Chapter 43 of 85 · 3923 words · ~20 min read

Part 43

Na Shandon verlaten te hebben, had er tusschen den uitgever en de beide heeren nog een kort onderhoud plaats en herhaalde Warrington tegen Bungay wat hij tegen diens concurrent Bacon gezegd had, namelijk, dat Pen een knappe kerel was, een man van groot genie en, wat nog meer beteekende, op zijne plaats in de groote wereld en vermaagschapt aan „ik weet niet hoeveel” pairs. Bungay antwoordde, dat het hem aangenaam zou zijn met mijnheer Pendennis in betrekking te komen, terwijl hij hoopte de heeren eerlang eens bij zich aan tafel te zien, waarop men met wederzijdsche plichtplegingen en betuigingen van genoegen afscheid van elkander nam.

„Het is toch pijnlijk een man van zulk een veelzijdig talent en zoo ontegensprekelijke kunde en geest als Shandon, voor de helft van zijn leven de bewoner eener gevangenis en, als hij daaruit is, de slaaf van een boekverkooper te zien,” zeide Pen nadenkend, toen hij dien avond het tooneel, waarvan hij getuige was geweest, nog eens besprak.

„Ik ben ook de slaaf van een boekverkooper en gij zult in dezelfde betrekking uwe krachten beproeven,” zeide Warrington lachende. „Wij zijn allen in een of ander opzicht slaven. Ik ben liever wat ik ben, dan onze buurman Paley te zijn, die zooveel genot van zijn leven heeft als een mol. Er wordt ongeveer heel veel onverdiend medelijden verspild op hetgeen gij den slaaf van een boekverkooper noemt.”

„De vele pijpen en bier, in eenzaamheid gebruikt, hebben u tot een barbaar gemaakt,” hernam Pen. „Gij zijt een Diogenes bij een biervat, Warrington. Niemand zal mij overtuigen, dat een man van genie, gelijk die Shandon, voortgezweept behoorde te worden door zulk een dommen blank-officier als die Bungay, dien wij straks verlaten hebben, en die zich vetmest van de opbrengst van het brein van een ander, en zich verrijkt met den arbeid van zijn huurling. Ik erger mij, dat ik een gentleman als slaaf zie van zulk een kerel, een man niet eens in staat de taal te spreken van zijn vaderland en niet waardig Shandon’s laarzen te poetsen.”

„Zoo! dus zijt gij ook reeds begonnen tegen de uitgevers te velde te trekken en partij te kiezen voor ons gilde? Bravo, Pen, mijn jongen!” zeide Warrington, altijd lachende. „Wat hebt gij tegen Bungay’s betrekking tot Shandon? Zoudt gij denken, dat de uitgever den schrijver in de gevangenis had geworpen? Is het Bungay, die het bankbiljet, dat wij hebben zien uitbetalen, aan drank verkwist, of Shandon?”

„Het ongeluk kan een mensch in slecht gezelschap brengen,” zeide Pen. „Het valt gemakkelijk den steen op een armen kerel te werpen, die geen ander gezelschap heeft dan hetgeen hij in de gevangenis vinden kan, en geen andere uitkomst dan de vergetelheid en de flesch. Wij moeten toegeeflijk zijn voor de buitensporigheden van een genie, en bedenken, dat juist het vuur en de geestdrift, die den auteur zoozeer te baat komen, den mensch dikwijls van den rechten weg af brengen.”

„Gekheid met je genieën!” riep Warrington, die op sommige punten een zeer streng zedemeester was, ofschoon hij in de practijk misschien te kort schoot. „Ik spreek het tegen, dat er zooveel genieën zijn als de menschen, die over het lot der letterkundigen huilebalken, ons zouden willen wijs maken. Er zijn duizenden knappe kerels die, als zij wilden, verzen zouden kunnen maken, artikelen schrijven, boeken nalezen en een oordeel er over vellen; de gesprekken der recensenten en schrijvers van beroep zijn geen zier geestiger of diepzinniger, of onderhoudender dan die van elke andere vergadering van beschaafde lui. Indien een advocaat, een soldaat, een predikant zijne inkomsten te buiten gaat en zijne rekeningen niet betaalt, moet hij in de gijzeling; en dat moet een schrijver ook. Als een schrijver zich bedrinkt, weet ik niet, waarom hij den volgenden morgen vrij zou moeten zijn van hoofdpijn, en, als hij een rok bij zijn kleermaker bestelt, waarom hij dien niet betalen zou.”

„Ik wilde hem slechts meer geld geven om kleeren te koopen,” zeide Pen met een glimlach. „Ik zou natuurlijk liefst behooren tot een vak, welks beoefenaars goed gekleed gaan. Ik protesteer tegen dien ellendigen tusschenpersoon, dien ik tusschen het genie en zijn grooten klant, het Publiek, zie staan, en die meer dan de helft van de inkomsten en den roem des arbeiders tot zich neemt.”

„Ik ben een arbeider in het proza,” zeide Warrington; „gij, mijn jongen, zijt een dichter in het klein en acht u dus waarschijnlijk gerechtigd tot eene hooge vlucht. Wat wilt gij eigenlijk? Moet er eene vennootschap van kapitalisten opgericht worden, verplicht om de werken van alle schrijvers te koopen, die zich met hun manuscript in de hand aanmelden? Moet ieder, die een heldendicht schrijft, ieder knoeier, die kan spellen, of het misschien niet kan, en een roman of een treurspel bij elkaar lapt, zich enkel behoeven te vertoonen, om in ruil voor zijne prullige riemen papier een zak vol goudstukken te ontvangen? Wie zal beslissen wat goed of slecht is, wat al of niet koopers zal vinden? Wilt gij, kortom, den kooper de vrijheid laten, om al dan niet te koopen? Welnu, mijnheer, toen Johnson achter het schut in St. John’s Gate zijn maaltijd in eenzaamheid gebruikte, omdat hij te slecht in de kleeren zat en te arm was, om zich bij de letterkundige grooten te voegen, die zich rondom mijnheer Cave’s fijnste tafellaken te goed deden, toen deed de koopman hem geen onrecht. Men kon den uitgever toch niet dwingen den man van genie te herkennen in den haveloozen, vervallen en uitgehongerden jonkman, die zich aan zijn oog voordeed. Vodden zijn geen bewijs van genie; maar het kapitaal daarentegen heeft in den tegenwoordigen stand van zaken de absolute macht in handen en stelt dus onvermijdelijk zijne voorwaarden. Het bezit het recht om den letterkundigen uitvinder evenals ieder anderen uitvinder te behandelen. Indien ik op het gebied van den boekhandel iets nieuws voortbreng, moet ik er de meest mogelijke partij van trachten te trekken; maar ik kan mijnheer Murray evenmin noodzaken om mijn boek met reisverhalen of preeken te koopen, als mijnheer Tattersall om mij honderd guinjes voor mijn paard te geven. Ik moge mijne eigen meening over de waarde van mijn Pegasus hebben en hem voor het prachtigste dier houden; maar de kooper bezit ook het recht om eene meening te hebben, en heeft misschien een damespaard, of een paard voor een zwaren en bangen rijder, of een gewoon paard voor een wagen noodig, zoodat mijn beest hem niet dienen kan.”

„Gij verliest u in beeldspraak, Warrington,” zeide Pen, „maar gij zegt te recht, dat gij zeer prozaïsch zijt. Die arme Shandon! Er is iets in de vriendelijkheid van dien man en in de zachtaardigheid van dat lieve schepseltje van een vrouw, dat mij diep treft. Ik vrees, dat ik meer van hem houd dan van menig man, die beter is dan hij.”

„Ik ook,” zeide Warrington. „laten wij hem dus onze deelneming schenken en het medelijden met hem koesteren, dat wij aan zijne zwakheid verschuldigd zijn; hoewel ik geloof, dat die soort van welwillendheid door een hooghartiger man als eene beleediging zou beschouwd worden. Gij ziet, dat hij zijne vertroosting te gelijk met zijn rampspoed ontvangt, en de eene brengt de andere voort, of weegt er tegen op, zooals de loop der wereld is. Hij zit gevangen, maar daarom is hij niet ongelukkig.”

„Zijn genie zingt achter de traliën,” zeide Pen.

„Ja,” hernam Warrington met bitterheid; „Shandon weet zich vrij wel in eene kooi te schikken. Hij behoorde ter neer geslagen te zijn, maar hij heeft Piet en Klaas om mee te drinken en dat troost hem; hij zou eene hooge positie kunnen innemen, maar daar hij ze niet heeft, kan hij met Klaas en Piet drinken; hij zou kunnen werken voor zijne vrouw en kinderen, maar Kees en Jan zijn eene flesch brandewijn machtig geworden, welke zij hem uitnoodigen eens te komen proeven; hij zou den armen Snip, den kleermaker, die twintig pond kunnen betalen, die de arme drommel voor zijn huisbaas noodig heeft, maar Jan en Kees leggen beslag op zijne beurs; en dus drinkt hij, terwijl zijn leverancier naar de gijzeling en zijn gezin ten gronde gaat. Laten wij nu maar over de rampen van een genie weeklagen, en samenspannen tegen die dwingelanden van uitgevers, die de letterkundigen verdrukken!”

„Hoe! Neemt gij nog een glas grog?” vroeg Pen met een snaakschen blik. Het was in de Achterkeuken, dat het bovenstaande wijsgeerige gesprek tusschen de beide jonge mannen gevoerd werd.

Warrington begon als naar gewoonte te lachen, „Video meliora proboque – hetgeen zeggen wil, laat het goed warm zijn, Jan, met veel suiker,” zeide hij tegen den knecht.

„Ik zal niets meer nemen, want ik zou te veel krijgen,” zeide Pen. „Het komt mij voor, Warrington, dat wij niet veel beter zijn dan onze medemenschen.” En toen Warrington zijn laatste glas geledigd had, keerden beiden, naar hunne kamers terug.

Bij hunne thuiskomst vonden zij twee briefjes in de brievenbus, van hun nieuwen bekende van dien morgen, mijnheer Bungay. Die gastvrije heer zond zijne complimenten aan elk der heeren en verzocht op een bepaalden dag het genoegen van hun bijzijn aan zijn disch, waar zij eenige letterkundige vrienden zouden ontmoeten.

„Dat zal eene groote partij zijn,” zeide Warrington. „Wij zullen het geheele corps van Bungay zien.”

„Allen, met uitzondering van den armen Shandon,” antwoordde Pen, knikte zijn vriend goedennacht toe en begaf zich naar zijn eigen kamertje. Wat er dien dag was voorgevallen en de nieuwe bekenden, die hij gemaakt had, dit alles hield hem bezig, zoodat hij er eenigen tijd over lag na te denken, terwijl ondertusschen Warrington’s sterk en geregeld snorken, dat zich uit het belendende vertrek liet hooren, het bewijs leverde, dat die heer in diepen slaap verzonken lag.

„Zal ik dan inderdaad,” dacht Pendennis, terwijl hij van zijn bed naar de heldere maan lag te staren, die een hoek van zijne kaptafel en de lijst van de kleine teekening van Fairoaks, door Laura’s hand geschetst en boven zijne latafel opgehangen, met hare stralen verlichtte, „zal ik dan inderdaad eindelijk mijn brood verdienen en wel met de pen? zal ik mijne lieve moeder niet meer ten laste zijn, en misschien nog naam en reputatie in de wereld verkrijgen? Het zal mij veel genoegen doen als ze komen willen,” dacht de jonge plannenmaker, die, hoewel geheel alleen en in het midden van den nacht, in zich zelven lachte en bloosde, toen hij gevoelde hoe vurig hij eer en roem op prijs zou stellen, indien hij ze verwerven kon. „Als de Fortuin mij gunstig wil zijn, zal ik haar loven; als zij mij den rug toekeert, laat ik haar varen! Ik bid den hemel, dat ik in voor- of tegenspoed braaf moge blijven, dat ik de waarheid moge spreken, voor zoover ik ze ken, en dat ik er, noch door vleierij, noch uit baatzucht, noch uit persoonlijke veete, noch uit partijzucht van moge afwijken. Lieve, beste moeder, wat zult gij trotsch zijn, indien ik iets kan verrichten onzen naam waardig! en gij, Laura, zult mij niet als een nutteloozen luiaard en verkwister verachten, als gij ziet dat ik – dat ik getoond heb – och, wat een uil ben ik toch, omdat ik nu vijf pond voor mijne gedichten gekregen heb en een half dozijn artikelen in een nieuwsblad zal mogen schrijven!” Gelukkiger en hoopvoller en in eene onderworpener stemming dan hij in langen tijd bij zich had waargenomen, zette hij dit gepeins voort. Hij dacht over de misstappen en de vadsigheid, de driften, de buitensporigheid, de teleurstellingen zijner jeugd; hij stond uit het bed op, wierp het venster open en keek in den nacht naar buiten; en daarop trad hij, volgens de inspraak van zijn hart, die wij hopen dat uit eene reine bron voortkwam, naar de afbeelding van Fairoaks, drukte er een kus op, wierp zich bij zijn bed op de knieën en vertoefde eenigen tijd in die houding van hoop en onderwerping. Toen hij oprees, stroomden de tranen uit zijne oogen. Hij bemerkte, dat hij werktuiglijk eenige woordjes herhaalde, die hij als kind gewoon was geweest aan den schoot zijner moeder op te zeggen, waarna zij hem dan zachtkens opnam en in zijn bedje droeg, de gordijnen toehaalde en hem met een zegen in slaap suste.

Den volgenden dag bracht hun knechtje Pidgeon een groot pak in grijs papier binnen, dat met de complimenten van mijnheer Trotter voor „den weledelgeboren heer G. Warrington” gekomen was, vergezeld van een briefje, dat Warrington doorliep.

„Pen, jou schelm!” galmde Warrington naar Pen, die op zijne eigen kamer zat.

„Hola!” riep Pen terug.

„Kom eens hier, wij hebben je noodig,” schreeuwde Warrington weer en Pen kwam te voorschijn.

„Wat is er?” vroeg hij.

„Pak aan!” riep Warrington en slingerde het pak naar het hoofd van Pen, die er door neergeveld zou zijn, indien hij het niet opgevangen had.

„Het zijn boeken ter recensie voor de Pall Mall Gazette,” zeide Warrington; „trek er op los.” Pen van zijn kant was in zijn leven nog niet zoo verheugd geweest; zijne hand beefde toen hij het touwtje van het pak lossneed en daarin eene sierlijke verzameling nieuwe, netjes in linnen gebonden boeken, reizen, romans en gedichten aantrof.

„Sluit de deur, Pidgeon,” zeide hij. „Ik ben vandaag voor niemand thuis.” Hij wierp zich in een armstoel en gunde zich nauwelijks den tijd om zijne thee te drinken, zooveel haast had hij om aan het lezen en aan het recenseeren te gaan.

VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN DE GESCHIEDENIS NOG ALTIJD IN DEN OMTREK VAN FLEET STREET BLIJFT SPELEN.

Op aansporing van mevrouw Shandon, die zich anders zelden met zaken bemoeide, had kapitein Shandon bedongen, dat de weledele heer John Finucane, van den Upper Temple, tot onderredacteur van de aanstaande Pall Mall Gazette zou worden aangesteld, welke post dientengevolge door den schranderen eigenaar van dat blad aan den heer Finucane werd opgedragen. En hij verdiende ook elk voordeel, dat Shandon hem bezorgen kon, zoo innig was hij, gelijk wij reeds zeiden, aan den kapitein en diens gezin gehecht, en zoo bereidvaardig om hun van dienst te zijn. Het was op Finucane’s kamer, dat Shandon zich in vroeger dagen placht te verbergen, als hij in gevaar verkeerde en de deurwaarders op hem loerden, totdat die schuilhoek eindelijk bekend werd en de mannen van het gerecht den kapitein even geregeld in Finucane’s woning als in zijn eigen huis kwamen zoeken. In Finucane’s vertrek was het, dat de arme mevrouw Shandon onophoudelijk hare beproevingen en hare grieven kwam klagen en middelen ter bevrijding voor haar aangebeden kapitein beramen. Menigen keer verschafte Finucane haar en haar kind daar een maaltijd. Het was eene eer voor zijne kleine vertrekjes, dat zij door zulk eene dame bezocht werden, en als zij met den sluier over haar gelaat de trap afging, bleef Fin haar over de leuning nakijken, om te zorgen, dat geen Lovelace uit den Temple haar onderweg aanrandde, terwijl hij misschien heimelijk hoopte, dat het een schavuit in den zin mocht komen haar te belagen, opdat hij (Fin) dan het genoegen mocht hebben haar te hulp te snellen en den schelm af te rossen. Het deed mevrouw Shandon innig genoegen, toen de noodige schikkingen waren gemaakt, en haar vriendelijke en brave beschermer de medehelper van haar man aan het blad zou zijn.

Hij ware gewis bij mevrouw Shandon blijven zitten zoo lang als het reglement der gevangenis veroorloofde, en menigmaal was hij dan ook getuige geweest, hoe de kleine Marie in haar kribje, dat in de kamer stond, te slapen werd gelegd, op wier avondgebedje, dat God haar papa mocht zegenen en beschermen, onze Finucane, hoewel zelf tot de Roomsche Kerk behoorende, altijd uit den grond zijns harten Amen had gezegd. Maar hij had eene afspraak met mijnheer Bungay, met wien hij onder een eenvoudig diner de aangelegenheden van het blad moest bespreken. Hij verliet mevrouw Shandon dus ten zes ure, maar legde den volgenden morgen weer zijn gewoon bezoek in de Fleet-gevangenis af, thans uitgedost met zijne fraaiste kleederen en versierselen (die, hoewel weinig kostbaar, toch door kleur en vorm eene schitterende vertooning maakten) en met vier pond twee shillings op zak, het bedrag van zijn wekelijksch salaris aan het blad, min twee shillings, die hij op weg naar de gevangenis tot den aankoop van een paar handschoenen besteed had.

Hij had den vorigen dag in het koffiehuis met mijnheer Bungay en diens corrector en letterkundigen zaakwaarnemer mijnheer Trotter „zijn hapje gebruikt,” gelijk Bungay gewoon was zich uit te drukken, en bij die gelegenheid zijne denkbeelden over de leiding van de Pall Mall Gazette breedvoerig uiteengezet. Op meesterlijke wijze had hij in het licht gesteld, hoe het gewone nieuws moest ingericht worden; welke lettersoort men voor de verschillende artikelen moest gebruiken; wie de marktberichten moest leveren, wie de verslagen van de wedrennen en de bokspartijen, wie het kerknieuws en wie het gekeuvel over de voorname wereld. Hij was bekend met heeren, die deze verschillende vakken van wetenschap beoefenden en daarna hunne bevindingen aan het publiek meedeelden. Kortom, Jack Finucane was, gelijk Shandon van hem verzekerd had en hij zelf met fierheid bevestigde, een der beste onderredacteurs in geheel Londen. Hij kende het wekelijksch inkomen van iedereen, die met de drukpers in betrekking stond, en was op de hoogte van honderden kunstgrepen of vindingrijke bezuinigingen, waardoor men ondernemende kapitalisten, die een blad wilden oprichten, geld kon doen uitwinnen. Hij wist Bungay, die traag van begrip was, te gelijk te verblinden en te overbluffen door de vlugge berekeningen, die hij op het papier zette, terwijl zij aan tafel in het koffiehuis zaten. Later verklaarde Bungay aan zijn handlanger mijnheer Trotter, dat die Ier een knappe kop scheen te zijn.

Nadat het hem gelukt was dien indruk op mijnheer Bungay te maken, bracht de trouwe kerel het gesprek op de zaak, die hem het naast aan het hart lag, namelijk de bevrijding van zijn geëerden vriend en meester, kapitein Shandon, uit de gevangenis. Hij kende tot een stuiver toe, het bedrag der vorderingen tegen den kapitein, die in de kamer van den portier der Fleet-gevangenis berustten. Ja, hij beweerde zelfs al de schulden van den kapitein te kennen; maar dit was onmogelijk, want geen mensch in Engeland, zelfs de kapitein niet, kende die ten volle. Hij gaf op wat de kapitein op dit oogenblik te betalen had en zette uiteen hoeveel beter hij werken zou als hij uit de gijzeling ontslagen was (ofschoon Bungay dit tegensprak, „want,” zeide deze, „als de kapitein achter de traliën zit, weten wij, dat hij altijd thuis is, terwijl men hem, wanneer hij op vrije voeten is, nooit bij den kraag kan krijgen”). Eindelijk echter werkte hij zoo sterk op Bungay’s gevoel, door te beschrijven hoe mevrouw Shandon in de gevangenis wegkwijnde en het kind daar ziekelijk werd, dat hij den uitgever de belofte afperste, dat hij zien zou wat hij doen kon, indien mevrouw Shandon den volgenden morgen bij hem komen wilde. Het gesprek eindigde ditmaal met een tweeden aanvoer van glazen grog. Ofschoon Finucane, die vier guinjes op zak had, met groot genoegen de rekening zou voldaan hebben, zeide Bungay: „Neen, mijnheer; dit is mijne zaak, met uw verlof. James, betaal de rekening, en houd er achttien stuivers voor u zelven af,” waarbij hij het vereischte geld aan den knecht overhandigde. Zoo kwam het, dat Finucane, die, na het diner, in den Temple te bed ging, waarachtig des Zaterdagmorgens zijn wekelijksche salaris nog onaangeroerd in zijn zak vond.

Hij gaf mevrouw Shandon zulk een veelbeteekenenden en verheugden wenk, dat dit zachtzinnige schepseltje begreep, dat hij eene goede tijding voor haar had, en zich haastte haar hoed en doek te gaan halen toen Finucane vroeg, of hij de eer mocht hebben eene wandeling met haar te doen en haar een luchtje te laten scheppen. De kleine Marie sprong van blijdschap op bij de gedachte aan dit pretje, want Finucane verzuimde nooit haar een stukje speelgoed te geven, of haar naar eene of andere vertooning mee te nemen, terwijl hij vrijbiljetten voor allerlei soorten van Londensche uitspanningen voor het kind op zak had. Hij had het gansche gezin van harte lief, en zou door het vuur geloopen zijn, om hun of zijn aangebeden kapitein van dienst te wezen.

„Kan ik gaan, Charles? of zal ik bij u blijven, want, mijn beste, gij zijt heden morgen in het geheel niet fiksch? Hij heeft zoo’n hoofdpijn, mijnheer Finucane. Hij lijdt altijd aan hoofdpijn, en ik heb hem gezegd, dat hij maar te bed moest blijven,” zeide mevrouw Shandon.

„Ga je gang maar met Polly. Pas goed op haar, Jack. Geef mij Burton’s Anatomy eens, en laat mij dan aan mijn eigen lot over,” zeide Shandon met de meeste goedhartigheid. Hij was bezig met schrijven en putte doorgaans zijne Grieksche en Latijnsche aanhalingen (waarvan hij als schrijver partij wist te trekken) uit dat verwonderlijke magazijn van geleerdheid.

Derhalve gaf Fin den arm aan mevrouw Shandon, terwijl Marie door de gangen der gevangenis huppelde, en zoo kwamen zij door de poort in de vrije lucht. Het is van Fleet Street naar Paternoster Row niet ver. Toen het drietal den winkel van mijnheer Bungay bereikte, ging mevrouw Bungay juist de deur van het woonhuis binnen met een papieren zakje in hare hand, benevens een handschrift in een rooden band, dat niets meer of minder dan de aanteekeningen van hare handelsbetrekkingen met den slachter op de naburige markt bevatte. Mevrouw Bungay droeg een prachtig zijden kleed met weerschijn, waarop roode en purperen vlammen schenen te spelen, en een gelen shawl, terwijl zij roode bloemen in haar hoed en eene schitterende lichtblauwe parasol in de hand had. Mevrouw Shandon had een oud kleedje van zwarte gewaterde zijde aan; haar hoed had even weinig zonnige dagen van voorspoed gekend als zijne eigenares; en desniettemin zag zij er, in welke kleeding dan ook, als eene echte dame uit. De beide vrouwen maakten, ieder op hare eigene wijze, eene buiging voor elkander.

„Hoe vaart u, mevrouw?” zeide mevrouw Bungay.

„Mooi weertje vandaag,” zeide mevrouw Shandon.

„Wilt ge niet binnenkomen, mevrouw?” vroeg mevrouw Bungay, zoo strak naar Marie kijkende, dat het kind er bijna van schrikte.

„Ik – ik kwam om mijnheer Bungay over zaken te spreken; – ik – ik hoop dat hij heel wèl is?” zeide mevrouw Shandon bedeesd.

„Als gij hem op het kantoor gaat spreken, zoudt gij dan dat – dat kleine meisje niet zoolang bij mij kunnen laten?” vroeg mevrouw Bungay met eene stem als een dragonder en een tragischen blik, terwijl zij met één vinger naar het kind wees.

„Ik wil bij mama blijven,” kreet de kleine Marie en verborg haar gezichtje in het kleed van hare moeder.

„Kom, Marie, mijn lievertje, ga met mevrouw mee,” zeide de moeder.

„Ik zal je mooie prentjes laten kijken,” zeide mevrouw Bungay, met de stem van een boeman, „en nog heel veel ander moois. Kijk eens hier,” – en het papieren zakje opendoende, liet zij eenige van die lekkere koekjes zien, die Bungay zoo gaarne bij zijn wijn gebruikte. Dit haalde Marie over en nu gingen allen het huis binnen, uit hetwelk eene zijdeur toegang tot Bungay’s kantoor gaf. Hier echter verloor het kleine meisje, toen zij op het punt stond van hare moeder te scheiden, den moed weer, zoodat zij opnieuw zich aan hare japon vastklemde. De zachte en vriendelijke mevrouw Shandon, den blik van teleurstelling op mevrouw Bungay’s gelaat bespeurende, zeide op goedhartigen toon: „Als ge het veroorlooft, zal ik een oogenblikje bij u vertoeven,” waarop allen de trap opgingen. Een tweede koekje maakte de kleine Marie geheel vertrouwelijk, zoodat zij na een paar minuten, zonder de minste eenkennigheid, weer aan het babbelen was.