Chapter 4 of 85 · 3931 words · ~20 min read

Part 4

Ten einde mijnheer Pen te behoeden tegen die luiheid, waarvan zijn vriend, de rector der Cisterciensers, zulke huiveringwekkende gevolgen voorspeld had, werd mijnheer Smirke, de hulpprediker van dominé Portman, tegen een ruim honorarium aangenomen, om van Clavering naar Fairoaks te wandelen of te rijden en verscheidene uren daags met den jongen heer door te brengen. Smirke was iemand, op wien men aan eene theetafel geene de minste aanmerking zou hebben kunnen maken, die eene gekrulde lok op zijn blank voorhoofd droeg en den knoop van zijne das met eene weemoedige gratie strikte. Hij was tamelijk geleerd en een wiskundige, en hij leerde Pen zooveel als die knaap genegen was te leeren, hetgeen niet heel veel om het lijf had. Want Pen was het spoedig met zich zelven eens wat hij van zijn onderwijzer te denken had, die, wanneer hij op zijn hit het stalplein van Fairoaks kwam oprijden, de teenen zoo gek naar buiten draaide en zulk eene ruimte tusschen zijne knieën en het zadel liet, dat het voor elken knaap, die een greintje geest bezat, onmogelijk zou zijn geweest, ontzag voor zulk een ruiter te koesteren. Hij liet Smirke het bijna van schrik besterven door hem op zijne merrie te zetten en met hem een ritje over een veld te doen, waar juist de voshonden van het graafschap, op dat oogenblik aangevoerd door dien onvermoeiden ouden jachtliefhebber, mijnheer Hardhead, van Dumplingbeare, bijeen waren. Op Pen’s merrie Rebekka (aldus genaamd naar Pen’s geliefkoosde heldin, de dochter van Izaak van York, uit den Ivanhoe) verschrikte mijnheer Smirke de honden evenzeer als hij den jager ergerde; hij maakte een der eerstgenoemde kreupel door aanhoudend tusschen den troep te blijven rijden, en werd door den laatstgenoemde op eene toespraak onthaald die zich door kracht van taal onderscheidde boven eenige rede, welke hij gehoord had sedert hij de roeiers te Oxford aan de oevers der Isis had verlaten.

Smirke maakte zijn leerling in vertrouwen bekend met zijne Latijnsche en Engelsche verzen, en bood mevrouw Pendennis een bundeltje dezer laatste, in zijne geboorteplaats Clapham gedrukt, ten geschenke aan. Met kun beiden lazen zij de oude dichters en liepen die op een pleizierig drafje door, dat veel verschilde van den bedaarden, onderzoekenden stap, waarmede de Cisterciensers den classieken bodem plachten te bewandelen, waarbij zij elk woord naspeurden onderweg en elken wortel uit den grond opdolven. Pen hield volstrekt niet van talmen, maar liet, als hij te kort schoot, zijn meester construeeren, en galoppeerde in dier voege door de Ilias en de Odyssee, de treurspeldichters en den zoo prettig ondeugenden Aristophanes (dien hij voor den grootsten van alle dichters verklaarde). Doch hij vloog er met zulk eene dolle vaart doorheen, dat, ofschoon hij inderdaad een groot eind weegs op de velden der oudheid aflegde, hij in zijn later leven alles glad vergat, en slechts zulke flauwe herinneringen van de classieke studiën zijner jeugd overhield als bijv. een lid van het Lagerhuis, die nog twee of drie aanhalingen onthouden heeft, of een recensent, die, om zijn fatsoen te bewaren, een sprankje Grieksch ten beste geeft. Ons volk is het meest prozaïsche, doch te gelijk het meest getrouwe volk van de wereld; en met een merkwaardigen eerbied houden wij van geslacht tot geslacht de bijgeloovigheid in stand, ten opzichte van hetgeen wij de opvoeding van een „gentleman” noemen.

Wij kunnen de verzekering geven, dat Pen, buiten de oude dichters, ook met groote ingenomenheid de Engelsche las. Smirke zuchtte en schudde bedroefd het hoofd over Byron en Moore beide. Doch Pen was een gezworen Vuuraanbidder en Zeeroover; hij kende ze van buiten, en nam wel eens de kleine Laura bij het venster, om haar „Zuleika, ’k ben uw broeder niet!” op een zoo tragischen toon toe te roepen, dat het stille meisje er hare groote oogen nog grooter van opzette. Zij zat gansche avonden, tot het tijd werd naar bed te gaan, aan de knieën van mevrouw Pendennis te naaien en naar het lezen van Pen te luisteren, zonder ooit een woord te begrijpen van hetgeen hij voordroeg.

Hij las Shakespeare aan zijne moeder voor (van wien zij verklaarde dat zij veel hield, maar het was niet waar) en Byron en Pope, en zijne geliefkoosde Lalla Rookh, die haar maar zóó zóó beviel. Maar bisschop Heber en bovenal mevrouw Hemans, – als Pen haar die schrijvers met zijne zachte jongensstem voorlas, dan smolt zij letterlijk weg en verborg het gelaat in haar zakdoek. Het Christelijk Jaar was de titel van een boek, dat omstreeks dezen tijd verscheen. Moeder en zoon fluisterden het elkander met diep ontzag toe. – Flauw, zeer flauw, en maar zelden, hoorde Pendennis in zijn later leven die plechtige kerkmuziek; doch altijd dacht hij daaraan met liefde, gelijk aan de tijden toen ze zijn hart trof, en hij, als de kerkklok des Zondagsmorgens luidde, vol hoop en zonder twijfelingen door de velden liep.

Het was omstreeks dezen tijd zijns levens, dat Pen opdook als dichter in de kolommen der courant van het graafschap, met eenige verzen, waarover hij volkomen tevreden was. Van hem zijn de verzen, onderteekend Nep., en gericht Aan een traan, Op den verjaardag van den slag van Waterloo, Aan mevrouw Caradori toen zij bij het houden der assises zong, Op den St. Bartholomeusdag (eene vreeselijke akte van beschuldiging tegen het pausdom en eene plechtige vermaning aan het volk van Engeland om zich als één man tegen de emancipatie der roomsch-katholieken te verzetten), enz. enz., – welke meesterstukken mevrouw Pendennis ongetwijfeld alle tot den huidigen dag bewaard heeft, met en benevens zijne eerste kousjes, het eerste knipsel van zijn haar, zijne tuitkan en andere belangwekkende gedenkstukken uit zijne kindsheid. Hij placht op Rebekka over de naburige Dumplingduinen of naar de hoofdstad van het graafschap, die wij maar Chatteries zullen noemen, te galoppeeren en onderwijl zijne eigen verzen uit te galmen, waarbij hij eene volmaakt Byroniaansche bezieling bij zich zelven meende waar te nemen.

Zijn genie droeg in dezen tijd bepaald een somberen stempel. Hij legde zijne moeder een treurspel voor, dat haar, ofschoon er vóór het tweede bedrijf reeds zestien menschen in werden omgebracht, zoodanig aan het lachen maakte, dat hij het meesterstuk in eene vlaag van ergernis op het vuur smeet. Hij ontwierp een heldendicht in rijmlooze verzen, Cortez, of de verovering van Mexico, en de dochter van den Inca. Hij schreef een gedeelte van Seneca, of het noodlottige bad en Ariadne op Naxos, beiden classieke stukken met reien en strophen en antistrophen, die de arme mevrouw Pendennis een raadsel waren, en begon eene Geschiedenis der Jezuïeten, waarin hij die orde met vreeselijke gestrengheid geeselde en zijne protestantsche landgenooten tegen hare kuiperijen waarschuwde. Het deed zijne moeder goed als zij zag wat een vurig, standvastig, onwrikbaar aanhanger van kerk en koning hij in die dagen was, en bij de verkiezingen, toen Sir Giles Beanfield als candidaat van de Blauwen optrad tegen Lord Trehawk, den zoon van Lord Eyrie, een Whig en vriend der papisterij, reed Arthur Pendennis met een reusachtigen strik voor hem zelven, die zijne moeder gemaakt had, en een blauw lint voor Rebekka, naast den eerwaarden doctor Portman, die op zijne grijze merrie Slordebel zat, aan het hoofd der kiezers van Clavering, die de doctor aanvoerde, om als één man te stemmen voor den kampioen van het protestantismus.

Dien dag hield Pen zijne eerste redevoering in het Blauwe Hotel en gebruikte, naar het schijnt voor de eerste maal in zijn leven – een glaasje te veel. Genadige goedheid! wat was dat een tooneel op Fairoaks, toen hij, de hemel weet hoe laat in den nacht, kwam terugrijden! Wat was er eene beweging van lantarens op het plein en in de stallen, ofschoon de maan helder scheen; wat een oploop van dienstboden, toen Pen kletterend de brug over- en het stalplein opreed, met een half dozijn Claveringsche kiezers op zijne hielen, die het Blauwe verkiezingslied uitgilden.

Hij noodigde hen allen binnen om een glas wijn met hem te drinken – van dien besten Madera – Jan, ga wat Madera halen, – en het is niet te gissen wat de boeren gedaan zouden hebben, zoo mevrouw Pendennis niet verschenen was in een witten omslagdoek en met eene kaars – en de volijverige Blauwen zoo erg verschrikt had met haar bleek aanvallig gezichtje, dat zij de hoeden afnamen en wegreden.

Behalve deze uitspanningen en verrichtingen, waarmede mijnheer Pen zich bezig hield, was er nog ééne, die het hoofdbedrijf en vermaak der jeugd is, indien de dichters, die Pen altijd bestudeerde, de waarheid spreken; en deze jonge kerel bezat een zoo vurig hart en eene zoo levendige verbeelding, dat het niet te verwachten was, dat hij aan den hartstocht, dien wij bedoelen en dien gij, dames, zeer juist gegist hebt dat de Liefde was, lang ontsnappen zou. Pen zuchtte er eerst in het geheim naar, en opende, gelijk de minzieke knaap bij Ovidius, zijne borst en riep: Aura, veni. Wat knaap van edelen aanleg, die in zijn tijd niet eene of andere dergelijke luchtige geliefde vereerd heeft?

Ja, Pen begon de noodzakelijkheid te gevoelen van eene eerste liefde – van een alverterenden hartstocht – van een voorwerp, waarop hij al die onbestemde en wisselende inbeeldingen kon vereenigen, waaronder hij zoo zoet leed – van eene jonge dame, op wie hij in waarheid verzen kon maken, en die hij kon aannemen en aanbidden in plaats van die denkbeeldige Ianthe’s en Zuleika’s, aan welke hij de uitboezemingen van zijne milde muze richtte. Hij las en herlas zijne geliefkoosde gedichten, hij wendde zich tot de Alma Venus, de lust van goden en menschen, hij vertaalde Anacreon’s oden, en verzamelde regelen, op zijne kwaal toepasselijk, uit Waller, Dryden, Prior en dergelijken. Smirke en hij werden niet moede, in hun samenzijn over de liefde te praten. De trouwelooze onderwijzer hield hem met sentimenteele gesprekken in plaats van vertoogen over algebra en Grieksch bezig; want Smirke was ook verliefd. Wie had zich ook daartegen kunnen verweren wanneer hij dagelijks omgang had met zulk eene vrouw? Smirke was dol verliefd (voor zoover zulk eene zachte vlam als die van mijnheer Smirke dolheid mag genoemd worden) op mevrouw Pendennis. Die eerzame dame, die daar beneden bezig was de kleine Laura piano te leeren spelen, of wollen rokken te maken voor de armen in de buurt, of die zich op andere wijzen onledig hield met de kalme bedrijven van haar stil en onberispelijk Christelijk leven, vermoedde weinig welke stormen er broeiden in twee harten daar boven op de studeerkamer – in dat van Pen, gelijk hij daar zat in zijn jachtbuis, met de ellebogen op de groene schrijftafel, de handen in zijn bruin krulhaar geklemd en Homerus onder zijn neus, – en in dat van den waardigen heer Smirke, met wien hij studeerde. Hier spraken zij over Helena en Andromache. „Andromache is als mijne moeder,” placht Pen te beweren; „maar, bij den hemel, Smirke, ik zou mijn neus willen geven om Helena eens te zien!” en dan rolden zekere geliefkoosde regels van zijne lippen, die de lezer op hunne behoorlijke plaats in het derde boek zal vinden. Hij schetste portretten van haar – zij zijn nog in wezen – met een rechte neus en ontzaglijke oogen, met Arthur Pendennis delineavit et pinxit in stoute letters er onder geschreven.

Mijnheer Smirke gaf natuurlijk de voorkeur aan Andromache, en was bijgevolg buitengemeen welwillend voor Pen. Hij vereerde hem zijn Horatius van Elzevier, waarop de knaap gesteld was, en zijn klein Grieksch Testament, dat zijne eigen mama te Clapham gekocht en hem ten geschenke gegeven had. Hij kocht hem een zilveren potloodhouder, en liet hem, wat het leeren betrof, juist zooveel of zoo weinig verrichten als hij zelf goedvond. Hij scheen altijd op het punt om zijn hart voor Pen uit te storten; ja hij bekende hem, dat hij eene – genegenheid, eene vurige liefde tot iemand koesterde. Pen brandde van nieuwsgierigheid om alles daarvan te hooren, en zeide dus: „Kom, vertel ons nu eens, ouwe jongen, is zij mooi? heeft zij blauwe of zwarte oogen?” Maar dominé Portman’s hulpprediker slaakte een licht zuchtje, sloeg de oogen naar de zoldering op, en verzocht met eene flauwe stem, dat Pen over iets anders zou spreken. Die arme Smirke! Hij noodigde Pen om bij hem te komen dineeren op zijne kamer te Clavering boven madame Fribsby, de modemaakster, en eens toen het regende en mevrouw Pendennis, die met haar hittenwagen naar Clavering was gekomen om eenige beschikkingen te maken, waarschijnlijk over het afleggen van den rouw, zich had laten overhalen om op de kamer van den hulpprediker te komen, liet hij dadelijk koekjes halen. De sofa, waarop zij zat, werd hem van dien dag af heilig, en in het glas, waaruit zij dronk, hield hij sedert altijd bloemen.

Daar het mevrouw Pendennis nooit verveelde den lof van haar zoon te hooren verkondigen, kunnen wij wel overtuigd zijn, dat die schelm van een onderwijzer geene gelegenheid liet voorbijgaan om met haar over dat onderwerp te spreken. Het was voor hem misschien wel een weinigje vervelend al die historiën te moeten aanhooren over Pen’s goed hart, over zijn moed toen hij tegen dien grooten kwajongen vocht, over zijne geestigheid en zijne grappen, zijne verbazende knapheid in het Latijn, de muziek, het rijden, enz., – maar welke prijs was hem te hoog om met haar in gezelschap te zijn? en van haar kant vond de weduwe, na deze gesprekken, dat mijnheer Smirke een heel onderhoudend en kundig man was. Wat haar zoon betrof, was zij het met zich zelve nog niet eens wat hij zou worden; de eerste te Cambridge en aartsbisschop van Canterbury of de eerste te Oxford en lord-kanselier. Dat er in geheel Engeland zijns gelijke niet gevonden werd, was eene zaak, waarover bij haar geen zweem van twijfel bestaan kon.

Daar zij eene eenvoudige vrouw was, die geene de minste overhelling tot verkwisting bezat, begon zij, ten nutte van haar zoon, dadelijk te sparen en misschien wel wat al te zuinig te worden. Gedurende haar rouwjaar waren er natuurlijk geene partijen op Fairoaks geweest. Maar ook nog vele, vele jaren daarna kwamen des dokters zilveren schoteldeksels, waarop hij zoo trotsch was geweest en die over hunne geheele oppervlakte met het wapen en helmteeken der Pendennis’en versierd waren, niet meer uit de zilverkisten. De huishouding werd ingekrompen en hare kosten verminderd. Er werd een echte kluizenaarsmaaltijd gehouden, als Pen niet thuis at, en hij zelf ondersteunde bij zijne moeder de klachten der keukenbevolking over de verachterde hoedanigheid van het Fairoaks-bier. Zij werd gierig om den wille van Pen. Wie heeft ook ooit de vrouwen van rechtvaardigheid beschuldigd? Zij offeren altijd zich zelve of iemand anders op ten voordeele van een derden.

Toevallig was er geen enkel meisje in den kleinen kring van vrienden, waarmee de weduwe omgang hield, dat Pendennis bij mogelijkheid ze gelukkig kon maken met den onwaardeerbaren schat van een hart, dat hij van verlangen brandde om weg te schenken. Sommige jonge heeren vestigen in zijn geval hunne jeugdige genegenheid op Doortje de melkmeid, of werpen teedere lonkjes toe aan Mietje, de dochter van den smid. Pen beschouwde een Pendennis als een veel te hoog personage om zich zoo te verlagen. Hij was te hooghartig voor eene alledaagsche minnarij, en voor het denkbeeld eener intrigue of verleiding, indien zoo iets ooit bij hem ware opgekomen, zou zijn hart hebben teruggedeinsd als voor eene laagheid of eerloosheid. Jufvrouw Myra Portman was te oud, te dik en te veel verzot op het lezen van Rollin’s Oude Geschiedenis. De jufvrouwen Boardback, dochters van admiraal Boardback (van St. Vincents of den Vierden Juni Huize, gelijk men het noemde) ergerden Pen met de Londensche manieren, die zij van Gloucester Place, waar zij het Londensche seizoen passeerden, naar het platteland meebrachten, en zagen ook op Pen als een vlasbaard neer. De drie meisjes van den gepensioneerden kapitein Glanders, van het 50ste regiment gardedragonders, droegen nog voorschooten van ongebleekt katoen en de tippen van hare vlechten waren nog met vuil paarsch lint afgebonden. Daar onze jongeling de kunst van dansen nog niet meester was, ontliep hij de gelegenheden, die hij had kunnen vinden om op de bals te Chatteries met de schoone sekse in aanraking te komen; kortom, hij was nog niet verliefd, daar er niemand voorhanden was om op te verlieven. En de jonge schelm placht dag aan dag uit te rijden, om Dulcinea’s op te sporen, en in de wagentjes, en equipages, die over de straatwegen voortrolden, te gluren met een kloppend hart en eene heimelijke vrees en hoop, dat zij mocht zitten in die gele reiskoets, die zwaaiende tegen den heuvel opreed, of dat zij eene van de drie meisjes met kastoren hoeden mocht zijn op het achterbankje van den grooten wagen, welken die dikke oude heer in het zwart met eene vaart van vier mijlen in het uur bestuurde. De reiskoets bevatte eene snuivende oude douairière van zeventig, met eene kamenier van denzelfden leeftijd. De drie meisjes met de kastoren hoeden waren niet aanvalliger dan de knollen, die langs den weg geplant stonden. Wat hij ook deed, en waarheen hij ook reed, de betooverde prinses, die hij moest bevrijden en veroveren, was onzen eerzamen Pen nog niet verschenen.

Over deze punten sprak hij niet met zijne moeder. Hij leefde in eene eigen wereld. Welke edelaardige, vurige, levendige ziel bezit niet eene geheime plaats van uitspanning, waar zij zich verlustigt? Laten wij die niet door eene lompe bespieding of eene onverstandige bemoeienis in onze kinderen trachten te bederven. Acteon was een lomperd, dat hij wilde doordringen tot de plaats waar Diana haar bad nam. Laat uw kind, indien het eene dichterlijke ziel bezit, nu en dan ongemoeid, beste mevrouw! Zelfs uwe heerlijke raadgevingen kunnen bij wijlen vervelend zijn. Gij zijt feilloos, maar daaruit volgt nog niet, dat iedereen in uw gezin volkomen hetzelfde moet denken als gij. Dat kleine kind daar ginds kan denkbeelden hebben, te diep zelfs voor uw veelomvattend verstand, en invallende gedachten zoo schuchter en bedeesd, dat zij zich niet onthullen willen als gij er bij zijt.

Helena Pendennis giste alleen reeds door de kracht der liefde een groot aantal van haar zoons geheimen. Doch zij bewaarde die dingen in haar hart (indien wij het zoo mogen uitdrukken) en sprak er niet van. Bovendien had zij zich voorgenomen, dat hij de kleine Laura moest trouwen, die achttien jaar zou zijn als Pen de zes en twintig bereikt, zijne academische studiën voltooid en zijne reis door Europa gedaan had, en gevestigd zou zijn te Londen, waar hij zeker de gansche hoofdstad verbazen zou door zijne geleerdheid en welsprekendheid voor de balie, of nog liever in eene mooie dorpspastorie tusschen maluwen en rozen, dicht bij een lief romantisch, met klimop begroeid kerkje, op welks kansel Pen de schoonste leerreden, die ooit gepreekt waren, uitspreken zou.

Terwijl deze natuurlijke opwellingen in de borst van den braven Pen strijd voerden en verwarring stichtten, gebeurde het op zekeren dag, dat hij naar Chatteries reed, ten einde aan het dagblad van het graafschap een hoogdravend en merg en been doordringend gedicht voor het volgende nommer te brengen; en terwijl hij zijn paard als naar gewoonte in het hotel „George” aldaar op stal bracht, ontmoette hij een ouden kennis. Eene fraaie zwarte chais met scharlakenroode wielen kwam ratelend het plein van het logement op, toen Pen daar met den stalknecht over Rebekka stond te spreken, en de persoon, die het rijtuig bestuurde, riep op luiden, beschermenden toon: „Hé, Pendennis, ben jij daar?” Het kostte Pen eenige moeite om onder den breedgeranden hoed en de groote overjassen en dassen, waarin de vreemdeling gehuld was, den persoon en de gestalte van zijn voormaligen schoolkameraad Foker te herkennen.

Een jaar tusschenruimte had eene verbazende verandering bij dien heer teweeggebracht. Een jongen, die nog maar weinige maanden geleden naar verdienste met de roede gekastijd was, en al zijn zakgeld aan taartjes en koek verspild had, verscheen daar nu voor Pen zoo uitgedost, dat men in hem datgeen voor zich had, wat het publiek – waaraan ik in dit opzicht evenveel gezag toeken als aan Johnson’s Woordenboek – een „piet” noemt. Hij had een bulhond tusschen zijne beenen, en zijne roode shawldas was versierd met eene speld, die weer uit een gouden bulhondje bestond; hij droeg een vest van pluche met een aantal gouden kettingen er over; een groenen rok met ronde panden en koperen knoopen, en eene witte overjas met schotelvormige knoopen, op elk waarvan een jachttafereel of landschap gegraveerd was; al welke sieraden dezen jongen heer zoo goed stonden, dat men waarlijk niet kon zeggen of hij meer op een „bokser” op reis dan een koetsier in zijn zondagspak geleek.

„Die plaats voorgoed verlaten, Pendennis?” vroeg mijnheer Foker, uit zijn rijtuig stappende en Pendennis een vinger reikende.

„Ja, zoo wat een jaar,” zeide Pendennis.

„Beroerde ouwe kast,” merkte mijnheer Foker aan. „Haat die; haat den rector; haat Towzer, den ondermeester; haat iedereen daar. Geen geschikte plaats voor een gentleman.”

„In het geheel niet,” zeide Pen met eene houding van het allergrootste gewicht.

„Voor den drommel, mijnheer, ik droom soms nog, dat de rector op mij losslaat,” ging Foker voort (en Pen lachte bij de herinnering, dat hij zelf ijzingwekkende droomen van dien aard had). „Wanneer ik nog, voor den drommel, aan het eten denk, mijnheer, dan verwonder ik mij, hoe ik het uitgehouden heb. Schurftig schapenvleesch, taai rund vleesch, alleen Zaterdags en Zondags podding, – om een mensch te vergiftigen! Bekijk mijn paard eens – hebt ge ooit een mooier beest gezien? Van Baymouth hier naar toe gereden. Legde de negen mijlen in twee en veertig minuten af. Daar zit gang in, mijnheer.”

„Logeert gij te Baymouth, Foker?” vroeg Pendennis.

„Ik ben daar met een kruiwagen,” zeide de ander met een knikje.

„Wat!?” vroeg Pendennis op zulk een verwonderden toon, dat Foker het uitschaterde en zeide, dat de drommel hem halen mocht als hij Pen niet voor groen genoeg hield, om niet te weten wat een kruiwagen was.

„Ik ben met een kruiwagen van Oxford gekomen. Een repetitor, begrijpt ge niet, ouwe jongen?! Die kruit mij en eenige anderen voort, op weg naar het examen. Ik en Spavin houden het rijtuig samen, en zoo kwam ik op den inval eens over te wippen, om hier naar de komedie te gaan. Hebt ge ooit Rowkins de horlepijp zien dansen?” en dadelijk begon mijnheer Foker op het plein voor het logement eenige passen van dien populairen dans uit te voeren, waarbij hij den bijval van zijn knecht en van de stalknechts inoogstte.

Pen zeide, dat hij ook wel lust had om naar de komedie te gaan; hij kon na den afloop huiswaarts rijden, want het was maneschijn. Hij nam dus Foker’s uitnoodiging om met hem te dineeren aan, en de beide jongelieden stapten het logement binnen, waar mijnheer Foker naar het buffet ging en aan de jonge jufvrouw Rincer, de schoone dochter van de kasteleines, die daar het bestuur voerde, verzocht hem zijn „drankje” klaar te maken.

Pen en zijne familie waren in den George bekend sedert den tijd, dat zij zich in die streek gevestigd hadden, en de heer Pendennis stalde daar altijd zijne rijtuigen en paarden wanneer hij naar de hoofdstad van het graafschap ging. De kasteleines maakte voor den erfgenaam van Fairoaks eene zeer eerbiedige buiging, complimenteerde hem over zijn groei en zijn mannelijk voorkomen en vroeg hoe het met de familie te Fairoaks, dominé Portman en de bekenden te Clavering ging, alle welke vragen de jonge heer met de meeste minzaamheid beantwoordde. Doch hij sprak tegen mijnheer en jufvrouw Rincer met die soort van vriendelijkheid, waarmee een jonge prins het woord tot zijn vaders onderdanen richt; het kwam niet bij hem op, dat die „goede menschen” zijne gelijken waren.