Chapter 62 of 85 · 3759 words · ~19 min read

Part 62

Om de waarheid te zeggen, Arthur zou, indien hij de stoutmoedigste roué en de listigste Lovelace ware geweest, die zich ooit op het misleiden van een jong meisje toelegde, bezwaarlijk betere middelen dan die, welke hij den vorigen avond had aangewend, in het werk hebben kunnen stellen, om de arme kleine Fanny Bolton te betooveren en voor zich te winnen. Zijn voornaam en beschermend gedrag, zijn ingenomenheid met zich zelven, zijne mildheid en zijn opgeruimdheid, zelfs de braafheid en eerlijkheid, die hem in staat hadden gesteld de schuchtere toenadering van het onschuldig schepseltje tegen te gaan en van hare onervarenheid en vatbaarheid voor indrukken geen misbruik te maken – kortom, zoowel zijne gebreken als zijne deugden dwongen haar bewondering af; en indien wij in Fanny’s bed konden zien (dat zij in een kabinetje met twee kleine zusjes deelde, aan welke wij mijnheer Costigan koek en appelen hebben zien uitreiken), dan zouden wij het arme meisje rondwoelende vinden op de matras, tot groote stoornis van de beide andere slaapsters, terwijl zij al het genoegen en al de gebeurtenissen van dien heerlijken en aan gebeurtenissen rijken avond en al de woorden, blikken en handelingen van Arthur, den schitterenden held van het feest, lag te overdenken. Fanny had thuis in stilte vele romans in drie deelen en in afleveringen gelezen. De periodieke literatuur was nog niet tot de hoogte gestegen, die zij sedert bereikt heeft, en voor de meisjes van Fanny’s tijd bestond geen gelegenheid om voor een stuiver zestien bladzijden opwekkende lectuur te koopen, vol verhalen van misdaad en moord, van verdrukte deugd en hardvochtige aristocratische verleiders; maar zij had gebruik kunnen maken van de leesbibliotheek, die jufvrouw Minifer gezamenlijk met hare school, een snoepwinkeltje en eene kleine modezaak hield, – en Arthur was in haar oog dadelijk de type en de verpersoonlijking van al de helden uit al die geliefkoosde geel gewordene boekdeelen, welke het jonge meisje verslonden had. Mijnheer Pen was, gelijk wij reeds weten, zeer keurig op zijn overhemden en in het algemeen op zijne kleeding. Fanny had met verrukking de fijnheid van zijn linnen, de pracht zijner hemdsknoopjes, de sierlijkheid van zijn batisten zakdoek en zijne witte handschoenen en het schitterend verlaksel van zijne nette laarzen opgemerkt. De prins had zich vertoond en de arme dienstbare aan zijne zegekar geboeid. Zijn beeld verscheen haar telkens in haar onrustigen slaap; de toon zijner stem, het blauwe licht zijner oogen, zijn lieve blik, waaruit half liefde, half meewarigheid sprak, zijn manhaftige, beschermende lach, de gulle, innemende wijze waarop hij het kon uitschateren, dit alles rees weer in de herinnering van het meisje op. Zij voelde nog altijd hoe zijn arm haar omvatte en zag hem voornaam glimlachen toen hij dat heerlijke glas champagne inschonk. En daarop dacht zij aan hare vriendinnetjes, die den neus voor haar optrokken, – aan Emma Baker, die zoo trotsch was (het had wat te beteekenen!) omdat zij geëngageerd was met een kaaskooper met een wit voorschoot, in de nabijheid van Clare Market; en aan Betsy Rodgers, die altijd den mond zoo vol had van haar vrijer, een procureursklerk (verbeeld je!), die met een zak vol papieren moest rondloopen!

Derhalve was Fanny, toen omstreeks twee uur (nadat het middagmaal der familie Bolton was afgeloopen) een heer met witten hoed en witte broek zich in de poort der Inn vertoonde en bij het deurtje van den portier stilhield (mijnheer Bolton, die, buiten zijne betrekking als portier van de Inn, nog in dienst was van de heeren Tressler, de groote ondernemers van begrafenissen, in het Strand, was de stad uit met de lijkstaatsie van de gravin van Estrich) – toen was Fanny zeggen, wij, in het minst niet verwonderd; zij was alleen verrukt en verblijd en bloosde sterk. Zij wist, dat het niemand anders kon zijn dan Hij. Zij wist dat Hij zou komen. Daar was Hij; daar was zijne koninklijke hoogheid, die haar in de poort tegenstraalde. Zij riep: „Mama, mama!” aan hare moeder, die op de bovenvertrekken aan het werk was, en liep dadelijk naar het deurtje om het open te doen en duwde de andere kinderen op zijde. Wat bloosde zij, toen zij hem de hand reikte! Wat nam hij beleefd den witten hoed af, toen hij binnenkwam, terwijl de kinderen hem aanstaarden! Hij vroeg aan jufvrouw Bolton, of zij na de vermoeienissen van den vorigen avond goed geslapen had, en gaf de hoop te kennen dat zij geen hoofdpijn voelde, en hij voegde er bij, dat hij, daar hij juist dien weg uit moest, de deur niet had willen voorbijgaan zonder naar den welstand van zijne danseres te vernemen.

Jufvrouw Bolton was tegenover deze vriendelijkheid wel wat stroef en achterdochtig; maar Pen bezat een onuitputtelijke goedhartigheid en bemerkte niet, dat hij onwelkom was. Hij zag in het vertrek naar een stoel rond, en daar er geen vrij was, want op den eenen stond een schoteldeksel en op den anderen een werkdoosje en zoo voorts, nam hij een van de kinderstoeltjes en zette zich op die ongemakkelijke verhevenheid neder. Hierover begonnen de kinderen te lachen, en het kind, dat Fanny heette, luider dan iemand anders, – althans vond zij het grappiger dan iemand der kinderen en tevens stond zij verbaasd over de nederbuigende goedheid van zijne koninklijke hoogheid. Moest hij op dat stoeltje zitten, dat kleine kinderstoeltje! Ontelbare malen zag zij het er later op aan. Heeft niet bijna ieder onzer dergelijke meubelen op zijne kamer, die de verbeelding met dierbare gestalten bevolkt en ons geheugen met lieftallige en lachende gezichten vervult, welke ons misschien nooit meer zullen aanzien?

Pen zette zich dus neer en sprak met groote radheid van tong tegen jufvrouw Bolton. Hij vroeg hoe het met de begrafeniszaken ging en hoeveel huilebalken de kist van Lady Estrich volgden, en hoe het met de Inn stond en wie daar woonden? Hij scheen zeer veel belang in het rijtuig en het paard van mijnheer Campion te stellen en zeide, dat hij dien heer wel in gezelschap ontmoet had. Hij dacht wel, dat hij eenige aandeelen in de Polwheedle en Pontydiddlum-mijnen zou nemen; hield jufvrouw Bolton ook die kamers schoon? Stonden er kamers te huur in de Inn? Het was er beter dan in den Temple; hij zou ook wel in Shepherd’s Inn willen wonen. Wat kapitein Strong betrof, en – kolonel Altamont – heet hij zoo? ook in deze beiden stelde hij groot belang. De kapitein was bij hem aan huis een oud vriend geweest. Hij had hier op zijne kamer wel met hem gedineerd, eer de kolonel bij hem kwam wonen. Wat soort van man was die kolonel? Was het niet een zwaar man, met veel goud en juweelen, en eene pruik en groote zwarte snorren – heel zwart (bij deze woorden was Pen verbazend snaaksch, zoodat de dames het van de pret uitschreeuwden) – wezenlijk heel zwart of eigenlijk blauwzwart, dat wil zeggen mooi groenachtig purper? Ja, dat was de man; dien had hij ook ontmoet, bij Sir Fr.... – in gezelschap.

„O, wij weten het wel,” zeiden de dames, „Sir Fr .... is Sir Francis Clavering. Die komt dikwijls hier, – twee of driemaal ’s weeks bij den kapitein. Mijn kleine jongen heeft wel zegels voor hem moeten halen. O heere! ik vraag excuus, ik had geen geheimen mogen verklappen,” stamelde jufvrouw Bolton, die thans door Pen’s gebabbel volkomen in haar humeur was gebracht. „Maar wij weten, dat gij een gentleman zijt, mijnheer Pendennis, want dat hebt gij getoond, – niet waar, Fanny?”

Fanny hield om dat gezegde nog eens zooveel van hare moeder, en zeide met eene stem vol gevoel, terwijl zij hare donkere oogen naar de lage zoldering opsloeg: „Ja, dat is zoo, waarlijk, ma!”

Pen was vrij nieuwsgierig naar die zegels en het verhandelde op Strong’s kamer, en vroeg wanneer Altamont bij den chevalier kwam, of hij ook zegels liet halen, wie hij was, of hij vele menschen zag, en zoo meer. Argeloos en naar haar beste weten, hetgeen niet veel te beteekenen had, beantwoordde jufvrouw Bolton deze vragen, met veel slimheid door Pen gedaan, die zijn eigene redenen had om belang in Sir Francis Clavering’s doen en laten te stellen.

Toen die vragen beantwoord waren en Pen er geene meer wist te bedenken, herinnerde hij zich gelukkig de voorrechten, die hij als lid van de dagbladpers bezat, en vroeg aan de dames of zij geen vrijkaartjes voor den schouwburg wilden hebben? De schouwburg was haar hoogste genot, gelijk altijd het geval is met personen, die in betrekking tot het tooneel hebben gestaan. Wanneer Bolton voor zijne beroepszaken uit was (het scheen, dat de portier van Shepherd’s Inn in den laatsten tijd fijn was geworden, heel veel dronk en zich nog op verscheiden andere wijzen onaangenaam maakte voor de dames van zijn gezin), dan deden zij niets liever dan naar den schouwburg gaan, terwijl het zoontje, Barney, de wacht hield in de portiersloge; en Pen’s vrijgevig en beleefd aanbod van kaartjes werd dus met onbegrensde dankbaarheid door moeder en dochter aangenomen.

Fanny klapte van pret in de handen en haar gelaat glinsterde van blijdschap. Zij knipoogde en knikte en lachte tegen hare mama, die evenzeer van haar kant knikte en lachte. Jufvrouw Bolton was nog niet te oud om genoegen te hebben, noch, naar zij meende, om bewonderd te worden. En het is niet onwaarschijnlijk, dat mijnheer Pendennis in zijn gesprek met haar eenige complimentjes had laten vloeien, of zijn onderhoud althans zóó had ingericht, dat het haar behaagde. Na eerst tegen Pen te zijn geweest en achterdocht jegens hem te hebben gekoesterd, was zij nu zijne voorstandster, ja bijna met evenveel geestdrift voor hem bezield als hare dochter. Wanneer twee vrouwen te zamen met een man ingenomen zijn, helpen zij elkander voort, – de eene stuwt de andere vooruit, – en de tweede wordt uit loutere sympathie even opgewonden als degene, die er het meest bij betrokken is: – dat verzekeren althans wijsgeeren, die het ver in deze wetenschap gebracht hebben.

Het aanbod der vrijbiljetten en andere aardigheden brachten dus allen in een opgeruimde stemming, die slechts een oogenblik verstoord werd toen een der jonge kinderen op het hooren van den naam van „Astley” kwam aanloopen met de verklaring, dat zij ook heel graag zou meegaan, waarop Fanny tamelijk scherp zeide: „Zult ge uw mond eens houden!” en mama van haar kant riep: „Maak dat je weg komt Betsy-Jane, en ga op het plein spelen!” waarop de twee kleintjes, met name Betsy-Jane en Amelia-Anna, met hare onschuldige voorschootjes heengingen en op het kiezelzand rondom het standbeeld van den grooten Shepherd op het plein aan het spelen raakten.

En terwijl zij daar speelden, hebben zij wellicht met een oud bekende, een medebewoner der Inn, gesproken, want terwijl Pen zich bij de dames in de portierswoning, die om zijne geestige zetten lachten, aangenaam maakte, ging een oud heer onder de poort van het plein der Inn door en keek de deur der woning binnen.

Hij trok een zeer stug en bezorgd gezicht, toen hij Arthur, als Macheath in het drama, in een luchtig gesprek met jufvrouw Bolton en hare dochter gewikkeld, op de tafel zag zitten.

„Zóó! Mijnheer Bows? Hoe gaat het, Bows?” riep Pen op vroolijken en luiden toon. „Ik was op weg om u op te zoeken en vroeg uw adres aan deze dames.”

„Kwaamt gij mij opzoeken, mijnheer? Wezenlijk?” zeide Bows, waarop hij met zijn weemoedig gelaat binnentrad en Arthur de hand drukte. „Ik wou, dat die ouwe man in de maan zat!” dacht iemand in de kamer, en misschien ook nog iemand anders buiten haar.

NEGEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

IN SHEPHERD’S INN.

Onze vriend Pen zeide dus: „Hoe gaat het, mijnheer Bows?” op luiden en vroolijken toon, toen hij dien heer gewaar werd, en verwelkomde hem op levendige en luchtige wijze; maar toch zou men een blos op Arthur’s wang hebben kunnen bespeuren (weerkaatst door Fanny, wier gelaat onmiddellijk een soortgelijk flikkerend rood signaal opheesch); en nadat Bows en Arthur elkander de hand hadden gegeven, en de eerste zich op ironische wijze des anderen verzekering, dat hij op de kamer van mijnheer Costigan een bezoek had willen afleggen, had laten welgevallen, ontstond er eene sombere en eenigszins schuldbewuste stilte in het gezelschap, welke Pen dadelijk trachtte te verdrijven door veel drukte en gebabbel. De stilte verdween natuurlijk bij mijnheer Arthur’s luidruchtigheid, maar de somberheid bleef bestaan en nam toe, gelijk met de duisternis in een gewelf het geval is, als men een enkele kaars ontsteekt. Pendennis trachtte op eene grappige wijze de voorvallen van gisterenavond te beschrijven en deed moeite om Costigan na te bootsen, zooals hij vruchteloos had staan twisten met den bureaulist in den Vauxhall. Het was geene volmaakte nabootsing; wie zou dat toppunt van volmaaktheid aanschouwelijk kunnen voorstellen? Niemand van het gezelschap lachte er om. Jufvrouw Bolton begreep volstrekt niet wie het was, dien mijnheer Pendennis nabootste, den bureaulist of den kapitein. Fanny zette een verschrikt gezicht en waagde een schuchter lachje; de oude Bows zag er zoo ernstig uit alsof hij in het orkest vedelde, of op de piano in de Achterkeuken een moeielijk stuk uitvoerde. Pen gevoelde dat zijn aardigheid mislukt was; aan het slot van zijn verhaal daalde en stierf zijne stem op eene jammerlijke wijze weg: zij flikkerde nog even op en ging uit, en alles was weer donker. Men kon de voetstappen van den kruier, die zich altijd in den omtrek van Shepherd’s Inn ophoudt, op de steenen onder de poort hooren; iedereen merkte het gekletter van de hakken zijner laarzen op.

„Gij hadt mij een bezoek willen brengen, mijnheer?” zeide Bows. „Zoudt gij dan de goedheid willen hebben met mij naar mijne kamer te gaan? Gij zult mij voorwaar eene groote eer bewijzen. Het is tamelijk hoog; maar –”

„O, ik woon zelf op eene zolderverdieping,” viel Pen hem in de rede, „en Shepherd’s Inn is veel vroolijker dan Lamb Court.”

„Ik wist, dat gij uwe kamers op eene derde verdieping hadt,” zeide mijnheer Bows, „en ik wilde juist zeggen – ik hoop dat gij het mij niet kwalijk zult nemen – dat de lucht, drie trappen hoog gezonder, is voor gentlemen dan de dampkring van eene portiersloge.”

„Mijnheer!” zeide Pen, wiens kaars door zijn toorn weer opflikkerde en die in eene stemming verkeerde om zoo twistziek te wezen als de menschen zijn wanneer zij ongelijk hebben. „Gij zult mij wel veroorloven mijn gezelschap te kiezen zonder –”

„Gij hadt de beleefdheid te zeggen, dat gij mijn nederig verblijf met een bezoek wildet vereeren,” zeide Bows op zijn droeven toon. „Wil ik u den weg wijzen? Mijnheer Pendennis en ik zijn oude vrienden, jufvrouw Bolton, – zeer oude kennissen. In den allereersten morgenstond van zijn leven ontmoetten wij elkander.”

De oude man wees met een bevenden vinger naar de deur, met zijn hoed in de andere hand, en in eene houding, die wel wat theatraal was, evenals zijne woorden het waren, die hij eenigszins gemaakt uitsprak en die hij gekozen had uit de taal, welke hij zijn leven lang van de geblankette lippen der redenaars voor de voetlichten gehoord had. Doch ofschoon Pen wel lust gevoelde, met het melodramatische voorkomen van den ouden man den spot te drijven, gevoelde hij zeer goed, dat deze geen rol speelde of aannam. „Kom dan mee, mijnheer,” zeide hij, „als gij er zoo sterk op aandringt. Goedendag, jufvrouw Bolton. Vaarwel, jufvrouw Fanny; ik zal mij altijd met genoegen onzen avond in den Vauxhall herinneren, en ik beloof u, dat ik aan de toegangsbiljetten voor den schouwburg denken zal.” En met die woorden nam hij hare hand en drukte die, kreeg een wederdruk, en verdween.

„Wat is dat een lief jongmensch!” riep jufvrouw Bolton uit.

„Niet waar, ma?” zeide Fanny.

„Ik zat mij te bedenken op wien hij toch geleek. Toen ik aan den Sadler’s Wells-schouwburg verbonden was met mevrouw Serle,” vervolgde jufvrouw Bolton, terwijl zij tusschen de gordijntjes door Pen nakeek, die met Bows het plein overging, „toen was er een jong heer uit de City, die een witten hoed droeg en met eene tilbury kwam, en die sprekend op hem geleek, uitgezonderd dat hij zwarte bakkebaarden had en die van mijnheer P. zijn rood.”

„Heere! ma! zij zijn van het mooiste bruin, dat men zien kan,” zeide Fanny.

„Hij kwam om Emily Budd, die de colombine was in „Harlekijn’s horlepijp, of de slag van Navarino,” toen jufvrouw de La Bosky ziek was – eene knappe danseres en een mooi figuurtje voor het tooneel – en hij was een voornaam banketbakker in de City en had eene buitenplaats te Omerton. Hij placht haar in zijne tilbury naar Goswell Street Road te rijden, en eens, dat hij daar weer heen reed, lieten zij zich trouwen in de Bartholomeuskerk in Smithfield, waar hunne geboden heel in de stilte waren afgekondigd, en nu houdt zij rijtuig en ik heb haar naam in de courant gezien onder de dames directrices van het bal op het Mansion House ten voordeele van het liefdadig gesticht voor waschvrouwen. En zie Lady Mirabel eens – kapitein Costigan’s dochter – die is op het tooneel geweest, zooals iedereen weet.” Jufvrouw Bolton zeide dit een en ander, en nog meer betrekkelijk dit onderwerp, terwijl zij nu eens door de gordijntjes keek en dan weer de kroezen en borden schoonmaakte en in het kastje in den hoek wegzette; en zij eindigde hare rede eerst toen zij met Fanny het tafellaken uitschudde en opvouwde en het op zijne plaats in de lade der tafel legde.

Ofschoon Costigan bij eene vroegere gelegenheid vrij nauwkeurig omtrent den staat van Pen’s geldmiddelen en vooruitzichten was ingelicht, moet ik vooronderstellen, dat Cos die kennis, welke hij jaren geleden te Chatteries had verkregen, vergeten had, of dat hij door zijn aangeboren zucht tot overdrijving verleid was geworden het inkomen van zijn vriend te hoog aan te slaan. Toen hij den vorigen avond, gedurende Pen’s kleine échappade met Fanny, met jufvrouw Bolton wandelde, had hij haar Fairoaks-Park met de gloeiendste kleuren afgeschilderd; hij had uitgeweid over de ontzaglijke schatten van Pen’s vermaarden oom, den majoor, en een innige bekendheid met Pen’s bezittingen en effecten en landerijen aan den dag gelegd. Zeer waarschijnlijk had jufvrouw Bolton in hare wijsheid den ganschen nacht over die aangelegenheden liggen na te denken en in den geest Fanny reeds in hare koets zien rijden, gelijk jufvrouw Bolton’s voormalige vriendin, de danseres van Sadler’s Wells.

Bij die laatste operatie van het opvouwen van het tafellaken kwamen de beide dwaze vrouwen natuurlijk zeer dicht bij elkander; en toen Fanny het laken aanvatte en er de laatste vouw aan gaf, legde de moeder haar vinger onder de kin van het jonge meisje en gaf haar een kus. Wederom vertoonde zich het roode signaal en flikkerde het op Fanny’s wang. Wat beteekende dat nu? Ditmaal was het geen schrik. Het was van genoegen, dat de arme kleine Fanny zoo bloosde. Arme kleine Fanny! Hoe? zou de liefde zondig zijn, daar zij aanvankelijk zoo aangenaam is en ten slotte zoo bitter?

Na die omhelzing vond jufvrouw Bolton goed te zeggen, dat zij voor zaken uit moest, en dat Fanny op de portiersloge moest passen, waarin het meisje na niet meer dan eene zeer flauwe tegenwerping bewilligde. Jufvrouw Bolton zette dus haar hoed op, nam hare boodschappenmand mede en ging uit; en zoodra zij weg was, zette Fanny zich aan het venster, waar zij het gezicht had op de woning van Bows, en wendde haar oogen van dat gedeelte van Shepherd’s Inn niet meer af

Betsy-Jane en Amelia-Anna zaten in een hoek van de kamer te stoeien en hielden zich alsof zij in een prentenboek lazen, dat een van beiden het onderste boven hield. Het was een ernstig en huiveringwekkend traktaatje uit mijnheer Bolton’s boekverzameling. Fanny hoorde niet hoe hare zusjes daarover keuvelden. Zij lette op niets dan op de huisdeur bij Bows.

Eindelijk schrikte zij eventjes en haar oogen glinsterden. Hij was er uitgekomen. Hij zou hare deur weer voorbijgaan. Doch reeds een oogenblikje later betrok haar gezichtje, want Pendennis kwam wel naar buiten, maar Bows volgde hem op den voet. Beiden gingen onder de poort door. Hij nam alleen zijn hoed af en maakte eene buiging toen hij naar binnen zag, maar hij hield niet stil om met haar te spreken.

Na een minuut drie vier kwam Bows alleen terug en trad de kamer van den portier binnen. Fanny wist niet juist hoeveel tijd er verloopen was, maar zij keek hem woedend aan toen hij binnentrad.

„Waar is uwe ma, liefje?” vroeg hij aan Fanny.

„Dat weet ik niet,” gaf zij met eene spijtige hoofdbeweging ten antwoord. „Gij denkt toch niet, mijnheer Bows, dat ik ma als hare schaduw volg?”

„Ben ik mijn moeders hoeder?” zeide Bows met zijne gewone melancholische bitterheid. „Kom eens hier, Betsy-Jane en Amelia-Anna; ik heb een koekje voor degene, die hare letters het best kent, en dan nog een voor die daarop volgt.”

Toen de jonge dames het examen doorstaan hadden, dat Bows haar afnam, werden zij beloond met hare medailles van koek, die zij op het plein gingen opeten. Onderwijl haalde Fanny eenig werk te voorschijn en hield zich alsof zij daarmee druk bezig was, ofschoon zij, terwijl hare naald heen en weer ging, zeer opgewonden en boos was. Bows had zich zoodanig geplaatst, dat hij het gezicht had op den uitgang van de woning naar de straat. Doch de persoon, dien hij misschien dacht te zullen zien, kwam niet meer opdagen; en toen jufvrouw Bolton van de markt terugkwam, vond zij Bows op de plaats van den persoon, dien zij verwacht had te zullen zien. De lezer kan misschien wel gissen hoe hij heette.

Het onderhoud van Bows met zijn gast, toen beiden de trap opklommen naar het vertrek, dat de eerstgenoemde met den afstammeling der Milesische koningen bewoonde, was voor beide partijen niet bijzonder aangenaam. Pen was norsch, en zoo Bows iets op het hart had, wilde hij zich daarvan niet ontlasten in tegenwoordigheid van kapitein Costigan, die al den tijd van Pen’s bezoek in de kamer bleef en, om de waarheid te zeggen, ook slechts weinige minuten vóór de komst van dien heer zijne slaapkamer verlaten had. Wij hebben het déshabillé van majoor Pendennis bijgewoond; zou iemand de kamerdienaar van onzen anderen held, Costigan, willen zijn? Het scheen dat de kapitein, alvorens zijn slaapvertrek te verlaten, zich met extract van whisky besproeide. Er ging een sterke geur van dat heerlijke reukwater van hem uit, toen hij zijn bezoeker de hand der vriendschap reikte. Die hand beefde jammerlijk, en het was een wonder hoe ze het scheermes kon vasthouden, waarmee de arme gentleman dagelijks over zijne kin voer.