Chapter 52 of 85 · 4000 words · ~20 min read

Part 52

„En ik ben zeker, dat hij geëngageerd is met zijne nicht en dat men hem daaraan houden zal,” zeide de majoor. „De huwelijken in die soort van familiën zijn als het ware staatszaken. De vorige lord noodzaakte Lady Agnes den ouden Foker te trouwen, ofschoon men wist, dat zij verliefd was op haar neef, die later bij Albuera sneuvelde en haar te Drummington uit het water gered had. Ik herinner mij nog zeer goed, Arthur, dat Lady Agnes een buitengewoon schoon meisje was. Maar wat deed zij? Natuurlijk trouwde zij den man, dien haar vader voor haar gekozen had. Nu heeft mijnheer Foker tot op de invoering der reform-bill voor Drummington in het Lagerhuis gezeten, en verduiveld goed voor zijne plaats betaald ook. En reken er op, neef, dat de oude Foker, die een parvenu is en, evenals alle parvenu’s, zeer hoog loopt met groote lui, evenzeer voor zijn zoon als voor zich zelven groote plannen heeft en dat uw vriend Henry zal moeten doen wat zijn vader hem beveelt. Heere bewaar me! Ik heb wel honderd gevallen gekend, dat jonge heeren en dames op elkander verliefd waren. Maar begrijpt ge me wel, Arthur? Zij spartelen tegen en zijn weerbarstig en maken een geweld van belang, maar zij eindigen met naar rede te luisteren, voor den drommel.”

„Blanche is een gevaarlijk meisje, oom,” zeide Pen. „Eenmaal was ik zelf door haar bekoord, en het was ver genoeg gekomen; maar dat is jaren geleden.”

„Wezenlijk? En hoe ver was het gekomen? Moedigde zij u aan?” vroeg de majoor en keek Pen sterk in de oogen.

Lachend gaf Pen ten antwoord, dat er een tijd was geweest, toen hij meende vrij hoog in de gunst van jufvrouw Amory te staan. „Maar,” zeide hij, „mijne moeder was niet met haar ingenomen en de zaak sprong af.” Pen achtte het niet noodig zijn oom alles te vertellen, wat er gedurende die minnekoozerij tusschen hem en de jonge dame was voorgevallen.

„Men zou nog elders te recht kunnen komen en er slechter bij kunnen varen,” zeide de majoor, nog altijd zijn neef met een zonderlingen blik aanziende.

„Hare afkomst, oom! Haar vader was, naar men zegt, stuurman op een schip, en zij heeft ook geen geld genoeg,” merkte Pen met het air van een echten dandy aan. „Wat beteekenen tien duizend pond bij een meisje, dat opgevoed is gelijk zij?”

„Gij gebruikt mijne eigen woorden, en dat is heel goed, Pen; maar ik wil u wel in vertrouwen vertellen – onder stipte geheimhouding, onthoud dit, dat – ik geloof, dat zij een heelen boel meer dan tien duizend pond heeft; en naar hetgeen ik onlangs van haar gezien en – en gehoord heb, komt zij mij drommels talentvol en schrander voor en dunkt mij, dat zij voor een verstandig man eene goede vrouw zou kunnen zijn.”

„Hoe weet gij van haar geld af?” vroeg Pen met een glimlach. „Gij schijnt op de hoogte van ieders zaken te zijn en iedereen in de stad te kennen.”

„Ik weet wel het een en ander, Arthur; maar, let wel, ik vertel niet alles wat ik weet,” antwoordde zijn oom. „En wat die bekoorlijke jufvrouw Amory betreft – want bekoorlijk is zij, dat moet erkend worden – ik zou evenmin boos als verwonderd wezen, indien ik haar mevrouw Arthur Pendennis zag worden; en indien gij tegen die tien duizend pond bedenking maakt, wat zoudt gij dan wel zeggen, mijnheer, indien zij er dertig, veertig of vijftig had?” en de majoor zag Pen met nog meer beteekenis en nog sterker aan.

„Wel, oom,” zeide Pen tegen zijn peetoom en naamgenoot; „maak gij haar dan tot mevrouw Arthur Pendennis! Gij kunt dat evengoed doen als ik.”

„Kom, gij moet den draak niet met mij steken, Arthur.” gaf de oom eenigszins netelig ten antwoord; „en ook moet gij zoo dicht bij de kerk niet lachen. Hier zijn wij bij de St. Benedictus. Naar men zegt, is dominé Oriel zeer welsprekend.”

De klokken luidden, de gemeente stroomde naar het lieve kerkje en de rijtuigen der bewoners van die deftige wijk brachten de schoone kerkgangsters aan, in wier gezelschap Pen en zijn oom, die een einde aan hun stichtelijk gesprek hadden gemaakt, den tempel binnentraden. Ik weet niet of ook de andere menschen tot aan de kerkdeur met de behandeling hunner wereldsche belangen bezig waren. Arthur, die uit gewoonte en gevoel altijd hoogst eerbiedig gestemd was op eene plaats aan den eeredienst gewijd, dacht misschien wel na over de tegenstrijdigheid van hun gesprek met de plaats waar zij heengingen; doch de oude heer, die naast hem zat, was geheel onbewust, dat er zulk een contrast bestond. Zijn hoed was netjes afgeborsteld, zijne pruik onberispelijk opgemaakt, zijne das onverbeterlijk vastgestrikt. Wel zag hij naar ieder lid der gemeente, naar de kale hoofden en de hoeden, de bloemen en de veeren; maar zoo onopgemerkt, dat hij ternauwernood de oogen van zijn boek ophief – zijn boek, dat hij niet zonder bril kon lezen. Pen, van zijn kant, zag zijn ernst op eene zware proef gesteld, toen hij, toevallig den blik op de banken der lakeien slaande, den weledelgeboren heer Henry Foker, die deze plaats des gebeds ontdekt had, naast een stemmig heer in livrei zag zitten. Toen Pen de richting van Henry’s oogen volgde, die dikwijls van zijn boek afdwaalden, bespeurde hij, dat die op een gelen en op een paarschen hoed bleven rusten, en dat die hoeden op de hoofden van Lady Clavering en Blanche Amory prijkten. Zoo, de oom van Pen niet de eenige man is geweest, die tot aan de kerkdeur over zijne wereldsche zaken sprak, zou dan de arme Henry Foker de eenige geweest zijn, die zijne wereldsche liefde in de kerkgewelven meebracht?

Toen de kerk uitging, behoorde Foker onder de eersten, die er uit kwamen, doch Pen voegde zich weinige oogenblikken later bij hem, toen hij nog rondom den ingang slenterde, welken hij liefst niet verlaten wilde voordat mylady en hare dochter in de barouchet met den gepruikten koetsier het tooneel harer godvruchtige oefeningen verlaten hadden.

Zoodra de beide dames naar buiten kwamen, vonden zij de beide Pendennis’en, oom en neef, en Henry Foker, die aan den knop van zijn stok stond te zuigen, in den zonneschijn bij elkander. Hen te zien en ten eten te vragen, was hetzelfde voor de goedhartige begum, die de drie heeren onmiddellijk uitnoodigde het ontbijt bij haar te komen gebruiken.

Ook Blanche was ongemeen lieftallig. „Toe, gij moet komen!” zeide zij tegen Arthur, „als gij niet te voornaam zijt. Ik verlang zóó u te spreken over – maar hier mogen wij niet zeggen over wat, – dat begrijpt ge! Wat zou dominé Oriel er wel van denken?” En de vrome schoone sprong na hare moeder in het rijtuig. „Ik heb het van den eersten tot den laatsten regel gelezen. Het is adorable,” eindigde zij, nog altijd tegen Pen.

„Ik weet wel wie adorable is,” zeide mijnheer Arthur met eene veelbeteekenende buiging.

„Waar hebt ge het over?” vroeg mijnheer Foker, die niet wist hoe hij het had.

„Ik denk, dat jufvrouw Clavering Walter Lorraine bedoelt,” zeide de majoor, met een gewichtig gezicht en een knikje tegen Pen.

„Wel waarschijnlijk, oom. Er stond van morgen iets moois over in de Pall Mall; maar het was van Warrington en ik moet er mij dus niet te veel op verhoovaardigen.”

„Iets moois in Pall Mall! Walter Lorraine! Waar spreekt gij toch over?” vroeg Foker. „Walter Lorraine, dat arme schaap, stierf aan de mazelen, toen wij op de Grauwebroeders-school waren. Ik herinner mij nog, dat zijne moeder overkwam.”

„Gij zijt geen letterkundige, Foker,” antwoordde Pen lachend en nam zijn vriend onder den arm „Gij moet weten, dat ik een roman geschreven heb, waarover sommige bladen zich gunstig hebben uitgelaten. Maar wellicht leest gij de Zondagsbladen niet?”

„Ja wel, ouwe jongen; ik lees geregeld Bell’s Life in London,” gaf mijnheer Foker ten antwoord, waarover Pen weer begon te lachen, en de drie heeren stapten in eene zeer opgeruimde stemming naar Lady Clavering’s huis.

Na het ontbijt werd het gesprek door jufvrouw Amory, die meer van dichters en letterkundigen dan van iets anders hield, en van nature veel kunstgevoel bezat, weer op den roman gebracht. „Sommige gedeelten van het boek hebben mij doen schreien, wezenlijk,” verzekerde zij.

„Het maakt mij gelukkig,” zeide Pen met eenige verwaandheid, „dat ik mij vleien mag, deel aan vos larmes te hebben, jufvrouw Blanche,” en de majoor (die zeker niet meer dan een half dozijn bladzijden van Pen’s boek gelezen had) trok zijn gezicht in eene deftige plooi en zeide: „Ja, er zijn heel aandoenlijke, verbazend aandoenlijke gedeelten in, en –”

„O, als het u aan het schreien brengt,” zeide Lady Clavering, „dan zal ik het niet lezen, – wezenlijk.”

„Kom aan, mama!” zeide Blanche met het schouderophalen eener Française, en daarop ging zij aan het uitweiden over den roman, over de hier en daar ingevlochten verzen, over de beide heldinnen, Leonora en Neaera, over de beide helden Walter Lorraine en zijn medeminnaar, den jongen hertog. „En in wat voornaam gezelschap brengt ge ons,” zeide de jonge dame schalks: „quel ton! Hoeveel jaren hebt ge wel aan het hof doorgebracht, mijnheer Arthur; zijt ge misschien de zoon van een eersten minister?”

Pen begon te lachen en zeide: „Het is voor een romanschrijver even gemakkelijk iemand tot hertog als tot baronet te verheffen. Wil ik u eens een geheim vertellen, jufvrouw Amory? Op verzoek van den uitgever heb ik al mijne personen in rang verhoogd. De jonge hertog was aanvankelijk slechts een jonge baron, en zijn valsche vriend, de burggraaf, was een gewoon burgerman, en zoo is het met al de personen uit het verhaal gegaan.”

„Wat zijt gij toch ondeugend, en satiriek en scherp geworden! Comme vous voila formé!” zeide de jonge dame. „Wat een verschil met Arthur Pendennis op het land! Ach! ik geloof, dat Arthur Pendennis van het land toch nog de beste van beiden was!” en bij die woorden gaf zij hem de volle laag uit hare oogen, – zoowel den teederen en smeekenden lonk naar zijn gelaat, als den zedigen neergeslagen blik op het tapijt, die hare donkere oogleden en hare lange, zijdeachtige wimpers ten gunstigste deed uitkomen.

Natuurlijk beweerde Pen, dat hij in het minst niet veranderd was, waarop de jonge dame met een teederen zucht antwoordde; en nu van oordeel, dat zij genoeg gedaan had om Pen, naar gelang van omstandigheden, gelukkig of rampzalig te maken, ging zij tot het vleien van zijn vriend Henry Foker over, die onder dat letterkundige gesprek stilzwijgend aan den knop van zijn rotting had gezogen, heimelijk wenschende, dat hij zoo’n knappe kerel ware als die Pen.

Indien de majoor gedacht had, dat hij jufvrouw Amory zou weerhouden verder acht te slaan op den jeugdigen erfgenaam van Foker’s Bier, door haar te vertellen, dat mijnheer Foker met zijne nicht, Lady Anna Milton, geëngageerd was (hetgeen de oude heer haar zeer duidelijk meedeelde toen hij aan het ontbijt naast haar zat), dan vergiste hij zich ten eenemale. Zij scheen daardoor slechts des te beminnelijker jegens Foker te worden; zij prees hem, en alles wat hem toebehoorde; zij prees zijne mama, het paard, dat hij in het Park bereed, de lieve snuisterijen, die hij aan zijn horlogeketting droeg, en dat heerlijke rottinkje, en die allerliefste apenkopjes met robijnen oogjes, die Henry’s overhemd versierden en ook tot knoopen van zijn vest dienden. En na den zwakken jonkman aldus zoo lang geprezen en gevleid te hebben dat hij van verrukking bloosde en beefde, en Pen oordeelde dat zij ver genoeg gegaan was, wendde zij over een anderen boeg.

„Ik geloof, dat die mijnheer Foker heel ondeugend is,” sprak zij, zich tot Pen keerende.

„Hij ziet er niet naar uit,” gaf Pen op spottenden toon ten antwoord.

„Ik meen, dat wij heel ondeugende dingen van hem gehoord hebben, niet waar, mama? Wat zeide mijnheer Poyntz ook onlangs over die partij te Richmond? O gij ondeugd!” Maar daar zij zag, dat Henry een zeer verschrikt gezicht zette, terwijl Pen het grappig scheen te vinden, wendde zij zich tot dezen met de woorden: „En ik geloof, dat gij even ondeugend zijt, en dat gij er ook wel bij hadt willen zijn; is het zoo niet? Ik weet, dat gij het wel gewenscht zoudt hebben, ja – en ik ook!”

„Heere bewaar me, Blanche!” riep mama uit.

„Wel, ik zeg het nog eens, dat ik er ook wel bij had willen zijn. Ik heb nooit eene actrice van nabij gezien. Ik zou er alles voor overhebben, er eene te zien, want ik aanbid het talent, en ik aanbid Richmond, dat doe ik, en ik aanbid Greenwich, en dus zeg ik, dat ik daar ook wel eens zou willen zijn.”

„Wel, waarom zouden wij drie heeren de dames niet verzoeken, ons de eer van haar gezelschap te Greenwich te willen schenken?” bracht de majoor hier galant in het midden, tot buitengemeene verbazing van zijn neef. „Moet Lady Clavering ons altijd gastvrijheid bewijzen, en zouden wij haar daarentegen nooit iets mogen aanbieden? Spreek op, jonge heeren! Wel te drommel! daar hebt ge mijn neef met zijne zakken vol geld – zijne zakken vol! en mijnheer Henry Foker, die, naar ik gehoord heb, heel wel af is in de wereld – hoe vaart uwe schoone nicht Lady Anna, mijnheer Foker? – hier zijn nu deze twee jonge heeren, en zij laten een oud man gelijk mij het woord doen. Lady Clavering, wilt gij mij de eer bewijzen mijn gast te wezen? dan zal jufvrouw Blanche die wezen van Arthur, indien zij zoo goed wil zijn.”

„O, dat is heerlijk!” riep Blanche uit.

„Ik houd ook wel van een pretje,” zeide Lady Clavering, „en wij zullen dan een dag nemen, als Sir Francis –”

„Als Sir Francis uit eten gaat, – ja, mama,” liet de dochter er op volgen; „o, dat zal verrukkelijk wezen!”

En een verrukkelijke dag was het. Er werd een diner te Greenwich besteld, en mijnheer Foker, al had hij jufvrouw Amory niet genoodigd, vond eenige heerlijke oogenblikjes gedurende het diner om met haar te spreken, en daarna op het balkon van hunne kamer in het hotel, en andermaal gedurende den terugrit, in de barouchet van mylady. Pen kwam naar Greenwich in Sir Hugh Trumpington’s brougham, welke de majoor voor die gelegenheid te leen had gevraagd. „Ik ben een oud soldaat, voor den drommel,” zeide hij, „en ik heb reeds vroeg in mijn leven geleerd het mij gemakkelijk te maken.”

En daar hij een oud soldaat was, liet hij de beide jonge heeren dan ook gezamenlijk het diner betalen, en onder den ganschen tocht naar huis in den brougham schertste hij tegen Pen over de voorkeur, die jufvrouw Amory hem blijkbaar betoonde, over haar goed voorkomen, hare levendigheid en haar geest, terwijl hij nog aan Pen – onder de diepste geheimhouding – verzekerde, dat zij veel rijker zou wezen dan de menschen dachten.

TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

BEVAT EENE NIEUWE GEBEURTENIS.

Vroeger hebben wij in dit verhaal gemeld, dat mijnheer Pen, gedurende zijn verblijf in het ouderlijke huis, na de te Oxbridge geleden nederlaag, zich met het opstellen van verschillende letterkundige voortbrengselen bezig gehouden en, buiten andere werken, het grootste gedeelte van een roman geschreven had. Dit boek, ontworpen onder den invloed van jeugdige tegenspoeden in de liefde en in geldzaken, was van zeer opgewonden, somberen en hartstochtelijken aard; de wanhoop van Byron, de moedeloosheid van Werther, de bittere spot van den Mephistopheles van Faust, dit alles was in het karakter van den held herhaald en uitgewerkt; want onze jonge heer had pas Duitsch geleerd, en volgde, gelijk bijna alle jongelui van aanleg doen, zijne geliefkoosde dichters en schrijvers na. Bij verscheidene zinsneden in de werken, die hij eenmaal zoozeer op prijs stelde en thans zoo zelden leest, ziet men nog altijd de potloodstrepen, waarmee hij ze in die dagen merkte. Er droppelden wel eens tranen op de bladzijden van het boek, of op die van het handschrift, terwijl de hartstochtelijke jongen met vlugge hand zijne gedachten op het papier bracht. Als hij later het boek opnam, was hij niet meer geschikt of geneigd om de bladen met dien dauw van den vroegeren tijd te besprenkelen, zijn potlood was niet meer zoo vlug met zijne goedkeuring aan te duiden; maar bij het doorloopen van zijn manuscript herinnerde hij zich welke hartstochtelijke aandoeningen het geweest waren, die hem de bladzijden met tranen hadden doen bevochtigen, welke smart het geweest was, die hem de regels in de pen had gegeven. Indien de geheime geschiedenis der boeken, de eigen gedachten en opwellingen van den auteur naast zijn werk konden neergeschreven worden, wat zouden vele dorre boeken belangwekkend, vele vervelende verhalen boeiend worden voor den lezer! Er kwam menige bittere lach op Pen’s gelaat terwijl hij zijn roman overlas, en zich den tijd en de aandoeningen te binnen bracht, die hem onder het schrijven bezield hadden. Wat schenen sommige der verhevene zinsneden hoogdravend, en daarentegen hoe zwak vele andere, waarin hij de volheid van zijn hart meende te hebben uitgestort! Hij zag en erkende thans volmondig, dat menige bladzijde eene navolging van een geliefkoosd schrijver was, ofschoon hij toenmaals oorspronkelijk meende te zijn. Terwijl hij over sommige regels peinsde, herinnerde hij zich de plaats en het uur toen hij ze geschreven had; de schim van dat uitgestorven gevoel keerde onder dit mijmeren terug en hij bloosde bij het zien van die verflauwde verschijning. En wat beteekenden die vlekken op de bladzijden? Als men in de woestijn eene plek aantreft waar de hoeven der kameelen zich in den grond hebben afgedrukt en nog overblijfselen van verdord gras zichtbaar zijn, weet men, dat daar eenmaal water geweest is, en evenzoo was de plaats in Pen’s gemoed ook niet langer groen; de bron der tranen was opgedroogd.

In deze beeldspraak liet hij zich op zekeren morgen tegen Warrington uit, die onder het lezen eene pijp zat te rooken, en Pen smeet met heftige gebaren, als naar gewoonte, zoodra hij in een opgewonden toestand verkeerde, en met een bitteren lach zijn handschrift zoo hard op de tafel neer, dat het theegoed er van rinkelde en de blauwe melk in het kannetje opsprong. Hij had het manuscript den vorigen avond uit eene kist te voorschijn gehaald, die lang onaangeroerd had gestaan, en oude jachtbuizen, oude geschriften uit zijn studententijd, zijn havelooze baret en tabbaard bevatte, met nog andere herinneringen aan zijne jeugd, zijne school en zijn ouderlijk huis. Hij ging in bed het handschrift zitten lezen tot hij er bij in slaap viel, want de aanvang van den roman was een beetje saai, en hij was vermoeid van eene groote partij thuis gekomen.

„Bij den hemel,” zeide Pen terwijl hij de papieren neersmeet, „als ik bedenk, dat ik dit slechts weinige jaren geleden geschreven heb, dan schaam ik mij over mijn geheugen. Ik schreef dit, toen ik voor eeuwig verliefd meende te zijn op die kleine coquette jufvrouw Amory. Ik maakte toen verzen op haar, die ik in den hollen boom verborg en „Amori” toewijdde.”

„Eene heel lieve woordspeling,” zeide Warrington, terwijl hij eene rookwolk wegblies: „Amory – Amori. Er spreekt eene grondige geleerdheid uit. Laat me eens wat van dat prullewerk hooren.” En met die woorden boog hij zich in zijn leuningstoel voorover en pakte Pen’s manuscript met de tang, waarmee hij juist een kooltje aan zijne pijp had willen brengen. En na zich op die wijze in het bezit van het handschrift gesteld te hebben, begon hij te lezen in de Bladen uit het levensboek van Walter Lorraine.

„Zoo valsch als gij schoon zijt! even hardvochtig als bekoorlijk! Bespotting der Liefde!” voegde Walter aan Leonora toe; „welke booze geest heeft u uitgezonden, om mij aldus te folteren? O Leonora.”

„Sla dat maar over,” riep Pen en trachtte het geschrift weer in zijne handen te krijgen, maar zijn makker wilde het niet loslaten. „Of lees het in elk geval niet hardop! Dat heeft betrekking op mijne andere geliefde, mijne eerste – die nu Lady Mirabel is. Ik heb haar gisterenavond bij Lady Whiston gezien. Zij noodigde mij op eene partij, die zij geven zou, en zeide dat wij, als oude vrienden, elkander meer moesten zien. Ofschoon zij sinds twee jaren wist dat ik in de stad was, kwam het niet in haar op, mij te noodigen; doch toen zij Wenham met mij zag spreken en monsieur Dubois, dien Franschen letterkundige, die met een dozijn ridderorden behangen is en er als een maarschalk van Frankrijk uitziet, verwaardigde zij zich mij te vragen. De Clavering’s zullen er dien avond ook komen. Is het niet piquant, aan dezelfde tafel met de twee vrouwen te zitten, voor welke men in liefdevuur geblaakt heeft?”

„Twee liefdevuren! – Twee hoopen uitgebrande sintels,” zeide Warrington. „Komen die beide schoonen in dit boek voor?”

„Allebei, of het lijkt er ten minste eenigszins op,” zeide Pen. „Leonora, die den hertog trouwt, is jufvrouw Fotheringay. Den hertog heb ik gevolgd naar Magnus Charters, met wien ik te Oxbridge was; het portret gelijkt eenigszins op hem; en jufvrouw Amory is Neaera. Waarlijk, Warrington, ik had die eerste vrouw lief! Ik dacht aan haar, toen ik in den maneschijn van Lady Whiston’s partij terugkeerde, en al die vroegere tooneelen stonden mij weer voor den geest, alsof zij pas gisteren gebeurd waren. En toen ik thuis kwam, haalde ik de geschiedenis voor den dag, die ik drie jaar geleden over haar en de andere geschreven had; hoe overdreven de roman ook zij, weet je, zit er toch wat goeds in, en als Bungay de uitgave niet ondernemen wil, denk ik dat Bacon het wel zal doen.”

„Dat is zoo de manier van de dichters,” zeide Warrington. „Zij worden verliefd, bedriegen het meisje, of worden zelf bedrogen; het doet hun pijn en zij schreeuwen het uit, dat zij meer lijden dan eenig ander sterveling; en als zij dan aandoeningen genoeg ondervonden hebben, schrijven zij die op in een boek en brengen dit aan de markt. Alle dichters en alle letterkundigen zijn kwakzalvers: want zoodra iemand zijne gevoelens voor geld verkoopt, is hij een kwakzalver. Als een dichter pijn in het lijf krijgt, omdat hij te veel gegeten heeft, schreeuwt hij harder ai! ai! dan Prometheus.”

„Vermoedelijk omdat een dichter gevoeliger is dan een ander mensch,” zeide Pen niet geheel ten onpas. „Dat is het, wat hem tot dichter maakt. Ik houd het er voor, dat hij scherper ziet en gevoelt; dat is het, wat hem doet spreken van hetgeen hij gevoelt en ziet. Gij, van uw kant, schreeuwt hard genoeg in uwe hoofdartikelen, zoodra gij eene drogreden bij uwe tegenpartij opmerkt, of een kwakzalver in het parlement ontdekt. Paley, die geen zier geeft om iets anders ter wereld, zal een uur lang over eene rechtsquaestie spreken. Gun een ander het voorrecht, dat gij u zelven toekent; gun hem het vrije gebruik van zijne vermogens en laat hem dát wezen waartoe de natuur hem gemaakt heeft. Waarom zou iemand zijne sentimenteele aandoeningen niet evengoed mogen verkoopen als gij uwe staatkundige denkbeelden, of Paley zijne rechtsgeleerde kennis? Dat is alles eene zaak van ondervinding en praktijk. Het is het geld niet, dat u eene valsche stelling doet ontdekken, of Paley een gevoelen doet volhouden, maar een natuurlijke en door oefening gescherpte aanleg voor die onderkenning der waarheid; en een dichter werpt zijne gedachten en ervaringen op het papier gelijk een schilder een landschap of een gelaat op het doek brengt, naar zijn best vermogen en volgens den aard van zijn talent. Als ik me ooit verbeeld dat er genoeg in mij zit om een heldendicht te schrijven, bij den hemel, dan zal ik het doen! En als ik gevoel, dat ik alleen goed genoeg ben om eene aardigheid te vertellen, of een verhaaltje te schrijven, dan zal ik dat doen.”

„Niet kwaad gesproken, jonge heer,” zeide Warrington, „maar dat neemt niet weg, dat alle dichters kwakzalvers zijn.”

„Hoe? – Homerus, Æschylus, Shakespeare en al die anderen?”

„Deze namen mogen niet in één adem genoemd worden met ulieden pygmeën,” zeide mijnheer Warrington; „er is onderscheid tusschen mannen en mannen, mijnheer.”