Chapter 2 of 85 · 3982 words · ~20 min read

Part 2

Het is wel mogelijk, zoo hij eene jeugdige amourette had gehad, dat ook zij eens van een ander lot gedroomd had dan te trouwen met een heertje, dat op de tanden beet en een gemaakt lachje vertoonde, dat allerbeleefdst was jegens den knecht, als hij de trap opsloop naar de gezelschapszaal, en overmatig vriendelijk jegens de kamenier, die de wacht had aan de deur der slaapkamer; om wien hare meesteres gewoon was te bellen als om een knecht en die daaraan met nog grooter vaardigheid beantwoordde; en die drankjes zond en anekdoten bedacht om zijne patiënten te vermaken en zijne eigene belangen te bevorderen. Misschien zou zij aan een ander man de voorkeur gegeven hebben – maar zij wist aan den anderen kant hoe braaf, hoe verstandig, hoe achtenswaardig Pendennis was; hoe goed hij voor zijne moeder was geweest en hoe onvermoeid hij voor haar had gezorgd; en het slot der bijeenkomst was, dat zij, met een hoogen blos, voor Pendennis eene zeer diepe nijging maakte en verlof verzocht – om zijn allervriendelijkst voorstel in bedenking te mogen nemen.

Zij trouwden in het doodsche seizoen te Bath, dat het levendigste seizoen te Londen was. En nadat Pendennis, door bemiddeling van een gepromoveerd vriend in zijn eigen vak, eene woning besproken had in Holles Street, Cavendish Square, bracht hij zijne vrouw in een rijtuig met twee paarden daarheen, liet haar de voorname lui zien, die op de receptie ten hove gingen, en verschafte haar in één woord al de vermaken, die de hoofdstad aanbood. Hij gaf ook kaartjes af bij Lord Pontypool, bij den graaf van Bareacres en Sir Pepin en Lady Ribstone, zijne eerste en meest welwillende begunstigers. Bareacres nam geen notitie van de kaartjes. Pontypool kwam eene visite maken, bewonderde mevrouw Pendennis en zeide, dat Lady Pontypool haar zou komen opzoeken, hetgeen zij deed door middel van haar lakei John, die haar kaartje bracht benevens eene uitnoodiging tot een concert, dat over vijf weken ten harent zou plaats hebben. Op dat tijdstip zat Pendennis weder in zijn éénspans rijtuigje en diende drankjes en pillen toe; maar de Ribstone’s hadden hem en zijne vrouw op eene partij genoodigd, en Pendennis snoefde daarop tot zijn laatsten ademtocht.

Het was altijd Pendennis’ heimelijke zucht geweest, een gentleman te zijn. Een dokter in de provincie, wiens inkomsten niet buitengemeen groot zijn, heeft veel tijd en spaarzaamheid noodig om zooveel geld over te leggen, dat hij een huis en wat land kan koopen; doch behalve dat onze vriend ingetogen leefde en een goed overleg had, hielp de Fortuin hem een handje en plaatste hem op het punt, dat hij zoo vurig wenschte te bereiken. Hij belegde wat geld zeer voordeelig in den aankoop van een huis en een landgoedje dicht bij het vroeger genoemde dorp Clavering. Geene woorden zijn in staat om zijn hooggespannen gevoel van eigenwaarde te beschrijven – en hij zou het ook niet gaarne aan iemand bekend hebben, – toen hij het beleefde, dat hij inderdaad grondeigenaar was en over landerijen gaan kon, waarvan hij heer en meester was. Een gelukkige koop van aandeelen in eene kopermijn deed zijne gegoedheid aanmerkelijk toenemen, en, slim genoeg, deed hij ze weder van de hand, toen die mijn nog in blakende gunst stond bij het publiek. Ten slotte deed hij zijne zaak te Bath aan mijnheer Parkins over, voor eene aardige som in baar geld en een jaargeld, dat hem moest uitgekeerd worden gedurende een zeker getal jaren nadat hij voor altijd het gebruik van vijzel en stamper had opgegeven.

Zijn zoon, Arthur Pendennis, was acht jaar oud toen dit gebeurde, zoodat het geen wonder is, dat deze, die Bath en de chirurgijnsaffaire zoo jong verliet, bijna geheel vergat, dat er zulk eene plaats bestaan had, en dat zijn vaders handen ooit bezoedeld werden door het rollen van afschuwelijke pillen, of het uitstrijken van smerige pleisters. De oude man zelf sprak nooit over den winkel, nooit maakte hij eenige zinspeling daarop; hij ontbood den geneesheer uit Clavering, wanneer zijn gezin hulp van dien aard noodig had, legde de zwarte kniebroek en de zwarte kousen geheel ter zijde, woonde de markten en de terechtzittingen van het gerechtshof bij, en droeg eene donkergroene jas met koperen knoopen en donkerbruine slobkousen, alsof hij zijn leven lang een Engelsch landjonker ware geweest. Hij was gewoon aan de deur van zijn portiershuisje de diligences te zien aankomen, en deftig te buigen voor de conducteurs en koetsiers, die onder het voorbijrijden den hoed afnamen. Hij was het, die het Leesmuseum van Clavering en de Samaritaansche soep- en dekenmaatschappij oprichtte. Hij was het, die teweegbracht, dat de post, die vroeger over Cacklefield liep, dat dorp liet liggen en door Clavering kwam. Ter kerke was hij een even ijverig kerkeraadslid als trouw kerkbezoeker. Elken Donderdag ging hij op de markt langs de veehokken naar de groentestallen, bekeek de monsters haver, kauwde graankorrels, betastte de beesten, drukte zijn duim in de borst der ganzen, woog die vogels met het voorkomen van een kenner, en deed zaken met de boeren in het Wapen van Clavering, zoo goed als de oudste bezoeker van dat gastvrij huis. Evenzeer als het hem vroeger een genoegen was geweest, was het hem nu eene ergernis als hij dokter werd genoemd, zoodat degenen, die bij hem in een goed blaadje wilden staan, hem altijd den titel van „jonker” gaven.

De hemel weet waar zij vandaan kwamen, maar eene gansche reeks van portretten der Pendennis’en hing tegenwoordig in de met eikenhout beschoten eetzaal van den dokter; hij bezwoer, dat al die conterfeitsels van de hand van Lely en Van Dyck waren; maar wanneer hij over de geschiedenis van de origineelen ondervraagd werd, antwoordde hij zeer in het algemeen, dat het „voorvaderen van hem” waren. Men kon aan zijne vrouw wel zien, dat zij aan die genealogische legenden niet geloofde, want doorgaans trachtte zij, zoodra hij daarover begon, het gesprek op een ander onderwerp te brengen. Maar zijn zoontje geloofde er onvoorwaardelijk aan, en Roger Pendennis van Agincourt, Arthur Pendennis van Crecy, generaal Pendennis van Blenheim en Oudenaarde waren even wezenlijke en echte menschen voor dezen jongen heer als – wat zullen wij noemen? – als Robinson Crusoe, of Peter Wilkins, of de zeven kampvechters der Christenheid, wier geschiedenissen zich onder zijne boeken bevonden.

Het vermogen van Pendennis, dat, ten ruimste genomen, niet meer dan achthonderd pond sterling ’s jaars beliep, veroorloofde hem, in weerwil van het meeste overleg en de grootste spaarzaamheid, geenszins zich op gelijken voet te stellen met de aanzienlijken van het graafschap; maar hij had een deftigen en aangenamen omgang onder de naast daaraanvolgende soort. Waren zij geen rozen, zoo tierden zij toch dicht bij de rozen en bezaten zij een goed deel van de kenmerken der voorname wereld. Zij lieten hun zilverwerk luchten, en dineerden bij elkander, op avonden als de maan scheen, tweemaal in het jaar, bij welke feestelijke gelegenheden zij van twaalf mijlen ver in het rond bijeenkwamen; en behalve het gezelschap van het platteland genoten de Pendennis’en dat van Clavering zooveel, ja meer dan hun lief was; want jufvrouw Pybus zwierf altijd rondom Helena’s broeikasten en verstoorde de geregelde werking der soepkaarten en der kolenuitdeelingen; de gepensioneerde kapitein Glanders van het 50ste regiment garde-dragonders snoefde altijd over de stallen en tuinen van den jonker en trachtte dezen te betrekken in zijne twisten met den predikant, den postmeester, den weleerwaarden heer F. Wapshot, die aan het hoofd der school te Clavering stond, welke laatste zijn zoon Anglesea Glanders halfdood gerost had, – kortom met het geheele dorp. En dikwijls wenschten Pendennis en zijne vrouw zich geluk, dat hunne huizinge Fairoaks bijna eene mijl buiten Clavering lag; anders zou hun erf nooit een oogenblik vrij zijn geweest van de nieuwsgierige oogen en het gekakel van dezen of genen der mannelijke en vrouwelijke bewoners van die plaats.

Het park van Fairoaks loopt uit op de kleine rivier Brawl, en aan de andere zijde lagen de plantsoenen en bosschen (zooveel althans als er van was overgebleven) van Clavering Park, toebehoorende aan den baronet Sir Francis Clavering. Toen de Pendennis’en zich op Fairoaks kwamen vestigen, was dit park als weidegrond verhuurd en werd het door schapen en koeien bevolkt. Luiken sloten de vensters der huizinge, een prachtig hardsteenen paleis, met groote trappen, standbeelden en portieken; men vindt er de afbeelding van in de Schoonheden van Engeland en Wallis. Sir Francis’ grootvader, Sir Richard Clavering, was den achteruitgang der familie begonnen door den bouw van dit paleis; zijn opvolger had dien voltooid door het te bewonen. De tegenwoordige Sir Francis verbleef ergens buitenlands, en er deed zich niemand op, rijk genoeg om dat ontzaglijke landhuis te huren, welks eenzame kamers, muffe en holklinkende portalen en sombere galerijen Arthur Pendennis als knaap vele malen bevende doorkruist had. Tegen zonsondergang had men van het grasperk van Fairoaks een fraai uitzicht; dit perk en het park van Clavering plachten zich dan in een gouden gloed te hullen, die beiden heerlijk stond. De bovenvensters der groote huizinge straalden met zulk een brandenden gloed, dat het aan de oogen pijn deed; het riviertje stroomde kabbelend westwaarts en verloor zich in een somber bosch, waarachter de torens der oude abdijkerk van Clavering (om welke die stad tot den huidigen dag Clavering St. Mary’s wordt genoemd) in purperpracht omhoog rezen. De gestalten van den kleinen Arthur en zijne moeder wierpen lange blauwe schaduwen over het gras, en dan begon hij (want een tooneel van landelijk schoon roerde steeds den knaap, die deze gevoeligheid van zijne moeder had geërfd) zekere versregelen op te zeggen, beginnende:

Hoe blinkt uw majesteit alom In ’t onbegrensde heiligdom Der schepping, eeuwig Koning!

tot groote stichting van mevrouw Pendennis. Zulk eene wandeling en onderhoud eindigden doorgaans met een aantal kinderlijke en moederlijke omhelzingen; want lief te hebben en te bidden waren de hoofdbezigheden van deze beminnelijke vrouw; en dikwijls heb ik Pendennis op zijne onbesuisde wijze hooren zeggen, dat hij zeker was in den hemel te zullen komen, want dat zijne moeder daar zonder hem niet gelukkig zou kunnen zijn.

Wat John Pendennis als vader des gezins en zoo voorts betreft, iedereen had het grootste ontzag voor hem, en zijne bevelen werden als die der Meden en Perzen gehoorzaamd. Zijn hoed was zoo glad geborsteld als die van wien ook in het gansche rijk. Zijne maaltijden werden elken dag op dezelfde minuut opgedragen, en wee dengenen, die te laat kwamen, zooals met den kleinen Pen, een onmanierlijken kleinen schavuit, soms het geval was. Hij deed zijne gebeden, las zijne brieven, verrichtte zijne zaken, bezocht zijn stal en tuin, zijn kippenloop en hondenhok, zijne schuur en zijn varkenskot altijd op vaste uren. Na het middagmaal deed hij altijd een dutje met de courant de Globe op zijne knie en zijn geel zijden zakdoek over zijn gelaat. (Majoor Pendennis zond de gele zakdoeken uit Indië en zijn broeder had hem geholpen om den majoorsrang te koopen, zoodat zij tegenwoordig goede vrienden waren). En derhalve, daar zijn diner ten zes ure, op klokslag af, plaats had en de bovenbedoelde bewondering van het ondergaan der zon kan gesteld worden op omtrent half acht, is het vermoedelijk, dat hij zich niet veel moeite gaf om het uitzicht van zijne vensters over het grasperk te genieten, of deel te nemen aan de dichterlijke ontboezemingen en de liefkoozingen, die daarbij plaats hadden.

Zij vielen zelden voor in zijne tegenwoordigheid. Hoe uitgelaten vroolijk moeder en kind te voren waren, zij werden ingetogen en stil zoodra mijnheer Pendennis met zijn dagblad onder den arm de huiskamer binnentrad. En hier was het, terwijl de kleine Pen, in een grooten stoel weggedoken, alle boeken las, die hij machtig kon worden, dat de „jonker” zijne geliefkoosde artikelen in de Tuinbouw-Courant las, of een deftig partijtje piket met mevrouw Pendennis speelde, of met een vriend, die eens uit het dorp was komen overwippen.

Gewoonlijk zorgde Pendennis, dat ten minste één van zijne groote diners plaats had als zijn broeder de majoor, die, na den terugkeer van zijn regiment uit Indië en Nieuw-Zuid-Wallis, zijn ontslag uit den dienst genomen had, zijn tweejarig bezoek op Fairoaks kwam afleggen. „Mijn broeder, majoor Pendennis,” was steeds het onderwerp der gesprekken van den rustenden dokter. Het gansche gezin liep hoog weg met „mijn broeder den majoor.” Hij was de schakel, die hen met de groote wereld van Londen en met de toongevers der hoofdstad verbond. Hij bracht altijd het laatste nieuws omtrent den adel mee en was gewoon met lords en groote lui te dineeren. Hij sprak van deze met militair ontzag en bescheidenheid. Zoo zeide hij bijvoorbeeld: „Lord Bareacres is zoo goed geweest mij op Bareacres te noodigen voor de fazantenjacht,” of: „Lord Steyne heeft de beleefdheid gehad mij te vragen, of ik de Paaschdagen op Stillbrook wil komen doorbrengen,” en men kan zich overtuigd houden, dat de gangen van mijn broeder den majoor door den waardigen heer Pendennis behoorlijk werden bekend gemaakt aan zijne vrienden van het Leesmuseum te Clavering, op de bijeenkomsten der vrederechters of in de provinciale hoofdplaats. De rijtuigen kwamen met bezoekers van tien mijlen in het rond om den majoor te zien als hij te Fairoaks verbleef, en zijn roem als man van de wereld was in het geheele graafschap gevestigd. Er liep een gerucht, dat hij jufvrouw Hunkle, van Lilybank, de dochter van den ouden Hunkle den procureur, zou trouwen, die ten minste vijftienhonderd pond sterling ’s jaars ten huwelijk zou brengen; doch mijn broeder de majoor wilde zich met die zaak niet inlaten, hoe voordeelig zij ook aan de meeste menschen zou zijn toegeschenen. „Ben ik ongetrouwd,” zeide hij, „dan let niemand er op hoe arm ik ben. Ik heb het geluk om te gaan met personen, zoo hoog geplaatst in de wereld, dat de eenige honderden of duizenden ’s jaars meer of minder geen verschil maken in de achting, die zij mij wel gelieven toe te dragen. Jufvrouw Hunkle, ofschoon eene hoogst fatsoenlijke dame, kan niet op de afkomst of de manieren bogen, die haar aanspraak zouden kunnen geven om ontvangen te worden in den kring, waarin ik de eer heb mij te bewegen. Ik zal als een oud vrijer leven en sterven, John; en ik twijfel niet of uwe geachte vriendin, jufvrouw Hunkle, zal wel een waardiger voorwerp voor hare genegenheid vinden dan een afgeleefden en gepensioneerden oud-soldaat.” De tijd bevestigde de juistheid der vermoedens van den grijzen man van de wereld; jufvrouw Hunkle trouwde een jong Fransch edelman, en woont op dit oogenblik te Lilybank als barones de Carambole, na van haar wilden jongen guit van een baron zeer kort na hun huwelijk gescheiden te zijn.

De majoor stond bij schier al de leden van het kleine gezin op Fairoaks in groote gunst. Hij was even goedhartig als wellevend, en koesterde oprechte genegenheid en achting voor zijne schoonzuster, die hij, en volkomen naar waarheid, voor eene echte dame, als er eene in Engeland was, en eene eer voor de familie verklaarde. Hare bedeesde schoonheid, hare natuurlijke zachtzinnigheid en lieftalligheid, en die eenvoud en waardigheid, welke onbevlekte reinheid en onschuld steeds aan eene bevallige vrouw schenken, maakten haar ook inderdaad den lof van haar broeder ten volle waardig. Ik geloof niet, dat het nationaal vooroordeel is, hetgeen mij eene fijn beschaafde Engelsche dame als de meest volkomene van alle schepselen des hemels op deze aarde doet beschouwen. In wie anders ziet men zooveel aanvalligheid en zooveel deugd, zooveel getrouwheid en zooveel teederheid, met zulk eene volmaakte verfijning en zedigheid vereenigd? En met fijn beschaafde dames bedoel ik geen hertoginnen of gravinnen. Hoe hoog haar stand ook zij, kunnen zij slechts dames wezen, en niets meer. Doch bijna ieder man, die in de wereld leeft, heeft het geluk, althans naar wij hopen, eenige zoodanige personen onder zijne bekenden te tellen, – vrouwen, in wier engelachtige natuur zoowel iets ontzagwekkends als iets schoons is waar te nemen; aan wier voeten de wildsten en onbuigzaamsten onder ons moeten nederknielen en zich verootmoedigen, vol bewondering voor die aanbiddelijke reinheid, die nooit iets verkeerds schijnt te doen of te denken.

Arthur Pendennis had het geluk eene moeder te bezitten, met deze gezegende eigenschappen bedeeld. Gedurende zijne kindsheid en jeugd beschouwde de knaap haar als weinig minder dan een engel; als een bovennatuurlijk wezen, dat enkel wijsheid, liefde en schoonheid was. Wanneer haar man met haar naar de hoofdplaats reed, of naar de bals en concerten, die gedurende den tijd der zittingen van het hof van assises gegeven werden, dan was hij gewoon met zijne vrouw aan den arm de zaal binnen te treden en de voorname lui in het gezicht te zien, alsof hij zeggen wilde: „Zie maar eens toe, mylord; kan iemand uwer mij eene vrouw gelijk deze toonen?” Zij maakte sommige dames van het platteland, die driemaal meer geld hadden dan zij, woedend door eene soort van onnavolgbare volkomenheid, die zij in haar vonden. Jufvrouw Pybus zeide, dat zij koel en hooghartig was; jufvrouw Pierce, dat zij te trotsch was voor haar stand; mevrouw Wapshot wilde, als vrouw van een doctor in de godgeleerdheid, den voorrang hebben boven haar, die maar de vrouw van een geneesheer was. Maar ondertusschen ging deze dame de wereld door, zonder zich in het minste gelegen te laten zijn aan den lof of de blaam, die over haar uitgesproken werd. Zij scheen niet te weten, dat zij bewonderd of gehaat werd omdat zij zoo volkomen was, maar bewandelde kalm den levensweg, hare gebeden verrichtende, haar gezin liefhebbende, hare buren bijstaande en haar plicht vervullende.

Dat echter zelfs eene vrouw feilloos zou zijn, is iets, dat de natuur niet gedoogt, die ons van zielsgebreken voorziet, gelijk zij ons met hoofdpijn, ziekte of dood begiftigt, zonder welke het wereldplan niet zou kunnen uitgevoerd worden, ja zonder welke sommige der heerlijkste eigenschappen van de menschheid niet in toepassing zouden kunnen worden gebracht. Gelijk pijn de geestkracht en lijdzaamheid, tegenspoed de volharding, armoede de vlijt en het vernuft, gevaar den moed en wat niet al meer voortbrengt of opwekt, zoo roepen omgekeerd de deugden zelve sommige ondeugden in het leven, en zoo was met één woord mevrouw Pendennis met de ondeugd besmet, welke de jufvrouwen Pybus en Pierce in haar ontdekt hadden, namelijk die van hoogmoed, niet zoozeer op haar eigen persoon als wel op haar gezin. Zij sprak van mijnheer Pendennis (zonder twijfel een achtenswaardig klein heer, maar er leven anderen, even braaf als hij) met een soort van eerbiedig ontzag, alsof hij de paus van Rome op zijn troon ware geweest en zij een kardinaal, die aan zijne voeten knielde en hem den wierook toezwaaide. Den majoor beschouwde zij als een soort van Bayard onder de majoors; en wat haar zoon Arthur betrof, dien jongen heer aanbad zij met eene innigheid, welke het schelmpje met bijna dezelfde koelheid bejegende als waarmede het standbeeld van den heilige in de St.-Pieterskerk te Rome de vurige kussen ontvangt, welke de geloovigen op zijn teen drukken.

Deze ongelukkige ingenomenheid en afgoderij van de goede vrouw was oorzaak van een groot deel der rampen van den jongen heer, die de held dezer geschiedenis is en die alzoo bij den aanvang er van verdient vermeld te worden.

De makkers van Arthur Pendennis op de Grauwebroedersschool verklaren, dat hij in zijne jongensjaren noch als een domkop noch als een schrandere bol de aandacht trok. Hij deed stipt wat er van hem gevergd werd en niets meer. Zoo hij zich in iets onderscheidde, het was in het maken van verzen; maar hoe groot zijne geestdrift ook mocht wezen, ze hield op zoodra hij het voorgeschreven getal regels had opgesteld (geheel anders dan bij voorbeeld de jonge Swettenham, die, zonder meer dichtvuur in zijn boezem dan mijnheer Wakley, toch in den loop van slechts één vrijen middag een honderdtal taaie hexameters aan den meester bracht; of de jonge Fluxmore, die niet alleen zijne eigen verzen, maar bovendien die van de geheele vijfde klasse maakte). Nooit las hij buiten de schooluren iets tot zijne onderrichting; maar daarentegen verslond hij al de romans, tooneelstukken en dichtbundels, die hij machtig kon worden. Hij had nooit van den meester slagen gehad, maar het was een wonder hoe hij den geesel had kunnen ontkomen. Wanneer hij geld op zak had, bracht hij het royaal door in taartjes voor hem zelven en zijne vrienden, en men herinnerde zich het geval, dat hij op één dag negen en een halven shillings had uitgegeven van de tien, die hij gekregen had. Bezat hij geene fondsen, dan haalde hij op krediet. Kon hij geen krediet krijgen, dan deed hij het maar zonder, en hij was er bijna even tevreden onder. Hij getroostte zich eens, zonder een woord te zeggen, een pak slagen, dat voor een goeden kennis bestemd was, maar een slag, hoe licht ook, van een vriend, deed hem van woede brullen. Van vechten had hij sinds zijne vroegste jeugd een afkeer, evenals van drankjes, de Grieksche spraakkunst of eenige andere inspanning, en hij wilde zich met niets van dat alles ophouden, tenzij in den uitersten nood. Zelden, zoo ooit, loog hij, en kleine jongens zat hij nooit op den kop. De meesters of groote scholieren, die goed voor hem waren, had hij met kinderlijke drift lief. En ofschoon de rector, wanneer hij zijn Horatius niet kende, of zijn Grieksche treurspel niet kon construeeren, zeide dat die jongen van een Pendennis eene schande was voor de school; een uitverkorene voor ellende in deze wereld en verdoemenis hier namaals, een verkwister, die waarschijnlijk zijn achtenswaardigen vader tot den bedelstaf en zijne moeder tot een onteerd graf zou brengen, en meer van dien aard, – zoo begon de kleine Pen, die eerst onthutst en verschrikt was over die verwijten, er langzamerhand aan te gewennen, daar de rector dezelfde lofspraak toezwaaide aan de meeste leerlingen dezer school (die toch geen in het oog loopend getal bandieten en zakkenrollers heeft opgeleverd); en werkelijk heeft hij ook tot op den huidigen dag zijne ouders niet vermoord, noch eenige daad gepleegd, welke deportatie of ophanging verdiende.

Vele van de groote jongens, met welke Pendennis werd opgevoed, matigden zich, lang voor dat zij de school verlieten, al de rechten van mannen aan. Velen, bij voorbeeld, rookten sigaren en sommigen hadden reeds een aanvang gemaakt met zich te bedrinken. Eén had een duel gehad met een luitenant van een doormarcheerend regiment, ten gevolge van een twist in den schouwburg; een ander hield waarlijk een wagentje en een paard er op na, dat hij van een stalhouder in Covent-Garden had gehuurd, en Zondags kon men hem daarmee in Hyde-Park zien rijden met een knecht met gekruiste armen en wapenknoopen. Vele der oudste jongens waren verliefd en toonden elkander in vertrouwen gedichten aan of brieven en haarlokken van jonge dames; Pen echter, als een zedige en bedeesde knaap, benijdde voor het oogenblik die makkers meer dan dat hij hen navolgde. Hij was vooralsnog niet verder dan de theorie; de practijk des levens moest nog geheel komen. En – tusschen haakjes – o, teedere moeders en deftige vaders van christelijke gezinnen, een verbazend iets is die theorie des levens, gelijk zij mondeling geleerd wordt op eene groote openbare school. Waarlijk, indien gij die veertienjarige knapen, die in tegenwoordigheid van hunne moeders blozen en stilletjes wegsluipen uit de tegenwoordigheid harer dochters, onder elkander kondt hooren spreken – het zou de beurt der vrouwen zijn om te blozen! Voordat hij nog twaalf jaar was en terwijl zijne moeder hem als een engeltje van onschuld beschouwde, had de kleine Pen genoeg hooren praten om hem op zekere punten verschrikkelijk wijs te maken, – en dat, mevrouw, is ook het geval met uw hartediefje van een zoontje met zijne rozenwangetjes, die van de kostschool thuis komt om de kerstvacantie door te brengen. Ik zeg niet, dat de jongen verloren is, of dat hem die onschuld verlaten heeft, die hij medekreeg uit „het hemelsch vaderland” maar dat de schaduwen van deze aarde snel over hem komen en dat wij zooveel mogelijk medewerken om hem te bederven.