Part 46
„Met uw verlof, dat is de vraag niet,” zeide Pen, „en ik geloof ook niet, dat gij sterk op een antwoord aandringt. Ik had wel eenig gemoedsbezwaar over dat prospectus en heb er met mijn vriend Warrington over gesproken. Wij kwamen echter daaromtrent overeen,” vervolgde Pen lachend, „dat, ofschoon het prospectus vrij winderig en dichterlijk gesteld was en de reus buiten op het uithangbord veel grooter was geschilderd dan het origineel binnen in de tent, ons die kleine onnauwkeurigheid niet behoefden aan te trekken, maar ons deel in de vertooning konden spelen zonder onze eer te verbeuren of er gewetenswroeging bij op te doen. Wij zijn de vedelaars en spelen onze deuntjes; maar gij zijt de spelleman.”
„En de aanvoerder van de karavaan,” zeide Shandon. „Nu, het doet mij in ieder geval pleizier, dat uw geweten u de vrijheid geeft, voor ons te spelen.”
„Ja maar,” zeide Pen, vervuld met de waardigheid zijner positie, „wij zijn in Engeland allemaal partijmannen, en ik zal, als Brit, aan mijne partij getrouw blijven. Ik zal de onzen zoo zacht mogelijk behandelen, want men behoeft zijne eigen glazen niet in te smijten, en den vijand zoo hard raken als gij verkiest, kapitein, maar met eerlijke wapenen. Ik geloof, dat men niet altijd de volle waarheid kan vertellen; maar men kan zorgen niets te vertellen dan de waarheid; en ik zou liever honger lijden, bij den hemel, en nooit een duit meer met mijne pen verdienen,” (Pen zwaaide dat geduchte wapen nu sinds zes weken en sprak er met de grootste geestdrift en eerbied van) „dan een tegenstander op verraderlijke wijze te treffen of hem, indien ik hem eene plaats moest aanwijzen, lager te stellen dan hij verdiende.”
„Nu, mijnheer Pendennis, als wij Bacon willen verbrijzelen, zullen wij een anderen hamer moeten zoeken,” zeide Shandon met onverstoorbare goede luim, terwijl hij zeer waarschijnlijk bij zich zelven dacht: „Over eenige jaren zal de jonge heer zoo moeielijk niet meer zijn.” De oude aanvoerder zelf kende zulke gemoedsbezwaren niet meer. Hij had sinds jaren aan zooveel verschillende zijden gevochten en gemoord, dat zijn geweten niet meer sprak. „Wel, wel, wat hebt gij een fijngevoelig geweten, mijnheer Pendennis,” riep hij uit. „Het is de schat van alle nieuwelingen, en ik geloof dat ik eens zelf er ook een gehad heb; maar die soort van waan verdwijnt, als men in de wereld komt, en ik zal de moeite niet doen om een kunstmatig vernis over mij heen te leggen, zooals onze vrome vriend Wenham, of die Wagg, dat toonbeeld van deugd.”
„Ik weet niet, kapitein, of de schijnheiligheid van sommigen niet nog beter is dan de schaamteloosheid van anderen.”
„Het is in ieder geval voordeeliger,” zeide de kapitein, op de nagels bijtende. „Die Wenham is zoo’n domme kwakzalver als ooit zijne kunsten vertoond heeft, en echter ziet ge in welk een fraai rijtuig hij naar zijne diners rijdt. Te drommel, het zal lang duren eer mevrouw Shandon in haar eigen rijtuig rijdt. God sta het arme schepseltje bij!” En na deze kleine woordenwisseling en samenspraak verliet Pen zijn chef en trok zijne eigen moraal uit de beschouwingen van den kapitein. „Daar hebben wij nu een man,” dacht hij, „toegerust met genie, geest, geleerdheid en andere gelukkige natuurlijke begaafdheden; en zie nu hoe hij die verwoest heeft door zijne eer te verkoopen en de achting voor zich zelven te verspelen. Pas op u zelven, Pen! gij zijt al verwaand genoeg! Wilt gij uwe eer voor een appel en een ei verkoopen? Neen, met Gods hulp zullen wij, wat er gebeure, eerlijk blijven en zal onze mond, als die zich opent, niets dan de waarheid spreken.”
Er was voor mijnheer Pen eene straf of ten minste eene beproeving in aantocht. Uit het eerstvolgende nommer van de Pall Mall Gazette las Warrington, gierende van het lachen, een artikel voor, dat onzen vriend Arthur, die juist zelf aan eene recensie voor het volgende weeknommer van dat blad zat te werken, in het geheel geen pleizier deed, want het Lente-jaarboek werd daarin door een onbekend schrijver vreeselijk gehavend. En geen der medewerkers van het jaarboek kwam er slechter af dan juist Pen. Zijne verzen waren niet met zijn eigen naam, maar onder een verdichten naam in het Lente-jaarboek verschenen. Hij had het werk zelf niet willen recenseeren, waarop Shandon het aan Bludyer gegeven had, met aanbeveling om het kort en klein te slaan. En dit had de ander ook trouw gedaan. Bludyer, die geene geringe talenten bezat en tot een ras van dagbladschrijvers behoorde, hetwelk, naar ik geloof, tegenwoordig geheel uitgestorven is, bezat onder zijne beroepsgenooten een zekeren naam, wegens zijn toomeloozen humor. Hij vernielde en vertrapte de arme lentebloemen met even weinig barmhartigheid als een os in een bloembed dat doet; en toen hij dat deeltje naar hartelust had vermorzeld, verkocht hij het aan een boekenstalletje en onthaalde zich voor de opbrengst op eene flesch cognac.
ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN PEN IN DE STAD EN TEN PLATTEN LANDE OPTREEDT.
Men zal ons wel vergunnen eenige maanden in het leven van mijnheer Arthur Pendennis met stilzwijgen te laten voorbijgaan, in welke misschien vele gebeurtenissen hebben plaats gehad, die belangrijker en treffender voor hem zelven waren dan zij waarschijnlijk voor den lezer dezer gedenkschriften zouden zijn. Wij zagen hem in het vorige hoofdstuk geregeld werkzaam als broodschrijver, zooals mijnheer Warrington zich zelven en zijn vriend geliefde te betitelen; en wij weten, dat al wat men om den broode doet, hetzij op rechtsgeleerd of letterkundig gebied, hetzij als hulpprediker, of als krijgsman, of als kantoorklerk, een vervelend en langdradig routinewerk is. De arbeid van den eenen dag gelijkt maar al te zeer op dien van den anderen. Een letterkundige moet dikwijls, evenals ieder ander loonbediende, zijn werk verrichten als het hem walgt, of tegen zijn zin en ondanks ziekelijkheid of luiheid, of al stuit de zaak, waaraan hij juist zijne kunst moet toonen, hem tegen de borst. Wanneer gij uw brood met Pegasus moet verdienen (gelijk licht het geval kan zijn met dengeen, die niets anders geldwaardigs bezit), vaarwel dan poëzie en hemelvlucht; Pegasus gaat voortaan, evenals mijnheer Green’s luchtbol, op vooraf bepaalde tijdstippen omhoog, als de toeschouwers hun geld neergepast hebben. Pegasus loopt in het tuig met eene kar, of een rijtuig achter zich, over den steenweg. Dikwijls hijgt Pegasus onder het werk en knikken hem de knieën, en niet zelden krijgt hij van den koetsier nog een zweepslag op den koop toe.
Laat ons medelijden met Pegasus echter niet al te groot zijn. Er bestaat niet ééne reden waarom dit dier, meer dan eenig ander schepsel op Gods wereld, van arbeid, ziekte of achteruitgang bevrijd zou zijn. Als Pegasus de zweep krijgt, heeft hij die dikwijls verdiend, en ik, voor mij, protesteer gaarne met mijn vriend George Warrington tegen de leer, welke sommige dichterlijk-gezinde bewonderaars ingang zouden willen doen vinden, dat de letterkundigen, de zoogenaamde menschen van genie, bevrijd zouden moeten zijn van de prozaïsche verplichtingen van het dagelijksche, broodbehoevende, belastingbetalende leven, en niet zouden moeten werken en betalen gelijk hunne naasten.
Daar de Pall Mall Gazette voorgoed gevestigd en Arthur’s verdienste als een levendig, geestig en onderhoudend recensent erkend was, werkte hij iedere week zeer vlijtig aan beoordeelingen van werken, die binnen den kring van zijn gebied lagen, en schreef hij zijne beschouwingen ontegenzeglijk luchtig, maar eerlijk, en zoo goed hij kon. Misschien werd een geschiedschrijver van vijf dozijn jaren, die het vierde eener eeuw besteed had aan het samenstellen van een werk, waarover onze jonge heer, na een paar dagen zoekens in het Britsch Museum, den staf brak, wel eens niet geheel naar verdienste behandeld door zulk een vlug beoordeelaar; of werd een dichter, die verhevene sonnetten en oden zoolang gepolijst had tot hij ze het publiek en zijn roem waardig achtte, geërgerd door twee of drie dozijn scherpe regels van mijnheer Pen, waarin de verdiensten van den dichter werden geschat door den criticus, alsof deze een rechter op zijn zetel was en de ander een ellendig beschuldigde, die voor hem sidderde. De tooneelspelers beklaagden zich ook bitter over hem, en zeer waarschijnlijk is het, dat hij te bar jegens hen was. Doch, alles wel beschouwd, richtte hij niet veel schade aan. Tegenwoordig is het anders, gelijk wij weten; maar er waren in Pen’s tijd zoo weinige groote geschiedschrijvers, groote dichters of groote acteurs, dat er bijna geene optraden, om aan zijn lessenaar hun vonniste komen vernemen. Degenen, die eene kleine afstraffing ondergingen, kregen over het geheel niets anders dan hun verdiend loon, ofschoon de rechter niet veel knapper of wijzer was dan de personen, die hij vonniste, en zich ook niet als zoodanig beschouwde. Pen bezat veel gevoel voor humor en rechtvaardigheid en koesterde daarom geen overdreven ingenomenheid met zijne eigen werken; bovendien had hij zijn vriend Warrington aan zijne zijde – een geducht criticus zoodra de jonkman overhelling tot verwaandheid aan den dag legde, en onbarmhartiger voor Pen dan deze ooit was voor degenen, die bij zijne letterkundige rechtbank hun vonnis vernamen.
Met dezen critischen arbeid en door nu en dan hoofdartikelen aan het blad te leveren, als onze uitstekende publicist zijn gevoelen kon openbaren zonder nadeel voor het blad, verdiende mijnheer Arthur Pendennis met vrij wat moeite de som van vier pond vier shillings ’s weeks. Hij leverde ook opstellen aan magazijnen en tijdschriften en wordt verdacht gehouden (ofschoon hij zich daarover nooit heeft willen uitlaten) de Londensche correspondent van de Chatteries Champion te zijn geweest, die toenmaals verscheidene zeer levendige en keurig geschreven brieven uit de hoofdstad bevatte. Op deze wijze gelukte het den voorspoedigen jonkman bijna vierhonderd pond ’s jaars te verdienen, en de tweede Kerstmis na zijne aankomst te Londen kon hij werkelijk honderd pond voor zijne moeder meebrengen, als korting op hetgeen hij aan Laura verschuldigd was. Elk lezer, die de zoon-aanbidding van moeders heeft bijgewoond, die de argelooze liefde kent, waarmee vrouwen ten platten lande de loopbaan harer lievelingen te Londen volgen, zal zich kunnen voorstellen, dat mevrouw Pendennis al de werken van haar zoon tot de laatste letter las en hem voor den diepzinnigsten denker en den sierlijksten schrijver van zijn tijd hield; dat zij die betaling van honderd pond als een bewijs van engelendeugd beschouwde; dat zij vreesde, dat hij door dit werken zijne gezondheid knakken zou, en dat zij verrukt stond toen hij haar vertelde van de kringen, waarin hij verkeerde, en van al de mannen, groot in de letteren en in de wereld, waarmee hij in aanraking kwam. Welke zaligheid vervult het hart der moeders en zusters thuis in Somersetshire, als aan Jan eene rechtszaak is opgedragen, als Piet op een of ander bal is genoodigd, als Klaas dezen of genen grooten en vermaarden man op een diner ontmoet heeft! Wat worden de brieven van den veelbelovenden lieveling herlezen en in het geheugen bewaard! Wat leveren zij stof tot dorpsgesprekken en gelukwenschingen van vrienden! In den tweeden winter kwam Pen voor zeer korten tijd over en bracht vroolijkheid in de eenzame woning te Fairoaks. Helena had haar zoon nu geheel voor zich zelve; Laura was uit logeeren bij de oude Lady Rockminster; de bewoners van Clavering Park waren afwezig; de enkele oude huisvrienden, met doctor Portman aan het hoofd, kwamen een bezoek bij mijnheer Pen afleggen en behandelden hem met in het oog loopenden eerbied. Er heerschte niets dan liefde, vertrouwen en genegenheid tusschen moeder en zoon. Het waren de gelukkigste paar weken, die de weduwe, en misschien haar zoon ook, tot nog toe beleefd had. Die vacantie ging maar al te spoedig voorbij: Pen keerde in het gewoel der wereld terug en de teerhartige weduwe bleef weer eenzaam achter. Zij zond Arthur’s geld aan Laura. Ik weet niet waarom deze jonge dame de gelegenheid aangreep om het huis te verlaten toen Pen daarheen kwam, en evenmin of hare afwezigheid Pen speet dan hem wel verlichting schonk.
En ten gevolge van zijne eigen verdiensten èn door de aanbevelingen van zijn oom was hij in dezen tijd te Londen goed geïntroduceerd en zoowel in de letterkundige als in de voorname kringen bekend. In de eerstgenoemde was zijn roep van voornaamheid hem van geen geringen dienst. Men hield hem voor een heer van ruime middelen, die nog meer te wachten had, en die voor zijn genoegen schreef, en beter aanbeveling dan dit laatste bestaat er niet voor een jongmensch, die de letterkundige loopbaan wil betreden. Bacon, Bungay en Co. achtten zich vereerd, dat zij artikelen van hem ontvingen; mijnheer Wenham vroeg hem te dineeren; mijnheer Wagg beschouwde hem met een gunstig oog, en zij vertelden overal, hoe zij hem ten huize van voorname lui ontmoet hadden, waar hij zeer welkom was, daar men er zich om zijne tegenwoordige of toekomstige middelen niet bekommerde en hij zich goed wist voor te doen en den naam van knapheid had. Ten slotte werd hij in het eene huis gevraagd, omdat men hem in het andere gezien had; en op die wijze vertoonde zich het Londensche leven in al zijne verscheidenheid aan zijn oog; hij werd met allerlei slag van menschen, van Paternoster Row tot Pimlico, gemeenzaam bekend, en was evengoed thuis op de diners in Mayfair als aan de tafels in de herbergen, waar verscheidene zijner pengenooten gewoonlijk bijeenkwamen.
De jonkman, die vol levenslust en weetgierigheid was en zich gemakkelijk schikte naar iedereen met wien hij in aanraking kwam, gevoelde zich op zijn gemak onder die zonderlinge verscheidenheid en mengeling van menschen en maakte het zich overal, waar hij kwam, aangenaam of althans gemakkelijk. Zoo ontbeet hij bijv. heden of morgen bij mijnheer Plover met een pair, een bisschop, een redenaar uit het parlement, een paar voorname dames, een populair predikant, den schrijver van den laatsten nieuwen roman, en den allerlaatsten lion, die uit Egypte of Amerika was aangevoerd; en dit voorname gezelschap verwisselde hij vervolgens met de achterkamer van het dagbladbureau, waar hem pen en inkt en de vochtige proefbladen lagen te wachten. Daar zat dan Finucane met de laatste nieuwstijdingen uit de Row; en een oogenblik later kwam Shandon binnen, groette Pen met een hoofdknik, en begon aan het andere eind der tafel, met een fleschje sherry naast zich, dat de loopjongen altijd stilzwijgend kwam brengen zoodra hij den kapitein in het oog kreeg, zijn hoofdartikel te krabbelen; of men hoorde mijnheer Bludyer’s bulderende stem in het voorvertrek, waar die bloeddorstige criticus de boeken op de toonbank in beslag nam, in weerwil van het bedeesde verzet van mijnheer Midge, den uitgever van het blad, en na de boeken dan doorgebladerd te hebben, verkocht hij ze aan zijn gewone boekenstalletje, at en dronk in eene herberg van de opbrengst, vroeg vervolgens om papier en inkt en begon den auteur van zijn diner en van den roman „uit te kleeden.” Tegen den avond wandelde mijnheer Pen den weg naar zijne club op en haalde Warrington daar af, om eene wandeling voor hunne gezondheid te gaan doen. Door deze lichaamsbeweging zetten zich de longen uit en verschafte men zich eetlust, waarna Pen het geluk had zijne opwachting te mogen gaan maken in verscheidene alleraangenaamste huizen, die voor hem openstonden; of hij had de geheele stad voor zich tot zijne uitspanning. Dan had men verder de opera; de herberg de Adelaar; of een bal in Mayfair; of een stil avondje met eene sigaar en een boek en een lang gesprek met Warrington; of een heerlijk nieuw lied in de Achterkeuken. In dezen tijd zijns levens zag mijnheer Pen alle soorten van plaatsen en menschen; en zeer waarschijnlijk is het, dat hij niet wist hoe goed hij zich vermaakte dan eerst daarna, toen bals hem geen genoegen meer opleverden, en kluchtspelen hem niet meer deden lachen, de aardigheden in de koffiehuizen hem volstrekt niet meer troffen, en de lieftalligste danseres, die ooit hare enkels liet zien, niet in staat was hem na het diner van zijn stoel te lokken. Op zijn tegenwoordigen rijpen leeftijd, zijn al deze genoegens voorbij, en de tijd daarvoor is ook voorbij. Het is nog slechts zeer weinige jaren geleden – maar die jaren zijn verdwenen, gelijk de meeste dier menschen. Bludyer zal nooit meer de schrijvers vertrappen of de kasteleins oplichten. De geleerde en verkwistende, de geestige en onverstandige Shandon is in den laatsten slaap gewiegd. De eenvoudige Doolan is onlangs begraven; hij zal nooit meer kruipen of pluimstrijken, nooit meer zwetsen of whisky-grog drinken.
Het was thans in het drukste van het seizoen, en de bladen, die het nieuws uit de voorname wereld behelsden, stonden vol berichten over de groote feestmaaltijden, partijen en bals, die de aanzienlijke kringen verlevendigden. De koning hield levers en receptiën in het St.-Jamespaleis; aan de vensters der clubs zag men niets dan hoofden en roode gezichten van deftige heeren, die de couranten zaten te lezen; duizenden rijtuigen rolden langs de Serpentine, en geheele eskadrons dandy’s te paard draafden door Rotten Row. In één woord, iedereen was in de stad, en natuurlijk kon majoor Arthur Pendennis, die ook wat te beteekenen had, niet afwezig zijn.
Het hoofd met een sierlijken zijden zakdoek omwikkeld en de magere gestalte in eene bonte, Turksche kamerjapon gehuld, zat deze waardige heer op zekeren morgen in het hoekje van den haard met de voeten in een lauw warm bad, terwijl hij zijn eerste kopje thee dronk en de Morning Post doorliep. Hij kon den dag niet ingaan, zonder twee uren aan zijn toilet te besteden, zonder zijn kopje thee te drinken, zonder de Morning Post te lezen. Ik geloof, dat niemand ter wereld buiten Morgan, ja Morgan’s meester zelf niet, wist hoezeer de majoor verzwakte en veranderde, en welk een aantal kleine gemakken hij noodig had.
Gelijk wij mannen, naar onze gewoonte, smalen op eene oude coquette, op haar blanketsel, hare reukwateren, hare lokken, en op de ontelbare, ons onbekende kunstgrepen, die men zegt dat zij aanwendt om de verwoestingen van den tijd te verhelpen en de bekoorlijkheden weer terug te roepen, waarvan de jaren haar beroofd hebben, zoo mogen wij ook vooronderstellen, dat de dames van haar kant zeer goed weten dat de mannen even ijdel zijn als zij, en dat het toilet van een ouden fat even omslachtig is als het hare. Hoe houdt de oude Blushington dat eeuwigdurende rozenblosje op zijne wangen? en waar haalt de oude Blondel het middel vandaan, dat zijn zilverwit haar voor goudblond moet doen doorgaan? Hebt gij ooit Lord Hotspur van paard zien stijgen, als hij denkt dat niemand naar hem kijkt? Als hij uit de stijgbeugels gelicht is, kunnen zijne blinkende laarzen ternauwernood de stoep van Hotspur House opstrompelen. Wanneer hij door Rotten Row rijdt en men hem van achteren ziet, is hij nog altijd een eerste dandy; maar als ge hem te voet ontmoet, wat is hij dan oud! Hebt gij u ooit kunnen voorstellen, hoe Dick Lacy (hij wordt nu al zestig jaar lang Dick genoemd) er in zijn natuurlijken toestand en zonder zijn korset uitziet? Al die mannen zijn voorwerpen, welke een nauwkeurig waarnemer van het leven en de handelingen der menschen met evenveel nut kan bestudeeren als de meest verouderde Venus in Belgravia, de meest onverbeterlijke Jezabel in Mayfair. Een oude guit, die sinds vijftig jaar niet gebeden heeft, behalve misschien in het publiek; een oude fat, die nog zooveel van de gebruiken der jeugd bijhoudt als zijne verzwakte gezondheid toelaat, die van de flesch heeft moeten afzien, maar er onder een glas water en een stuk brood met jonge snaken bij zit, en die geen bewonderaar van de schoonen meer zijn kan, maar er even ondeugend over spreekt als de jongste roué van het gezelschap, – zulk een oude kerel zou, indien een of andere dominé in Pimlico of St. James hem door de kerkeknechts in het midden der gemeente op een armstoel liet zetten en hem tot onderwerp eener preek nam, voor een enkelen keer in zijn leven tot een goed doel gebruikt kunnen worden en wellicht zelf verstomd staan bij de ervaring, dat er eenige nuttige les uit hem te trekken was. Maar wij dwalen van ons onderwerp, den eerzamen majoor af, wiens voeten onderwijl in het bad koud worden; Morgan neemt ze dus uit die plaats der verkwikking, droogt ze voorzichtig af, zet vervolgens den ouden heer op de beenen en voorziet hem eindelijk van zijn lendeband en pruik, zijne gestijfde das en zijne smettelooze laarzen en handschoenen.
Gedurende deze uren van het toilet hielden Morgan en zijn meester hunne vertrouwelijke gesprekken, want zij kwamen op andere tijdstippen van den dag niet veel met elkander in aanraking; de majoor toch verafschuwde het gezelschap zijner eigen tafels en stoelen op zijne kamers en Morgan had dus, na ’s morgens zijn heer gekleed en hem de brieven, overhandigd te hebben, den tijd grootendeels tot zijne eigene beschikking.
Dezen vrijen tijd besteedde die levendige en beleefde heer onder de knechts en hofmeesters van den adel, die den kring zijner bekenden uitmaakten; en Morgan Pendennis, gelijk men hem noemde – want de knechts van gentlemen worden in hunne eigen kringen met aldus samengestelde namen aangeduid – was een trouw en welkom bezoeker aan verscheidene der aanzienlijkste tafels dezer stad. Hij was lid van twee groote clubs in Mayfair en Pimlico, waardoor hij alle stadspraatjes vernam en zijn meester zeer aangenaam gedurende de twee uren van het toilet kon bezig houden. Hij kende honderd verhalen en legenden betrekkelijk personen van den hoogsten ton, wier bedienden hunne doorluchtige geheimen bespreken, eveneens, lieve mevrouw, als onze eigene meiden en bedienden in de keuken over ons karakter, onze schrielheid of mildheid, ons geld of ons geldgebrek en onze kleine huiselijke of huwelijkstwisten en oneenigheden handelen. Als ik dit handschrift open op tafel laat liggen, ben ik zeker dat Betje het zal lezen en er heden avond met hare kameraden in de keuken over spreken; en morgen zal zij mij met zulk een onschuldig, trouwhartig gezicht mijn ontbijt komen brengen, dat niemand haar van spionneeren zou durven verdenken. Indien gij en de kapitein ergens hooge woorden over hebt gehad, hetgeen altijd mogelijk is, dan zullen de bijzonderheden van den twist en uw beider karakters onpartijdig en welsprekend aan de theetafel in de keuken besproken worden; en als de kamenier van mevrouw Smith bij geval een kopje thee komt drinken bij de uwe, zal hare tegenwoordigheid het aangeknoopte gesprek niet doen afbreken; zij zal openhartig haar gevoelen zeggen, en den volgenden dag zal hare meesteres waarschijnlijk weten, dat kapitein Jones en zijne vrouw, als naar gewoonte, twist hebben gehad. Niets blijft geheim! Prent u maar in, dat Jan alles weet, en dat het in onze nederige kringen gaat gelijk in de grootste: een hertog is evenmin een held voor zijn kamerdienaar als gij of ik; en in zijne club bespreekt de bediende van zijne genade, in gezelschap van andere heeren van gelijken maatschappelijken rang, het karakter en de zaken van zijn meester, met die onbewimpelde waarheidsliefde, die mannen past als zij vertrouwelijk met elkaar omgaan. Wie een gierigaard is en zijn geld oppot; wie in de handen van geldschieters is gevallen en zijn edelen naam achter op wisselbrieven schrijft; wie op vertrouwelijken voet staat met de vrouw van een ander; wie hare dochter aan zeker iemand ten huwelijk wil opdringen (hetgeen hij zich niet zal laten doen, neen, voor geen geld ter wereld!) – al dergelijke zaken worden door de vertrouwde bedienden van gentlemen onderling besproken, en worden gehoord en onderzocht door iedereen, die eenige aanspraak op eene plaats in de voorname kringen heeft. Kortom, daar de oude Pendennis den naam had van alles te weten en eene wonderbaarlijke kwaadsprekendheid aan de loffelijkste discretie wist te paren, is het niet anders dan billijk dat wij verklaren, dat de majoor een groot gedeelte zijner nieuwtjes van Morgan vernam, die er voor hem op uitging en ze opspoorde. En welken beteren weg kan men inslaan, om de Londensche maatschappij te leeren kennen, dan door te beginnen van den grond af, namelijk in de keukengewesten?