Chapter 29 of 85 · 3940 words · ~20 min read

Part 29

Aldus werd van te voren de weg tot kennismaking tusschen de bewoners van Fairoaks en hunne rijke buren van het park gebaand; en Pen en Laura zagen even verlangend naar hunne overkomst uit, als de nieuwsgierigsten onder de bewoners van Clavering. Een Londenaar, die elken dag nieuwe gezichten ziet en er bij geeuwt, zal misschien lachen om de belangstelling, waarmee landbewoners een bezoeker te gemoet zien. Een bewoner der hoofdstad, die hen bezocht heeft, leeft in de herinnering zijner landelijke vrienden nog jaren na dat hij hen verlaten en, ver weg gespoeld op de onmetelijke Londensche zee, hen hoogst waarschijnlijk vergeten heeft. Doch de eilanders herinneren het zich nog lang na dat de zeeman weer heengestevend is en kunnen u nog opnoemen wat hij zeide en wat hij droeg, hoe hij er uitzag en hoe hij lachte. Om kort te gaan, de komst van een vreemde heeft op het land eene belangrijkheid, welke wij niet kunnen begrijpen, wij, die niet weten wie er naast ons woont en het ook liefst niet willen weten.

Toen de schilders en behangers en meubelmakers hunne taak op het heerenhuis volbracht hadden en het onder oppertoezicht van kapitein Strong zoodanig hadden verfraaid, dat hij zich wel op zijn smaak mocht beroemen, verklaarde die heer, dat hij naar Londen ging, waar thans de gansche familie was aangekomen, en dat hij spoedig zou terugkomen, om haar in hare herstelde woonstede te installeeren.

Zij werden voorafgegaan door detachementen bedienden. Rijtuigen werden van over zee aangevoerd en van Baymouth overgebracht door paarden, die daar reeds vooraf onder geleide van koetsiers en stalknechts waren aangekomen. Op zekeren dag kwamen er boven op de diligence Alacrity twee groote, droefgeestige mannen mee, die met hunne koffers aan de portiersloge werden afgezet. Het waren de heeren Frederik en James, lakeien, die in hoofdsteden thuis behoorden, maar zich wel een verblijf op het platteland wilden getroosten, en de gala- en gewone livreien der familie Clavering meebrachten.

Een anderen dag zette de wagen een buitenlandsch heer, die met vele lokken en kettingen versierd was, aan den ingang der buitenplaats af. Hij maakte aan het portiershuisje groot rumoer tegen de vrouw van den boschwachter (die, uit de westelijke graafschappen afkomstig, geen woord van zijn Engelsch of van zijn Gasconsch Fransch verstond), omdat er geen rijtuig gereed stond om hem naar het huis te rijden, dat eene mijl verder lag, en omdat hij in zijn vermoeiden toestand en met zijne verlakte laarzen geen uren ver kon loopen. Dit was monsieur Alcide Mirobolant, vroeger chef van zijne hoogheid den hertog van Borodino, van zijne eminentie kardinaal Beccafico en tegenwoordig chef de bouche van Sir Francis, baronet. Monsieur Mirobolant’s boekerij, schilderijen en piano waren reeds vroeger aangekomen onder geleide van een jong Engelschman van goeden aanleg, zijn adjudant. Hij werd verder bijgestaan door eene ervaren Londensche keukenmeid, die vrouwelijke beambten van minder rang onder hare bevelen had.

Hij dineerde niet in de kamer van den rentmeester, maar gebruikte zijn voedsel in eenzaamheid, in zijne eigen vertrekken, waar een dienstmeisje tot zijne beschikking was gesteld. Het was indrukwekkend, hem in zijne kamerjapon een menu te zien opstellen. Voordat hij daartoe overging, zette hij zich altijd aan de piano, om eenigen tijd te spelen. Indien hij daarin gestoord werd door de dienstbode, beklaagde hij zich op een aandoenlijken toon, want, zeide hij, elk groot kunstenaar had behoefte aan de eenzaamheid, om zijne werken tot volmaaktheid te brengen.

Maar in de overmaat onzer genegenheid en vereering voor monsieur Mirobolant loopen wij te ver vooruit en voeren wij hem vóór zijn tijd ten tooneele.

De chevalier Strong was bij het huren van al de Londensche bedienden betrokken geweest en scheen in werkelijkheid de heer des huizes te zijn. Sommigen hunner zeiden, dat hij de rentmeester was, maar vergunning had met de familie aan tafel te eten. Hoe het zij, hij wist zich te doen eerbiedigen en twee der aangenaamste kamers van het heerenhuis werden voor hem afgezonderd.

Hij wandelde op den gewichtigen dag op het terras, toen een open rijtuig en een dier reiskoetsen of familie-arken, zooals alleen de Engelsche ouderliefde kon uitvinden, onder het daverend luiden van de kerkklokken te Clavering, van welke de vlag wapperde, met snuivende paarden door het parkhek naar den hoofdingang van het huis rolden. De beide vleugeldeuren der gebeeldhouwde poort vlogen open. Twee hoogere beambten in het zwart, de groote en melancholische heeren thans in livrei en met poeier in het haar, en de plattelandsdienstboden, die aangenomen waren om hen te helpen, stonden in de vestibule hun meester op te wachten en bogen als rijzige olmen wanneer de najaarswind door het park huilt. Tusschen deze twee rijen bedienden ging Sir Francis Clavering met een volmaakt onverschillig gezicht heen; Lady Clavering met een paar schitterende zwarte oogen en een goedhartig gelaat, terwijl zij zeer genadig boog en knikte; de jonge heer Francis Clavering, die zijne mama aan haar kleed hield (en den optocht stuitte om den grootsten lakei te bekijken, wiens voorkomen den jongen heer scheen te treffen) en juffer Blandy, de gouvernante van den jongen heer Francis, en jufvrouw Amory, de dochter der lady, aan den arm van kapitein Strong. Het was zomer, doch er brandden vreugdevuren in den schoorsteen der groote zaal en in de kamers, die de leden van het gezin betrekken zouden.

Monsieur Mirobolant had den optocht van achter een der lindeboomen in de laan begluurd. „Elle est là,” zeide hij, en legde zijne met ringen versierde hand op zijn rijk geborduurd fluweelen vest met glazen knoopen. „Je t’ai vue, je te bénis, o ma sylphide, o mon ange!” en daarop dook hij weer in het struikgewas weg en spoedde zich naar zijne fornuizen en ketels terug.

Den volgenden Zondag nam hetzelfde gezelschap, dat wij zijn intocht op Clavering Park hebben zien doen, openlijk de antieke bank in de kerk in bezit, waar zoovele voorouders van den baronet gebeden hadden en nu in afbeeldsel knielden. Er was zulk een toeloop om de nieuw aangekomenen te zien, dat de afgescheiden kerk, tot groote ergernis van haar dominé, leeg bleef staan; en toen de staatsiekoets met de schimmels en den koetsier met zijne zilverwitte pruik en de statige lakeien voor de oude kerkdeur stilhield, was daar zulk een gedrang als men in een aantal jaren niet gezien had. Kapitein Strong kende iedereen en groette voor het gansche gezelschap. De landbewoners verklaarden, dat mylady in het geheel niet mooi was, maar brillant gekleed ging, hetgeen ook de waarheid was, want zij droeg den fijnsten shawl, de keurigste pelisse, den prachtigsten hoed met bloemen, dien men zich voorstellen kan, benevens eene macht van ringen, cameeën, broches, kettingen, gespen en andere snuisterijen, waarvan ik den naam niet weet, terwijl linten van alle breedten en met alle kleuren van den regenboog rondom haar heen wapperden. Jufvrouw Amory was gelijk eene vestaalsche maagd zedig in eene duivenkleur gedost, en de jonge heer Francis droeg het toenmaals zeer in zwang zijnde costuum van Rob Roy Macgregor, een vermaard Schotsch bandiet. De baronet legde meer levendigheid dan gewoonlijk aan den dag; hij had eene soort van benijdenswaardige ongevoeligheid over zich, die hem een diner, een sterfgeval of eene trouwpartij met dezelfde kalme onverschilligheid zou hebben doen te gemoet gaan.

De bedienden van Clavering hadden plaatsen in eene afzonderlijke bank, en de opgetogen gemeente zag de Londensche heeren „met meel op hun hoofd” en den verbazenden koetsier met zijne zilveren pruik zich daar nederzetten, zoodra hij zijne paarden in het Wapen van Clavering onder dak had gebracht.

Toen de godsdienstoefening aan den gang was, begon de jonge heer Francis zulk een keel op te zetten, dat Frederik, de langste der lakeien, door zijn meester gewenkt werd en op diens last den jongen heer wegdroeg, die het daarbij uitgilde en hem zoo heftig op het hoofd sloeg, dat het poeier als wierookwolken rondvloog. Hij kwam niet eer tot bedaren, dan toen men hem op den bok van het rijtuig geplaatst had, waar hij met John’s zweep koetsiertje speelde.

„Gij begrijpt wel, dat de kleine schavuit nooit te voren in de kerk was geweest, jufvrouw Bell,” zeide de baronet op slaperigen toon tegen eene jonge dame, die een bezoek bij de familie aflegde; „geen wonder, dat hij zooveel lawaai maakte. In de stad ga ik ook niet naar de kerk, maar ik geloof, dat men buiten een goed voorbeeld moet geven – en zoo voorts.”

Met een lachje antwoordde jufvrouw Bell, dat de kleine jongen geen bijzonder goed voorbeeld had gegeven.

„Och, dat weet ik niet,” zeide de baronet. „Het is geen kwaad voorbeeld ook. Als Frans iets hebben wil, schreeuwt hij er om, en als hij schreeuwt krijgt hij het ook.”

Hier begon het kind om een schotel gebakjes te huilen, die op de tafel stond, en er plotseling over het tafellaken heen zijn arm naar uitstekende, wierp hij een glas wijn over het beste vest van een der aanwezige gasten, mijnheer Arthur Pendennis, die erg boos was, dat hij zulk een mal figuur maakte en zijn vlekkeloos overhemd nu met wijn bezoedeld was.

„Wij bederven hem zoo!” zeide Lady Clavering tegen mevrouw Pendennis met een innigen blik op het engeltje, welks handen en gezicht op dit oogenblik vol zaten met het schuim, waarmee de gebakjes, die men meringues à la crême noemt, gevuld waren.

„Het is heel verkeerd,” zeide mevrouw Pendennis, alsof zij zelve nooit een kind bedorven had.

„Mama zegt, dat zij mijn broertje bederft – houdt gij dat wel voor mogelijk, jufvrouw Bell? Zie hem eens aan, – is het geen engeltje?”

„Ziet ge wel, dat ik gelijk had?” zeide de baronet. „Hij heeft geschreeuwd, en nu heeft hij het gekregen. Ga je gang maar, Frans, ouwe jongen!”

„Sir Francis is een zeer verstandig vader,” fluisterde jufvrouw Amory. „Vindt ge niet, jufvrouw Bell? Maar ik zal u niet meer jufvrouw Bell noemen – ik zal Laura zeggen. Ik heb u in de kerk zoo bewonderd. Uw kleed was niet gemaakt naar den laatsten smaak en uw hoed was niet heel frisch meer; maar ge hebt zulke mooie grijze oogen en zulk eene lieve kleur!”

„Ge zijt wel goed,” hernam jufvrouw Bell lachend.

„Uw neef is een mooie jongen en weet dit van zich zelven. Hij is verlegen de sa personne. Hij heeft de wereld nog niet gezien. Heeft hij genie? Eene zekere jufvrouw, een klein vrouwtje in verkreukt satijn en met fluweelen schoenen – zekere jufvrouw Pybus – is hier geweest en zeide, dat hij geleden heeft. Ik heb ook geleden, – en hoe is het met u, Laura, is uw hart ooit getroffen?”

Laura antwoordde: „Neen!” maar bloosde misschien een weinigje bij die gedachte, of op die vraag, zoodat de andere voortging:

„O Laura, ik ben er al achter! Het is de beau cousin. Vertel er mij eens alles van, want ik heb u reeds als eene zuster lief.”

„Gij zijt heel vriendelijk,” hernam jufvrouw Bell met een glimlach, „en – en ik kan niet ontkennen, dat het eene zeer plotselinge genegenheid is.”

„Dat is het geval met elke genegenheid. Het is iets electrisch, iets onwillekeurigs. Het is eene zaak van het oogenblik. Ik wist van het eerste oogenblik af, dat ik van u houden zou. Gevoelt ge het ook niet?”

„Voor het oogenblik nog niet,” antwoordde Laura, „maar – het zal zeker wel komen, als ik er mij op toeleg.”

„Noem mij dan voortaan bij mijn naam.”

„Maar ik ken dien nog niet,” riep Laura uit.

„Mijn naam is Blanche, – een lieve naam, niet waar? Noem mij voortaan zoo.”

„Blanche – waarlijk een heel lieve naam.”

„En, terwijl mama met die vriendelijke dame spreekt – in welke betrekking staat die tot u? Zij moet eenmaal zeer mooi geweest zijn, maar zij is nu eenigszins passée; zij is niet behoorlijk gantée, maar zij heeft eene fraaie hand. Terwijl mama haar bezig houdt, kunt gij wel eens meegaan naar mijne kamer –– mijne eigen, eigen kamer! Het is een juweeltje van eene kamer, ofschoon die akelige kapitein Strong ze ingericht heeft. Zit gij éprise van hem? Hij zegt dat van u, maar ik weet wel beter; het is de beau cousin. Ja, il a de beaux yeux. Je n’aime pas les blonds ordinairement. Car je suis blonde, moi – je suis Blanche et blonde,” en bij deze woorden keek zij in den spiegel en maakte eene moue, terwijl zij geen oogenblik naar Laura’s antwoord op hare vragen wachtte.

Blanche was blond en geleek eene sylphide. Zij had blond haar, met hier en daar een groenen weerschijn. Maar daarbij had zij donkere wenkbrauwen en lange zwarte wimpers, die heerlijke bruine oogen overschaduwden. Zij had zulk een dun middeltje, dat het verwonderlijk was, en zulke kleine voetjes, dat men denken moest, dat het gras er ternauwernood onder zou buigen. Hare lippen waren als lichtgekleurde rozenknoppen, en haar stemmetje gleed als glas over de liefste pareltjes van tandjes, die men zien kan. Zij liet ze ook dikwijls zien, want zij waren zeer mooi. Zij was zeer goedhartig, en een lachje deed niet alleen die tanden heerlijk uitkomen, maar liet ook twee lieve kuiltjes zien, die zich op hare beide wangen genesteld hadden.

Zij liet hare teekeningen aan Laura zien, die ze heerlijk vond. Zij speelde haar vlug en schitterend eenige van hare walsen voor en Laura was nog meer verrukt. En eindelijk las zij haar eenige gedichten in het Fransch en Engelsch voor, die ook van hare compositie waren en bewaard werden in een eigen boek – haar eigen, lief, klein boekje, dat in blauw fluweel gebonden was, met een verguld slot, en op het plat in gouden letters den titel droeg: Mes Larmes.

„Is dat geen lieve naam, Mes Larmes?” vroeg de jonge dame, die met al wat zij deed ingenomen was, en ook alles zeer goed deed. Laura erkende, dat het een lieve naam was. Zij had nog nooit in haar leven zoo’n meisje gezien, zoo iets liefs, zoo talentvol, zoo teer en zoo bekoorlijk; een meisje, dat als een vogeltje kwinkeleerde, door zulk een prettig kamertje rondtrippelde, en van zulk een aantal mooie boeken, schilderijen en bloemen omringd was. In hare opgetogenheid vergat het oprechte en welwillende landmeisje zelfs jaloersch te zijn. „Waarlijk, Blanche,” sprak zij, „alles in uw kamertje is lief, en gij zijt het liefste van alles.” Blanche lachte eens, keek in den spiegel, keerde naar Laura terug, wier beide handen zij greep en kuste, zette zich aan de piano en galmde een liedje uit, alsof zij een nachtegaal ware.

Dit was het eerste bezoek van Fairoaks op Clavering Park, ter beantwoording van het bezoek van Clavering Park aan Fairoaks, naar aanleiding dat Fairoaks eenige dagen na de aankomst van Sir Francis’ gezin kaartjes op Clavering Park afgegeven had. De vriendschap tusschen de beide jonge dames groeide zoo snel op als de boonenstaak in het sprookje, die in één nacht tot aan de wolken opschoot. De lange lakeien waren aanhoudend met rosé briefjes op weg naar Fairoaks, waar men een knap meisje in de keuken vond, hetgeen die heeren wellicht naar eene zoo nederige plaats lokte. Jufvrouw Amory zond muziek of een nieuwen roman of eene plaat uit het Journal des Modes aan Laura; of er kwamen vruchten met het compliment van mylady; of jufvrouw Amory verzocht en bezwoer jufvrouw Bell te komen dineeren, met de lieve mevrouw Pendennis, indien zij zich sterk genoeg gevoelde, en mijnheer Arthur, indien een bedaard gezelschapje niet te vervelend voor hem was; zij zou den hittenwagen zenden om mevrouw Pendennis af te halen en zij nam geene weigering aan.

Arthur was evenmin als Laura voornemens het te weigeren. Helena, die zich werkelijk niet al te wel gevoelde, was blij, dat die twee ten minste genoegen zouden hebben, zag hen met een liefdevollen blik na toen zij vertrekken, en bad inwendig, dat zij niet mocht opgeroepen worden voordat die twee menschen, die zij liever had dan iemand anders ter wereld, vereenigd zouden zijn. Terwijl zij bij hun vertrek de brug overgingen, herinnerde zij zich andere zomeravonden, vijf en twintig jaar geleden, toen ook zij haar korten lentetijd van liefde en geluk genoot. Dat alles was nu voorbij. De maan zag uit de purperen lucht neder en de sterren stonden daar te flikkeren evenals op die vroegere avonden, die haar nog zoo levendig voor den geest stonden. Hij lag daar in het verre land in het graf en de rollende golven scheidden hen van elkander. Goede hemel! wat herinnerde zij zich de uitdrukking van zijn gelaat bij hun afscheid nog duidelijk! Het zag haar nu nog even treurig en helder aan als op dat oogenblik, uit het verre verschiet van die vele jaren.

Mijnheer Pen en jufvrouw Laura vonden het gezelschap op Clavering Park een buitengemeen aangenaam toevluchtsoord op zomeravonden. Blanche verklaarde, dat zij van Laura raffoleerde, en hoogst waarschijnlijk was mijnheer Pen met Blanche wel ingenomen. Zijne levendigheid keerde terug en hij lachte en snaterde, dat Laura het met verbazing aanhoorde. De vlugge en geestige, de lachende en net gekleede Pen in Lady Clavering’s gezelschapskamer was niet meer dezelfde Pen, die in zijn jachtbuis in de huiskamer op Fairoaks zat te geeuwen. Soms werd er muziek gemaakt. Laura had eene liefelijke alt-stem en zong dan met Blanche, die het beste onderwijs in het buitenland genoten had en verrukt was hare vriendin tot leermeesteres te kunnen strekken. Nu en dan nam mijnheer Pen deel aan die concerten, maar veel meer gebeurde het, dat hij jufvrouw Blanche opgetogen zat aan te kijken terwijl zij zong. Enkele malen werden er veelstemmige liederen gezongen, waarbij kapitein Strong groote diensten bewees en een daverenden bas uitgalmde, waarop de kapitein niet weinig trotsch was.

„Aardige kerel, die Strong, – vindt ge niet, jufvrouw Bell?” voegde Sir Francis haar wel eens toe. „Speelt écarté met Lady Clavering – kan alles spelen, kruis of munt, piano, kaart, wat ge verkiest. Hoelang denkt ge wel, dat hij al bij mij is? Kwam met een reiszak eene week logeeren, en waarachtig, nu is hij al drie jaar gebleven. Aardige kerel, niet waar? Weet echter niet hoe hij aan een duit geld komt, – weet het waarachtig niet, jufvrouw Laura!”

En echter betaalde de chevalier altijd als hij aan Lady Clavering verloor; en zoo hij drie jaar bij zijn vriend had gewoond, had hij dat ook betaald – met opgeruimdheid, met voorkomendheid, met gezelligheid, met duizend kleine diensten, waardoor hij zich aangenaam maakte. Wie zou een beter vriend begeeren dan iemand, die altijd vroolijk, nooit te ver of te dichtbij, en tot elk dienstbetoon voor zijn patroon bereid was, hetzij om een liedje te zingen of eene conferentie met een advocaat te houden, een duel te vechten, of een kapuin voor te snijden?

Ofschoon Laura en Pen doorgaans te zamen naar Clavering Park gingen, deed mijnheer Pen soms zonder haar gezelschap eene wandeling daarheen, hetgeen hij haar niet vertelde. Hij kreeg liefhebberij in het hengelen in de Brawl, die door het Park loopt en niet ver van den tuinmuur voorbijstroomt, en door een toevalligen samenloop van omstandigheden wandelde jufvrouw Amory dan ook (daar zij naar hare bloemen was gaan zien) en was zeer verwonderd mijnheer Pendennis daar aan het visschen te vinden.

Ik ben benieuwd hoeveel forellen Pen ving, terwijl de jonge dame er naast stond te kijken? dan wel of jufvrouw Blanche het lieve vischje was, dat rondom zijne vlieg dartelde en dat mijnheer Pen trachtte te verschalken? Hij werd in ieder geval een groot liefhebber van die gezonde en versterkende hengeloefeningen en liet zijne vlieg aanhoudend op de wateren van de Brawl dansen.

Jufvrouw Blanche van haar kant bezat een gevoelig hart, en daar zij, gelijk zij zelve verklaarde, gedurende haar kort leven en ondervinding vrij wat „geleden” had, kon zij natuurlijk sympathie koesteren voor andere teergevoelige wezens, zooals Pen, die ook geleden hadden. Hare genegenheid voor Laura en die lieve mevrouw Pendennis verdubbelde; als deze niet op het Park waren, kon zij niet rusten voordat zij zelve te Fairoaks was. Zij speelde met Laura en las Fransch en Duitsch met haar, terwijl mijnheer Pen van zijn kant Fransch en Duitsch met beiden las, hij zette sentimenteele balladen van Schiller en Goethe voor de dames in Engelsche dichtmaat over, en Blanche ontsloot Mes Larmes voor hem en deelde hem eenige der klagende ontboezemingen van hare eigene teedere muze mede.

Het bleek uit die gedichten, dat dit jeugdig schepseltje inderdaad verbazend moest geleden hebben. Zij was met het denkbeeld van zelfmoord vertrouwd. Aanhoudend smachtte zij naar den dood. Eene verwelkte roos vervulde haar met zulke hevige smart, dat men gedacht zou hebben, dat zij er aan had moeten sterven. Het was wonder hoe zulk een jong meisje (dat een aangenaam „te huis” had, of op eene flinke kostschool geweest was en, voor zoover men zien kon, over geen verdrietelijkheden of harde behandeling te klagen had) zooveel geleden kon hebben, in zulk een oceaan van wanhoop en hartstochtelijkheid zich had kunnen storten (gelijk een ondeugende jongen, die volstrekt naar zee wil) en, na daarop rondgezwalkt te hebben, er het levend had kunnen afbrengen. Wat moet zij een aanleg voor schreien gehad hebben, om zoovele van Mes Larmes te kunnen storten!

Het is waar, jufvrouw Blanche’s tranen waren niet bijzonder zilt; maar Pen, die hare verzen las, beschouwde ze als zeer voldoende voor eene dame, en schreef zelf eenige verzen voor haar. Zij waren zeer woest en hartstochtelijk, zeer gloeiend, zoet en krachtig; en hij schreef niet alleen verzen, maar – o die schelm! o die bedrieger! hij werkte verzen uit vroeger tijd, die voor zekere jufvrouw Emily Fotheringay geschreven waren, ten behoeve van jufvrouw Blanche Amory om en maakte ze op haar vóórnaam toepasselijk.

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN ONSCHULDJE.

Elk huis heeft zijn kruis en het kan sommigen, die zich ongelukkig gevoelen, wellicht tot troost verstrekken, dat hunne gelukkigste en rijkste buren eveneens hunne rampen en redenen van ongerustheid hebben. Onze kleine onschuldige muze van eene Blanche, die zoo lief sprak en zoo zoet zong, dat men zou gedacht hebben dat zij overal waar zij kwam zonneschijn moest verspreiden, was het kruis, of de ramp, of de straf, of de Nemesis van Clavering House en van de meeste zijner bewoners. Gelijk een steentje in uw schoen, of tusschen het hoefijzer van uw paard, genoeg is om u beiden op de pijnbank te leggen en uw tocht tot eene hel te maken, zoo is in het leven een klein bezwaar toereikend om uw verderen loop te stremmen en u aan onophoudelijke verdrietelijkheden en onrust prijs te geven. Wie zou vermoed hebben, dat zoo’n kleine lachende fee als Blanche Amory een twistappel in een gezin had kunnen zijn?

„Zeg eens, Strong,” zeide de baronet op zekeren dag, toen beiden na het diner, met behulp van eene sigaar, die groote ontlokster van geheimen, aan het biljart vertrouwelijk met elkaar keuvelden, „zeg eens, Strong, ik wou voor den drommel, dat uwe vrouw dood was.”

„Ik ook, daar geef ik u mijn woord op! Maar zij wil niet; zij blijft eeuwig leven; – ge zult zien, dat ze het doet. Maar waarom, Frans, zoudt gij wenschen, dat zij van de baan was, beste jongen?”

„Wel, dan kondt ge juffie trouwen. Zij ziet er niet slecht uit en zij brengt tien duizend pond mee, wat een heele schep geld is voor zulk een armen drommel als gij zijt,” antwoordde de ander op sleependen toon. „Want waarachtig, Strong, ik begin elken dag een grooter hekel aan haar te krijgen.”

„Ik zou haar met nog eens zooveel geld niet willen hebben,” gaf kapitein Strong lachend ten antwoord. „Ik heb nooit van mijn leven zoo’n kleine heks gezien.”

„Ik zou haar wel willen vergeven,” hernam de baronet op plechtigen toon; „dat zou ik!”

„Wel, wat heeft zij nu weer uitgevoerd?” vroeg zijn vriend.