Part 39
Pen was een weinig ouder dan vele zijner medestudenten en had, gelijk wij reeds gezegd hebben, in houding en voorkomen iets voornaams en vrijmoedigs, dat hem voor een man van de wereld deed erkennen, – iets geheel anders dan die bleeke studenten, die met elkander over het recht spraken, en die geweldige dandy’s, met fantasie-overhemden en zonderlinge borstspelden en vesten, die het luierende gedeelte der kleine maatschappij vertegenwoordigden. De bescheidene en goedhartige Lowton had zich aangetrokken gevoeld door Pen’s voorname blikken en houding, en had aan tafel kennis met hem gemaakt door het gesprek te openen.
„Vandaag, geloof ik, dat het gekookt vleesch is, mijnheer,” zeide Lowton tegen Pen.
„Ik geef u mijn woord, mijnheer, dat ik het niet weet,” zeide Pen, nauwelijks in staat zijn lach te bedwingen; maar hij liet er op volgen: „ik ben hier nog vreemd, het is mijn eerste jaar,” na welke mededeeling Lowton hem de voornaamste personen in de zaal begon aan te wijzen.
„Die daar ginds is de rechter Boosey, die kale, die onder de schilderij zit en nu soep eet; ik wou wel eens weten of het schildpadsoep is! Zij krijgen dikwijls schildpadsoep. Die naast hem zit is Balls, de rijks-advocaat, en Swettenham – van de firma Hodge en Swettenham, weet ge. Dát is Grump, de oudste advocaat; men zegt, dat hij hier veertig jaar gedineerd heeft. De rechters zenden dikwijls visch van hunne tafel naar die van de oudste advocaten. Ziet ge die vier wel, die tegenover ons zitten? Dat zijn eerste pieten – van je voornaamste jongelui, dat kan ik u verzekeren: mijnheer Trail, zoon van den bisschop van Ealing, jonkheer Fred Ringwood, broeder van Lord Cinqbars; ik wil wedden om zooveel ge wilt, dat die wel eene goede betrekking zal krijgen; en Bob Suckling, die altijd met hem omgaat – ook een groote hans. Ha! ha!” En hier barstte Lowton in het lachen uit.
„Wat is er?” vroeg Pen, die in dit alles groot behagen schepte.
„Ik wil maar zeggen, dat ik met die jongelui gaarne dineer,” zeide Lowton, met een veelbeteekenend knipoogje, terwijl hij zich inschonk.
„En waarom?” vroeg Pen.
„Wel, omdat zij – weet je – hier niet komen om te dineeren, maar zich houden alsof zij het doen. Zij hier dineeren, de hemel bewaar me! Zij gaan naar een of ander van de voorname clubs, of anders op een groot diner. Gij kunt hunne namen in den Morning Post zien, als ergens eene voorname partij in Londen gegeven is. Ik wed, om wat ge wilt, dat Ringwood zijn cab en Trail zijn brougham (die Trail is een eerste doordraaier en brengt het geld van den bisschop onder de menschen, dat verzeker ik u) op dit oogenblik aan den hoek van Essex Street laat wachten. Zij dineeren! Ik geef u mijn woord, dat zij nog in geen twee uren dineeren!”
„En waarom zoudt gij gaarne met hen aanzitten, als zij toch niet dineeren?” vroeg Pen, die het nog altijd niet begreep. „Er is hier toch genoeg, niet waar?”
„Wat zijt gij toch groen!” zeide Lowton. „Ik vraag excuus, maar inderdaad gij zijt groen. Gij ziet, dat zij geen wijn gebruiken, en als men met die drie jongelui aanzit, heeft men de flesch alleen. Dat is de reden waarom Corkoran zich bij hen heeft ingedrongen.”
„Nu, mijnheer Lowton, ik moet zeggen, dat gij een slimme vogel zijt,” riep Pen zeer ingenomen met zijn nieuwen bekende; waarop de ander zedig antwoordde, dat hij het grootste gedeelte zijns levens in Londen had doorgebracht en zijne oogen natuurlijk niet op zak hield, waarna hij met zijne opmerkingen tegen Pen voortging.
„Er zijn hier heel wat Ieren,” zeide hij; „die Corkoran is er één van, en ik kan niet zeggen, dat ik het bijzonder op hem heb. Die knappe jongen daar, met die blauwe das, dat paarsche overhemd en dat gele vest, behoort er ook toe; het is Molloy Maloney van Ballymaloney, neef van den generaal-majoor Sir Hector O’Dowd – hi, hi,” zeide Lowton, die het Hibernisch accent poogde na te bootsen. „Hij bluft altijd op zijn oom en kwam denzelfden dag, toen hij ten hove voorgesteld was, met eene broek met zilveren strepen hier in de eetzaal. Die andere daar, naast hem, met dat lange, zwarte haar, is een vreeselijke rebel; als gij hem in de debatteerclub hoort, mijnheer, stolt u het bloed in de aderen! Die volgende is ook een Ier, Jack Finucane, Londensche correspondent van een dagblad. Al die Ieren hangen aan elkander. Het is uwe beurt om uw glas te vullen. Hoe? wilt gij geen port meer? Houdt gij niet van port onder het eten? Dan gaat dit op uwe gezondheid!” De goede man gevoelde zijne genegenheid voor Pen toenemen, omdat deze bij het diner niet van portwijn hield.
Terwijl Pen aan een dier diners met zijn bekende Lowton als „kapitein” van de tafel deel nam, voegde zich iemand in advocaten-toga bij hen, die geen plaats bij de heeren van zijn eigen rang scheen te kunnen vinden en nu naar hunne tafel kwam, en op de bank, waar Pen zat, plaats nam. Hij droeg oude kleeren en een valen tabbaard, dien hij nasleepte, en een hemd, dat wel helder, maar zeer versleten was en veel verschilde van het paarsche hemd van mijnheer Molloy Maloney, die aan de naaste tafel eene in het oog loopende plaats bekleedde. Het is gebruikelijk, dat de heeren, die in de zaal van den Upper Temple dineeren, hunne deelneming aan den maaltijd te kennen geven, door hun naam op een stukje papier te schrijven, dat daarvoor met een potlood op elke tafel gereed ligt. Lowton schreef zijn naam het eerst, daarop volgde Arthur Pendennis, en eindelijk kwam de heer met de oude kleeren. Hij glimlachte toen hij Pen’s naam las en keek hem aan. „Wij moeten elkander kennen,” sprak hij. „Wij zijn allebei studenten van het Bonifacius-Collegie. Ik ben Warrington.
„Zijt gij Warrington de doord...?” riep Pen uit, wien het verheugde dezen grooten man te zien.
„Ja, Warrington de doordraaier, ja wel!” antwoordde Warrington lachende. „Ik herinner mij u nog als jong student. Maar gij schijnt mij in het geheel niet meer te kennen.”
„In het Collegie spreekt men nog altijd van u,” zeide Pen, die eene gulle bewondering voor talent en moed koesterde. „Bil Simes, de schuitenvoerder, dien gij afgerost hebt – gij herinnert het u nog wel – zou u nog wel eens te Oxbridge willen zien. De jufvrouwen Notley, de dochters van de modemaakster –”
„St!” zeide Warrington; „het doet mij genoegen kennis met u te maken, Pendennis. Ik heb veel van u gehoord.”
De jongelui waren dadelijk vrienden en verdiepten zich oogenblikkelijk in een gesprek over de academie. Pen, die zich bij eene vorige gelegenheid als een voornaam heer had willen voordoen, toen hij aan Lowton te verstaan gaf, dat hij bij zijn diner geen portwijn kon drinken, vond – tot groote spijt van den goeden Lowton, geen bezwaar meer om nog wat te nemen, toen hij zag, dat Warrington zijn aandeel met grooten smaak gebruikte. Na afloop van het diner vroeg Warrington waar Arthur voornemens was heen te gaan?
„Ik wilde mij thuis kleeden, om Grisi in de Norma te hooren,” antwoordde Pen.
„Moet gij daar met iemand in gezelschap zijn?” vervolgde Warrington.
„Neen,” zeide Pen, „ik ga enkel om de muziek, want daarvan ben ik een groot liefhebber.”
„Ga liever met mij naar huis eene pijp rooken,” zeide Warrington, „eene enkele pijp. Ga mee; ik woon in Lamb Court; dan praten wij nog wat over de Academie en den ouden tijd.”
En dus gingen zij heen, terwijl Lowton hen zuchtend nazag. Hij wist, dat Warrington de zoon van een baronet was, en met innigen eerbied zag hij tegen de gansche! aristocratie op. Van dien avond af werden Pen en Warrington groote vrienden. Warrington’s opgeruimdheid en hartelijkheid, zijn gezond verstand, zijne ongegeneerde ontvangst en zijne nooit falende pijp tabak bezaten groote bekoorlijkheden voor Pen, die het aangenamer vond zich met hem naar publieke plaatsen te begeven, waar men zich voor een shilling kon vermaken, dan in deftige eenzaamheid, te midden der stille en wellevende bezoekers van den Polyanthus, te dineeren.
Weldra zeide Pen zijne kamers in St. James op, waar hij na het verlaten van zijn hotel zijn intrek genomen had; hij vond het veel voordeeliger zijn verblijf bij Warrington in Lamb Court te nemen, en dáár de ledige kamer van zijn vriend te meubileeren en te betrekken. Want het moet van Pen gezegd worden, dat niemand gemakkelijker dan hij te bewegen was iets te doen, als het iets nieuws was, of hij er lust toe had. Van nu af deelden Pidgeon, de loopjongen, en Flanagan, de waschvrouw, hunne trouw tusschen Warrington en Pen.
EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
OUDE EN NIEUWE KENNISSEN.
Opgetogen bij het denkbeeld, dat hij nu het leven zou zien, bezocht Pen honderderlei zonderlinge plaatsen te Londen. Hij maakte zich gaarne diets, dat hij met allerlei soort van menschen omging. Hij zag dus kolendragers in hunne herbergen; boksers in hunne gelagkamers; eerzame burgers, die een uitstapje in de buitenwijken of op de rivier deden. Hij had zelfs wel kennis willen maken met beroemde zakkenrollers of eene kan bier willen drinken met dieven, als het toeval hem geholpen had om kennis met deze standen der maatschappij te maken. Het was aardig te zien, met hoeveel ernst Warrington naar den „lieveling van Tutbury” of den „weergaloozen bokser van Brighton” in de Champion’s Arms luisterde; of welke belangstelling hij aan den dag legde voor het gilde der kolendragers, dat in den „Vos in het hol” vergaderde. Hij bezat eene verbazende kennis van de herbergen der hoofdstad en de bezoekers harer gelagkamers. Hij was persoonlijk bevriend met de kasteleins en de kasteleinessen en even welkom aan het buffet als in de gelagkamer. Hij hield, naar hij zeide, meer van dien omgang dan van dien met menschen uit zijn eigen stand, wier manieren hem ergerden, terwijl hun onderhoud hem verveelde. „In den gezelligen omgang,” placht hij te zeggen, „gelijkt de een op den ander, en draagt dezelfde kleeren, eet en drinkt op dezelfde wijze en zegt dezelfde dingen. De eene jonge dandy in de club spreekt en doet zich voor juist als de andere; de eene jonge dame gelijkt volkomen op de andere. Hier vindt men daarentegen kenmerkende eigenschappen. Ik praat gaarne met den sterksten man van Engeland, of met den man, die in gansch Engeland het meeste bier kan drinken, of met dien vervaarlijken republikein van een hoedenmaker, die Thistlewood den grootsten man in de geschiedenis vindt. Ik geef aan jenevergrog de voorkeur boven wijn, houd meer van een met zand bestrooiden vloer op Carnaby Market, dan van een gepolitoerden in Mayfair. Kortom, ik wil het gaarne bekennen: ik houd van ploerten!” Inderdaad was deze gentleman dan ook een republikein op maatschappelijk gebied; en als hij met Klaas en Piet praatte, kwam het niet bij hem op, dat hij hun meerdere was, ofschoon de eerbied, welken zij hem betoonden, hem misschien wel heimelijk streelde.
Pen volgde hem dus met groot genoegen en zeer getrouw naar al die verschillende plaatsen. Maar hij was veel jonger en, bijgevolg, aanmerkelijk voornamer en deftiger dan Warrington; hij deed zich voor als een vermomde jonge prins, die de armen van zijn vaders rijk bezoekt. En deze eerbiedigden hem als een jonkman van aanzien, een aardigen kerel, een eersten „piet.” Hij had zekere hooghartige welwillendheid over zich, eene flinke rondheid en majesteit, ofschoon hij niets anders dan de vermoedelijke erfgenaam was van een paar dubbeltjes en de zoon van een likkepot. Als wij in zulk een toestand geplaatst worden, schikken wij er ons vrij gemakkelijk in, en zijn wij altijd bereid eene meerderheid aan te nemen over personen, de evenveel beteekenen als wij zelven. Pen’s nederbuigende goedheid in dit tijdperk zijns levens was aardig om te zien. Bij knappe menschen gaat deze aanmatiging en onbescheidenheid met de eerste jaren der jeugd voorbij; maar het is aardig de verwaandheid van een edelgezinden en talentvollen jonkman bij te wonen; er ligt bijna iets roerends in die vroegtijdige tentoonspreiding van onnoozelheid en dwaasheid.
Na dus des morgens vrij wat gelezen te hebben, en, naar ik vrees, niet enkel rechtsgeleerde boeken, maar ook staatkunde en geschiedenis en fraaie letteren, die voor de vooruitzichten en de ontwikkeling van een jongmensch even noodzakelijk zijn als het dorre recht, – na zich tamelijk vlijtig verdiept te hebben in brieven, tijdschriften, eerste leerboeken over het recht en bovenal in nieuwsbladen, tot het etensuur naderde, – gingen de beide jonge heeren, met een opgeruimden geest en een scherpen eetlust de stad in, met het voornemen om een even genoeglijken avond door te brengen als zij een aangenamen voormiddag hadden gehad. Het was een vroolijke leeftijd, die van vier en twintig jaar, toen lichaam en ziel even gezond en levendig waren, toen de wereld nog al hare nieuwheid bezat, en men ze bezocht met een opgeruimd gemoed en de heerlijke vatbaarheid om te kunnen genieten. Zoo wij ons ooit daarna weer jong gevoelen, is het met onze makkers uit dien tijd; de wijzen, die wij in onzen ouderdom neuriën, hebben wij dàn geleerd. Soms komt de feesttijd van dat levensperk ons nog wel eens voor den geest; maar wat is de pleiziertuin dan verwilderd geworden, wat zien de bloemkransen er verlept uit, wat is het gezelschap klein en oud, en wat zijn er een aantal lichten sinds dien tijd uitgegaan! Grijze haren zijn er binnen gekomen, gelijk het daglicht – daglicht en te gelijk hoofdpijn. Het vermaak is naar bed gegaan met het blanketsel op de wangen. Welnu, vriend, laten wij nuchter en ernstig, maar altijd welwillend gezind, den dag trachten door te komen.
Wat zouden Laura en Helena wel gezegd hebben, indien zij de heeren Pen en Warrington hadden kunnen zien, – en daartoe zou dikwijls gelegenheid geweest zijn, indien zij op waren geweest en zich te Londen bevonden hadden, – zooals zij, in den zeer vroegen morgen, als de bruggen begonnen te blozen in het licht van den dageraad, na een hunner woeste avonden over de weergalmende straatsteenen ratelend naar den Temple reden, – woeste avonden; maar niet zoo slecht als zulke avonden somtijds zijn, want Warrington was een vrouwenhater en Pen was, gelijk wij reeds vermeld hebben, te hooghartig om zich tot eene gemeene minnarij te vernederen. Onze jonge prins van Fairoaks kon nooit anders dan met eerbied en beleefdheid tegen iemand van het schoone geslacht spreken en huiverde, uit aangeboren gevoel van kieschheid, voor een grof woord of gebaar; want ofschoon wij hem zien verlieven op eene malloot, evenals met zijne meerderen en minderen wel eens gebeurd is, en dit hem waarschijnlijk wel meer dan eens in zijn leven overkwam, beschouwde hij haar toch, gedurende den tijd zijner verblinding, altijd als eene godin, die hij als zoodanig diende. Op hunne knieën zijn de mannen gewoon de vrouwen te dienen; zoodra zij opstaan, gaan zij heen.
Dit waren de woorden, die een oude kennis op zijne onbewimpelde en onopgesmukte wijze tegen Pen zeide; een oud vriend, die hij te Londen weer ontmoet had; kortom, niemand anders dan de goede mijnheer Bows, van den schouwburg te Chatteries, die tegenwoordig op de piano den uitstekenden liedjeszanger accompagneerde, die elken avond het publiek in het Fielding’s Head in Covent Garden verrukte, waar ook eene kleine club vergaderde, die de Achterkeuken heette.
Een aantal van Pen’s vrienden bezochten deze allervroolijkste bijeenkomsten. Het Fielding’s Head was, bijna onafgebroken, eene plaats van publieke uitspanning geweest, sedert den tijd toen de beroemde schrijver van Tom Jones, als magistraat, in de naburige Bow Street fungeerde: men wees nog zijne plaats aan, en de stoel, waarop men zeide dat hij gezeten had, was de zitplaats van den president der avondbijeenkomsten. Meestal werd die plaats door den waardigen Cutts, den kastelein van het Fielding’s Head, bekleed, als de jicht of eenige andere ongesteldheid hem niet verhinderde. Sommige mijner lezers herinneren zich misschien nog wel zijn prettig voorkomen en zijne mooie stem; hij was, in den loop van zulk een gezelligen avond, gewoon onophoudelijk te zingen, en wèl de liederen van hetgeen men de Britsche grogschool zou kunnen noemen, zooals „de oude Britsche gentleman,” „lieve Tom, mijn bruine kruik,” en meer van dien aard, – liederen, waarin gevoel zich aan gulheid paarde en de lof van den drank en van het huiselijk leven met eene bariton-stem bezongen werd. De bekoorlijkheden onzer vrouwen en de heldendaden onzer land- en zeebevelhebbers worden in de balladen dier school dikwijls herdacht, en menigmaal heb ik het bewonderd, hoe Cutts als zanger, na ons allen tot patriottische geestdrift te hebben opgewonden door voor te stellen, op welke wijze de dappere Abercrombie zijne doodwonde ontving, of ons tot tranen bewogen te hebben, die hij zelf even rijkelijk stortte, als hij met eene bevende stem bezong, hoe het vallen der herfstbladeren „den ouden man – zijn naadrend eind voorspelde,” – hoe dan, zeg ik, Cutts de zanger eensklaps weer Cutts de kastelein werd, en eer het applaudissement wegstierf, dat wij tot loon zijner hartroerende melodieën met onze vuisten op de tafel sloegen, uitriep: „Kom aan, heeren, bestelt wat gij hebben wilt, de knecht is juist in de zaal – John, een glas champagne voor mijnheer Green! Hebt gij niet gezegd gestoofde aardappelen en saucijzen, mijnheer? John, bedien dien heer eens!”
„En geef mij ook een glas punch, John; maar zorg, dat het water goed kookt,” liet zich dan ook niet zelden eene stem hooren, die aan Pen zeer goed bekend was en hem deed blozen en opspringen, toen hij ze weer voor het eerst vernam – de stem van den achtbaren kapitein Costigan, die nu te Londen woonde en een der steunpilaren was van de muzikale bijeenkomsten in het Fielding’s Head.
Het gezelschap en de gesprekken van den kapitein trokken zeer veel jongelieden naar die plaats. Hij was een zonderling, wiens faam zich na zijne aankomst in de hoofdstad begon te verspreiden, en inzonderheid na zijn dochters huwelijk. Hij was onbetaalbaar, wanneer hij tegen zijn vriend van het oogenblik (hetgeen altijd degeen was, die naast hem zat te drinken) over „me dochter” uitweidde. Hij verhaalde dan van haar huwelijk en van de plechtigheden, die voorafgegaan en gevolgd waren; van de rijtuigen, die zij hield; van Mirabel’s verzotheid op haar en op hem; van de honderd pond, waarvoor hij altijd de vrijheid had op zijn schoonzoon te trekken, als de nood er hem toe dwong. En na dan verklaard te hebben, dat hij „stellig voornemens was aanstaanden Zaterdag te trekken – ik geef je mijn heilig woord van eer, aanstaanden Zaterdag, den veertienden, – en dan zal je me het geld bij Coutts zien uitbetalen, zoodra ik mijn wissel maar vertoon,” vroeg de kapitein niet zelden een daalder van zijn vriend te leen tot St. Juttemis, wanneer hij die kleinigheid, op zijn woord van eer, als officier en gentleman, zou terugbetalen.
Sir Charles Mirabel koesterde niet die vurige genegenheid voor zijn schoonvader, waarop deze laatste somtijds snoefde, ofschoon Cos in andere vlagen van aandoening wel eens met tranen in de oogen uitvoer tegen de ondankbaarheid van het kind van zijn boezem en de schrielheid van den ouden rijkaard, met wien zij getrouwd was. Doch Mirabel en zijne vrouw hadden zich niet karig jegens Costigan betoond: zij hadden hem een klein jaargeld toegelegd, dat regelmatig betaald werd en waarop de arme Cos met nog meer regelmatigheid voorschotten nam; de termijnen van betaling waren altijd welbekend aan zijn vriend in het Fielding’s Head, waar de brave kapitein met de bankbriefjes in zijne hand dadelijk heentrok en midden onder het zingen luid om kleingeld riep. „Zeg eens, Cutts, ouwe jongen, dat bankje, daar verwed ik alles onder, zal bij de Bank van Engeland niet geweigerd worden,” zeide kapitein Costigan dan. „Bows, kan ik je met een glas dienen? Gij behoeft u van avond niet te geneeren, en een glas punch zal u con spirito doen spelen.” Want hij was overdadig mild met zijn geld, als hij bij kas was, en men zag hem zijn broekzak niet dichtknoopen eer de laatste stuiver er weer uit was, of er misschien een schuldeischer in zijne nabijheid kwam.
In een dier oogenblikken van opgewondenheid was het, dat Pen zijn ouden vriend draaiende rondom de tafel der zangers in de Achterkeuken van het Fielding’s Head vond, terwijl hij glazen brandewijngrog bestelde voor alle kennissen, die de zaal binnenkwamen. Warrington, die op een vertrouwelijken voet met den baszanger stond, begaf zich naar dat gedeelte der zaal, en Pen volgde zijn vriend op de hielen.
Deze ontstelde en bloosde toen hij Costigan zag. Hij kwam juist van Lady Whiston’s partij, waar hij de dochter van den kapitein voor het eerst na die vroegere, nu lang verloopen dagen, weergezien en gesproken had. Hij kwam met uitgestrekte hand naar den ouden man, dien hij vriendelijk en met warmte verwelkomde; want de tijd, toen Costigan’s dochter alles ter wereld voor hem was, stond hem nog duidelijk voor den geest. Ofschoon onze jonge heer wel wat wispelturig in zijne minnarijen was geweest en zijne genegenheid wel eens van de eene op de andere vrouw had overgedragen, koesterde hij echter altijd ontzag voor de plaats waar de liefde gewoond had en verlangde hij, gelijk de sultan van Turkije, dat men de dame, wie hij eenmaal zijn vorstelijken zakdoek had toegeworpen, de verschuldigde eer zou bewijzen.
De dronken kapitein beantwoordde den druk van Pen’s hand met al de kracht zijner vingeren, die wat beverig waren geworden door het aanhoudend oplichten van glazen brandewijngrog, en keek hem sterk in het gelaat onder den uitroep: „Goede hemel, hoe is het mogelijk! Lieve jongen, beste kerel, dierbare vriend!” maar toen kon hij niet verder en eindigde dus met een vragenden, beschonken blik: „Ik ken u van aanzien, lieve vriend, maar ik heb uw naam vergeten!” Er waren vijf jaren van aanhoudend punchdrinken verloopen, sedert Pen en Costigan elkander gezien hadden. Arthur was veel veranderd en men kan het den kapitein dus niet kwalijk nemen, dat hij hem vergeten had; als iemand de dingen van het tegenwoordige dubbel ziet, kan men wel verwachten, dat zijn blik op het verledene wat beneveld zal wezen.
Pen zag in welken toestand hij verkeerde en lachte dus, maar was wel een beetje spijtig „Herkent gij mij niet, kapitein?” vroeg hij. „Ik ben Pendennis – Arthur Pendennis van Chatteries.”
De klank der vriendelijke stem van den jonkman wekte het bedwelmde herinneringsvermogen van Cos op en bracht hem op den rechten weg, en zoodra hij Arthur herkende, salueerde hij hem met eene volle laag van welkomstgroeten. Pen was zijn beste jongen, zijn dappere jonge vriend, zijn edele leerling, dien hij sedert hun scheiden steeds in zijn hart had gedragen: – hoe ging het zijn vader, neen, zijner moeder, en zijn voogd de generaal, neen, de majoor? „Ik maak uit uw voorkomen op, dat gij in het genot van uwe bezittingen gekomen zijt; en ik ben zeker, dat gij uw geld als man van de wereld besteden zult – daarvoor durf ik borgstaan. Niet? zijt gij nog niet aan uw geld gekomen? Nu, als gij eene kleinigheid noodig hebt, kom dan maar den armen ouden Jack Costigan, die nog een paar guinjes op zak heeft; bij den hemel, gij zult geen gebrek lijden, Arthur, mijn beste jongen! Wat zult ge gebruiken? John, kom eens hier en rep je wat; geef dezen heer een glas punch, voor mijne rekening. – is dat uw vriend? Dien heb ik meer gezien. Vergun mij, mijnheer, mij aan u voor te stellen en te vragen, of ik u met een glas punch kan dienen?
„Ik benijd Sir Charles Mirabel zijn schoonvader niet,” dacht Pendennis. „En hoe vaart mijn oude vriend Bows, kapitein? Weet gij iets van hem en gaat gij nog met hem om?”