit den Druiventros met eene haastige en bevende hand naar binnen. De majoor kwam aan de tafel terug, nam het glas op en dronk het, joviaal met de lippen smakkende, uit. Indien het madera uit den bijzonderen kelder van Lord Steyne en geen Kaapwijn uit eene herberg ware geweest, had hij geene grootere tevredenheid kunnen toonen.
„Lekkere madera, kapitein Costigan,” zeide hij. „Waar krijgt gij dien vandaan? Ik drink met dit glas op de gezondheid van dat betooverende meisje. Nu, kapitein, het verwondert mij niet, dat de hoofden der mannen door haar op hol geraken. Ik houd mij overtuigd, dat zij even geestig als schoon is, en ik twijfel er niet aan, of zij is even goedig als talentvol.”
„Een goed meisje, mijnheer, een goed meisje,” zeide de verrukte vader, „en ik drink van ganschen harte op hare gezondheid. Zal ik nog een fleschje uit den kelder laten halen? Het is dicht bij de hand. Niet? Ja waarlijk, mijnheer, gij moogt wèl zeggen, dat het een goed meisje is, de trots en de roem van haar vader, den eerlijken, ouden Jack Costigan! De man, die haar krijgt, zal een juweel aan haar hebben, mijnheer. Ik drink zijne gezondheid, en gij weet wel wien ik bedoel, majoor.”
„Het verbaast mij volstrekt niet, dat oud en jong op haar verlieven,” antwoordde deze, „en ik moet u ronduit verklaren, dat, ofschoon ik op mijn armen neef Arthur zeer boos was toen ik van de verliefdheid van den jongen hoorde, ik het hem, nu ik de dame zelf gezien heb, volmondig vergeven kan. Bij den hemel, ik zou zelf nog wel eene kans willen wagen, indien ik niet te oud en te arm was.”
„En een beter man zou zij niet kunnen krijgen, majoor, daar ben ik zeker van,” riep Jack verrukt uit. „Uwe vriendschap, mijnheer, verheugt mij. Uwe bewondering voor mijne dochter brengt mij de tranen in oogen. – tranen, mijnheer – manhaftige tranen, en wanneer zij mijn nederig verblijf met uwe eigen prachtige woning verwisselt, hoop ik, dat zij er een plaatsje voor haar armen, ouden vader, den armen ouden Jack Costigan, zal openhouden.” De kapitein voegde de daad bij het woord, en terwijl hij tegen den majoor sprak werden zijne met bloed beloopen oogen vochtig.
„Uwe gevoelens doen u eer aan,” zeide de ander. „Maar, kapitein Costigan, ik kan mijn lachlust niet bedwingen over één ding, dat gij daar gezegd hebt.”
„En dat is, mijnheer?” vroeg Jack, die op een te hoog heroïsch en sentimenteel standpunt stond, om er van af te dalen.
„Gij hebt van onze „prachtige woning” gesproken – mijn zusters huis, vooronderstel ik.”
„Ik meen het park en de woning van den weledelgeboren heer Arthur Pendennis van Fairoaks Park, dien ik nog eens lid van het parlement voor zijne geboorteplaats Clavering hoop te zien, als hij oud genoeg is om die gewichtige betrekking op zich te nemen,” riep de kapitein met groote deftigheid uit.
De majoor glimlachte, toen hij een pijl uit zijn eigen koker herkende. Hij was het, die bij Pen het denkbeeld opgewekt had, om zitting in het parlement te krijgen voor het naburige vlek, en de arme jongen had er blijkbaar over gezwetst tegen Costigan en de dame van zijn hart. „Fairoaks Park, waarde heer?” zeide de majoor. „Kent gij onze geschiedenis? Wij zijn voorzeker van eene overoude familie, maar ik trad de wereld in met nauwelijks geld genoeg om mijn luitenantsrang te koopen, en mijn oudste broeder was een plattelandsapotheker, die elken stuiver van zijn geld met zijn mortier en zijn stamper verdiend heeft.”
„Ik heb besloten dit over het hoofd te zien, mijnheer, uit aanmerking van de erkende oudheid uwer familie,” zeide Costigan majestueus.
„Loop naar den duivel!” dacht de majoor, doch hij boog en glimlachte.
„Ook de Costigan’s hebben tegenspoed gehad, en ons Huis het kasteel Costigan is in geenen deel meer wat het was. Ik heb zeer deftige lui gekend, die apothekers waren, mijnheer, en er zijn er wel in Dublin, die de eer hebben gehad aan de tafel van den lord-stadhouder te dineeren.”
„Gij zijt zeer vriendelijk, dat gij het niet zoo nauw met ons wilt nemen,” hervatte de majoor; „doch veroorloof mij u te doen opmerken, dat dit de vraag niet is. Gij hebt zoo even van mijn neefje gesproken als erfgenaam van Fairoaks Park en ik weet niet wat meer.”
„Ongetwijfeld nog inschrijvingen op het grootboek, majoor, en zeker op zijn tijd een aardig legaatje van u zelven.”
„Waarde heer, ik zeg u, dat de jongen de zoon van een plattelandsapotheker is,” schreeuwde majoor Pendennis uit, „en dat hij, als hij meerderjarig wordt, geen stuiver te wachten heeft.”
„Kom, kom, majoor, gij steekt den draak met mij,” hernam mijnheer Costigan; „ik twijfel niet of mijn jonge vriend heeft twee duizend pond ’s jaars te wachten.”
„Twee duizend takkebossen! Ik vraag verschooning, beste heer; maar heeft de jongen u misleid? dat ligt anders niet in zijn aard. Op mijn woord van eer, als gentleman en bovendien als executeur van mijn broeders testament, verzeker ik u, dat hij niet veel meer dan vijfhonderd pond ’s jaars naliet.”
„En met overleg is dat ook nog een aardig sommetje, mijnheer,” antwoordde de kapitein. „Wel, ik heb menschen dagelijks hunne flesch zien drinken en hunne koets met vier paarden houden in Ierland van vijfhonderd pond ’s jaars, – met stipt overleg. Wij zullen er wel mee rondkomen, mijnheer – laat dat maar aan Jack Costigan over.”
„Waarde kapitein Costigan – ik geef u mijn woord, dat mijn broeder geen duit aan zijn zoon Arthur heeft vermaakt.”
„Houdt gij mij voor den gek, majoor Pendennis?” riep Jack Costigan uit. „Spot gij met de gevoelens van een vader en een gentleman?”
„Ik vertel u de zuivere waarheid,” hernam majoor Pendennis. „Al wat mijn broeder bezat, heeft hij aan zijne weduwe vermaakt, ofschoon, dat is waar, met gedeeltelijken overgang op den knaap. Maar zij is nog eene jonge vrouw en kan hertrouwen als hij haar boos maakt, – of zij kan hem overleven, want zij stamt af uit een geslacht, waarvan allen stokoud worden. En ik vraag u, als gentleman en man van de wereld, wat mijne zuster, mevrouw Pendennis, uit een inkomen van vijf honderd pond ’s jaars, hetwelk haar gansche fortuin uitmaakt, aan haar zoon kan afstaan, om hem in staat te stellen zich zelven en uwe dochter in den rang, die zulk eene voortreffelijke jonge dame toekomt, te handhaven?”
„Moet ik dus tot het besluit komen, mijnheer, dat de jonge heer, uw neef, dien ik als mijn eigen vleesch en bloed heb getroeteld en liefgehad, een bedrieger is, die met de genegenheid van mijn geliefd kind gespeeld heeft?” riep de Generaal, ziedend van toorn, uit. „Hebt gij zelf op het ontvankelijke hart van den jonkman gewerkt, om hem te bewegen zijn engagement en daarmede het hart van mijne aangebeden Emily te breken? Pas op, mijnheer, dat gij met de eer van Jack Costigan niet spot! Als ik dat van iemand ter wereld kon vooronderstellen, dan zou, bij den hemel, zijn bloed moeten stroomen, mijnheer, onverschillig of hij oud of jong ware.”
„Mijnheer Costigan!” riep de majoor uit.
„Mijnheer Costigan kan en zal zijne eigene eer en die zijner dochter weten te beschermen,” hernam de ander. „Ziet ge die latafel? Daarin liggen stapels brieven, door die slang aan mijn onschuldig kind geschreven; daarin staan beloften, mijnheer, genoeg om er eene hoededoos mee te vullen; en wanneer ik den schurk voor den rechter gesleept en in zijne meineedigheid en schande ten toon gesteld heb, bezit ik nog een ander middel van herstel in die mahoniekouten kist, mijnheer, dat mij recht zal verschaffen, mijnheer, tegen iedereen – geef maar goed acht op mijne woorden, majoor Pendennis – tegen iedereen, die uw neef heeft aangeraden om een krijgsman en gentleman te beleedigen. Hoe? Zou mijne dochter verstooten, mijn grijze haar geschandvlekt worden door den zoon van een apotheker? Bij den hemel, mijnheer, ik wou den man wel eens zien, die dat zou durven doen!”
„Moet ik daaruit afleiden, dat gij in de eerste plaats dreigt de brieven van een knaap van achttien jaar aan eene vrouw van acht en twintig openbaar te maken, en in de tweede plaats mij de eer te bewijzen om mij uit te dagen?” vroeg de majoor, nog altijd volmaakt kalm.
„Gij hebt mijne bedoeling zeer juist gevat, majoor Pendennis,” antwoordde de kapitein, terwijl hij zijne verwarde bakkebaarden over zijne kin trok.
„Nu, nu, dat zal het onderwerp van latere schikkingen uitmaken. Maar wees zoo goed, waarde heer, eer wij tot kruit en kogels komen, bij u zelven eens na te gaan, waarmee ter wereld ik u kan benadeeld hebben? Ik heb u verteld, dat mijn neef afhankelijk is van zijne moeder, die weinig meer dan vijfhonderd pond ’s jaars hezit.”
„Ik heb mijne eigen gedachten over de juistheid van die opgave,” zeide de kapitein.
„Wilt gij er u van overtuigen bij de heeren Tatham alhier, de zaakwaarnemers van mijne zuster?”
„Ik wil met die heeren niets te maken hebben,” antwoordde de kapitein, zichtbaar ontsteld. „Als het waar is wat gij zegt, dan ben ik door iemand schandelijk bedrogen, en op dien persoon zal ik mij wreken.”
„Is het mijn neef?” riep de majoor, terwijl hij opsprong en den hoed opzette. „Heeft hij u ooit verteld, dat hij twee duizend pond ’s jaars bezat? Heeft hij dat gedaan, dan heb ik mij in den knaap vergist. Leugens te vertellen is in onze familie nooit gebruikelijk geweest, kapitein Costigan, en ik geloof, dat mijn broeders zoon dit tot nu toe ook niet geleerd heeft. Onderzoek liever eens of gij u zelven niet misleid, of dwaze overdrijvingen op hooren zeggen aangenomen hebt. Wat mij betreft, mijnheer, verzeker ik u, dat ik niet bang ben voor al de Costigan’s in Ierland en zeer goed weet hoe ik mij tegen bedreigingen van dien kant moet waarborgen. Ik kom hier als de voogd van den knaap om te protesteeren tegen een allerdwaast en allerongerijmdst huwelijk, dat niet anders dan armoede en ellende ten gevolge kan hebben; en wanneer ik het belet, geloof ik, dat ik evenzeer de vriend ben van uwe dochter (die zonder twijfel eene hoogst fatsoenlijke jonge dame is) als van mijne eigen familie; en beletten zal ik dat huwelijk, mijnheer, met al de middelen, die in mijne macht staan. Daar, dat is het wat ik te zeggen heb, mijnheer.”
„Maar niet wat ik te zeggen heb, majoor Pendennis, en gij zult nog nader van mij hooren,” zeide mijnheer Costigan, met een vervaarlijken blik.
„Voor den –, mijnheer, wat bedoelt gij?” vroeg de majoor, zich op den drempel der deur omkeerende en den onversaagden Costigan in de oogen ziende.
„Ik meen in den loop van het gesprek vernomen te hebben, dat gij in het George-Hotel logeert?” zeide mijnheer Costigan plechtstatig. „Een vriend van mij zal daar zijne opwachting bij u komen maken eer gij vertrekt, mijnheer.”
„Laat hij zich dan haasten, mijnheer Costigan,” riep de majoor, schier buiten zich zelven van woede. „Ik wensch u goedenmorgen, mijnheer.” En terwijl majoor Pendennis de trap afging maakte kapitein Costigan over, de leuning van het portaal eene prachtig uitdagende buiging tegen hem.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
WAARIN EEN SCHIETPARTIJTJE WORDT VOORGESTELD.
Vroeger is in deze geschiedenis gewag gemaakt van mijnheer Garbetts, den eersten held in het treurspel, een veelbelovend en athletisch jong acteur, van gezelligen aard en ongeregelde leefwijze, die met Costigan op een zeer vriendschappelijken voet stond. Beiden waren de voornaamste sieraden van den vriendenkring in het hotel de Ekster, stonden elkander ten dienst in verschillende wisselzaken, die zij aan de hand hadden, en leenden elkander hunne kostbare handteekening. Kortom, zij waren vrienden, ofschoon mijnheer Garbetts zelden bij Costigan aan huis kwam, daar jufvrouw Fotheringay niet van hem hield en mevrouw Garbetts van haar kant zeer jaloersch op haar was. Het ware van de zaak was, dat Garbetts zijn hof aan jufvrouw Fotheringay gemaakt en van haar een afwijzend antwoord ontvangen had, eer hij zijne hand aan mevrouw G. had aangeboden. Hunne geschiedenis behoort echter niet tot dit verhaal; het zij genoeg, dat mijnheer Garbetts, zoodra Emily en mijnheer Bows het huis verlaten hadden, door Costigan geroepen werd, als een geschikt vriend, om in het tegenwoordige geval geraadpleegd te worden. Hij was een zwaar gebouwd man met eene luide stem en een barsch voorkomen, die de mooiste beenen van het gezelschap had, en voor de grap een pook stuk kon slaan op zijn gespierden arm.
„Loop eens gauw heen, Tommy,” zeide Costigan tegen den kleinen boodschaplooper, „en haal mijnheer Garbetts van zijne kamers boven den varkensslager, ge weet wel waar het is, en bestel dan in den Druiventros twee glazen whisky-grog, – heet, hoor!” Tommy ging er dus op uit en een oogenblik later verschenen Garbetts en de whisky.
Kapitein Costigan verhaalde hem niet al de vroegere voorvallen, die de lezer kent; maar stelde, met behulp van den grog, een dreigenden brief aan majoor Pendennis op, waarin hij vorderde, dat die heer geene hinderpalen aan het voorgenomen huwelijk van mijnheer Arthur Pendennis met zijne dochter, jufvrouw Fotheringay, in den weg zou leggen, maar een dag hoe eer hoe liever voor het sluiten van dat huwelijk bepalen, of anders hem de voldoening, die tusschen mannen van eer gebruikelijk was, geven zou. En indien majoor Pendennis geen lust mocht hebben in een dier alternatieven, gaf de kapitein te verstaan, dat hij genoodzaakt zou wezen zijne karwats op het lichaam van den majoor te laten neerkomen. Wij kunnen de letterlijke bewoordingen van dien brief niet meedeelen, om redenen, die dadelijk zullen blijken; maar hij was ongetwijfeld in den mooisten stijl van den kapitein gesteld, en zorgvuldig gesloten met het groote zilveren cachet der Costigan’s, – het eenige stuk van het familiezilver, dat de kapitein nog bezat.
Garbetts werd met de boodschap en dien brief afgezonden, en met eene zegenbede drukte de Generaal zijn ambassadeur de hand en zag hem vertrekken. Daarop haalde hij zijne eerwaardige en moorddadige duelleerpistolen met de vuursteensloten te voorschijn, die menigen lustigen knaap te Dublin tot zwijgen gebracht hadden; en na die onderzocht en in behoorlijken toestand bevonden te hebben, haalde hij uit de latafel al de brieven en verzen van Pen, die hij daar bewaarde en die hij altijd gelezen had, alvorens Emily ze mocht inzien.
Na een kwartiertje kwam Garbetts met een betrokken en neerslachtig gezicht terug.
„Hebt gij hem gezien?” vroeg de kapitein.
„Ja zeker,” antwoordde Garbetts.
„En wanneer moet het zijn?” hernam Costigan, terwijl hij den haan van een der pistolen onderzocht en ter hoogte van zijne roode oogen bracht.
„Wanneer moet wat zijn?” vroeg mijnheer Garbetts.
„De ontmoeting, beste jongen.”
„Gij bedoelt toch geen duel, kapitein?” zeide Garbetts met ijzing.
„Wat duivel zou ik anders bedoelen, Garbetts? Dien man, die mijne eer belaagd heeft, wil ik doodschieten of zelf als zijn slachtoffer vallen.”
„De duivel haal mij als ik uitdagingen overbreng,” hernam Garbetts. „Ik ben een huisvader, kapitein, en wil niets met pistolen te maken hebben. Daar hebt gij uw brief terug;” en tot verbazing en verontwaardiging van kapitein Costigan, wierp zijn afgevaardigde bij die woorden den brief met zijn groot geklad opschrift en het slordige lak neder.
„Hebt gij hem gezien en hem toch den brief niet gegeven?” riep de kapitein woedend uit.
„Ja, ik heb hem gezien, maar ik kon hem niet spreken, kapitein,” zeide mijnheer Garbetts.
„En waarom niet, voor den duivel?” vroeg de ander.
„Omdat er iemand bij was, met wien ik liefst niet in aanraking wilde komen, evenmin als gij,” antwoordde de treurspeler met eene grafstem. „Dat lievertje van een Tatham zat bij hem, kapitein.”
„Die lafhartige schurk!” bulderde Costigan. „Hij is bang en wil mij aangeven.”
„Let wel, dat ik niets met het vechten wil te maken hebben,” zeide de acteur norsch, „en ik wou, dat ik Tatham ook niet gezien had, noch dat wisseltje –”
„Houd uw mond, bluffert! Ik geloof, dat gij een bloodaard zijt,” sprak kapitein Costigan met de woorden van „Sir Lucius O’Trigger,” welk karakter hij met talent op en buiten het tooneel gespeeld had, en na nog eenige woordenwisseling ging het paar in alles behalve goede luim van elkander.
Wij hebben hun gesprek hier slechts verkort meegedeeld, en de lezer weet het hoofdpunt, waarover het liep; doch hij zal nu ook inzien, dat wij den juisten inhoud van den brief, dien de kapitein aan den majoor had geschreven, niet kunnen meedeelen, omdat laatstgenoemde heer niet in de gelegenheid was geweest de missive te openen.
Toen jufvrouw Costigan in gezelschap van den getrouwen Bows van de repetitie thuis kwam, vond zij haar vader in groote spanning zijne kamer op en neer loopende, te midden van eene sterke groglucht, die, naar het scheen, zijn onthutst gemoed niet tot bedaren had kunnen brengen. De papieren van Pendennis lagen op tafel rondom de ledige glazen en het nu overbodige theelepeltje, waarvan de kapitein zich bediend had om zijn glas en dat van zijn vriend om te roeren. Toen Emily binnentrad, sloot hij haar in zijne armen en riep haar op wanhopigen toon, en met oogen, die in tranen zwommen, toe: „Bereid u op het ergste voor, mijn kind, mijn engel van een kind!”
„Gij zijt weer beschonken, papa,” zeide jufvrouw Fotheringay, terwijl zij haar vader op zeide duwde. „Gij hadt mij beloofd, dat gij vóór den eten geen drank zoudt gebruiken.”
„Arm kind! ik heb maar een enkel slokje genomen om mijn verdriet te verzetten,” riep de troostelooze vader uit; „het is om mijne zorgen te verdrinken, dat ik het glas licht.”
„Uwe zorgen hebben veel noodig om ze te verdrinken, waarde kapitein,” zeide Bows en bootste daarbij den tongval van zijn vriend na; „wat is er gebeurd? Heeft dat lief heertje met zijn pruikje u boos gemaakt?”
„Die schelm met zijn uitgestreken gezicht! Ik dorst naar zijn bloed!” brulde Cos, onderwijl jufvrouw Milly, die zich uit zijne omhelzing had losgerukt, naar hare kamer was gegaan en daar hoed en shawl afdeed.
„Ik dacht wel, dat hij iets kwaads brouwde: hij was al te beleefd,” zeide de ander. „En wat is hij komen zeggen?”
„O Bows! Hij heeft mij verpletterd!” antwoordde de kapitein, „Er is eene duivelsche samenspanning tegen mijne arme dochter gesmeed; en ik houd het er voor, dat allebei die Pendennis’en, oom en neef, helsche verraders en schurken zijn, die van het aangezicht der aarde verdelgd moesten worden.”
„Wat is het dan? wat is er gebeurd?” vroeg Bows in geen geringe spanning.
Costigan maakte hem bekend met de mededeeling van den majoor, dat de jonge Pendennis geen twee duizend, en zelfs geen tweehonderd pond ’s jaars bezat, en gaf lucht aan zijne verbolgenheid, dat hij zijne onschuldige dochter door zulk een bedrieger had laten vleien en bepraten, en dat hij zulk eene adder in zijn eigen boezem gekoesterd had. „Maar ik heb die slang van mij af geschud,” zeide Costigan; „en wat zijn oom betreft, ik zal op dien ouden heer zulk eene wraak nemen, dat hem den dag, waarop hij een Costigan heeft durven beleedigen, berouwen zal.”
„Wat wilt gij dan, generaal?” vroeg Bows.
„Ik wil hem het leven benemen, Bows – zijn gemeen, verraderlijk leven, mijn jongen!” en daarbij klopte hij onheilspellend en woest op de oude gehavende pistoolkist. Bows had hem dikwijls een beroep hooren doen op die doodelijke wapenen, waarmede hij zijne vijanden wilde vellen; maar de kapitein vertelde hem niet, dat hij reeds aan majoor Pendennis eene uitdaging gezonden had, zoodat mijnheer Bows in dit geval niet veel acht sloeg op de pistolen.
Op dit oogenblik keerde jufvrouw Fotheringay met een volkomen gezond, gelukkig en onverschillig voorkomen uit haar eigen vertrek in de zitkamer terug, als een treffend en weldadig contrast met haar vader, die van woede, verdriet, ergernis en andere aandoeningen beefde. Zij bracht een paar satijnen schoenen mee, die vroeger wit waren geweest, en die zij nu met broodkruim zooveel mogelijk schoon wilde wrijven, daar zij er den volgenden Dinsdagavond als Ophelia – in welke rol zij dan weer zou optreden – de waanzinnige mee moest spelen.
Zij bezag de papieren, die op de tafel lagen, bleef staan alsof zij iets vragen wilde, doch bedacht zich, ging naar de kast, waar zij een bruikbaar stuk brood uitzocht om er de satijnen schoenen mee te bewerken, en keerde toen weer naar de tafel terug, ging er met de schoenen op haar gemak bij zitten en vroeg daarop, in haar ongekunstelden Ierschen tongval, aan haar vader: „Waarom hebt ge de brieven en verzen en andere dingen van den jongen heer Arthur voor den dag gehaald, pa? Gij zijt toch zeker niet voornemens dien onzin weer door te lezen?”
„O Emily!” riep de kapitein uit, „die knaap, dien ik als den zoon mijns boezems liefhad, is niets dan een schurk en een bedrieger, gij arm meisje!” en daarbij zag hij zoo tragisch mogelijk naar Bows aan de overzijde, die van zijn kant met zekere bezorgdheid naar jufvrouw Costigan keek.
„Kom, kom! De arme jongen is zoo onnoozel als een schoolknaap,” gaf zij ten antwoord. „Al die kinderen schrijven verzen en onzin.”
„Hij heeft de rol van eene adder aan deze haardstede en van een verrader in dit gezin gespeeld,” schreeuwde de kapitein. „Ik zeg u, dat hij niets is dan een bedrieger.”
„Wat heeft de arme jongen gedaan, papa?” vroeg Emily.
„Gedaan? Hij heeft ons op de gruwelijkste wijze bedrogen,” antwoordde Emily’s papa. „Hij heeft met uwe genegenheid den spot gedreven en mijne eigene fijngevoeligheid gekwetst. Hij heeft zich voorgesteld als iemand van fortuin, en nu blijkt het, dat hij niet veel meer dan een bedelaar is. Heb ik u niet dikwijls gezegd, dat hij twee duizend pond ’s jaars bezat? En nu, jufvrouw Costigan, kan ik u verzekeren, dat hij arm is; dat hij afhankelijk is van de mildheid zijner moeder, eene goede vrouw, die weer hertrouwen kan, die misschien eeuwig zal blijven leven en die maar vijfhonderd pond ’s jaars bezit. Hoe durft hij vergen, dat gij u aan eene familie verbinden zult, die de middelen mist om u te verzorgen? Gij zijt gruwelijk bedrogen en om den tuin geleid, Milly, en ik geloof, dat zijn oude schelm van een oom met de pruik in het komplot tegen ons is.”
„Die zachtzinnige oude heer? Wat heeft die gedaan, papa?” vroeg Emily weer, nog altijd met onverstoorbare kalmte.
Costigan deelde aan Milly mee, dat majoor Pendennis, met zijne dubbelhartige beleefde Londensche manieren, hem na haar vertrek onderricht had, dat de jonge Arthur in het geheel geen fortuin bezat en hem (Costigan) verwezen had naar de procureurs („die, zooals hij wist, een wissel van mij in handen hebben, zoodat ik hen niet onder de oogen kan komen,” merkte de kapitein tusschen haakjes aan), om het testament van den vader van den knaap in te zien. Ten slotte verklaarde de kapitein, dat beiden een helsch bedrog gepleegd hadden, zoodat hij een huwelijk of hun bloed eischte.