Part 3
Welnu dan – Pen had zich juist voor het eerst in het publiek vertoond met een rok, of cauda virilis, en keek met innige belangstelling in het spiegeltje op zijne kamer, of zijne bakkebaarden reeds begonnen uit te botten gelijk die van zijne gelukkiger kameraden; en in plaats van de drievoudige stem, waarmede hij placht te spreken en te zingen (want zijne zangstem was zeer lief, en als kleine jongen liet men hem „Waar kan men beter zijn,” „Mijn schoone page,” een paar Fransche liedjes, die zijne moeder hem geleerd had, en andere balladen tot vermaak van de grootere jongens zingen), was hij plotseling tot een diepen bastoon vervallen, afgewisseld met eene piepstem, die, wanneer hij op school moest construeeren, den meester en de scholieren in lachen deed uitbarsten, – in één woord, hij was ongeveer zestien jaar oud, toen hij plotseling van zijne academische studiën werd afgeroepen.
Het was tegen het einde van de voormiddagschool, en Pen was tot op dit oogenblik geheel vrijgeloopen, toen de rector hem aan het construeeren van een Grieksch treurspel zette. Hij kende er geen woord van, ofschoon de kleine Timmins, die naast hem zat, het hem uit al zijne macht influisterde. Pen had een paar erge bokken geschoten, toen de geduchte meester tegen hem losbrak.
„Pendennis,” sprak hij. „gij zijt onverbeterlijk lui en voorbeeldeloos dom. Gij zijt eene schande voor de school en voor uwe familie, en ik twijfel niet of gij zult dat in later tijd voor uw vaderland zijn. Indien die ondeugd, welke ons als de wortel van alle kwaad wordt voorgehouden, werkelijk is, zooals de zedemeesters ons hebben afgeschilderd (en ik trek de juistheid hunner beschouwing niet in twijfel), voor welk eene vervaarlijke hoeveelheid van misdaad en ongerechtigheid strooit gij dan thans, rampzalig jongeling, het zaad uit! Ongelukkig loshoofd! Een knaap, die op zijn zestiende jaar δε overzet met en in plaats van maar, is niet enkel schuldig aan onbegrijpelijke dwaasheid, domheid en botheid, maar aan eene ondankbaarheid jegens zijne ouders, die ik met huivering aanzie. Een scholier, die zijn Grieksch treurspel niet leert, bedriegt zijn vader, die geld besteedt voor zijne opvoeding. Een jongen, die zijn vader bedriegt, is niet ver verwijderd van het bestelen of bedriegen van zijn buurman. Een man, die zijn naaste bedriegt, boet zijne misdaad aan de galg. Hem echter beklaag ik niet (want hij wordt naar verdienste behandeld), maar zijne wanhopige en verslagene ouders, die door zijne misdaden naar een ontijdig graf gedreven worden of, zoo zij het leven behouden, in ellendigen en onteerden ouderdom voortkwijnen. Ga zoo maar voort, en ik verzeker u, dat de eerstvolgende fout u eene tuchtiging met de roede op den hals zal halen. Wie lacht daar? Welke kwajongen onderstaat zich daar te lachen?” brulde de rector.
En inderdaad, terwijl de meester die toespraak hield, was er een algemeen gegichel achter hem in het schoolvertrek. De redenaar zat met zijn rug naar de open deur van deze antieke kamer, en een heer, die zeer bekend was met deze plaats, want èn majoor Arthur èn mijnheer John Pendennis hadden hier school gegaan, vroeg aan een jongen van de vijfde klasse, die bij de deur zat, naar Pendennis. Grinnikend wees de knaap naar den schuldige, over wien de rector den vloed zijner rechtmatige gramschap uitstortte. Majoor Pendennis kon zijn lach niet weerhouden. Hij herinnerde zich dat hij bij denzelfden pilaar gestaan had waar Pen junior thans stond, en tal van jaren geleden door des rectors voorganger op dezelfde wijze gekastijd was. In één oogenblik ging het bericht rond, dat het Pendennis’ oom was, en een honderdtal jeugdige gezichten, tusschen verwondering en lachlust zwevende, keerden zich nu eens naar den nieuw aangekomene en dan eens naar den gevreesden rector.
De majoor verzocht den jongen uit de vijfde klasse zijn kaartje aan den rector te willen geven, hetgeen de knaap met een guitigen blik deed. Majoor Pendennis had op het kaartje geschreven: „Ik moet Arthur naar huis medenemen; zijn vader is zeer ziek.”
Toen de rector het kaartje ontving en met een vrij onthutsten blik in zijne toespraak bleef steken, barstte de tot nog toe half onderdrukte lachlust der jongens in een algemeen gejoel uit. „Stilte!” gilde de rector, op den vloer stampende. Pen keek op en zag wie zijn bevrijder was; de majoor wenkte hem ernstig met een van zijne witte handschoenen en Pen wierp haastig zijne boeken neer en kwam tot hem.
De rector haalde zijn horloge uit. Het was twee minuten over éénen. „Wij zullen Juvenalis in de namiddagschool behandelen,” zeide hij, den oudsten scholier toeknikkende; en al de jongens, begrijpende wat dit beteekende, pakten hunne boeken bijeen en stroomden het vertrek uit.
De jonge Pen zag aan het gezicht van zijn oom, dat er thuis iets gebeurd was. „Is er een ongeluk met – moeder?” vroeg hij, maar hij kon ternauwernood spreken van ontroering en van de tranen, die op het punt stonden uit zijne oogen te springen.
„Neen,” antwoordde de majoor, „maar uw vader is ernstig ziek. Ga dadelijk uw koffer pakken; er staat aan de poort een rijtuig op ons te wachten.”
Pen spoedde zich naar zijn kosthuis, om te doen wat zijn oom hem beval; en de rector, die nu alleen in het schoolvertrek over was gebleven, kwam zijn ouden schoolkameraad de hand drukken. Men zou zich bezwaarlijk hebben kunnen voorstellen, dat dit dezelfde man was. Evenals Asschepoetster op een gegeven uur van eene schitterende en prachtig gekleede prinses in een gewoon meisje in een grijs gewaad veranderde, zoo verdween al de donderende majesteit en schrikwekkende gramschap van den schoolmeester toen de klok één sloeg.
„Er is toch niets ernstigs, hoop ik?” zeide de rector. „Het zou jammer zijn den jongen weg te halen, als dit niet het geval was. Het is een beste jongen, wel wat lui en vadsig, maar een zeer fatsoenlijk kereltje, ofschoon ik hem niet zoo aan het construeeren kan krijgen als ik wel wenschen zou. Komt gij niet binnen, om het tweede ontbijt mee te gebruiken? Het zal mijne vrouw veel plezier doen u te zien.”
Doch majoor Pendennis bedankte. Hij zeide, dat zijn broeder zeer ziek was en den vorigen dag eene beroerte had gehad, zoodat het grootelijks de vraag was of zij hem nog levend zouden aantreffen.
„Er is geen andere zoon, niet waar?” zeide de rector, waarop de majoor antwoordde: „Neen.”
„Er is nog al – nog al – wat geld, geloof ik?” vroeg de eerste zoo losjes.
„Hm! wel iets!” zeide de majoor. Daarmee liep dit gesprek ten einde, en Arthur Pendennis nam met zijn oom in het rijtuig plaats, om nooit meer naar school terug te keeren.
Toen men door Clavering reed, wenkte de stalknecht, die onder de poort van het Wapen van Clavering stond, den postiljon op eene onheilspellende wijze toe, alsof hij zeggen wilde, dat alles gedaan was. De vrouw van den tuinier kwam het hek opendoen en liet de reizigers met een sprakeloos hoofdschudden door. Al de luiken te Fairoaks waren gesloten en het gelaat van den ouden huisknecht stond dof, toen hij hen binnenliet. Ook Arthur’s gezicht was bleek, doch meer van schrik dan van smart. Welke warmte en liefde de overledene mocht bezeten hebben (en hij had van ganscher harte zijne vrouw aangebeden en zijn zoon liefgehad en bewonderd), hij had dat alles in zich zelven besloten, en de knaap was nooit in staat geweest door die kille buitenschors heen te dringen. Maar Arthur was zijn leven lang zijn vaders trots en roem geweest, en zijn naam was de laatste, welken John Pendennis had trachten uit te spreken, toen hij daar neerlag met de hand zijner vrouw tusschen zijne kille en klamme vingeren, de opflikkerende geest verdween in de duisternis des doods, en het leven en de wereld voor hem voorbijging.
Het kleine meisje, welks gelaat een oogenblik onder de luiken had heengegluurd toen het rijtuig kwam aanrijden, opende de deur in het voorhuis, greep zwijgend Arthur’s hand, toen hij nederboog om haar een kus te geven, en bracht hem de trap op bij zijne moeder. De oude John ontsloot de eetzaal voor den majoor. Het vertrek was duister ten gevolge van de gesloten luiken, en in het rond hingen al de sombere portretten der Pendennis’en. Hij dronk een glas wijn. Die flesch was vier dagen vroeger voor zijn broeder opengetrokken. Diens hoed lag geborsteld op de tafel in het voorhuis, waar ook zijne nieuwsbladen lagen te wachten, met zijn brievenzak, waarop in de koperen plaat gegraveerd stond: Den weledelgeboren heer John Pendennis van Fairoaks. De dokter en de procureur van Clavering, die het rijtuig hadden zien doorrijden, kwamen een half uur na de aankomst van den majoor ook met postpaarden en gingen door de achterdeur binnen. De eerste gaf een breedvoerig verslag van de ziekte en het overlijden van den heer Pendennis, en weidde uit over zijne deugden en de achting, waarin hij in den omtrek stond, en over het groote verlies, dat het collegie der vrederechters en het bestuur van het provinciale hospitaal in hem leden, enz. Mevrouw Pendennis, zeide hij, hield zich zeer goed, vooral sedert de aankomst van den jongen heer Arthur. De procureur bleef talmen en dineerde met majoor Pendennis, terwijl zij den namiddag besteedden met over zaken te spreken. De majoor was de executeur van zijn broeder en toeziende voogd over diens zoon, die onder de voogdij van mevrouw Pendennis kwam. Alles was onvoorwaardelijk aan haar vermaakt, behalve in het geval, dat zij een tweede huwelijk aanging, – iets, hetgeen met eene zoo jonge en schoone dame licht zou kunnen gebeuren, gelijk mijnheer Tatham zeer galant zeide, indien de overledene andere bepalingen gemaakt had. De majoor zou zich natuurlijk bij deze indrukwekkende en treurige gelegenheid met het geheele bestuur over alles belasten. Het was als erkenning van dit gezag, dat de oude John de huisknecht, na den majoor de kaars gebracht te hebben om naar bed te gaan, hem volgde met het zilvermandje, en hem den volgenden morgen den sleutel van de klok in den gang kwam brengen, daar mijnheer, zooals John zeide, gewoon was die elken Donderdag op te winden. De kamenier van mevrouw Pendennis bracht hem boodschappen van hare meesteres. Zij bevestigde het bericht van den dokter, dat de aankomst van den jongen heer Arthur zijne moeder aanmerkelijk had opgebeurd.
Wat er tusschen die dame en den knaap voorviel gaat ons niet aan. Over die heilige aandoeningen van liefde en smart is het gepaster, een sluier te werpen. Het moederlijk gevoel is voor mij een heilig geheim. Wat men in de Roomsche kerken ziet verzinnelijkt onder het beeld der Moedermaagd met eene borst van liefde overvloeiende, geloof ik, dat men elken dag kan aanschouwen, waarvoor men de Almachtige Barmhartigheid dankbaar mag zijn. Ik zag nog maar kort geleden eene joodsche vrouw met een kind op hare knieën, van wier gelaat eene zoo engelachtige zachtheid op het kind afstraalde, dat ze eene soort van heiligenglans rondom die beiden scheen te vormen. Ik verklaar plechtig, dat ik voor haar had kunnen knielen om in haar de goddelijke goedertierenheid te aanbidden, die ons begiftigde met de moederliefde, welke met het ontstaan van ons geslacht begon en de geschiedenis der menschheid heiligt.
Hierdoor was het, in één woord, dat mevrouw Pendennis zich over den dood van haar gemaal troostte, dien zij echter altijd als den besten, oprechtsten, verstandigsten, edelaardigsten, talentvolsten en meest ontzagwekkenden der mannen bleef vereeren. Zou het leven uit te houden zijn, of de maatschappij aan den gang kunnen blijven, indien de vrouwen geen afgoden van ons maakten? Ieder man mag wel bidden, dat geene zijner vrouwelijke bekenden hem naar zijne wezenlijke waarde leere schatten. Indien uwe vrouw u kende gelijk gij zijt, buurman, zou zij er niet hard over treuren als zij uwe weduwe wierd en zij zou uwe graflamp zeer spoedig laten uitgaan, of misschien zelfs niet eens de moeite nemen om die te ontsteken, terwijl daarentegen Helena Pendennis een allerliefst gedenkteeken voor haar echtgenoot oprichtte en het lampje aanhoudend van de kostelijkste olie voorzag.
Wat Arthur Pendennis betreft, ik zou niet durven verzekeren, dat hij, na den vreeselijken schok, welken het gezicht van zijn overleden vader hem moet hebben toegebracht, en na den weemoed en de aandoening, die zulk een voorval ongetwijfeld opwekte, – dat hij, zeg ik, niet op het oogenblik zelf van zijne smartelijke ontroering, en terwijl hij zijne moeder omhelsde en haar teederlijk vertroostte, in zijn hart een heimelijken triomf en opgetogenheid gevoelde. Hij was nu het hoofd en de meester. Hij was Pendennis, en allen, die hem omringden, waren zijne dienstknechts en meiden. „Gij zult mij toch niet wegsturen?” vroeg de kleine Laura, die naar hem toe trippelde en zijne hand vatte. „Gij zult mij toch niet naar school zenden, – niet waar, Arthur?”
Arthur gaf haar een kus en tikte haar op het hoofd. Neen, zij zou niet naar school gaan. En dat hij zelf er ooit weer zou heengaan, dat was geheel buiten questie. Hij had besloten, dat dit tooneel uit zijn leven niet meer herhaald zou worden. Te midden van de algemeene smart en terwijl het lijk nog boven de aarde stond, had hij gelegenheid gehad om te bepalen, dat hij voortaan altemaal vrije dagen zou hebben, dat hij niet vroeger zou opstaan dan hij goedvond, dat hij zich niet meer den mantel zou laten uitvegen door den rector, met honderd andere dergelijke voornemens en besluiten voor de toekomst. Wat reizen onze gedachten snel! en hoe vaardig worden ze uit onze wenschen geboren! Toen hij met Laura aan zijne hand, na het hondenhok, de kippenloopen en andere geliefkoosde plaatsen bezocht te hebben, in de keuken kwam, stonden de dienstboden, die bij deze treurige gelegenheid daar stemmig met hunne kennissen bijeen waren en bier zaten te drinken, allen op en bogen of nijgden voor hem, – de eigenlijke dienstboden, en de daglooners met hunne vrouwen, en Sally Potter, die met den brievenzak naar Clavering ging, en de bakkersknecht van Clavering. Hij herinnerde zich dadelijk en met een onbeschrijfelijk welgevallen, dat zij den laatsten keer, toen hij met vacantie thuis was geweest, nooit voor hem waren opgestaan. De keukenmeid riep: „Heerejee!” en fluisterde: „Wat wordt de jonge heer Arthur groot!” Thomas, de stalknecht, die juist wilde drinken, zette, toen zijn meester verscheen, de kan verschrikt neer. De meester van Thomas was innig gevleid met de eer, die hem daardoor bewezen werd. Hij stapte door en ging de jachthonden zien. Flora stak haar neus in zijn vest en Ponto blafte van genoegen en rukte aan zijn ketting. Pen gedroeg zich jegens de honden als een beschermer en zeide: „Koest, koest, Flora!” op zijne genadigste manier. Vervolgens ging hij Laura’s kippen en de varkens en den boomgaard en de melkerij in oogenschouw nemen; wie weet of hij niet bloosde bij de herinnering, dat hij nog pas de vorige, vacantie den grooten appelboom zoo wat geplunderd had en door de melkmeid beknord was omdat hij room had gesnoept.
De weledelgeboren heer John Pendennis, „voormaals een aanzienlijk geneesheer te Bath en later een uitstekend vrederechter, een welwillend landheer en een voorstander van vele liefdadige inrichtingen en openbare instellingen zoo in dezen omtrek als in het geheele graafschap,” werd in de abdijkerk van Clavering St. Mary ter aarde besteld. Zijne begrafenis, zeide de koster, was eene der fraaiste, die men gezien had sedert Sir Roger Clavering daarheen was gebracht. Eene schoone marmeren plaat, van welke wij het vorenstaande opschrift gekopieerd hebben, werd boven de bank in de kerk, die voor de bewoners van Fairoaks bestemd is, in den muur gemetseld. Men ziet daarop tot den huidigen dag het wapen der Pendennis’en met het helmteeken, een adelaar, die in de zon staart, met de wapenspreuk: Nec tenui pennâ [2]. Dominé Portman zinspeelde den volgenden Zondag zeer gepast en vriendelijk op den overledene als „onze dierbare afgestorven vriend,” en Arthur Pendennis regeerde in zijne plaats.
DERDE HOOFDSTUK.
WAARIN PENDENNIS ALSNOG HEEL GROEN VOORKOMT.
Arthur was, gelijk wij zeiden, omtrent zestien jaar oud, toen hij zijne regeering aanving; wat zijn voorkomen betreft was hij wat zijn vrienden „eene dikke prop” noemden, maar mama vond hem een net figuurtje. Zijn haar was van eene mooie bruine kleur, die in den zonneschijn op goud geleek; zijn gezicht was rond, blozend, sproetig en goedhartig; en zijne bakkebaarden (toen de natuur hem die gezichtssieraden schonk, waarnaar hij zoo vurig smachtte) hadden bepaald eene roode tint; maar, zonder dat hij een mooie jongen was, had hij, alles bijeengenomen, zulk een openhartig en goedig gezicht en stonden zijne heldere blauwe oogen zoo opgeruimd, dat het geen wonder is, dat mevrouw Pendennis hem als het pronkjuweel van het gansche graafschap beschouwde. Tusschen zijn zestiende en achttiende jaar schoot hij van vijf voet zes duim tot vijf voet acht duim op, en daar stond hij stil. Maar zijne moeder was vol bewondering daarover. Hij was drie duim langer dan zijn vader. Hoe was het mogelijk, dat iemand drie duim langer kon zijn dan mijnheer Pendennis?
Men kan er gerust op wezen, dat hij niet meer naar school ging; de tucht van die instelling was gansch niet naar zijn smaak en het beviel hem thuis veel beter. De vraag echter, of hij weder naar school zou gaan, werd besproken en zijn oom was er voor. De rector schreef, dat het voor Arthur’s vooruitzichten in de toekomst hoogst noodzakelijk was, dat hij een Grieksch treurspel grondig kende; maar Pen wist zeer behendig zijner moeder voor te spiegelen wat eene gevaarlijke plaats die school der Grauwebroeders was en welke kwajongens sommige der leerlingen waren, en de bange ziel werd dadelijk ongerust en stemde toe in zijn wensch om voortaan thuis te blijven.
Nu deed de majoor het aanbod om van zijn invloed gebruik te maken bij zijne koninklijke hoogheid den opperbevelhebber, die zoo goed was om hem zeer vriendelijk te behandelen, en voor Pen eene luitenantsplaats bij de garde te voet te vragen. Pen’s hart klopte van blijdschap toen hij dit vernam; hij had Zondags, wanneer hij met zijn oom uitging, de militaire muziek in het St.-Jamespark gehoord. Hij had Tom Ricketts, van de vierde klasse, die een buisje en broek placht te dragen zoo belachelijk nauw, dat de grootere jongens hem een mijlpaal noemden – dienzelfden Tom Ricketts, gedost in karmozijn en goud, met eene reusachtige berenmuts op het hoofd, had hij onder het vaandel van het regiment zien voortwaggelen. Tom had hem herkend en met een genadig knikje vereerd, – Tom, een kleine bengel, dien hij nog het vorige kwartaal eene striem over zijn rug met een stok geslagen had, en die daar nu midden op het plein stond, de vlag van zijn vaderland torschende en van bajonetten, bandelieren en scharlaken omringd, terwijl het muziekkorps op de trompetten blies en op de bekkens sloeg! daar stond hij familiaar te praten met vervaarlijke krijgshelden met sikken aan hunne kin en Waterloo-medailles op de borst! Wat had Pen niet willen geven om zulke epauletten te dragen en in een dergelijken dienst te treden!
Doch Helena Pendennis zette, toen haar zoon haar deze zaak voorstelde, een ijselijk verschrikt en ontdaan gezicht. Zij zeide, dat zij niet wilde twisten, met degenen, die er anders over dachten, maar dat, naar haar gevoelen, geen Christen gerechtigd was, den wapenhandel tot een beroep te kiezen. Mijnheer Pendennis zou nooit – neen nooit – gedoogd hebben, dat zijn zoon soldaat wierd. Kortom, zij zou rampzalig zijn, indien hij er bij bleef. Pen nu zou zich liever neus en ooren afgesneden hebben dan zijne moeder met voorbedachten rade, willens en wetens, rampzalig te maken; en daar hij zoo mild van aard was, dat hij in staat was alles weg te geven aan iedereen, deed hij zijn denkbeeldigen rooden rok en epauletten en zijne begeerte naar krijgsroem dadelijk aan zijne moeder present.
Zij hield hem voor het edelste schepsel op het wereldrond. Maar majoor Pendennis schreef, toen zijn aanbod van eene luitenantsplaats onder dankbetuiging van de hand gewezen werd, vrij stroef en wel wat geraakt aan de weduwe terug en gaf te verstaan, dat hij haar zoon als een lummel beschouwde.
Hij was echter weer tevreden toen hij, naar gewoonte met Kerstmis naar Fairoaks overgekomen, zag hoe de knaap zich op de jacht gedroeg. Pen had eene zeer goede merrie, die hij buitengewoon flink en bevallig bereed. Met de meeste koelbloedigheid, en echter met overleg en zonder gezwets, sprong hij over de heggen en greppels. Hij schreef aan de kameraden op school over zijne rijlaarzen en zijne heldendaden in het jachtveld. Hij begon ernstig aan een rooden rijrok te denken, en zijne moeder moest erkennen, dat het hem zeker bijzonder goed zou staan, ofschoon zij natuurlijk allerakeligste uren gedurende zijne afwezigheid doorbracht en dagelijks verwachtte hem op eene draagbaar thuis te zien brengen.
Men denke niet, dat Pen onder deze uitspanningen, waarmee het wel wat al te druk ging, zijne studiën geheel verwaarloosde. Hij had van nature liefhebberij in het lezen van alle mogelijke boeken, die maar niet met zijn schoolwerk in verband stonden. Alleen wanneer men hem met het hoofd in de wateren der kennis dompelde, weigerde hij te drinken. Thuis verslond hij alle boeken, van Inchbald’s Tooneelwerken tot White’s Hoefsmid; en hij brandschatte al de boekenkasten in den omtrek. Te Clavering vond hij eene oude lading Fransche romans, die hij met vuur las; en uren lang kon hij op de bovenste sport van dominé Portman’s bibliotheekladder zitten met een folio boekdeel op zijne knieën, onverschillig of het Hackluyt’s Reizen, Hobbes’ Leviathan, de werken van Augustinus, of Chaucers Gedichten waren. Hij was zeer bevriend met den predikant, en nam van zijn weleerwaarde dien kennerssmaak voor portwijn over, die hem zijn leven lang gekenmerkt heeft. En wat die goede mevrouw Portman betreft, die in het minst geen jaloezie koesterde, ofschoon haar dominé bekende, dat hij verliefd was op mevrouw Pendennis, die hij voor verreweg de begaafdste dame van het gansche graafschap verklaarde, – haar eenige spijt was, als zij met welgvallen naar Pen opzag, die boven op de ladder zat, dat hare dochter Minny te oud voor hem was, – en waarlijk dat was wel zoo, daar jufvrouw Myra Portman op dat oogenblik slechts twee jaar jonger was dan Pen’s moeder en evenveel woog als Pen en mevrouw Pendennis te zamen.
Wie zou deze bijzonderheden flauw durven noemen? Zie op uwe eigen jeugd terug, goede vriend, en vraag u eens af, hoe het er toen mee stond? Ik denk gaarne aan een welopgevoeden, kloeken en vriendelijken, goedhartigen en liefhebbenden knaap, die de wereld met goedige en eerlijke oogen in het gelaat ziet. Wat was ze toen met schitterende kleuren getooid en wat hadt gij er eene pret in! Een man beleeft niet veel zulke jaren. Hij kent ze niet, terwijl hij ze nog in zijne macht heeft. Eerst wanneer zij lang achter den rug zijn, herinnert hij zich hoeveel waard en hoe gelukkig zij waren.