Part 57
Toen dit belangwekkende jonge mensch met de vacantie thuis kwam, was majoor Pendennis even overdadig beleefd en voorkomend tegen hem als tegen de overige leden van het gezin; ofschoon de jongen vrij veel minachting voor den „ouwen Pruikenburg,” zooals de majoor genoemd werd, koesterde; hem achter zijn rug nadeed, zooals de wellevende majoor tegen Lady Clavering of jufvrouw Amory boog en vleide; en met breede trekken van die karikaturen teekende, waarin schrandere jongelui zooveel behagen scheppen en waarop des majoors pruik, neus, das enz. met kunstelooze overdrijving waren afgebeeld. De majoor, die onvermoeid was in zijne pogingen om zich aangenaam te maken, gaf den wensch te kennen, dat ook Pen bijzondere notitie van dit kind zou nemen, en spoorde Arthur dus aan, hem op zijne kamer te noodigen, hem in de club een diner te geven, hem mee te nemen naar de wassenbeeldengalerij van madame Tussaud, den Tower, den schouwburg en meer van dien aard, en hem, na afloop van den dag, iets voor zijn spaarpot te schenken. Daar Arthur een welwillend hart bezat en veel van kinderen hield, volbracht hij op zekeren dag al die plechtigheden. De jongen kwam in den Tempel ontbijten en maakte daar de beleedigendste aanmerkingen op de meubelen, het aardewerk en Warrington’s havelooze kamerjapon, waarna hij een kort pijpje rookte en verslag gaf van een gevecht tusschen Tuffy en Langbeen op de school bij mijnheer Rose, tot groote stichting van de beide heeren, die hem tot gast hadden.
Gelijk de majoor met veel juistheid voorspeld had, was Lady Clavering ten hoogste dankbaar voor de beleefdheden, die Arthur haar zoontje bewezen had, veel dankbaarder dan de jongen zelf, die zulke onderscheidingen beschouwde als iets dat hem toekwam, en wel waarschijnlijk meer goudstukken op zak had dan de arme Pen, die hem zeer edelmoedig één van zijn eigen geringen voorraad dier muntstukken afstond.
Met de scherpe oogen, die de natuur aan den majoor geschonken had, en met den bril van ouderdom en ondervinding, hield deze den blik op den jongen gevestigd en ging hij zijne positie in het gezin na, zonder al te veel nieuwsgierigheid naar de familie-aangelegenheden aan den dag te leggen. Doch als buurman op het land, als een man, wiens familie veel verplichting aan de Clavering’s had, als man van de wereld, nam hij elke geschikte gelegenheid waar om te onderzoeken, welke de geldmiddelen van Lady Clavering waren, hoe zij over haar kapitaal beschikt had en wat de jongen zou erven. En toen hij zich daartoe aan het werk had gezet – met welk oogmerk zal ongetwijfeld later blijken – had hij spoedig eene vrij nauwkeurige kennis van Lady Clavering’s zaken en fortuin en van de vooruitzichten van hare dochter en haar zoon verkregen. De dochter zou slechts een matig kapitaaltje ontvangen; het grootste gedeelte der bezittingen zou, gelijk reeds vroeger gezegd is, op den zoon overgaan, – zijn vader gaf niet om hem noch om iemand anders, – zijne moeder was op hem verzot, als het kind van haar later leeftijd, en zijne zuster had een hekel aan hem. Dit was in algemeene trekken hetgeen majoor Pendennis te weten kwam. „Ja lieve mevrouw,” zeide hij wel eens, terwijl hij den jongen op het hoofd tikte, „deze knaap zou bij een volgend kroningsfeest eene baronnenkroon op het hoofd kunnen dragen, als de zaken maar behoorlijk overlegd wierden en Sir Francis Clavering zijne kaarten goed wist te spelen.”
Op die woorden slaakte de weduwe Amory een diepen zucht. „Ik vrees, dat hij zijne kaarten maar al te slecht speelt, majoor,” gaf zij ten antwoord. De majoor gaf te kennen, dat dit hem niet onbekend was; hij ontveinsde niet, dat ook hij van Sir Francis Clavering’s ongelukkige neiging tot het spel gehoord had, en hij beklaagde Lady Clavering oprecht; doch dit deed hij met zooveel gevoel en zoo verstandig, dat mylady, blijde een persoon van ondervinding aan te treffen, wien zij haar verdriet en haar omstandigheden kon toevertrouwen, er zeer onbewimpeld tegen majoor Pendennis over sprak en gaarne zijn raad en zijne vertroostingen wilde ontvangen. Aldus werd de majoor de vertrouwde en de huisvriend van de begum, die hem in hare hoedanigheden van moeder, vrouw en kapitaliste raadpleegde.
Hij gaf haar te verstaan (en legde daarbij een eerbiedige meewarigheid aan den dag), dat hij met sommige omstandigheden van haar rampspoedig eerste huwelijk, en zelfs met den persoon van wijlen haar echtgenoot, dien hij zich uit Calcutta herinnerde (toen zij in afzondering met haar vader leefde), bekend was. Met tranen eerder van schaamte dan van smart, deelde de arme dame hem het voorgevallene uit haar standpunt mede. Toen zij, na twee jaren op eene school in Europa te hebben doorgebracht, nog bijna als kind naar Indië terugkeerde, was zij met Amory in aanraking gekomen en zoo dwaas geweest hem te trouwen. „O, gij weet niet welk een ellende die man mij heeft aangedaan,” sprak zij, „en welk een leven ik tusschen hem en mijn vader had. Voordat ik hem zag, had ik nooit eenig ander man dan de klerken van mijn vader en diens inlandsche bedienden gezien. Gij weet, dat wij in Indië niet in gezelschap kwamen, uithoofde van –” („Ik weet dat,” zeide majoor Pendennis met eene buiging.) „Ik was een hartstochtelijk, romanesk kind mijn hoofd was vervuld met de romans, die ik op school gelezen had. Ik hoorde hem zijne woeste geschiedenissen en avonturen verhalen, want hij was een roekeloos mensch, en ik vond, dat hij zoo heerlijk vertelde op die stille avonden van de uitreis, terwijl hij..... Nu, ik trouwde hem en was van dien dag af rampzalig; ik had mij het ongenoegen van mijn vader op den hals gehaald, wiens karakter gij gekend hebt, majoor Pendennis; ik zal er dus niet meer van zeggen, maar het was geen aangenaam man, mijnheer, noch voor mijn arme moeder, noch voor mij (uitgezonderd dat hij mij zijn geld naliet), noch voor iemand anders, zoover ik ooit gehoord heb, en ik vrees, dat hij niet veel goeds in zijn leven verricht heeft. Amory was bijna nog erger; mijn vader was gierig, maar hij was een verkwister; hij dronk vreeselijk en in zijn beschonken toestand was hij ontembaar. Hij is in geen enkel opzicht een goed of trouw echtgenoot voor mij geweest, majoor Pendennis; en indien hij in zijne gevangenis gestorven ware vóór zijn vonnis, in plaats van daarna, zou hij mij veel schande en rampzaligheid bespaard hebben, mijnheer. Want,” liet Lady Clavering er op volgen, „misschien zou ik niet hertrouwd zijn, indien ik niet zoo begeerig ware geweest mij van zijn verfoeiden naam te ontdoen, en ik ben in de keuze van mijn tweeden man niet gelukkig geweest, gelijk gij waarschijnlijk wel weet, mijnheer. Ja, majoor, ik heb geld en ben eene lady, en de menschen denken, dat ik heel gelukkig ben, – maar ik ben het niet. Wij allen hebben onze zorgen en verdriet en bezwaren; en menigen keer zit ik aan mijne groote diners met een gefolterd hart, en menigen nacht lig ik wakker op mijn prachtig bed, vrij wat ongelukkiger dan de meid, die het opgemaakt heeft. Want ik ben geen gelukkige vrouw, majoor, ofschoon de wereld het denkt, en de begum om hare diamanten en rijtuigen en de voorname lui, die ik bij mij ontvang, benijdt. Ik ben niet gelukkig met mijn man en evenmin met mijne dochter. Het is geen goed meisje, gelijk die Laura Bell op Fairoaks. Zij heeft mij vele tranen gekost, ofschoon gij ze niet ziet, en zij bespot mij, hare moeder, omdat ik niet veel geleerd heb. Hoe zou dat ook mogelijk geweest zijn? Ik ben tot mijn twaalfde jaar onder inlanders groot gebracht, en keerde weer naar Indië terug toen ik pas veertien was. Ach, majoor, ik zou eene goede vrouw zijn geweest, indien ik een goeden man had gehad. En nu moet ik naar boven om mijn oogen te wasschen, want ze zijn rood van het schreien. Straks komt Lady Rockminster mij afhalen, om een ritje door het Park te doen.” En toen Lady Rockminster verscheen, nam men op Lady Clavering’s gelaat geen spoor meer van tranen of verdriet waar; zij was integendeel zeer opgeruimd en spraakzaam en verminkte de goede Engelsche taal met de meeste levendigheid en tevredenheid.
„Het is voor den drommel toch nog zoo’n kwade vrouw niet!” dacht de majoor bij zich zelven. „Zij is wel niet zeer beschaafd, want zij zegt „Neefteunis” in plaats van „Neptunus”; maar zij heeft een goed hart – daarvan houd ik – en een drommelschen boel geld bovendien. Drie sterretjes bij haar naam op de lijst van aandeelhouders in de Oostindische Compagnie! en dat alles zal dat jonge rekeltje krijgen – zal hij?” En daarbij overdacht hij hoe gaarne hij een weinigje van dat geld op jufvrouw Blanche zou zien overdragen en hoeveel aangenamer het nog zou zijn, indien hij één van die sterretjes later bij den naam van mijnheer Arthur Pendennis mocht zien schitteren.
Altijd zijn doelwit voor oogen houdende, van welken aard dit ook ware, maakte de oude diplomaat gebruik van den goeden voet, waarop hij stond, en van zijn ouderdom, om met jufvrouw Blanche, als hij gelegenheid vond met haar alleen te zijn, op eene vriendschappelijke en vaderlijke wijze te spreken. Hij kwam zoo dikwijls op het ontbijt en werd zoo gemeenzaam met de dames, dat zij zich zelfs niet meer ontzagen in zijne tegenwoordigheid te twisten; en Lady Clavering, die eene luide stem en een driftig karakter bezat, leverde menigen slag aan de sylphide, terwijl de huisvriend er bij zat. Door hare gevatheid behield Blanche bij deze schermutselingen doorgaans het veld en hare geweerhaakte pijlen joegen hare vijandin smadelijk op de vlucht. „Ik ben een oud man,” zeide de majoor, „en heb niets omhanden. Ik heb goede oogen en ik kan zwijgen. Ik ben uw beider vriend, en al twist gij samen, waar ik bij ben, zal ik het toch aan niemand vertellen. Maar gij zijt beiden zulke lieve dames, dat ik het tusschen u zou willen bijleggen. Ik ben reeds dikwijls de bemiddelaar tusschen allerlei menschen geweest – mannen en vrouwen, vaders en zoons, dochters en mama’s. Ik houd daarvan en heb niets anders te doen.”
Op zekeren dag dan trad de oude diplomaat de gezelschapszaal van Lady Clavering binnen, juist toen deze er, blijkbaar in ziedenden toorn, uit kwam en hem voorbijliep, de trap op naar haar eigen vertrekken.
„Zij kon hem nu niet spreken,” riep zij; „zij was veel te boos op die – die – die kleine, ondeugende –” De boosheid smoorde de overige woorden of verhinderde mylady ze uit te spreken voordat zij reeds buiten het gehoor was.
„Goede, beste jufvrouw Amory,” zeide de majoor toen hij binnentrad, „ik zie wat er gebeurd is. Gij en mama hebt ongenoegen gehad. Het gebeurt in de voornaamste familien, dat er tusschen moeders en dochters oneenigheid bestaat. Nog pas verleden week heb ik een geschil tusschen Lady Clapperton en hare dochter Lady Claudia bijgelegd. Lady Lear en haar oudste dochter hebben in veertien jaar geen woord tegen elkander gesproken. Ik heb in heel mijn leven geen vriendelijker en braver menschen dan deze twee ontmoet; zij zijn voor iedereen, behalve voor elkander, al wat men wenschen kan. Maar elkander kunnen zij niet verdragen; zij moesten niet bij elkander wonen; en ik wenschte van ganscher harte, meisje-lief, dat ik u in een eigen huishouden mocht zien – geene dame te Londen is beter geschikt er een te besturen, – uw eigen huishouding, waar gij uwe huisgenooten gelukkig zoudt maken!”
„Hier ten minste ben ik niet gelukkig,” zeide de sylphide, „en mama’s domheid zou een engel zijn geduld doen verliezen.”
„Juist; gij zijt voor elkander niet geschikt. Uwe moeder beging in haar vroeger leven ééne fout – of was het, in uw geval, de natuur, mijne lieve? – zij had u niet moeten opvoeden tot het fijn beschaafde en geestige meisje, dat gij zijt, omringd, ik erken het, door menschen die uw genie of uwe beschaving niet bezitten Gij moest in de schitterendste kringen voorgaan, niet volgen, en in geen gezelschap den tweeden rang innemen. Ik heb op u gelet, jufvrouw Amory; gij zijt eerzuchtig, en te heerschen is uwe ware roeping. Gij behoordet te schitteren en dat kunt gij in dit huis nooit, – dat weet ik. Ik hoop, dat ik u eenmaal als meesteres in een ander en gelukkiger huis zal zien.”
De sylphide haalde met een minachtenden blik de lelieblanke schouders op, en vroeg: „Waar is de prins en waar is het paleis, majoor Pendennis? Ik ben bereid Maar er bestaat tegenwoordig geen romantische zin, geen waarachtige genegenheid in de wereld meer!”
„Neen, inderdaad niet,” antwoordde de majoor met het meest sentimenteele en natuurlijke gezicht, dat hij trekken kon.
„Ofschoon ik er niets van weet,” vervolgde Blanche en sloeg de oogen neer, „dan hetgeen ik in romans gelezen heb.”
„Natuurlijk niet,” riep majoor Pendennis uit; „hoe zoudt gij dat ook weten, mijne lieve jonge dame? en de romans bevatten geen waarheid, gelijk gij zeer juist aanmerkt, en er bestaat niets romanesks meer in de wereld. Och, ware ik maar een jong heer, gelijk mijn neef!”
„En wat zijn de mannen, die wij elken avond op de bals zien?” ging jufvrouw Amory peinzend voort; „dansende officieren, geldelooze ambtenaren, – in één woord, dwazen! Als ik zoo rijk was als mijn broeder, zou ik een huishouding kunnen hebben gelijk gij mij voorspiegelt: maar wat heb ik met mijn naam en mijne geringe middelen te verwachten? Een dorpsdominé, of een advocaat in een straatje bij Russell Square, of een kapitein der dragonders, die gemeubileerde kamers voor mij zal nemen, en dronken en naar tabaksrook riekende, gelijk Sir Francis Clavering, van de officierstafel thuis zal komen. Op die manier zijn wij meisjes bestemd ons leven te eindigen. O, majoor Pendennis, Londen, en de bals, en de jonge dandy’s met de haarbosjes aan de kin, en de onbeschaamde groote dames, die ons den eenen dag wél en den anderen dag niet willen kennen, de heele wereld in één woord staat mij tegen! Ik zou de gansche wereld willen vaarwelzeggen, om in een klooster te gaan, dat zou ik! Ik zal nooit iemand vinden, die mij begrijpt. En ik leef hier in mijne familie en in de wereld zoo eenzaam, alsof ik voor altijd in eene cel opgesloten was! Ik wenschte, dat hier Liefdadige Zusters waren en ik er kon opgenomen worden, dat ik eene besmettelijke ziekte kreeg en er aan stierf. Ik wenschte, dat ik de wereld uit was! Ik ben nog niet zeer oud; maar ik ben afgemat, want ik heb zooveel geleden! Ik ben zoo gedesillusioneerd – ik ben moe, ik ben moe. O, dat de Engel des Doods maar kwam en mij van hier riep!”
Men kan deze kleine redevoering als volgt vertolken. Weinig avonden geleden had eene groote dame, zekere Lady Flamingo, zich gehouden alsof zij jufvrouw Amory en Lady Clavering niet kende. Zij was buiten zich van ergernis, dat zij geen uitnoodiging tot het bal van Lady Drum kon krijgen; het was op het einde van het seizoen en niemand had haar zijn hart aangeboden; zij had volstrekt geen opzien gebaard, zij, die zooveel geestiger was dan alle andere meisjes van dat jaar en van de jonge dames, die haar bijzonderen kring uitmaakten. Dora, die maar vijf duizend pond had, Flora, die in het geheel niets bezat, en Leonora, die zich door rood haar onderscheidde, zouden gaan trouwen, en niemand was om Blanche Amory gekomen!
„Gij oordeelt zeer juist over de wereld en over uwe positie, lieve jufvrouw Amory,” zeide de majoor. „Gelijk gij wèl zegt, trouwt de prins tegenwoordig niet, tenzij de prinses een goeden stapel effecten bezit, of eene dame van zijn eigen rang is. De jongelui van groote familie trouwen in de groote familiën; bezitten zij geen fortuin, dan hebben zij toch elkanders hulp om in de wereld vooruit te komen, en dat is bijna evengoed. Een meisje met uw fortuin kan bezwaarlijk op een groot huwelijk rekenen; maar een meisje met uw genie en uw bewonderenswaardigen tact en beschaafde manieren kan, als zij een verstandig echtgenoot aan hare zijde heeft, elke plaats in de samenleving innemen. Wij zijn verbazend republikeinsch geworden. Het talent staat tegenwoordig op ééne lijn met rijkdom en geboorte; en een schrander man met eene schrandere vrouw kunnen zich in onze dagen op elk standpunt plaatsen, dat zij verkiezen.”
Jufvrouw Amory begreep natuurlijk in het allerminst niet, wat majoor Pendennis bedoelde. Misschien ging zij sommige omstandigheden in haar geest na en vroeg zij zich af, of hij een voorspraak voor een harer vroegere aanbidders kon zijn en wellicht het oog had op Pen? Neen, dat was onmogelijk. Hij was beleefd geweest maar niets meer. Derhalve vroeg zij lachend: „Wie is die schrandere man, en wanneer zult gij mij dien brengen, majoor Pendennis? Ik brand van verlangen, om hem te zien!”
Op dit oogenblik wierp een knecht de deur open en diende den heer Henry Foker aan; en op dien naam en op het gezicht van onzen vriend barstten de dame en de heer het van lachen uit.
„Dat is de man niet,” zeide majoor Pendennis. „Hij is met zijne nicht, de dochter van Lord Gravesend, geëngageerd! Vaarwel, lieve jufvrouw Amory.”
Werd Pen wereldsch, en zou een man geen ondervinding mogen opdoen en er zich op beroemen? „Wat hem betrof,” zeide hij, „gevoelde hij, dat hij zeer snel verouderde. Wat worden wij in deze stad vervormd en veranderd,” zeide hij eens tegen Warrington. Zij waren elk van hunne avondvermaken teruggekomen, en Pen zat zijne pijp te rooken en, volgens zijne gewoonte, zijn opmerkingen en ervaringen van dien avond aan zijn vriend te vertellen. „Wat ben ik veranderd,” riep hij uit, „sedert ik die onnoozele knaap te Fairoaks was, die op het punt stond zijn hart te breken over zijn eerste liefde! Lady Mirabel had heden avond receptie en was zoo statig en bedaard als eene geboren hertogin, juist alsof zij in haar gansche leven geen valluik gezien had. Zij bewees mij de eer van een onderhoud en sprak op zeer beschermenden toon over Walter Lorraine.”
„Wat eene genadige goedheid!” merkte Warrington aan.
„Niet waar?” zeide Pen met de meeste onnoozelheid, waarop de ander, als naar gewoonte, weer in lachen uitbarstte. „Hoe is het mogelijk,” zeide Warrington, „dat iemand op het denkbeeld komt, den uitstekenden schrijver van Walter Lorraine beschermend te behandelen!”
„Gij steekt den draak met ons beiden,” zeide Pen, een weinig blozende, „daartoe zou ik zelf wel gekomen zijn. Zij vertelde mij, dat zij het boek niet gelezen had (ik voor mij geloof, dat zij nooit in haar leven een boek heeft gelezen), maar wel Lady Rockminster, en dat de hertogin van Connaught het zeer mooi vond. Ik antwoordde, dat ik nu zalig kon sterven, want dat het juist het hoofddoel mijns levens was geweest die beide dames te behagen, en dat ik, nu zij mij hare goedkeuring schonken, natuurlijk niet meer naar die van iemand anders behoefde uit te zien. Lady Mirabel keek mij plechtig met hare mooie oogen aan en zeide: „O zoo!” alsof zij mij begrepen had, en vroeg mij daarop, of ik op de Donderdags-receptien der hertogin kwam, en toen ik „neen” zeide, drukte zij de hoop uit mij daar te zien en verzekerde, dat ik ook moest trachten te komen, want dat daar iedereen kwam – iedereen, die in de groote wereld verkeerde. Vervolgens spraken wij over den nieuwen ambassadeur van Timboektoe, die zooveel beter was dan de vroegere; en dat Lady Mary Billington met een dominé, ver beneden haar rang, ging trouwen; en dat Lord en Lady Ringdove drie maanden na hun huwelijk in onmin waren geraakt over Tom Pouter van de Garde, Lady Ringdove’s neef – en meer van dien aard. Als ge de deftigheid van die vrouw gezien hadt, zoudt ge gedacht hebben, dat zij in een paleis geboren was en al haar leven op Belgrave Square had gewoond.”
„En ik denk, dat gij deel genomen hebt aan het gesprek als de afstammeling van den graaf uw vader en de erfgenaam van het kasteel Fairoaks?” zeide Warrington. „Ja, ik herinner mij het verslag te hebben gelezen van de feesten bij gelegenheid van uwe meerderjarigheid. De gravin gaf eene schitterende thee aan den adel uit den omtrek, en de boeren werden in de keuken op een schapebout en eene kruik bier onthaald. Het overschot der lekkernijen is aan de armen van het dorp uitgedeeld, en het parkhek was geïllumineerd totdat de oude Jan de kaars uitdeed om naar bed te gaan.”
„Mijne moeder is geen gravin,” antwoordde Pen, „ofschoon zij zeer goed bloed in de aderen heeft; en hoewel zij maar tot den burgerstand behoort, heb ik nooit eene groote dame ontmoet, die meer dan hare gelijke was, mijnheer George. Als gij een bezoek op het kasteel Fairoaks wilt afleggen, kunt gij zelf over haar oordeelen en over mijne nicht bovendien. Zij zijn niet zoo geestig als de Londensche vrouwen, maar zonder tegenspraak evengoed opgevoed. De gedachten van de vrouwen op het platteland loopen over andere onderwerpen dan die der Londensche dames. Op het land heeft eene vrouw haar huishouden en haar armen, hare lange kalme dagen en hare lange kalme avonden.”
„Verduiveld lang,” zeide Warrington, „en veel te kalm. Ik heb er ondervinding van.”
„De eentonigheid van dat leven moet tot eene zekere hoogte iets melancholisch hebben – gelijk de wijs van een lang lied; en er moet een ernstige en liefelijke, eene droeve en teedere harmonie in gelegen zijn, anders zou het onuitstaanbaar wezen. De vrouwen op het land worden door haar eenzaamheid noodzakelijk zacht en sentimenteel. Daar zij een leven van kalme plichtsbetrachting, eenzelvige werkzaamheden en mystieke mijmering leiden, daar zij eene soort van nonnen zijn, aan wie vrijheid van beweging gelaten is, zou te veel vroolijkheid of gelach hare bijna heilige rust verstoren en daar even misplaatst zijn als in de kerk.”
„Waar men onder de preek indut,” zeide Warrington.