Chapter 82 of 85 · 3431 words · ~17 min read

Part 82

Bij die gelegenheid was het, dat de majoor zeide te gelooven, dat Morgan sinds langen tijd al verduiveld rijk was. Hij had dan ook het huis in Bury Street gekocht, waarin zijn meester kamers bewoonde; en door zijne bekendheid met de familie Clavering en ten gevolge van de inlichtingen, die hij van zijn meester ontvangen had, dat de begum al de schulden van haar man zou betalen, heel veel geld verdiend door zooveel acceptatiën van den baronet op te koopen als hij geld bijeen kon brengen om daaraan te besteden. Van deze operatiën wist de majoor echter even weinig als de meeste heeren van hunne bedienden weten, die den ganschen dag in onze tegenwoordigheid doorbrengen en echter vreemdelingen voor ons zijn; zoo sterk is de gewoonte en zoo onverbiddelijk de afscheiding tusschen de verschillende standen.

„En dus bood hij u geld ter leen, ei?” zeide de oude Pendennis tegen zijn neef. „Het is een verduiveld sluwe kerel en een verduiveld rijke kerel, en menig edelman zou zulk een knecht in zijn dienst willen hebben, om wat van hem te leenen. En die monsieur Morgan is geen zier veranderd. Hij doet zijn werk evengoed als te voren, komt altijd dadelijk als ik schel, en maakt niet de minste drukte op de kamer – hij is verduiveld sterk aan mij gehecht, die Morgan!”

Op den dag van Strong’s bezoek herinnerde de majoor zich Pen’s verhaal en bedacht zich dat Morgan hem zou kunnen helpen, waarop hij zijn knecht over diens rijkdom plaagde op die vrijmoedige en onbeschroomde wijze, welke van zulk een hooggeplaatst heer tegenover zulk een verachtelijk wezen te verwachten was.

„Ik hoor, dat gij wat geld te beleggen hebt, Morgan,” zeide de majoor.

„Dat heeft mijnheer Arthur verteld; ik wou dat hij gehangen was,” dacht de kamerdienaar.

„Ik ben blij, dat mijn dienst zoo voordeelig is,” vervolgde de majoor.

„Gij zijt wel goed, mijnheer; ik heb geen reden om over mijn dienst of mijn meester te klagen,” antwoordde Morgan onderdanig.

„Nu, gij zijt een goede kerel; ik geloof, dat gij aan mij gehecht zijt, en het doet mij genoegen, dat het u wel gaat. Ik hoop maar, dat gij voorzichtig zult wezen en geen herberg of zoo iets opzetten.”

„Eene herberg,” dacht Morgan: „ik in eene herberg! – die ouwe gek! – Wel verduiveld, als ik tien jaar jonger was, zou ik vóór mijn dood zitting in het parlement hebben!” „Neen, mijnheer, ik ben u wel verplicht. Ik denk aan geen herberg, mijnheer. En ik heb mijne geringe spaarpenningen vrij goed uitgezet, mijnheer.”

„Gij doet ook een weinig aan het geldschieten, hè, Morgan?”

„Ja, mijnheer, een beetje – ik – ik vraag verschooning, mijnheer – zou ik zoo vrij mogen zijn eene vraag te doen?”

„Spreek op, vriendje,” zeide de oude heer zeer genadig.

„Het is aangaande de wissels van Sir Francis Clavering, mijnheer? Zoudt gij denken, mijnheer, dat hij er nog langer goed voor was? Zou mylady ze nogmaals betalen?”

„Wat hebt ge hem ook al geld geleend?”

„Ja, mijnheer, een beetje,” antwoordde Morgan, terwijl hij de oogen neersloeg. „En ik wil wel bekennen, mijnheer, als u het mij niet kwalijk neemt, mijnheer, dat nog een beetje meer mij zeer voordeelig zou zijn, indien het evengoed uitviel als de laatste maal.”

„Wat! Hoeveel hebt gij, voor den drommel, wel aan hem geprofiteerd?” vroeg de majoor.

„Ik heb er een aardig voordeeltje aan gehad, mijnheer, daar wil ik wel voor uitkomen, mijnheer. Daar ik zekere inlichtingen gekregen had, en door uwe vriendelijkheid kennis met de familie had gemaakt, zette ik den pot op het vuur, mijnheer.”

„Wat deedt gij?”

„Ik belegde mijn geld, mijnheer – ik zamelde alles bijeen wat ik kon, en leende overal, en kocht de wissels van Sir Francis op; vele droegen zijn naam en dien van den heer, die daar juist is heengegaan, van mijnheer Edward Strong, mijnheer; en natuurlijk weet ik, mijnheer, van het bankroet en het standje, dat op Grosvenor Place plaats had; en daar ik evengoed geld mag verdienen als ieder ander, zou ik u zeer verplicht zijn, als gij mij wildet meedeelen, of Lady Clavering nog eens over de brug zal komen?”

Ofschoon majoor Pendennis even verwonderd stond over hetgeen hij van zijn knecht hoorde, alsof hij vernomen had dat Morgan een vermomde markies was, die besloten had zijn masker af te werpen en in het Hoogerhuis zitting te nemen, en ofschoon hij natuurlijk verontwaardigd was over de vermetelheid van den kerel, die zich onderstaan had onder zijn oogen en zonder zijne voorkennis rijk te worden, zoo koesterde hij echter een aangeboren bewondering voor iedereen, die geld bezat en fortuin had gemaakt, zoodat hij, toen hij den waren staat van zaken begon te doorzien, gevoelde, dat hij Morgan eerbied en zelfs wel wat ontzag toedroeg.

„Nu, Morgan,” zeide hij, „ik zal u maar niet vragen, hoe rijk gij wel zijt; en hoe rijker, des te beter voor u. Kon ik u inlichtingen verschaffen, die u van dienst konden zijn, ik zou u spoedig helpen. Doch openhartig gesproken: indien Lady Clavering mij vraagt of zij verder de schulden van Sir Francis moet betalen, zal ik haar raden het niet te doen, ofschoon ik vrees dat zij het wèl zal doen; en meer weet ik er niet van. En dus hebt gij gemerkt, dat Sir Francis zijn – hè – zijn roekeloozen en onvoorzichtigen weg weer opnieuw bewandelt?”

„Hij is weer aan den gang, mijnheer; ik kan het hem niet beletten. Hij kan het niet laten.”

„Mijnheer Strong zeide mij, dat zekere heer Moss Abrams de houder van een van Sir Francis Clavering’s wissels was. Weet gij iets van dien heer Abrams, of van het bedrag van den wissel?”

„Ik weet niets van den wissel, mijnheer, maar ik ken Abrams zeer goed.”

„Ik wenschte, Morgan, dat gij dit eens voor mij kondt ontdekken, en ook waar ik Sir Francis Clavering zou kunnen spreken.”

En daarop zeide Morgan: „Ja wel, mijnheer, ik zal het doen, mijnheer,” en verliet de kamer, gelijk hij die binnengetreden was, op zijne gewone eerbiedige, sluipende en onderdanige wijze, terwijl hij den majoor in mijmering en verwondering over hetgeen hij zoo pas gehoord had, verzonken liet.

Den volgenden morgen gaf de knecht aan den majoor kennis, dat hij mijnheer Abrams had gesproken, en deelde hen mede hoe groot de wissel was, welke die heer wilde negotieeren, en dat de baronet stellig dien middag ten één uur in de achterkamer van „Fortuna’s rad” zou te vinden zijn.

Ditmaal hield Sir Francis Clavering zich trouw aan zijn afspraak, en toen hij ten één uur in de achterkamer van genoemde herberg zat, omringd door zandbakjes, matten stoelen, mooie prenten van boksers, renpaarden en hardloopers, en bedolven in de tabakslucht van den vorigen avond, die nog in het vertrek was blijven hangen, – terwijl, zeggen wij, deze afstammeling van een oud geslacht op die verrukkelijke plaats zat, met een oud en zwaar met bier bevlekt nommer van Bell’s Life in London in de hand, trad de wellevende majoor Pendennis de kamer binnen.

„Zoo! ben je daar, ouwe jongen?” vroeg de baronet, in de meening dat het mijnheer Moss Abrams was, die het geld kwam brengen.

„Hoe maakt ge het, Sir Francis Clavering? Ik moest u noodzakelijk spreken en ben u dus hierheen gevolgd,” antwoordde de majoor, op wiens verschijning de ander een zeer lang gezicht zette.

Nu de majoor zijne tegenpartij tegenover zich had, besloot hij een krachtigen en onverwachten aanval op hem te doen en opende dus dadelijk het vuur. „Ik weet voor welken allergemeensten kerel gij mij aanzaagt, Clavering,” ging hij daarom voort, „en om welke reden gij u hier bevindt.”

„Dat gaat u niet aan, niet waar?” vroeg de baronet met een onthutsten en smeekenden blik. „Waarom gaat gij mijne gangen na; waarom matigt gij u gezag aan en bemoeit gij u met mijne zaken, majoor Pendennis? Ik heb u nooit benadeeld, niet waar? Ik heb nooit geld van u geleend. En ik verkies niet op die manier bespied en onder de plak gehouden te worden. Ik verkies het niet, en ik zal het niet dulden. Laat Lady Clavering, als zij mij eenig voorstel te doen heeft, het mij langs den behoorlijken weg en door tusschenkomst van de zaakwaarnemers doen toekomen. Ik heb met u liever niet te maken.”

„Ik kom niet vanwege Lady Clavering,” zeide de majoor, „maar uit eigen beweging, Clavering, om u te waarschuwen en pogingen te doen, om u van den ondergang te redden. Het is pas eene maand geleden, dat gij gezworen hebt en uw eed op den Bijbel wildet herhalen, dat gij geen andere wissels meer teekenen, maar u met de toelage, welke Lady Clavering u verleent, vergenoegen zoudt. Al uwe schulden zijn betaald onder die voorwaarde, en die hebt gij geschonden; die mijnheer Abrams heeft een wissel van zestig pond van u in handen.”

„Het is een oude wissel; ik zweer u plechtig dat het een oude wissel is,” bracht de baronet krijschend uit.

„Gij hebt hem gisteren pas getrokken, maar hem opzettelijk van drie maanden geleden gedateerd. Waarachtig, Clavering, ik walg van uwe leugens; ik kan het niet laten u dit te verklaren. Ik kan u, voor den drommel, niet uitstaan; gij bedriegt iedereen, en u zelven daarbij. Ik heb nog al veel in de wereld gezien, maar nooit uw gelijken in draaierijen. Ik geloof, dat gij altijd liever eene leugen vertelt dan ooit de waarheid te spreken.”

„Zijt gij hier gekomen, gij ouwe schelm, om mij te sarren om u – u aan te vliegen en – en u de oude hersens in te slaan?” riep de baronet met een blik van den doodelijksten haat op den majoor.

„Hoe, mijnheer!” schreeuwde de oude majoor, terwijl hij opsprong en zijn rotting greep, en daarbij zoo woedend keek, dat de baronet onmiddellijk van toon veranderde.

„Neen, neen,” hernam Clavering, met eene klagende stem. „Ik vraag verschooning. Ik had mij niet boos willen maken of u iets onaangenaams zeggen, majoor Pendennis, maar gij valt mij ook zoo verduiveld bar op het lijf. Wat wilt gij eigenlijk van mij hebben? Waarom vervolgt gij mij zoo? Wilt gij óók geld van mij hebben? Gij weet, bij den hemel, dat ik geen duit bezit,” en aldus ging Clavering, volgens zijne gewoonte, van vloeken tot huilen over.

Majoor Pendennis begreep aan Clavering’s toon, dat deze wist, dat de majoor zijn geheim kende.

„Ik breng van iemand eene boodschap, en ik heb jegens u niets anders in den zin,” hervatte Pendennis, „dan eene poging te doen, indien het nog niet te laat is, om u en uwe familie van den geheelen ondergang ten gevolge van uw verwenscht roekeloos gedrag, te redden. Ik kende uw geheim –”

„Ik was er geheel onkundig van, toen ik met haar trouwde; ik kan er een eed op doen, dat ik er niets van wist voordat die verd– schurk terugkwam en het mij zelf vertelde; en het is het verdriet daarover, Pendennis, dat mij zoo roekeloos maakt, dat is wezenlijk waar!” riep de baronet handenwringende uit.

„Ik kende uw geheim van het oogenblik af, dat ik Amory dronken in de eetzaal op Grosvenor Place zag komen. Ik vergeet nimmer een gezicht, dat ik eenmaal aanschouwd heb. Ik herinner mij dien kerel te Sydney als strafgevangene gezien te hebben, en hij heeft mij ook herkend. Ik weet van zijn proces, van den datum van zijn huwelijk en van zijn gewaanden dood in de wildernis. Ik kan er op zweren, dat hij die persoon is. En ik weet dus, dat gij evenmin wettig met Lady Clavering getrouwd zijt als ik. Ik heb uw geheim goed bewaard, want ik heb er aan geen sterveling iets van gezegd, – aan uwe vrouw niet en aan u zelven niet, tot op dit oogenblik.”

„Die arme Lady Clavering, het zou haar vreeselijk schokken,” snikte Sir Francis, „en mijne schuld is het niet; dat weet gij wel, majoor.”

„Liever dan u te laten voortgaan met haar te ruïneeren, zal ik het aan haar, en bovendien aan de gansche wereld, vertellen; dit zweer ik u, dat ik zal doen, tenzij ik tot eene schikking met u komen en uwe helsche dwaasheid breidelen kan. Gij hebt door spelen en schuldenmaken en uitspattingen van allerlei aard, de helft van het fortuin uwer vrouw en van hare wettige erfgenamen – let wel, van hare wettige erfgenamen – opgemaakt. Hierbij moet het blijven. Gij kunt niet met elkander leven. Gij zijt niet geschikt om in zulk een groot huis als Clavering te wonen, en eer wij drie jaar verder zijn, zoudt gij geen duit meer bezitten. Ik heb overlegd wat er gedaan moet worden. Gij zult zeshonderd pond ’s jaars ontvangen, u buitenslands begeven en van dat inkomen leven. Gij moet uw ontslag als lid van het parlement nemen, en trachten rond te komen zoo goed gij kunt. Als gij dit afslaat, geef ik u mijn woord, dat ik morgen den waren toestand van zaken zal bekend maken; ik zal zweren, dat het Amory is, zoodra hij herkend is, zal hij teruggebracht worden naar het land van waar hij gekomen is, zoodat de weduwe te gelijk van u en van hem ontslagen zal zijn. Uw zoontje verliest dan alle aanspraak op Snell’s nalatenschap, en deze gaat over op de dochter uwer vrouw. Heb ik de zaak niet vrij duidelijk uiteengezet?”

„Zoo wreedaardig zoudt gij toch jegens dien armen jongen niet zijn, Pendennis, niet waar?” vroeg de vader op klagenden toon. „Och, denk toch aan hem! Het is zoo’n aardige jongen, ofschoon hij verduiveld ondeugend is, dat moet ik bekennen, – verduiveld ondeugend.”

„Gij zijt het, die wreedaardig jegens hem handelt,” zeide de oude zedemeester. „Wel, mijnheer, gij zult u zelven onvermijdelijk binnen drie jaren ruïneeren!”

„Ja maar, weet je, misschien zal ik zoo’n verduivelden tegenspoed niet meer hebben; de kans moet keeren, en ik zal mij, bij den hemel, verbeteren, dat zal ik. En als gij de zaak bekend maakt, zou het mijne vrouw zoo schokken; – gij weet best, dat het haar vreeselijk zou aandoen.”

„Ja, de scheiding van u zou haar zeker bitter vallen,” hernam de oude majoor spottend. „Maar gij weet, dat zij niet langer met u leven wil.”

„Maar waarom kan mylady niet buitenslands, of te Bath of te Tunbridge, of de hemel weet waar gaan wonen, en ik hier blijven?” ging Clavering voort. „Ik ben liever hier dan in het buitenland, en ik blijf gaarne in het parlement. Lid van het parlement te zijn, kan zoo voordeelig wezen. Er zijn nog slechts weinige plaatsen gelijk de mijne over; en als ik die verkocht aan het ministerie, twijfel ik niet of men zou mij tot gouverneur van een eiland benoemen, of mij iets verduiveld goeds geven; want ge weet, dat ik een man van drommels aanzienlijke geboorte ben en een titel heb – en zoo meer, majoor Pendennis. Wel, ziet gij dat niet in? Gelooft gij niet, dat zij mij iets zeer aannemelijks zouden geven, als ik mijne kans goed waarnam? En dan, weet ge, zou ik geld overleggen en mij buiten die verwenschte speelholen en het rouge et noir houden – en – en ik zou dus, met uw welnemen, het parlement liefst niet verlaten.” Want het was voor onzen weifelmoedigen baronet niets ongewoons het eene oogenblik iemand te haten en het hoofd te bieden, het volgende in zijne tegenwoordigheid te schreien, en ten laatste volkomen vertrouwelijk en vriendschappelijk met hem om te gaan.

„Wat uwe plaats in het parlement betreft,” zeide de majoor met een blosje op de wang en eene zekere ontroering, welke de baronet niet opmerkte, „die moet gij afstaan, Sir Francis Clavering, aan – aan mij.”

„Hoe, wilt gij lid van het Lagerhuis worden, majoor Pendennis?”

„Neen, ik niet; maar mijn neef Arthur is een zeer talentvol jonkman en zou daar een goed figuur maken: toen er twee leden voor Clavering werden afgevaardigd, had zijn vader er licht één van kunnen zijn, en – en ik zou gaarne zien, dat Arthur er zitting nam,” besloot de majoor.

„Wel verduiveld! weet die het ook al!” riep Clavering uit.

„Niemand buiten deze kamer weet er iets van,” antwoordde Pendennis, „en als gij mij die gunst wilt bewijzen, houd ik mijn mond. Zoo niet, dan zal ik, als man van mijn woord, doen wat ik gezegd heb.”

„Zeg eens, majoor,” zeide Sir Francis met een buitengewoon nederig lachje: „zoudt ge mij niet, als een goede kerel, mijn eerste kwartaal vooruit kunnen bezorgen? Gij kunt alles met Lady Clavering doen wat gij wilt, en ik zal, dat zweer ik u, dien wissel van Abrams terugnemen. Die verwenschte kleine schelm zal mij, dat weet ik, met deze zaak bedriegen; hij bedriegt mij altijd: en als gij dit voor mij kondt uitwerken, majoor, zou ik eens zien.”

„En ik geloof, dat het beste voor u zou zijn in September naar Clavering te gaan om te jagen, en mijn neef mee te nemen, om hem bij de kiezers bekend te maken. Ja, dat zal inderdaad de beste tijd zijn. En dan zullen wij de zaak van dat voorschot wel in orde trachten te brengen.” (Dat kan Arthur wel leenen, dacht de oude Pendennis. Wat drommel, eene plaats in het parlement is wel honderd vijftig pond waard.) „En gij zult natuurlijk wel in gedachte houden, Clavering, dat mijn neef niets van deze zaak weet. Gij geeft uw wensch te kennen om af te treden hij is een inboorling van Clavering en een goed vertegenwoordiger voor die plaats: gij stelt hem voor en uwe kiezers stemmen voor hem. Begrepen?”

„Wanneer zoudt gij mij honderd vijftig pond kunnen bezorgen, majoor? Wanneer zal ik bij u komen? Zijt gij van avond of morgenochtend thuis? Wilt gij niets gebruiken? Zij hebben aan het buffet verduiveld goed bitter; ik neem dikwijls een bittertje, want dat knapt een mensch heelemaal op.”

De majoor wilde echter geen verversching gebruiken, maar stond op en nam afscheid van den baronet, die hem tot aan de deur van de herberg uitgeleide deed, en toen naar het buffet ging, waar hij bij de kasteleines een bittertje dronk; en daar er juist een heer binnentrad, die in betrekking stond tot het boksersvak en in „Fortuna’s rad” in den kost was, ontstond er tusschen hem en Sir Francis Clavering en den kastelein een gesprek over het boksen en andere vermaken; en eindelijk verscheen mijnheer Moss Abrams met het bedrag van des baronets wissel, waarvan hij zijn eigen aanzienlijk commissieloon had afgetrokken, waarna Sir Francis uit het overschot een diner te Greenwich aan zijn achtbaren vriend gaf en den avond verder vroolijk in den Vauxhall doorbracht.

Onderwijl had majoor Pendennis eene vigilante in Piccadilly genomen en zich naar Lamb Court in den Temple laten rijden, waar hij spoedig met zijn neef in druk gesprek gewikkeld was.

Na dat onderhoud scheidden zij op zeer vriendschappelijken voet van elkander en het was ten gevolge van dit gesprek, hetwelk niet in schrift bewaard is gebleven, maar waarvan de lezer desniettemin de strekking zeer wel zal kunnen gissen, dat Arthur zich uitliet op de wijze als wij in zijn onderhoud met Warrington, in het vorige hoofdstuk vermeld, gehoord hebben.

Wanneer iemand gedrongen wordt iets te doen, dat hem zelven behaagt, kan hij honderderlei vernuftige redenen vinden, om zijn zin te volgen; en Arthur overlegde onophoudelijk bij zich zelven, dat hij gaarne in het parlement zou zijn, dat hij zoo trachten zich daar te onderscheiden, en dat het er niet op aankwam bij welke partij hij zich voegde, daar er bij elke partij waarheid en onwaarheid werd aangetroffen. Op deze en andere punten meende hij, dat hij zijn geweten wel zou kunnen gerust stellen, en dat de Sadduceesche leer toch een makkelijk en vroolijk geloof was.

VIER EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

PHILLIS EN CORYDON.

Lady Clavering had op eene schilderachtige heidevlakte in de nabijheid van Tunbridge Wells eene lieve villa gevonden, die zij na hare huwelijksrampen op het einde van dat ongelukkige Londensche seizoen betrok. Jufvrouw Amory vergezelde hare moeder natuurlijk, en de jonge heer Clavering kwam met de vacantie thuis. Met hem te vechten en te krakeelen was Blanche’s voornaamste bezigheid. Maar dit was slechts eene huiselijke uitspanning, en de jeugdige schoolknaap was geen vriend van spelen binnenshuis. Hij kon te Tunbridge cricket spelen en vond er paarden en een aantal kameraden. Het huis van de goedhartige begum was bestendig vol met jonge heeren van dertien jaar, die veel te veel taartjes aten en champagne dronken, die wedrennen op het grasperk hielden en de liefhebbende moeder telkens deden schrikken, die rookten en er onpasselijk van werden en de eetzaal onbruikbaar maakten voor jufvrouw Blanche, die bovendien van het gezelschap van jonge heeren van dertien jaar niet hield.