Chapter 21 of 85 · 3862 words · ~19 min read

Part 21

Alvorens de groote Dolphin Chatteries verliet, sloot hij niet alleen een voordeelig engagement met jufvrouw Fotheringay, maar stelde hij haar ook op onbekrompen wijze eene som gelds ter hand, om de schulden af te doen, die de kleine familie gedurende haar verblijf kon gemaakt hebben en die, vooral ten gevolge van de zuinigheid en het beleid der dame, niet belangrijk waren. De kleine rekening bij den drankverkooper, welke majoor Pendennis vereffend had, was Costigan’s voornaamste schuld, en ofschoon de kapitein eens verzekerde, dat hij dat geld tot den laatsten stuiver zou terugbetalen, schijnt hij aan die bedreiging geen gevolg gegeven te hebben, en de wetten der eer schreven hem ook in het minst niet voor, dat hij zich op die wijze wreken moest.

Toen jufvrouw Costigan gezorgd had, dat de uitstaande rekeningen tot den laatsten stuiver voldaan waren, stelde zij het overschot aan haar vader ter hand, die zijne vrienden nu mild onthaalde, en aan de kleine Creeds meer appelen en koek gaf dan hij hun ooit te voren geschonken had, zoodat jufvrouw Creed de gedachtenis van haar huisgenoot altijd later in eerbiedige herinnering hield en de kleinen bitter schreiden toen hij heenging. In één woord, hij sprong zoo aardig met het geld om, dat het binnen weinige dagen geheel verteerd was en hij, toen de dag van vertrek ophanden was, op den heer Dolphin moest trekken voor eene som tot bestrijding van de reiskosten.

In eene herberg van dat landstadje hield een genootschap van heeren, die zich „de Boekaniers” noemden, wekelijks eene vergadering van een zeer levendigen, ja, van zeer luidruchtigen aard. Eenige der schranderste bollen van Chatteries behoorden tot die vroolijke club. Groves, de apotheker (geen beter kerel stak ooit eene pijp in den mond), Smart, de verdienstelijke en grappige portretschilder uit de High Street, Croker, de slimme directeur van het verkoophuis, en de onversaagde Hicks, sedert drie en twintig jaar de talentvolle redacteur van den County Chronicle and Chatteries Champion, behoorden tot de equipage der Boekaniers, waar de regisseur Bingley zich Zaterdagsavonds ook gaarne bijvoegde, als hij verlof van zijne vrouw kreeg.

Costigan was nu en dan ook wel eens een Boekanier geweest. Maar wegens onnauwkeurigheid in zijne betalingen was hij in den laatsten tijd nagenoeg van het gezelschap uitgesloten, waar hij onaangename aanmerkingen van den kastelein te verduren had, volgens wiens beweren een Boekanier, die zijne verteringen niet betaalde, onwaardig was een zeebandiet te wezen. Doch toen de Niers – gelijk de leden der club zich bij verkorting noemden – vernamen, dat jufvrouw Fotheringay een uitstekend engagement had gekregen, kwam er een groote omkeer in de gevoelens ten aanzien van kapitein Costigan. Solly, de kastelein van de Druiventros (ik behoef niet te zeggen, dat er nooit achtenswaardiger kastelein achter het buffet stond), verhaalde op zekeren avond aan de heeren in de vergaderzaal der Boekaniers, hoe loffelijk de kapitein zich gedragen had, die al zijne schulden te Chatteries had afgedaan, met inbegrip van de drie pond veertien shillings, die hier nog van hem stonden. Solly verklaarde, dat Cos een goede kerel en door en door een gentleman was, gelijk hij ook altijd gezegd had, en ten slotte wist hij zoo krachtig op de gemoederen der Boekaniers te werken, dat zij besloten den kapitein een diner aan te bieden.

Dit feestmaal had op den laatsten avond van Costigan’s verblijf te Chatteries plaats en was op de gewone uitnemende wijze door Solly bezorgd. Zijne vrouw had een eenvoudig, maar zoo degelijk oud-Engelsch diner gereedgemaakt, als ooit op eene tafel dampte. Omtrent achttien heeren zaten aan den feestdisch neder. Mijnheer Jubber (de groote lakenkooper uit de High Street) was president en had den geachten gast der club aan zijne rechterhand. De bekwame en gelijkmoedige Hicks was bij deze gelegenheid vice-president. De meeste leden waren tegenwoordig, en ook de heeren Foker en Spavin namen, als vrienden van kapitein Costigan, deel aan de partij.

Toen het dessert was opgebracht, zeide de president: „Costigan, er is wijn, als gij dien hebben wilt;” doch daar de kapitein de voorkeur aan punch gaf, werd er bij acclamatie tot dien drank besloten, en nadat Non nobis heerlijk gezongen was door de heeren Bingley, Hicks en Bullby (van het koor der hoofdkerk, een pretmaker van de eerste soort), stelde de president een toast in op den koning, die met geestdrift door de heeren van Chatteries gedronken werd, waarna hij, zonder verdere voorafspraak, het welzijn instelde van „hun vriend, kapitein Costigan.”

Toen het daverend gejuich, dat door het oude Chatteries weergalmde, opgehouden had, stond kapitein Costigan op, om te antwoorden en hield eene rede van twintig minuten, waarbij hij meer dan eens door zijne aandoening overweldigd werd.

De dappere kapitein zeide, dat men hem vergeven moest indien zijne woorden den behoorlijken samenhang misten, daar zijn hart te vol was om te spreken. Hij zou eene stad gaan verlaten, beroemd om hare oudheid, om hare gastvrijheid, om de schoonheid harer vrouwen, om de standvastige trouw, de edelmoedigheid, de gulheid harer mannen (toejuichingen). Hij verwisselde die antieke en eerwaardige stede, waar aan hij, zoolang zijn geheugen hem bleef, niet zonder aandoening en liefde zou denken, met eene hoofdstad, waar de talenten zijner dochter ten volle zouden kunnen schitteren en waar hij als een beschermengel over haar waken zou. Hij zou nooit vergeten, dat het Chatteries was, waar zij de bekwaamheid verkregen had, waarmede zij nu in een anderen kring ging prijken, en in haar naam en zijn eigen naam zeide Jack Costigan hun hartelijk dank en wenschte hij hun Gods besten zegen toe. Deze rede van den dapperen officier werd met donderende toejuichingen ontvangen.

Mijnheer Hicks, de vice-president, stelde daarop in sierlijke en krachtige bewoordingen jufvrouw Fotheringay’s gezondheid voor.

Daarvoor betuigde kapitein Costigan weer zijn dank in een diep gevoeld en welsprekend antwoord.

Mijnheer Jubber bracht een toast uit op het drama en het tooneel van Chatteries. Mijnheer Bingley wilde dien beantwoorden, doch werd daarin verhinderd door kapitein Costigan, die, uit hoofde van zijne langdurige betrekking tot het tooneel van Chatteries en ten behoeve zijner dochter, het gezelschap bedankte. Hij deelde hun daarbij mee, dat hij te Gibraltar en te Malta in garnizoen gelegen en de inneming van Vlissingen bijgewoond had. De hertog van York was een voorstander van het drama, hij had dikwijls de eer gehad met zijne koninklijke hoogheid en den hertog van Kent te dineeren, en de eerste werd met recht de vriend van den soldaat genoemd (toejuichingen).

Hier volgde een toast op het leger, en andermaal bedankte kapitein Costigan daarvoor. In den loop van den avond zong hij zijne welbekende liederen: de Deserteur, Jan van Vooght, het Biggetje onder het bed en het Dal van Avoca. Deze avond was een groote triomf voor hem, – maar eindigde toch. Alle triomfen en alle avonden nemen een einde. Den volgenden dag zaten hij en zijne dochter (die van al hare vriendinnen afscheid genomen en zich met jufvrouw Rouncy verzoend had, aan wie zij een halsketting en eene wit satijnen japon tot eene gedachtenis geschonken had) in de diligence Competitor en reden de poort van Fairoaks Lodge voorbij, zonder dat Pendennis er iets van wist.

Tom Smith de koetsier maakte mijnheer Costigan, die in een dampkring van brandewijngrog op den bok zat, opmerkzaam op Fairoaks. Maar de kapitein zeide, dat het een heel min buitentje was, en voegde er bij: „Ge moest het kasteel Costigan in het graafschap Mayo eens zien, mijn jongen!” – waarop Tom antwoordde, dat hij het inderdaad heel graag eens zou willen zien.

Zij waren weg, en Pen had niets van hen gezien! Hij vernam hun vertrek eerst den volgenden dag uit de courant, en galoppeerde toen dadelijk naar Chatteries, om te vernemen of het wel waar was. Zij waren inderdaad vertrokken. Vóór het lieve, welbekende venstertje hing een blad papier met de aankondiging: „Kamers te huur.” Hij snelde naar boven, om de kamer nog eens te zien. Lang bleef hij in de oude vensterbank, van waar hij en Emily zoo dikwijls te zamen naar buiten hadden gezien, in den tuin van den deken staren. Met eene soort van huivering trad hij haar thans ledige slaapkamertje binnen. Het was uitgeschrobd en voor nieuwe bewoners ingericht. De spiegel, die haar schoon gelaat had teruggekaatst, hing te blinken voor hare opvolgster. De gordijnen lagen vierkant opgevouwen op het bedje. Hij wierp zich neer en verborg zijn aangezicht in het verlaten kussen.

Laura had een beursje geknoopt, waarin zijne moeder eenige goudstukken had gestoken, hetwelk Pen dien zelfden morgen op zijne toilettafel had gevonden. Hij gaf één dier munten aan het kleine meisje, dat de Costigan’s bediend had, en één aan de kinderen, omdat zij zeiden, dat zij zooveel van haar hielden. Het was slechts weinige maanden geleden, en wat schenen er toch vele jaren verloopen sedert hij den eersten voet in die kamer gezet had! Hij besefte, dat alles voorbij was. Zelfs dat hij de diligence niet gezien had, scheen een noodlottig teeken. De arme knaap gevoelde zich verlaten, afgemat, diep rampzalig en eenzaam.

Zijne moeder zag aan zijn blik toen hij weer thuis kwam, dat zij weg was. Hij was nu ook verlangend om weg te vliegen, evenals andere personen binnen en buiten Chatteries. De arme Smirke wilde zich uit de nabijheid der weduwe, die eene sirene voor hem geweest was, verwijderen. Foker had genoeg van Baymouth en meende, dat nu eenige academische soupertjes geene onaangename afwisseling zouden opleveren. Majoor Pendennis snakte er naar om ook weg te komen en wat fazanten te Stillbrook te gaan schieten en zich aan al de ergernissen en praatjes van het dorp te onttrekken. De weduwe en Laura begonnen in zenuwachtige spanning Pen’s bagage gereed te maken en koffers met zijne boeken en zijn linnen te vullen. Helena schreef kaartjes met den naam „Arthur Pendennis”, die behoorlijk op de kisten gespijkerd werden, en waarnaar zij en Laura met droevige en betraande oogen keken. Eerst lang, zeer lang na dat hij vertrokken was, herinnerde zich Pen welk eene standvastige en teedere genegenheid die vrouwen hem betoond hadden en hoe zelfzuchtig hij zich gedragen had.

Spoedig breekt de avond aan, dat eene diligence met hoorngeschal en brandende lantarens aan het hek van Fairoaks stilhoudt, en terwijl de koffers van Pen en van zijn oom boven op het rijtuig worden geplaatst, klimmen beiden een oogenblik later er in. Helena en Laura staan bij de groene boschjes in het schijnsel der lantarens van de diligence; de conducteur roept, dat alles klaar is; het rijtuig rolt weer voort, de lantarens verdwijnen en Helena’s hart en gebeden gaan mee. Haar heilige zegen volgt den vertrekkenden knaap. Hij heeft het ouderlijk nest verlaten, waar het hem te nauw was geworden, doch waarheen hij, na de allereerste vlucht, bebloed en gewond teruggekeerd was. Hij smacht om weer uit te vliegen en zijne onrustige vleugels te beproeven.

Wat ziet het huis er zonder hem eenzaam uit! De koffers met touwen er om en de boekenkisten staan op zijne ledige studeerkamer. Laura vraagt verlof, om in Helena’s kamer te komen slapen; en nadat zij zich daar in slaap heeft geweend, begeeft hare moeder zich zachtkens naar Pen’s ontruimd vertrek, werpt zich op de knieën voor het bed, waarop het maanlicht nu schijnt, en bidt voor haar zoon, zóó als alleen moeders weten te bidden. Terwijl hij mijlen ver wordt heengevoerd, weet hij, dat haar reine zegen hem volgt op zijn weg.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

ALMA MATER.

Hoe kort of roemloos iemands academische loopbaan geweest zij, zal hij zich zijne oude academievrienden en academiedagen altijd met genoegen en teederheid herinneren. De jonge man begint pas te leven; de aap is van den leiband bevrijd en geniet al de hem tot nu toe onbekende vermaken en voorrechten der vrijheid. Voor het oogenblik denkt hij aan geen zorgen, slechte gezondheid, schurkenstreken, armoede of latere teleurstellingen. Het stuk is nog niet zóó dikwijls gespeeld, dat het hem reeds verveelt. De nasmaak, wanneer wij verder werktuiglijk den beker lichten, moge flauw en bitter zijn; maar wat was die eerste schuimende teug des vermaaks zuiver en paarlend! Hoe gretig werpt de knaap zich op den beker en met welk eene wilde haast drinkt hij dien leeg! Doch oude epicuristen, die van de tafelgenoegens verstoken zijn en zich tot een zacht gekookt ei en een glas water moeten bepalen, zien gaarne menschen met een gezonden eetlust; en daar, als men zelf niet veel meer om eene pantomime geeft, het daarop volgende grootste genoegen dit is, dat men de kinderen er pret in ziet hebben, zoo hoop ik, dat er geen zoodanige trap van ouderdom of ondervinding, waartoe een sterveling geraken kan, bestaan moge, dat hij zulk een somber philosoof zou zijn, om zich niet te verheugen bij het zien van de blijde jeugd. Toen ik voor eenige weken terugkwam van een kort verblijf aan de oude hoogeschool van Oxbridge, waar mijn vriend de heer Arthur Pendennis een gedeelte van zijn leven heeft doorgebracht, deed ik de reis per spoorweg naast een jongen kerel, die thans student is aan die Academie. Hij had, door welke kunstgrepen dan ook, verlof gekregen en was voornemens een dag pleizierig te Londen door te brengen. Zijn mond stond niet stil van het begin tot het einde der reis (hetgeen wij, naar mijn zin, veel te spoedig bereikten, want ik kon niet te veel van zijne aardigheden en ongedwongen lachbuien hooren); en toen wij aan het station kwamen, moest hij volstrekt een rijtuig hebben, om des te spoediger in de stad te zijn en zich in de vermaken te storten, die hem daar wachtten. De jongeling rolde weg, terwijl de blijdschap uit zijn open gelaat sprak; en daar des lezers onderdanige dienaar slechts een klein valiesje bij zich had, klom ik boven op een omnibus, waar ik geduldig zat te wachten tusschen een joodschen marskramer, die stinkende sigaren rookte, en een heerenknecht, die op een poedel moest passen, tot wij onzen vereischten toevoer van passagiers en koffers kregen, waarop de voerman op zijn gemak wegreed. Wij hadden geen haast om in de stad te komen. Geen van ons was bijzonder verlangend om in dat rookende Babylon te komen, noch had plan om dien avond in de Club te dineeren, of op het Casino te dansen. Nog maar weinige jaren, en mijn jonge vriend van den spoorweg zal geen greintje ongeduldiger zijn.

In de dagen toen Arthur Pendennis naar de beroemde academie van Oxbridge ging, waren er nog geene spoorwegen; maar hij reed daarheen in eene nette diligence, binnen in en buitenop vol met oud-studenten en nieuwelingen, met hunne voogden, die hen naar de academie brachten. Een dik oud heer met grijze kousen, uit de City, die in de diligence naast majoor Pendennis zat, met zijn bleeken zoon tegenover hem, was buiten zich zelven van schrik, toen hij hoorde, dat de wagen een paar stations ver gereden was door den jongen heer Foker van de Academie, die een vriend van alle menschen, de koetsiers daaronder begrepen, was, en die evengoed als Tom Hicks in eigen persoon kon rijden. Pen zat bovenop en beschouwde den wagen, de passagiers en de landstreek met groote belangstelling en genoegen. Zijn hart klopte van blijdschap, toen men de beroemde academiestad in het gezicht kreeg en het prachtige tafereel der eerwaardige torens en spitsen, der hooge olmen en der blinkende rivier zich voor hem ontrolde.

Pen had, alvorens zij naar Oxbridge vertrokken, eenige dagen met zijn oom in diens kwartier in de Bury Street doorgebracht. Majoor Pendennis meende, dat de garderobe van den knaap wel eens vernieuwd mocht worden, en Arthur was van geen plan afkeerig, dat hem nieuwe jassen en vesten kon bezorgen. Er kwam geen einde aan de bemoeienissen, die de oom zich met zelfopoffering ten gevalle van den jongeling getroostte. Londen was vreeselijk eenzaam. Pall Mall was verlaten en tot zelfs de roodrokken waren uit de stad. Men zag bijna geen mensch aan de groote vensters der clubs. De majoor bracht zijn neef in een paar van die verlatene paleizen en schreef in één daarvan den naam van den knaap op de lijst der candidaten. Arthur was buiten zich zelven van blijdschap over die beleefdheid van zijn voogd. Met eene trilling van vreugde zag hij zich in het perkementen boek vermeld als „de weledelgeboren heer Arthur Pendennis, van Fairoaks Lodge in –shire en St. Bonifacius Collegie te Oxbridge; voorgesteld door majoor Pendennis en geappuyeerd door burggraaf Colchicum.” – „Gij zult binnen een jaar of drie aan de beurt van ballotage komen, en in dien tijd zult gij uw graad gehaald hebben,” sprak zijn voogd. Pen verlangde, dat de drie jaren voorbij mochten zijn, en beschouwde de gestukadoorde zalen en uitgestrekte bibliotheken en gezelschapskamers, alsof zij reeds zijn eigendom waren. De majoor lachte in zijn vuistje toen hij de deftige houding van den onnoozelen jongen bij het verlaten van het gebouw waarnam. Met Foker reed hij in diens rijtuig op zekeren dag naar de Grauwebroeders en vernieuwde daar de kennis met sommige oude kameraden. De jongens schoolden rondom het rijtuig samen, terwijl dit voor de poort der Grauwebroeders stond, waar de beide heeren binnentraden, en bewonderden het bruine paard, de spanbroek, de livrei en de deftigheid van Domkop, den knecht. De bel luidde voor de middagschool, terwijl zij, met hunne oude kameraden sprekende, over de speelplaats drentelden. De geduchte doctor ging met de spraakkunst in zijne hand de school in. Foker was niet op zijn gemak en deinsde een weinig terug, maar Pen stapte blozend op den grooten man toe en gaf hem de hand. Hij moest lachen bij de herinnering hoe dikwijls hij met die welbekende Latijnsche spraakkunst om zijne ooren had gehad. Hij was luchthartig, voorkomend en, in één woord, zeer verwaand en met zich zelven ingenomen.

Vervolgens reden zij naar de brouwerij van Foker’s vader. Die inrichting, uit een ontzaglijk aantal gebouwen bestaande, ligt niet ver van de Grauwebroeders, en de naam der vermaarde firma staat in gouden letters op de uithangborden van tallooze herbergen in den omtrek, die door de vasallen der firma bewoond zijn. De achtbare jongste compagnon en directeur bewees de honneurs aan den jongen lord der biervaten en diens vriend, en schonk hun uit zilveren bekers zulk krachtig bier, dat men zou gedacht hebben, dat niet alleen het vriendenpaar, maar zelfs het paard van mijnheer Henry Foker door dien drank bevangen was, want het ijlde zoo snel huiswaarts naar het westeinde der stad, dat het de uitstallingen en de vrouwen op de hoeken der straten in gevaar bracht, de trede der cab deed botsen tegen de lantarenpalen, en Domkop, die achterop stond, vreeselijk heen en weer deed zwaaien.

De majoor was zeer in zijn schik als Pen zich in gezelschap van zijn jeugdigen bekende bevond; hij luisterde met de grootste belangstelling naar Foker’s ongekunstelde verhalen, en gaf de beide knapen een fijn diner in een koffiehuis in Covent Garden, van waar zij allen naar den schouwburg gingen; maar hij was vooral verblijd, toen de heer Foker en Lady Agnes Foker, die zich nog te Londen bevonden, de eer verzochten majoor Pendennis en mijnheer Arthur Pendennis ten hunnent in Grosvenor Street op het diner te mogen zien. „Na entrée ten huize van Lady Agnes Foker bekomen te hebben,” zeide hij tegen Pen met eene minzame deftigheid, die aan het gewicht der zaak beantwoordde, „zij het uwe zorg, beste jongen, die te behouden. Gij moet nooit vergeten een bezoek in Grosvenor Street af te leggen, als gij te Londen komt. Ik druk u op het hart, om in het werk van Debrett de huwelijksverbintenissen en den stamboom der graven van Rosherville nauwkeurig na te lezen en, als gij het doen kunt, eenige toespelingen op de familiegeschiedenis te maken, iets historisch, toepasselijks en vleiends, hetgeen u, die een dichterlijken geest bezit, niet moeielijk kan vallen. Mijnheer Foker zelf is een achtenswaardig mensch, ofschoon van geene hooge afkomst en zelfs niet van veel opvoeding. Hij stelt er eene eer in, na het diner iets van zijne familie-porter te laten ronddienen, waarvoor gij onder geen voorwendsel hoegenaamd bedanken moet en die ik zelf zal drinken, ofschoon alle bier mij verduiveld slecht bekomt.” En de onversaagde martelaar offerde zich, gelijk hij gezegd had dat hij doen zou, werkelijk op het diner op, toen de oude heer Foker, aan het hoofd van de tafel, zijne gewone aardigheid over het Fokersbier uitkraamde. Ik geloof, dat het ons allen pleizier zou gedaan hebben als wij den majoor hadden zien grijnzen, toen de waardige oude heer zijne aloude grap aan den man bracht.

Lady Agnes, die zich met Henry vereenzelvigd had, de teederste der moeders en eene der goedhartigste, hoewel niet der verstandigste, onder de vrouwen was, ontving den vriend van haar zoon met groote voorkomendheid, en verbaasde Pen met een verhaal over de onafgebroken studiën van haar lieveling, waarmee zij vreesde, dat hij zijne dierbare gezondheid zou benadeelen. De oude Foker barstte bij sommige van die mededeelingen in een luiden lach los en de zoon des huizes wierp zijn vriend snaaksche knipoogjes toe. Vervolgens liep Lady Agnes haar zoons geschiedenis sinds den vroegsten tijd door en verhaalde hoe vreeselijk hij aan de mazelen en den kinkhoest geleden had, hoe hij bijna verdronken was, en hoe schandelijk men hem mishandeld had op die akelige school, waar mijnheer Foker hem volstrekt wilde heenzenden omdat hij er zelf opgevoed was, maar zij van haar kant zou het dien barbaarschen doctor nooit vergeven. Nadat Lady Agnes een uur lang zoo onophoudelijk over haar zoon gesproken had, dat men er geen speld tusschen kon krijgen, verklaarde zij, dat de beide heeren Pendennis zeer onderhoudende menschen waren; en toen de fazanten bij het tweede gerecht verschenen en de majoor opmerkte, dat het de mooiste vogels waren, die hij ooit gezien had, zeide mevrouw, dat zij van Logwood kwamen (hetgeen de majoor zeer goed wist) en dat zij hoopte, dat beiden haar daar een bezoek zouden brengen – met Kerstmis, of als haar beste Henry met vacantie thuis was.

„Ik ben over u tevreden, mijn jongen,” zeide Pendennis tegen Arthur, toen zij later in Bury Street hunne kaarsen ontstaken om naar bed te gaan. „Gij hebt die kleine zinspeling op Agincourt, waar een der Rosherville’s zich roemrijk onderscheidde zeer goed te pas gebracht, ofschoon Lady Agnes het niet volkomen begreep; maar het was uitstekend goed voor een eerstbeginnende – hoewel gij, tusschen haakjes, niet zoo moest blozen – en ik bezweer u, waarde Arthur, steeds indachtig te zijn, dat gij met eene entrée – let wel, eene goede entrée – even gemakkelijk goed als slecht gezelschap kunt hebben, en dat het een man, wanneer hij behoorlijk in die kringen ingeleid is, geen meerdere moeite of soins kost om op een goeden voet in de beste huizen van Londen te staan, als om met een procureur op Bedford Square te dineeren. Houd dit steeds voor oogen wanneer gij te Oxbridge uwe studiën voortzet, en wees, om ’s hemels wil, zeer nauwlettend op de kennissen, die gij maakt. De premier pas in het leven is de gewichtigste van alle. – Hebt gij vandaag aan uwe moeder geschreven? Niet? Nu, doe het dan eer gij naar de academie vertrekt, en vraag mijnheer Foker om eene couvert, die hij als parlementslid kan geven en die vrijdom van port schenkt. Die menschen hebben gaarne, dat men er hen om vraagt. Goedennacht. De hemel zegene u!”