Part 25
De Kapitein bezat nog andere talenten, waarmee hij Pen van dienst was. Zijne verhalen maakten een diepen en noodlottigen indruk op Arthur, die nooit moe werd naar Bloundell’s geschiedenissen van veroveringen in zijne garnizoensplaatsen en heldendaden ten platten lande te luisteren. Hij was te Parijs geweest en kende eene menigte verhalen betrekkelijk het Palais Royal, het Salon en Frascati. Hij was op zekeren avond naar het Salon geweest, na gedineerd te hebben in het Café de Paris, „waar wij allemaal een verduivelden tik hadden aangekregen; en toen ik den volgenden morgen op mijne kamer wakker werd, vond ik twaalf duizend franken onder mijn hoofdkussen en honderd negen en veertig napoleons in een mijner laarzen. Was dat geen aardig fortuintje, hé?” vroeg de Kapitein. Pen’s oogen schitterden van geestdrift bij dit verhaal. Hij zag tegen den man op, die zóóveel geld kon winnen, en zuchtte onder de bekentenis, dat hij er geheel mee uit den nood geholpen zou zijn. De Kapitein lachte en schonk hem nog een glaasje maraskijn. „Ik zou u nog heel wat wonderlijker geschiedenissen kunnen vertellen,” en dat had de Kapitein ook inderdaad wel kunnen doen, zonder eenig ander behulp dan die der fictie, met welk deel der dichterlijke begaafdheid de natuur hem ruimschoots voorzien had.
Hij lachte Pen, uit over diens verliefdheid op jufvrouw Fotheringay, toen hij van Arthur iets er van vernam, zooals vrij spoedig gebeurde, want Pen was, gelijk wij gezegd hebben, geneigd om die geschiedenis aan zijne vertrouwde vrienden te verhalen, en hij en zij waren tamelijk trotsch op het gebeurde. Maar Bloundell benam Pen alle verwaandheid in dit opzicht, niet door de dwaasheid van deze verliefdheid van den knaap voor eene onbeschaafde vrouw, die veel ouder was dan hij, in het licht te stellen, maar door hem te wijzen op de ongerijmdheid van zijn voornemen, om dien hartstocht op eene wettige wijze te bevredigen. „Hadt gij haar willen trouwen!” riep hij uit: „gij hadt evengoed – kunnen trouwen,” en daarbij noemde hij eene der meest beruchte tooneeldames. „Er was geen aasje fatsoen aan haar.” Hij kende twintig mannen, die openlijk als hare aanbidders bekend stonden; hij noemde hunne namen en de sommen, die elk hunner aan haar verkwist had. Ik ken geen soort van laster, vreeselijker of algemeener dan deze wijze om vrouwen van haar goeden naam te berooven, geene mannen, die gewetenloozer en gevaarlijker zijn dan degenen, die er zich lichtvaardig van bedienen, en geen lafaards, verachtelijker dan de lieden, die deze lasteringen uitvinden.
Is het al of niet een ongeluk, dat iemand, die zelf een openhartig karakter bezit en, gelijk onze vriend, gewoon is bij alle voorkomende gelegenheden de waarheid ronduit te zeggen, zijn leven begint met alles te gelooven wat men hem vertelt? Zou het voor een jongmensch beter wezen, minder goed van vertrouwen en dus minder argelooste zijn? Het vereischt geen geringe mate van menschenkennis, om gewaar te worden, dat iemand, die er geen bijzondere redenen toe heeft, u leugens vertelt. Ik weet niet of het maar niet het beste is, een tijdlang gedupeerd te worden. Hoe het zij, onze brave Pen bezat van nature eene lichtgeloovigheid, die hem alles voor goede munt deed aannemen wat men hem vertelde, zoodat hij al de verdichtsels van den Kapitein geloofde, alsof het onbetwistbare historische feiten waren.
Bloundell’s mededeelingen omtrent jufvrouw Fotheringay verwekten dus groote smart en schaamte bij Pen. Was hij vroeger reeds beschaamd geweest over zijne verliefde bui, wat moesten thans wel zijne gevoelens zijn, nu het voorwerp van zulk eene reine vereering, ja aanbidding, slechts eene verachtelijke bedriegster bleek te zijn, eene bedriegster, door iedereen behalve hem doorgrond! Het kwam bij Pen niet op, aan de zaak te twijfelen, noch te onderzoeken of de beweringen van een man gelijk zijn nieuwen vriend, die nooit van eenige vrouw iets goeds zeide, een schijn van waarheid hadden.
Gedurende eene der Paaschvacantiën, toen Pen aan zijne moeder en zijn oom bericht had, dat hij, in plaats van naar buiten te komen, te Oxbridge zou blijven doorstudeeren, liet hij zich echter overhalen met zijn vriend Bloundell een kort uitstapje naar Londen te doen. Zij namen hun intrek in een hotel in Covent Garden, waar Bloundell „thuis was,” zooals hij het noemde, en genoten de genoegens der stad met den ijver, dien men van jonge studenten gewoon is. Bloundell was nog altijd lid van eene militaire club, waar hij Pen een paar malen meenam om te dineeren (de jongelui reden daar met eene cab naar toe, uit vrees van majoor Pendennis op zijne wandeling door Pall Mall te ontmoeten), en hier werd Pen voorgesteld aan een aantal heeren met sporen en knevels, waarmee hij ’s morgens pale ale dronk en ’s avonds de stad doorslenterde. Hij zag op die wijze heel wat van de wereld en liep niet veel gevaar om zijn voogd in de schouwburgen en op de concerten te ontmoeten, die deze luidruchtige jonge losbollen bezochten. Op zekeren avond waren zij echter zeer dicht in elkanders nabijheid, want Pen, die in eene loge in het Museum-Theater zat, was alleen door een houten beschot van den majoor gescheiden, die zich met Lord Steyne in de loge van dien geachten edelman bevond. Jufvrouw Fotheringay pronkte in al den glans van haar roem. Zij had opgang gemaakt, of, met andere woorden, zij had bijna een jaar lang zeer volle zalen gehad; zij had de provinciën met den meest gunstigen uitslag bereisd, was te Londen teruggekomen, om daar met eenigszins getaanden luister te schitteren, en speelde nu „met steeds klimmenden bijval, enz.” en „tot roem van het goede oude Britsche drama,” zooals de affiches zeiden, voor zalen, waarin nog plaats genoeg was voor iedereen, die haar wilde zien.
Het was de eerste maal dat Pen haar zag, sedert dien gedenkwaardigen dag toen zij te Chatteries gescheiden waren. Het jaar te voren, toen zij te Londen zoo grooten roem inoogstte en de dagbladen hare schoonheid ophemelden, had Pen een voorwendsel weten te vinden om onder den studietijd naar de hoofdstad te gaan, waar hij dadelijk naar den schouwburg vloog, om zijne oude geliefde te zien. Hij riep zich de oude genegenheid eerder in het geheugen dan dat hij die hernieuwde. Hij herinnerde zich met welke gespannen verwachting hij te Chatteries de rol van den acteur bespiedde, die vóór Ophelia of Mevrouw Haller optrad. Toen die acteur nu bij deze gelegenheid optrad, gevoelde Pen eene soort van zwakke trilling; toen de zaal van toejuichingen begon te daveren en Ophelia met hare oude buiging en diepe nijging optrad, ondervond Pen eene lichte aandoening, maar hij bloosde sterk toen hij haar aanzag en dacht onwillekeurig, dat alle aanwezigen naar hem keken. Hij hoorde haar nauwelijks gedurende de eerste helft van het stuk, en dacht met zooveel ergernis aan de vernedering, waaraan zij hem had blootgesteld, dat hij zich begon in te beelden, dat hij jaloersch was en haar nog liefhad. Maar die zinsbegoocheling duurde niet lang. Hij liep naar de zijdeur van het tooneel om haar zoo mogelijk te zien; doch dit mislukte. Zij ging wel met eene gezellin rakelings langs hem heen, maar hij kende haar niet en zij van hare zijde herkende hem evenmin. Den volgenden avond kwam hij laat en bleef hij bedaard zitten om het nastuk te zien; en den derden en laatsten avond van zijn verblijf te Londen – wel, toen zou Taglioni in de opera dansen – Taglioni! en dan werd er Don Giovanni gegeven, dien hij boven alles bewonderde. Derhalve ging mijnheer Pen Don Giovanni en Taglioni zien.
Ditmaal was de illusie ten haren opzichte geheel voorbij. Zij was niet minder bevallig, maar toch, om welke reden dan ook, dezelfde niet meer. Het licht, dat vroeger uit hare oogen straalde, was verdwenen, of Pen werd er niet langer door verblind. Hare volle stem klonk als vanouds, maar deed Pen’s hart niet als vroeger trillen. Het kwam hem voor, dat hij het Iersch accent er tusschen door hoorde en dat de toon nu grof en valsch was. Het ergerde hem, dat hij weer denzelfden nadruk op dezelfde woorden hoorde, alleen een weinigje luider; en meer nog, dat hij die in het oog loopende navolging ooit voor genie had kunnen aanzien, – dat het van buiten geleerde snikken en zuchten hem van aandoening had doen wegsmelten. Hij had een gevoel alsof het in een ander leven was geweest, ja alsof het een ander mensch was, die haar zoo dolzinnig lief had gehad. Hij was beschaamd en diep vernederd en gevoelde zich als het ware verlaten. Ach, arme Pen, de dwaling is soms beter dan de waarheid, een schoone droom beter dan een treurig ontwaken!
De vrienden hadden dien avond een luidruchtig souper en mijnheer had den volgenden morgen haarpijn, waarmee hij naar Oxbridge terugkeerde, na al zijne comptante penningen verteerd te hebben.
Daar dit verhaal uit Pen’s eigen aanteekeningen getrokken is, zoodat de lezer zeker kan zijn, dat het woord voor woord waarheid bevat, maar Pen zelf zich nooit een duidelijk denkbeeld heeft kunnen vormen van de wijze, waarop hij eigenlijk zijn geld doorbracht en zich in aanhoudend grootere financieele moeielijkheden gewikkeld had gedurende zijn heilloos verblijf aan de hoogeschool van Oxbridge, zoo is het mij natuurlijk onmogelijk zijne ongelegenheden nauwkeuriger te schetsen dan door het algemeen overzicht van zijne levenswijze, hetwelk wij in de vorige bladzijden gegeven hebben. Hij spreekt niet al te bitter over de afzetterijen van de winkeliers in de academiestad, noch van die te Londen, die hij in den aanvang zijner academische loopbaan met zijne klandizie vereerde. Zelfs Finch de geldschieter, met wien Bloundell hem in kennis bracht en hij meer dan eens zaken had, waarbij de jonge schavuit zijne handteekening op gezegeld papier zette, behandelde Pen, volgens diens eigen bekentenis, met inschikkelijkheid en zette hem nooit meer dan honderd percent af. De oude kok van het Collegie, die hem eene vurige bewondering toedroeg, maakte eene afzonderlijke rekening voor hem op, wilde hem tot het laatste oogenblik diners blijven leveren en zou hem tot zijn laatsten ademtocht niet gemaand hebben. Arthur Pendennis had eene vriendelijkheid en openhartigheid over zich, welke de meeste menschen innam, die met hem in aanraking kwamen, en die hem, terwijl hij daardoor aan den eenen kant gemakkelijker ten prooi viel aan schurken, aan den anderen kant meer welwillendheid dan hij verdiende van den kant van brave menschen verwierf. Het was onmogelijk aan zijne goedhartigheid weerstand te bieden of, in zijne berispelijkste oogenblikken, niet te hopen, dat hij voor den algeheelen ondergang bewaard zou blijven.
Toen hij nog in den vollen roes der academievermaken verkeerde, zou hij de vroolijkste partij verlaten hebben, om een zieken vriend gezelschap te gaan houden. In de behandeling zijner bekenden maakte hij nooit onderscheid tusschen aanzienlijken en geringen, hoewel de smaak van den rampzaligen knaap, welke naar het weelderige overhelde, hem de voorkeur aan voornaam gezelschap deed geven; hij was maar al te bereidvaardig om eene guinje met een behoeftig vriend te deelen, en als hij geld had, bezat hij een onweerstaanbaren lust om te betalen, hetgeen hij zijn gansche leven door niet heeft kunnen afleeren.
In zijn derde studiejaar begonnen de schuldeischers op eene afgrijselijke manier rondom hem samen te scholen en was er eene vergadering voor zijne deur, die de leeraars vertoornde en menig stouter hart dan het zijne in de schoenen zou hebben doen zinken. Met sommige dier heeren disputeerde hij; anderen snauwde hij af (volgens den raad van mijnheer Bloundell, die doctor mocht heeten in die wetenschap, ofschoon hij het in geene andere werd) en bij enkelen bakte hij zoete broodjes. Men zegt, dat toen de kleine Mary Frodsham, de dochter van een armen vergulder en lijstenmaker, dien mijnheer Pen wel had willen begunstigen en die een aantal mooie lijsten voor zijne kostbare prenten had vervaardigd, met een hartbrekend verhaal tot hem kwam, dat haar vader ziek lag aan de koorts en zijn boel bij executie verkocht zou worden, – dat Pendennis toen in eene vlaag van berouw wegijlde, zijn groot horloge en elk kleinood – met uitzondering van twee oude gouden hemdsknoopjes, die aan zijn vader behoord hadden – verpandde en zich met het ontvangen bedrag naar Frodsham’s winkel spoedde, waar hij den armen ambachtsman, met tranen in de oogen en met de diepste wroeging en nederigheid, om vergiffenis smeekte.
Wij houden u dit niet voor, jonge heeren, als een bewijs van Pen’s deugd, maar veeleer van zijne zwakheid. Het zou veel deugdzamer geweest zijn, als hij in het geheel geen prenten had gekocht. Hij was nog altijd het geld schuldig voor de snuisterijen, die hij verpand of verkocht had om Frodsham’s rekening te voldoen, en zijne moeder moest zich op de pijnlijkste wijze bekrimpen om de nota van den juwelier te betalen, zoodat bij slot van rekening zij het was, die voor de onverantwoordelijke loszinnigheid en dwaasheden van den jonkman boeten moest. Wij stellen u Pen niet voor als een held of tot voorbeeld, maar alleen als een knaap, die, bij duizend ijdelheden en zwakheden, nog eenige edele opwellingen overgehouden heeft en niet geheel en al een schelm is.
Wij hebben vermeld, dat het eene ergernis voor den onderwijzer Buck was, dat Pen’s uitspattingen bekend werden. Om de wijze, waarop hij aan de academie was gekomen, de vrienden, waarmee hij omging, en de aanbevelingen van doctor Portman en den majoor, had Buck een tijdlang gedacht, dat zijn leerling een schatrijk personage was, zoodat hij zich zelfs eenigszins verwonderd had, dat Pen zoo eenvoudig leefde. Eens toen hij naar eene receptie ten hove te Londen gegaan was, om een adres van zijner majesteits getrouwe hoogeschool van Oxbridge over te brengen, had Buck den majoor Pendennis op het paleis van St. James in gesprek gezien met twee ridders van den Kouseband, en de verbijsterde geleerde zag hem na de receptie in het rijtuig van een hunner wegrijden. Zoodra hij te Oxbridge terugkwam, vroeg hij Pen op een glas wijn, stelde hem meer dan ooit vrij van het bijwonen van kerkdienst en lessen, en hield zich volkomen verzekerd, dat Pen een zeer vermogend jongmensch was.
Hij stond dus als van den donder getroffen toen hij de waarheid vernam en Pen zelf hem de noodlottige bekentenis deed. Pen’s academieschulden waren aanzienlijk, en met de Londensche schulden behoefde de onderwijzer zich niet in te laten, gelijk Pen er hem natuurlijk ook niet van inlichtte. Wie is er, die, door zijne vrienden aangespoord om te zeggen wat hij schuldig is, alles vertelt? De onderwijzer vernam genoeg om nu te weten, dat Pen arm was, dat hij een ruim, ja bijna rijk jaargeld had doorgebracht, en zulk een weelderigen oogst van schulden rondom zich had laten opgroeien, dat het bijna bovenmenschelijke krachten zou vorderen om die af te maaien, want er is geen plant, die sneller opwast dan deze, wanneer zij eenmaal wortel heeft geschoten.
Misschien omdat zijne moeder zoo teeder was en goed, schrikte Pen terug voor de gedachte, dat zij zijne zonden zou vernemen. „Ik kan het haar niet bekennen,” verklaarde hij aan zijn onderwijzer in zijne radeloosheid en zielesmart; „ik heb haar gemeen behandeld, mijnheer.” Hij had diep berouw; hij wenschte de gelegenheid te hebben om alles te boven te komen, en hij vroeg zich af, waarom zijn oom er zoo op aangedrongen had, dat hij met groote lui zou omgaan, en in welk opzicht zijne voorname kennissen hem van voordeel waren geweest?
Zij, van hun kant, ontweken Pen niet, maar hij dacht het, en hield zich dus gedurende den laatsten tijd van zijn verblijf aan de academie op een afstand. Hij was somber als een doodshoofd op de partijen, die hij ook zooveel mogelijk ontweek, zoodat zijne jonge vrienden ophielden hem te vragen. Iedereen wist, dat Pendennis op het punt stond van te „sjeezen.” Die Bloundell, die niemand kon betalen en na die cursussen genoodzaakt was te vertrekken, had hem in het verderf gestort, zeiden de studenten. Men kon Pen’s melancholische gestalte met eene gedeukte oude baret en een gescheurden tabbaard over de pleinen van de academie zien sluipen, en de man, die nog pas een jaar te voren de trots van de hoogeschool was, tegen wien de jonge studenten met eerbied opzagen, was nu het onderwerp der gesprekken op de partijtjes der groenen, die met verwondering en vreeze van hem gewaagden.
Eindelijk kwamen de examens. Menig jonkman, te gelijk met Pen aangekomen, met wiens zwaar bespijkerde schoenen Pen den draak gestoken, of wiens gezicht of kleeding hij bespottelijk gemaakt had, – menig student, dien hij in de collegiezaal met smaad bejegend of door zijne welsprekendheid in de debatteerclub overschaduwd had, menig student uit zijn eigen kring van bekenden, die niet de helft van zijn aanleg, maar wat meer werkzaamheid of bestendigheid bezat, kwam er met grooten lof, of althans draaglijk door. Maar waar op de examenlijst stond de prachtlievende Pen, de geestige en kwasterige Pen, de dichterlijke en welsprekende Pen? Ach, waar was Pen, de lieveling en de eenige roem der weduwe te vinden? Wij verbergen ons hoofd en maken een einde aan dit hoofdstuk. De lijsten werden openbaar gemaakt, en als een loopend vuurtje vloog de ontzettende mare de academie door, dat Pendennis van het Bonifacius-Collegie gedropen was.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE VLUCHT NA DE NEDERLAAG.
Ieder, die slechts de minste kennis van de wapen- en geslachtkunde bezit, weet ongetwijfeld, dat de adellijke familie, waartoe Helena Pendennis, zooals wij gezien hebben, behoorde, als helmteeken een nest vol kleine pelikaantjes voert, de bebloede borst van een groote wijfjespelikaan pikkende, die de kleine schelmpjes overvloedig voorziet van het voedsel, waarmee de heraldieke legende zegt, dat zij groot gebracht worden. Het is zeer waarschijnlijk, dat de wijfjes-pelikanen gaarne zoo bloeden onder de egoïstische bekjes harer jongen, en zeker is het, dat dit het geval met de vrouwen is. De pijn der zelfopoffering moet met een soort van genoegen gepaard gaan, waarvan wij mannen geen begrippen hebben, en ik geloof werkelijk, dat sommige vrouwen bij voorkeur aldus lijden. Zij houden er van, zich op te offeren ten behoeve van het voorwerp, dat haar instinct haar leert lief te hebben. Of het voor een verkwistend echtgenoot, een losbandig zoon, een lieve schavuit van een broer zij, – hoe bereidvaardig is haar hart om zijne dierbaarste schatten uit te storten ten voordeele van den geliefde; en wat zijn wij van onzen kant bereidvaardig, om die lieve schepseltjes eene ruime mate van die weelde te verschaffen! Er is bijna geen man, die dit leest, die niet op deze wijze genoegen heeft verschaft aan zijne vrouwelijke betrekkingen; die haar niet onthaald heeft op het genot van hem vergiffenis te mogen schenken. Het kan haar niet schelen hoe zij zelve leven; maar als de verloren zoon terugkomt, richten zij een feestmaal aan en slachten het gemeste kalf voor hem; en bij den allereersten schijn, dat de zondaar weerkeert, maken die lieve engelen haar onthaal gereed, en gaan de Barmhartigheid en de Vergevensgezindheid hem met een glimlach te gemoet. Ik hoop, dat dit ons allen steeds weervaren moge! moesten wij ons alleen op de Gerechtigheid verlaten, dan sta de hemel ons bij!
Gedurende den laatsten tijd van Pen’s verblijf aan de academie was de genegenheid van zijn oom ten zijnen opzichte aanmerkelijk toegenomen. De majoor was trotsch op Arthur, die een fieren geest, beste manieren, een goed voorkomen en de houding van een volmaakt gentleman bezat. Het deed den Londenschen ouden vrijer goed, Pen te zien omgaan met de jonge patriciërs der hoogeschool. Majoor Pendennis, die nooit vrienden noodigde en wiens schrielheid tot een spreekwoord was geworden onder sommige snaken in de club, die hem de vele uitnoodigingen, welke hij ontving, benijdden en zijne armoede niet in aanmerking verkozen te nemen, gaf met genoegen aan zijn neef en de jonge lords allerprettigste dinertjes op zijne eigene kamers en onthaalde hen op goeden wijn en zijne beste bon mots en vertellingen, waarvan verscheidene te veel verliezen zouden als wij ze hier herhaalden; want de majoor bezat een ongeëvenaard talent om duidelijk en onderhoudend te vertellen, terwijl echter de herhaling van sommige zijner geschiedenissen niemand tot heil zou strekken. De majoor vleide de ouders door middel van de kinderen, en zich zelven als het ware door hun gezelschap. Hij deed meer dan eens een uitstapje naar Oxbridge, waar de jongelui er vermaak in vonden den ouden heer te onthalen en zij partijtjes, dejeuners en fêtes gaven, gedeeltelijk om eene grap met hem te hebben en gedeeltelijk om hem eer te bewijzen. Hij vergastte hen op zijne verhalen, werd weer jeugdig en uitgelaten in het gezelschap der jeugdige lords, ging Pen bij eene groote vergadering der debatteerclub hooren, schreeuwde en applaudisseerde, stampte met zijn rotting in koor met de studenten en stond verstomd over de welsprekendheid en het vuur van den knaap. Hij hield zijn neef voor een jongen Pitt. Hij droeg Pen eene bijna vaderlijke genegenheid toe, schreef hem brieven met schertsende raadgevingen en nieuwtjes uit Londen, snoefde op Arthur in zijne clubs en haalde hem gaarne in zijne gesprekken aan. Voor den drommel, zeide hij, die jongelui groeien de ouwen boven het hoofd; de aankomende jongens, de jonge Lord Plinlimmon, een vriend van mijn neef, de jonge Lord Magnus Charters, een kameraad van dien guit, enz., zouden meer figuur in de wereld maken dan hunne vaders ooit gedaan hadden. Hij vroeg verlof om Arthur op eene groote partij op Gaunt House mee te brengen, waar hij hem met onbeschrijfelijke zelfvoldoening met de zusters der bovengenoemde jonge edellieden zag dansen, en hij gaf zich zooveel moeite voor den knaap uitnoodigingen in sommige voorname huizen te bekomen, alsof hij eene mama ware geweest, die eene dochter uit te huwelijken had, en niet een oud gepensioneerd officier met eene pruik. Overal zwetste hij op de groote talenten en de verbazende redenaarsgaven van zijn neef, en op het schitterend examen, dat hij zou afleggen. Lord Runnymede zou hem op zijne ambassade meenemen, of de hertog van Wellington zou hem voor een zijner plaatsjes tot parlementslid doen verkiezen; dit schreef hij onophoudelijk aan Helena, die van haar kant maar al te gewillig was om alles te gelooven wat men ten gunste van haar zoon geliefde te zeggen.